id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.6 Rolnummer: C.05.0270.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-09-15 Raadplegingen: 571 - laatst gezien 2026-07-03 21:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien de agentuurovereenkomst een concurrentiebeding bevat is de verbintenis tot nakoming ervan een gevolg van deze overeenkomst en is de rechtsvordering waartoe deze verbintenis aanleiding geeft onderworpen aan de verjaringstermijn van een jaar na het einde van die overeenkomst, met dien verstande dat deze termijn eerst loopt vanaf het tijdstip waarop die verbintenis een einde neemt
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: KOOPHANDEL. KOOPMAN Handelsagentuur Concurrentiebeding Aard Verbintenis Vordering Verjaring Termijn Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 13-04-1995 - Art.26 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Handelsagentuur Concurrentiebeding Verbintenis Vordering Termijn Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 13-04-1995 - Art.26 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 18 mei 2006, AR C.05.0270.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: KOOPHANDEL. KOOPMAN Handelsagentuur Concurrentiebeding Aard Verbintenis Vordering Verjaring Termijn Aanvang Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Allerlei Handelsagentuur Concurrentiebeding Verbintenis Vordering Termijn Aanvang Nota: C.05.0270.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
- Het bestreden arrest heeft de door eiseres ingestelde tegenvordering, die ertoe strekte van verweerster een vergoeding te bekomen wegens de op 26 juli 2001 vastgestelde schending van het niet-concurrentiebeding opgenomen in de handelsagentuurovereenkomst tussen partijen, die een einde had genomen op 14 juni 2001, bij toepassing van het artikel 26 van de Wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, als verjaard afgewezen, om de reden dat deze tegenvordering werd ingesteld meer dan een jaar na het einde van de overeenkomst.
- In het eerste onderdeel van het enig cassatiemiddel voert eiseres de schending aan van dat artikel
- Krachtens deze bepaling "verjaren de rechtsvorderingen, die uit een agentuurovereenkomst ontstaan, een jaar na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn langer mag duren dan een jaar na het einde van de overeenkomst". Volgens het onderdeel zou, wanneer bepaalde verbintenissen uit de overeenkomst blijven gelden na het einde ervan - zoals de verbintenis om gedurende een bepaalde tijd na dat einde geen concurrentie te doen - de eenjarige verjaringstermijn aanvangen wanneer deze verbintenissen een einde nemen. Waar het concurrentiebeding in dezen gold tot zes maanden na het beëindigen van de overeenkomst (op 14 juni 2001), dus tot 15 december 2001 en de verjaringstermijn dus liep tot 15 december 2002, was de op 22 november 2002 door eiseres ingestelde tegenvordering dus tijdig en werd ze dan ook met miskenning van het artikel 26 van de Wet van 13 april 1995 als verjaard afgewezen.
- De standpunten over de interpretatie van deze bepaling in een geval als te dezen lopen uiteen. Meestal wordt aangenomen dat de eenjarige verjaringstermijn een aanvang neemt hetzij met ingang van de datum van de miskenning van het concurrentiebeding of van de vaststelling ervan
(1), hetzij vanaf het ogenblik dat de post-contractuele verbintenis een einde neemt
(2). Het Hof werd nog niet in de gelegenheid gesteld hierin te trancheren, minstens niet in het kader van de Wet van 13 april 1995. De voorbereidende werken hiervan brengen evenmin verheldering. Daar het bedoelde artikel 26 evenwel een nagenoeg slaafse weergave is van het artikel 15 van de Wet van 3 juli 1978 op de Arbeidsovereenkomsten, lijkt het verantwoord de rechtspraak en rechtsleer te onderzoeken, die ontwikkeld werd met betrekking de toepassing van laatst vermeld artikel inzake vorderingen ontstaan na het einde van de overeenkomst. Hierbij kunnen voornamelijk twee standpunten worden onderscheiden. Volgens de enen is in dergelijk geval de gemeenrechtelijke verjaring van toepassing, volgens de anderen de eenjarige verjaringstermijn (met aanvang zoals hiervoor omschreven)
(3). De in het bestreden arrest verdedigde stelling - weliswaar volgens de letter van artikel 26 - vindt dus geen steun in rechtspraak en rechtsleer. Waar deze bepaling toepasselijk is op de "rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan" en dus bezwaarlijk voor te houden is dat de vordering ontstaan uit de miskenning van een in een agentuurovereenkomst opgenomen concurrentiebeding geen vordering is die uit die overeenkomst is ontstaan, volgt uit de tekst zelf van de wet dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn ter zake buiten beschouwing moet worden gelaten. Daar het evenwel niet redelijk te verantwoorden valt dat de verjaringstermijn van een rechtsvordering zou ingaan vooraleer deze rechtsvordering ontstaat
(4), bepalen de voorstanders van de toepasselijkheid van het artikel 26 doorgaans de aanvang van die eenjarige termijn op een van de voormelde tijdstippen. Deze aanvang bepalen op het ogenblik van de miskenning van de post-contractuele verbintenis schenkt evenwel geen voldoening, nu deze opvatting geen steun vindt in de tekst van het artikel 26, dat enkel de vijfjarige en niet de eenjarige verjaringstermijn doet aanvangen met ingang van het feit waaruit de vordering is ontstaan. Bovendien krijgt de door de miskenning van de post-contractuele verbintenis benadeelde partij meestal slechts geruime tijd later hiervan kennis, zodat het problematisch voorkomt in dit geval de termijn van de verjaring van de vordering, waarover die partij voortaan beschikt, te doen ingaan op een vroegere datum. Tenslotte kan de datum van deze kennisname of vaststelling van de miskenning zich zelfs na het einde van de post-contractuele verbintenissen situeren. De stelling dat de verjaringstermijn aanvangt op het ogenblik van de miskenning van de post-contractuele verplichting of van de vaststelling ervan, die daarenboven de rechtszekerheid niet dient, kan dus niet worden gevolgd. Dit alles in acht genomen dient de voorkeur te gaan naar de in hoofdorde door het onderdeel aangenomen stelling: de in artikel 26 van de Handelsagentuurwet bedoelde eenjarige verjaringstermijn vangt aan op het einde van de post-contractuele verbintenissen. Deze stelling (die spoort met deze van het Hof m.b.t. artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet
(5)) houdt drie voordelen in: 1° ze heeft niet het onredelijk of onbillijk karakter van de te letterlijke interpretatie van het artikel 26; 2° ze biedt meer rechtszekerheid dan de stelling die de datum van miskenning van de post-contractuele verbintenis of van de vaststelling ervan weerhoudt; 3° ze sluit aan bij de termen van het artikel 26, nu kan gesteld worden dat met het eindigen van de overeenkomst in de zin van die bepaling dient te worden begrepen: "het eindigen van de verbintenissen uit de overeenkomst". Het onderdeel is dus gegrond, terwijl de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden. 4. Conclusie: vernietiging. ___________________________
(1)A. de Theux, La fin du contrat d'agence commerciale, Brussel, Bruylant, 1997, 129, nr 114.
(2)Ph. De Keyser & N. Beaufils, "Agence commerciale et représentation commerciale. La loi du 13 avril 1995", J.T.T., 1996, 11.
(3)Zie Cass. 21 juni 1993, AR 8283, nr. 295 en J.T.T., 1993, 325, met noot; Cass., 21 oktober 2002, AR S.99.0090.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021021.6, www.cass.be en Cass., 30 mei 2005, AR S.04.0115N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050530.4, www.cass.be; F. Kéfer & J. Clesse, "La prescription extinctive en droit du travail", in Formation permanente CUP, La Prescription, 14, nr. 6 en J.T.T. 2001, 202-203, nr. 6; H.-D. Bosly & J. Van Drooghenbroeck, "La prescription", in Le contrat de travail dix ans après la loi du 3 juillet 1978, 330; D. Parotte, "La prescription des actions résultant du contrat de travail", J.T.T., 1985, 178, nr. 8; en in dezelfde zin: J. Herman, "De verjaring in het arbeidsrecht", J.T.T., 1984, 125; zie ook: Cass. 19 februari 1960, Pas. 1960, I, 709, met noot R.H.
(4)Zie overigens het adagium: "Actiones non natae non praescribuntur".
(5)Zie voetnoot
- Tekst van de beslissing Nr. C.05.0270.N FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D.E. verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 20 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst; - artikel 2262bis, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de tegenvordering van (de eiseres), gesteund op een schending van het niet-concurrentiebeding door de verweerster, verjaard op grond van volgende overwegingen: "Fortis (de eiseres) stelde eveneens bij zelfde conclusie dd. 22 november 2002 een deelvordering in wegens inbreuk op het beding van niet-concurrentie, opgenomen in het avenant van de overeenkomst onder de artikels 4 en 5, in extenso geciteerd door de eerste rechter op pagina 2 van het bestreden vonnis. Het gaat specifiek om een verbod 'enige activiteit uit te oefenen gelijkaardig aan die welke in deze overeenkomst is bepaald en dit voor een duur van zes maanden na de beëindiging van de overeenkomst'. De eerste rechter oordeelde dat een dergelijke vordering, hoewel 'haar oorsprong vindend in het sluiten van de agentuurovereenkomst, doch pas ontstaan na het einde ervan' onderworpen is aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn (p. 10/11). De eerste rechter stelde verder dat op grond van de vaststelling verricht door gerechtsdeurwaarder Vijt dd. 26 juli 2001 genoegzaam de miskenning van het beding werd aangetoond en kende ten titel van schadevergoeding één jaar commissie ad 104.180,97 euro toe. (De verweerster) stelt dat ook deze deelvordering onderworpen is aan de verjaring ex art. 26 WHO. Ondergeschikt stelt zij dat het niet-concurrentiebeding geen uitwerking kan hebben (art. 24, ,§2, WHO) en meer ondergeschikt verzoekt zij om de forfaitaire schadevergoeding te herleiden tot de helft (art. 1231 B.W.). Hoe dit te beoordelen ? De verjaring ex art. 26 WHO is op de eerste plaats van toepassing op een rechtsvordering die uit de agentuurovereenkomst ontstaat. Niet ernstig kan betwist worden dat de vordering strekkende tot de in art. 5 van het avenant van de overeenkomst vastgelegde forfaitaire vergoeding wegens inbreuk op het niet-concurrentiebeding zijn ontstaan vindt in de agentuurovereenkomst. De eerste rechter had het over 'zijn oorsprong vinden in het sluiten van de overeenkomst', hetgeen niet vereist is krachtens art. 26 WHO. De vordering dient te zijn ontstaan uit de overeenkomst. Het niet-concurrentiebeding maakt deel uit van de overeenkomst en legt de agent/medecontractant in de tijd nog navolgende verplichtingen op na het beëindigen van de overeenkomst, verplichtingen die echter rechtstreeks voortvloeien uit de overeenkomst zelf. Partijen voeren vervolgens een inhoudelijk debat over het vertrekpunt van de verjaring. Art. 26 WHO geeft twee vertrekmogelijkheden aan van twee onderscheiden termijnen, met name: - één jaar na het eindigen van de overeenkomst; - of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst. In onderhavige zaak en meer specifiek inzake de deelvordering wegens het niet respecteren van het niet-concurrentiebeding situeert 'het feit' waaruit de vordering is ontstaan zich na beëindiging van de overeenkomst. Het kwestieuze niet-concurrentiebeding speelt immers maar voor de periode na het beëindigen van de overeenkomst en is beperkt tot zes maanden na dit einde, in casu tussen 15 juni 2001 en 15 december
- Het feit dat (de verweerster) een inbreuk op het niet-concurrentiebeding heeft gepleegd werd behoorlijk vastgesteld op 26 juli 2001, hetgeen op zich niet ernstig betwist wordt. Er is geen enkele wettelijke houvast om te stellen, zoals (de eiseres) doet, dat de verjaringstermijn van één jaar eerst een aanvang zou nemen na het verstrijken van de termijn van zes maanden, dit is vanaf 15 december
- De verjaringstermijn bedraagt volgens art. 26 WHO vijf jaar na de inbreuk 'het feit' - vastgesteld op 26 juli 2001, zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het beëindigen van de overeenkomst, zijnde 15 juni
- De bepaling opgenomen in art. 26 WHO is specifiek, duidelijk en niet in strijd met het gemeen recht (ondermeer art. 2257 B.W., bepaling die trouwens niet van openbare orde is). Besluit Deze deelvordering, ingesteld per 22 december 2002, is eveneens verjaard op grond van art. 26 WHO". Grieven Eerste onderdeel Artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst. Wanneer evenwel bepaalde verbintenissen uit de handelsagentuurovereenkomst blijven gelden na het eindigen van die overeenkomst - zoals de verbintenis om gedurende een bepaalde tijd na het eindigen van de overeenkomst geen concurrentie te doen - dan vangt de verjaring van de vordering gesteund op de niet-naleving van die verbintenissen aan bij het eindigen van die verbintenissen, die deel uitmaken van de handelsagentuurovereenkomst, of bij het feit waaruit die vordering is ontstaan zonder dat in dit laatste geval de verjaringstermijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van die verbintenissen. In onderhavige zaak werd de handelsagentuurovereenkomst tussen partijen beëindigd op 14 juni
- Die overeenkomst bevatte een niet-concurrentiebeding, dat gold tot zes maanden na het einde van de handelsagentuurovereenkomst. Het niet-concurrentiebeding dat deel uitmaakt van de handelsagentuurovereenkomst, bleef derhalve van toepassing tot 15 december
- De inbreuk op dit beding dateert van 26 juli
- De verjaring van vermeld artikel 26 voor wat betreft de vordering gesteund op de schending van het niet-concurrentiebeding vangt derhalve aan op 15 december 2001 (einde van het niet-concurrentiebeding) om te eindigen op 15 december
- In elk geval mag de verjaringstermijn niet langer duren dan 15 december
- De tegenvordering van de eiseres gesteund op de niet-naleving van het niet-concurrentiebeding werd volgens het bestreden arrest ingesteld op 22 november
- Het bestreden arrest, door te oordelen dat die tegenvordering verjaard is, schendt derhalve artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. Tweede onderdeel (subsidiair) Artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst. Wanneer evenwel het feit waaruit de vordering is ontstaan betrekking heeft op verbintenissen uit de handelsagentuurovereenkomst die blijven gelden na het eindigen van die overeenkomst, zoals de verbintenis om gedurende een bepaalde termijn na het eindigen van de handelsagentuurovereenkomst geen concurrentie te doen, dan verjaart die vordering vijf jaar na dit feit en kan de beperking van die termijn tot één jaar na het eindigen van de overeenkomst niet gelden. In onderhavige zaak heeft de verweerster op 26 juli 2001 een inbreuk gepleegd op het niet-concurrentiebeding, dat tussen partijen gedurende zes maanden na het eindigen van die overeenkomst bleef gelden. De verjaring van artikel 26 van de wet van 13 april 1995 vangt derhalve aan op 26 juli 2001 om te eindigen op 26 juli
- De tegenvordering van de eiseres, gesteund op de niet-naleving van het niet-concurrentiebeding werd volgens het bestreden arrest ingesteld op 22 november
- Het bestreden arrest, door te oordelen dat die tegenvordering verjaard is, schendt derhalve artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst. Derde onderdeel (subsidiair) De verjaring van de vordering gesteund op de schending van een niet-concurrentiebeding, dat van toepassing is na het eindigen van de handelsagentuur-overeenkomst, wordt niet geregeld door artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst maar door artikel 2262bis, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni 1998, volgens hetwelk alle persoonlijke rechtsvorderingen in principe verjaren door verloop van tien jaar vanaf het ontstaan ervan. Door de tegenvordering van de eiseres, gesteund op de schending op 26 juli 2001 van het niet-concurrentiebeding, verjaard te verklaren in toepassing van artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, schendt het bestreden arrest dit artikel en artikel 2262bis, ,§1, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juni
- III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Luidens artikel 26 van de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, hierna genoemd Handelsagentuurwet, verjaren de rechtsvorderingen die uit de agentuurovereenkomst ontstaan, één jaar na het eindigen van die overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn langer mag duren dan één jaar na het eindigen van deze overeenkomst. Indien de agentuurovereenkomst een concurrentiebeding bevat, is de verbintenis tot nakoming ervan een gevolg van deze overeenkomst en is de rechtsvordering waartoe deze verbintenis aanleiding geeft, onderworpen aan de in artikel 26 Handelsagentuurwet bedoelde termijn, met dien verstande dat de in die bepaling bedoelde eenjarige termijn eerst loopt vanaf het tijdstip waarop die verbintenis een einde neemt.
- Uit het beroepen vonnis en het arrest blijkt dat: - tussen partijen een agentuurovereenkomst bestond; - deze overeenkomst een niet-concurrentiebeding bevat dat de verweerster verbiedt om concurrentiële activiteiten te ontplooien gedurende een periode van zes maanden vanaf de beëindiging van de overeenkomst; - de overeenkomst op 27 maart 2001 door de eiseres werd opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden, eindigend op 30 september 2001; - de eiseres per aangetekende brief van 14 juni 2001 een einde maakte aan de overeenkomst met de verweerster wegens ernstige tekortkomingen; - op 26 juli 2001 een inbreuk door de verweerster op de niet-concurrentieverplichting werd vastgesteld; - de verweerster bij dagvaarding van 2 juli 2001 aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding van de eiseres wegens de beëindiging van de agentuurovereenkomst; - de eiseres bij conclusie neergelegd voor de eerste rechter, op 22 november 2002 een tegenvordering heeft ingesteld tot onder meer het verkrijgen van schadevergoeding wegens de inbreuk op het niet-concurrentiebeding.
- Het arrest stelt vast dat niet wordt betwist dat de agentuurovereenkomst werd beëindigd op 14 juni 2001 en dat eiseres haar tegenvordering wegens de wanprestatie van de verweerster instelde bij conclusie neergelegd op 22 november
- Vervolgens oordeelt het arrest dat deze tegenvordering is verjaard omdat zij werd ingesteld meer dan een jaar na de beëindiging van de overeenkomst.
- Door aldus te oordelen schendt het arrest artikel 26 Handelsagentuurwet.
- Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 18 mei 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021021.6 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050530.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div