← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.7 Rolnummer: C.05.0097.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-09-15 Raadplegingen: 856 - laatst gezien 2026-07-03 16:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het recht op vrijwaring dat de eerste koper bezit tegen zijn verkoper is een toebehoren van de zaak dat samen met de zaak wordt doorverkocht aan de opeenvolgende kopers. De omstandigheid dat de gebrekkige zaak door een aannemer is geleverd aan zijn opdrachtgever in het raam van een aannemingsovereenkomst ontslaat de oorspronkelijke verkoper niet van zijn vrijwaringplicht tegenover deze eindgebruiker. De opdrachtgever heeft, zoals een onderverkrijger, alle rechten en vorderingen verbonden met de zaak die aan de oorspronkelijke verkoper toebehoorde

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: KOOP UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Verplichtingen verkoper - Vrijwaring BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Koopvernietigende gebreken BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bouwrecht - Aanneming - Algemeen Vrije woorden: KOOP Aannemingsovereenkomst Verkoop Verborgen gebreken Verkoper Vrijwaringplicht Opdrachtgever Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1990 - Artt.1615en16 Nota: C.05.0097.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
  1. Eiseres fabriceert en levert riooldeksels en metalen putranden. De omstandigheid dat geleverde putranden niet voldeden aan de door het bestek beschreven veiligheidsnormen werd als oorzaak van een ongeval met een riooldeksel weerhouden. Deze putranden werden door eiseres geleverd aan de tweede verweerster, de N.V. Deckx Algemene Ondernemingen (hierna Deckx), in het kader van de door deze laatste voor rekening van de eerste verweerster, de N.V. Aquafin (hierna Aquafin) uitgevoerde werken. De vastgestelde afwijking was klaarblijkelijk tevens oorzaak van afbrokkelingen, welke herstellingswerken noodzakelijk maakten. Het bestreden arrest veroordeelt eiseres, onder meer om, in solidum met de aannemer Deckx, de desbetreffende kosten van herstelling terug te betalen aan de opdrachtgever Aquafin en bepaalt, rechtdoende op de vrijwaringsvorderingen met betrekking tot dezelfde veroordeling, haar bijdrage - in het kader van haar onderlinge verhouding met de Deckx - op 80% en deze van Deckx op 20 %.
  2. In het eerste onderdeel van het enig middel wordt door eiseres aangevoerd dat artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de verplichting om een zaak te leveren zich uitstrekt tot haar toebehoren - geen toepassing vindt op de aannemingsovereenkomst tussen verweersters en dat de beslissing, waarbij gesteld werd dat Aquafin zich op grond van de haar door Derckx overgedragen garantieverbintenissen voor verborgen gebreken tegen eiseres kon richten, dus niet naar recht verantwoord is. Door eiseres wordt terecht niet betwist dat de vordering gesteund op het artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de verkoper tot vrijwaring gehouden is voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak - ingeval een zelfde zaak het voorwerp uitmaakt van opeenvolgende verkopen, door de uiteindelijke verkrijger ervan kan worden ingesteld niet alleen tegen zijn medecontractant, doch ook tegen alle voorgaande verkopers
(1). Eiseres ziet hierin een toepassing van het artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek. Dit werd minstens destijds ook door Uw Hof aanvaard
(2). Nopens de grondslag van bedoelde overdracht bestaan evenwel diverse andere, zeer uiteenlopende theorieën, waaronder het bestaan van een rechtstreekse vordering, een toepassing van het artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek, een stilzwijgend beding ten gunste van een derde, een op het artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek gesteunde stilzwijgende overdracht of nog, en niet in het minst, de objectieve band bestaande tussen de vordering en het overgedragen goed. In Nederland wordt er gewag gemaakt van 'kwalitatieve rechten' (die de houder ervan op grond van zijn hoedanigheid van eigenaar van een zaak - qualitate qua - kan doen gelden), terwijl in Frankrijk beroep werd gedaan op de theorie van de contractengroepen
(3). De objectieve band bestaande tussen de vordering tot vrijwaring en het overgedragen goed en de omstandigheid dat deze aan het overgedragen goed inherente vordering in beginsel enkel nog voor de uiteindelijke verkrijger van het goed enig belang kan vertonen kunnen wettigen dat, behoudens andersluidende overeenkomst, die vordering overgaat op laatst genoemde. Een belangrijke stroming in de rechtsleer lijkt me zich terecht te kanten tegen een te beperkende interpretatie van artikel 1615 B.W. als grondslag voor de overdracht van rechten propter rem. Een verschil in behandeling tussen de laatste koper en degene die de zaak bekomt in het raam van een aanneming lijkt niet gerechtvaardigd. Een rechtstreekse vordering tegen de leverancier van gebrekkige materialen getuigt van economisch realisme
(4). Koop en aanneming vertonen meer dan vroeger een gemengd karakter. Andere recente rechtsleer besluit in dezelfde zin
(5). Ook wijzen meerdere rechterlijke uitspraken dergelijke vorderingen toe
(6). Aldus moet de bouwheer over dezelfde met de zaak verbonden rechten en vorderingen als de koper-aannemer kunnen beschikken. Dit is voor het Franse Hof van Cassatie de grondslag voor de rechtstreekse contractuele vordering van de bouwheer tegen de leverancier wegens een gebrek van de geleverde zaak
(7). De vordering op grond van het artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek gaat dus over op de uiteindelijke verkrijger van de zaak, ook als de overdracht kadert in een aannemingsovereenkomst. Derhalve moet de verkoper van een gebrekkige zaak instaan voor de verborgen gebreken niet alleen tegenover zijn koper en de volgende koper maar ook tegenover de bouwheer aan wie de aannemer de gebrekkige zaak geleverd heeft in het raam van een aannemingsovereenkomst. Ik meen te kunnen besluiten dat het onderdeel, dat ervan uitgaat dat deze garantieverbintenis niet overgedragen wordt op de bouwheer, faalt naar recht.
  1. Het tweede onderdeel lijkt me feitelijke grondslag te missen in zoverre het een miskenning van de bewijskracht van de syntheseconclusie van eiseres aanvoert: het blijkt niet dat de appelrechters, met de vaststelling dat eiseres de omvang van de uitgaven voor de herstelkosten niet betwistte, een uitlegging geven van die conclusie. Het onderdeel kan, gelet op die vergeefse kritiek, verder d.i. in zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert - niet aangenomen worden: de appelrechters dienden niet meer op het bedoelde verweer te antwoorden omdat het niet meer dienend was.
  2. Het derde onderdeel, tenslotte, dat een motiveringsgebrek aanvoert in de mate dat in het bestreden arrest ook een quasi-delictuele fout als grondslag werd aanvaard, is niet ontvankelijk, nu het arrest eiseres veroordeelt op grond van haar contractuele aansprakelijkheid als verkoper en het onderdeel dus opkomt tegen een overtollige reden.
  3. Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)J. Herbots, 'L'affinage du principe de la transmission automatique des droits 'propter rem' du maître de l'ouvrage à l'acquéreur de l'immeuble', noot bij Cass., 15 september 1989, R.C.J.B. 1992, 515, nr. 4.
(2)Cass., 5 december 1980, A.C., 1980-81, 382.
(3)Zie over dit alles de in voetnoot 1 reeds aangehaalde bijdrage van J. Herbots, alsmede inzonderheid voor wat betreft de toestand in de ons omringende landen en de internationale en Europese tendensen het werk van I. Claeys, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Intersentia, 427 e.v.
(4)I. Claeys, o.c., 430, nr. 430 e.v. en de aldaar geciteerde auteurs.
(5)C. PAULUS, Gebruikelijke contracten. Aanneming, in: Lexicon voor privaatrecht
(1984), Die Keure, 4, nr. 8; F. BURSSENS, Aannemingsrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2001, 32, nrs. 9 en 10; A. VERBEKE, Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, Intersentia, 2004, Antwerpen, 241-243; w. goossens, Aanneming van werk, het gemeenschappelijk dienstencontract, Die Keure, 2003, 93-103, nrs. 100-115.
(6)I. Claeys, o.c., 433, nr. 433. en de in de voetnoten 1797 en 1798 geciteerde uitspraken.
(7)Cass. fr., Ass. plén., 7 februari 1986, twee arresten, JCP 1986, éd. G II, nr. 20616, noot Ph. MALIVAUD, D 1986, 293, noot A. BENABENT. Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN Vrije woorden: HUUR VAN DIENSTEN Aannemingsovereenkomst Verkoop Verborgen gebreken Verkoper Vrijwaringplicht Opdrachtgever Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1990 - Artt.1615en16 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Dubrulle, Cass., 18 mei 2006, AR C.05.0097.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: KOOP Vrije woorden: KOOP Aannemingsovereenkomst Verkoop Verborgen gebreken Verkoper Vrijwaringplicht Opdrachtgever Thesaurus CAS: HUUR VAN DIENSTEN Vrije woorden: HUUR VAN DIENSTEN Aannemingsovereenkomst Verkoop Verborgen gebreken Verkoper Vrijwaringplicht Opdrachtgever Nota: C.05.0097.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
  1. Eiseres fabriceert en levert riooldeksels en metalen putranden. De omstandigheid dat geleverde putranden niet voldeden aan de door het bestek beschreven veiligheidsnormen werd als oorzaak van een ongeval met een riooldeksel weerhouden. Deze putranden werden door eiseres geleverd aan de tweede verweerster, de N.V. Deckx Algemene Ondernemingen (hierna Deckx), in het kader van de door deze laatste voor rekening van de eerste verweerster, de N.V. Aquafin (hierna Aquafin) uitgevoerde werken. De vastgestelde afwijking was klaarblijkelijk tevens oorzaak van afbrokkelingen, welke herstellingswerken noodzakelijk maakten. Het bestreden arrest veroordeelt eiseres, onder meer om, in solidum met de aannemer Deckx, de desbetreffende kosten van herstelling terug te betalen aan de opdrachtgever Aquafin en bepaalt, rechtdoende op de vrijwaringsvorderingen met betrekking tot dezelfde veroordeling, haar bijdrage - in het kader van haar onderlinge verhouding met de Deckx - op 80% en deze van Deckx op 20 %.
  2. In het eerste onderdeel van het enig middel wordt door eiseres aangevoerd dat artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de verplichting om een zaak te leveren zich uitstrekt tot haar toebehoren - geen toepassing vindt op de aannemingsovereenkomst tussen verweersters en dat de beslissing, waarbij gesteld werd dat Aquafin zich op grond van de haar door Derckx overgedragen garantieverbintenissen voor verborgen gebreken tegen eiseres kon richten, dus niet naar recht verantwoord is. Door eiseres wordt terecht niet betwist dat de vordering gesteund op het artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek volgens hetwelk de verkoper tot vrijwaring gehouden is voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak - ingeval een zelfde zaak het voorwerp uitmaakt van opeenvolgende verkopen, door de uiteindelijke verkrijger ervan kan worden ingesteld niet alleen tegen zijn medecontractant, doch ook tegen alle voorgaande verkopers
(1). Eiseres ziet hierin een toepassing van het artikel 1615 van het Burgerlijk Wetboek. Dit werd minstens destijds ook door Uw Hof aanvaard
(2). Nopens de grondslag van bedoelde overdracht bestaan evenwel diverse andere, zeer uiteenlopende theorieën, waaronder het bestaan van een rechtstreekse vordering, een toepassing van het artikel 1122 van het Burgerlijk Wetboek, een stilzwijgend beding ten gunste van een derde, een op het artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek gesteunde stilzwijgende overdracht of nog, en niet in het minst, de objectieve band bestaande tussen de vordering en het overgedragen goed. In Nederland wordt er gewag gemaakt van "kwalitatieve rechten" (die de houder ervan op grond van zijn hoedanigheid van eigenaar van een zaak - qualitate qua - kan doen gelden), terwijl in Frankrijk beroep werd gedaan op de theorie van de contractengroepen
(3). De objectieve band bestaande tussen de vordering tot vrijwaring en het overgedragen goed en de omstandigheid dat deze aan het overgedragen goed inherente vordering in beginsel enkel nog voor de uiteindelijke verkrijger van het goed enig belang kan vertonen kunnen wettigen dat, behoudens andersluidende overeenkomst, die vordering overgaat op laatst genoemde. Een belangrijke stroming in de rechtsleer lijkt me zich terecht te kanten tegen een te beperkende interpretatie van artikel 1615 B.W. als grondslag voor de overdracht van rechten propter rem. Een verschil in behandeling tussen de laatste koper en degene die de zaak bekomt in het raam van een aanneming lijkt niet gerechtvaardigd. Een rechtstreekse vordering tegen de leverancier van gebrekkige materialen getuigt van economisch realisme
(4). Koop en aanneming vertonen meer dan vroeger een gemengd karakter. Andere recente rechtsleer besluit in dezelfde zin
(5). Ook wijzen meerdere rechterlijke uitspraken dergelijke vorderingen toe
(6). Aldus moet de bouwheer over dezelfde met de zaak verbonden rechten en vorderingen als de koper-aannemer kunnen beschikken. Dit is voor het Franse Hof van Cassatie de grondslag voor de rechtstreekse contractuele vordering van de bouwheer tegen de leverancier wegens een gebrek van de geleverde zaak
(7). De vordering op grond van het artikel 1641 van het Burgerlijk Wetboek gaat dus over op de uiteindelijke verkrijger van de zaak, ook als de overdracht kadert in een aannemingsovereenkomst. Derhalve moet de verkoper van een gebrekkige zaak instaan voor de verborgen gebreken niet alleen tegenover zijn koper en de volgende koper maar ook tegenover de bouwheer aan wie de aannemer de gebrekkige zaak geleverd heeft in het raam van een aannemingsovereenkomst. Ik meen te kunnen besluiten dat het onderdeel, dat ervan uitgaat dat deze garantieverbintenis niet overgedragen wordt op de bouwheer, faalt naar recht.
  1. Het tweede onderdeel lijkt me feitelijke grondslag te missen in zoverre het een miskenning van de bewijskracht van de syntheseconclusie van eiseres aanvoert: het blijkt niet dat de appelrechters, met de vaststelling dat eiseres de omvang van de uitgaven voor de herstelkosten niet betwistte, een uitlegging geven van die conclusie. Het onderdeel kan, gelet op die vergeefse kritiek, verder d.i. in zoverre het een motiveringsgebrek aanvoert - niet aangenomen worden: de appelrechters dienden niet meer op het bedoelde verweer te antwoorden omdat het niet meer dienend was.
  2. Het derde onderdeel, tenslotte, dat een motiveringsgebrek aanvoert in de mate dat in het bestreden arrest ook een quasi-delictuele fout als grondslag werd aanvaard, is niet ontvankelijk, nu het arrest eiseres veroordeelt op grond van haar contractuele aansprakelijkheid als verkoper en het onderdeel dus opkomt tegen een overtollige reden.
  3. Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)J. Herbots, "L'affinage du principe de la transmission automatique des droits 'propter rem' du maître de l'ouvrage à l'acquéreur de l'immeuble", noot bij Cass., 15 september 1989, R.C.J.B. 1992, 515, nr. 4.
(2)Cass., 5 december 1980, A.C., 1980-81, 382.
(3)Zie over dit alles de in voetnoot 1 reeds aangehaalde bijdrage van J. Herbots, alsmede inzonderheid voor wat betreft de toestand in de ons omringende landen en de internationale en Europese tendensen het werk van I. Claeys, Samenhangende overeenkomsten en aansprakelijkheid, De quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent herbekeken, Intersentia, 427 e.v.
(4)I. Claeys, o.c., 430, nr. 430 e.v. en de aldaar geciteerde auteurs.
(5)C. PAULUS, Gebruikelijke contracten. Aanneming, in: Lexicon voor privaatrecht
(1984), Die Keure, 4, nr. 8; F. BURSSENS, Aannemingsrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2001, 32, nrs. 9 en 10; A. VERBEKE, Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, Intersentia, 2004, Antwerpen, 241-243; w. goossens, Aanneming van werk, het gemeenschappelijk dienstencontract, Die Keure, 2003, 93-103, nrs. 100-115.
(6)I. Claeys, o.c., 433, nr. 433. en de in de voetnoten 1797 en 1798 geciteerde uitspraken.
(7)Cass. fr., Ass. plén., 7 februari 1986, twee arresten, JCP 1986, éd. G II, nr. 20616, noot Ph. MALIVAUD, D 1986, 293, noot A. BENABENT. Annotaties Publicaties: R.W. - Nicolas CARETTE; Rechtstreekse contractuele aanspraak... - 2007-2008, 147-152 R.W. - Guy DUBRULLE; Conclusie. - 2007-2008, 147-148 N.J.W. - Kristof VAN HOVE; Vrijwaring voor verborgen gebreken. - 2006, 608-609 T.B.O. - GOOSSENS; De contractuele vordering ... - 2006, 126-130 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0097.N FONDERIES LECOMTE, naamloze vennootschap, met zetel te 5300 Seilles-Andenne, Parc Industriel, rue Reppe 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  1. AQUAFIN, naamloze vennootschap, met zetel te 2630 Aartselaar, Dijkstraat 8, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  2. DECKX ALGEMENE ONDERNEMINGEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2480 Dessel, Goormansdijk 15, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 januari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel gaat er geheel van uit dat in geval van een aanneming van werk, gepaard met de levering van goederen, de vrijwaringsplicht van de verkoper voor verborgen gebreken niet kan overgaan van een koper op diens opdrachtgever van het werk aan wie de gebrekkige zaak uiteindelijk is geleverd.
  4. Het recht op vrijwaring dat de eerste koper bezit tegen zijn verkoper, is een toebehoren van de zaak dat samen met de zaak wordt doorverkocht aan de opeenvolgende kopers. De omstandigheid dat de gebrekkige zaak door een aannemer is geleverd aan zijn opdrachtgever in het raam van een aannemingsovereenkomst, ontslaat de oorspronkelijke verkoper niet van zijn vrijwaringsplicht tegenover deze eindgebruiker. De opdrachtgever heeft, zoals een onderverkrijger, alle rechten en vorderingen verbonden met de zaak die aan de oorspronkelijke verkoper toebehoorde.
  5. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Derde onderdeel
  6. Het onderdeel bekritiseert het bestreden arrest in zoverre de appelrechters een quasi-delictuele fout als grondslag nemen voor de toewijzing van de vordering inzake herstelkosten.
  7. De appelrechters veroordelen de eiseres ook tot betaling van de herstelkosten op grond van haar contractuele aansprakelijkheid als verkoper.
  8. Deze laatste zelfstandige reden die in het eerste onderdeel tevergeefs is bekritiseerd, draagt de beslissing, zodat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is. Tweede onderdeel
  9. De eiseres concludeerde zoals in het middel is weergegeven.
  10. De appelrechters die oordelen dat de eiseres de omvang van de uitgaven voor de herstelkosten niet betwist, geven van de conclusie van de eiseres een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en miskennen mitsdien de bewijskracht ervan.
  11. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het bedrag van de veroordeling van de eiseres voor de herstelling van de putranden bepaalt op 86.442,26 euro en uitspraak doet over de kosten van de partijen. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiseres in 2/3 van de kosten. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van 787,18 euro jegens de eisende partij, op de som van 144,35 euro jegens de verwerende partij sub 1 en op de som van 144,35 euro jegens de verwerende partij sub
  12. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 18 mei 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2015:ARR.20150129.5 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201002.1N.8 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210514.1N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110915.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.