id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060529.1 Rolnummer: C.05.0253.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-10-24 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 08:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de tekst en de onderlinge samenhang van artikel 136, ,§ 2, eerste en derde tot zevende lid, Ziektewet, volgt dat de rechthebbende, in de mate waarin hem, in vergelijking met de grootte van de overeenkomstig de Ziektewet verschuldigde prestaties, reeds schadeloosstelling is verleend, geen recht meer heeft op die prestaties en dat bijgevolg de verzekeringsinstelling die toch nog prestaties uitbetaalt aan de rechthebbende, na overeenkomstig artikel 136, ,§ 2, zesde lid, Ziektewet, ervan te zijn in kennis gesteld dat de rechthebbende reeds krachtens het gemeen recht werkelijk werd schadeloosgesteld, voor deze betaling niet meer rechtens in de plaats van de rechthebbende treedt om de betaalde prestaties te verhalen op de aansprakelijke of zijn verzekeraar. Die vroegere betaling kan in die omstandigheden wel aan de verzekeringsinstelling worden tegengeworpen en het feit dat de schadeloosstelling in gemeen recht gebeurde op grond van een dadingsovereenkomst tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling is verschuldigd, waarmee de verzekeringsinstelling niet heeft ingestemd, zodat deze dadingsovereenkomst haar niet kan worden tegengeworpen, doet hieraan geen afbreuk
(1)Zie Cass., 19 dec. 1988, AR 6350, nr é; 8 feb. 1990, AR 8522, nr 354; 24 okt. 2001, AR P.01.1144.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011024.10, nr 570; B. LIETAERT, "Geen recht op geneeskundige zorg na een dading met de aansprakelijkheidsverzekeraar", T.A.V.W., 1997, p. 25, nr 15. Thesaurus CAS: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ZIEKTEKOSTENVERZEKERING Vrije woorden: ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING - ZIEKTEKOSTENVERZEKERING Dading tussen rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is Geen instemming vanwege de verzekeringsinstelling Aan de verzekeringsinstelling niet-tegenstelbare dading Rechthebbende aan wie op grond van de dading reeds werkelijk schadeloosstelling werd verleend Verzekeringsinstelling in kennis gesteld van de werkelijke schadeloosstelling in gemeen recht Uitbetaling van verdere prestaties door de verzekeringsinstelling Tekst van de beslissing Nr. C.05.0253.N FORTIS CORPORATE INSURANCE, naamloze vennootschap, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te Amstelveen (Nederland), Professor J. H. Bavincklaan 1, met bijkantoor in België te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32-38, verweerder. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 11 januari 2005 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 25 april 2006 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; artikel 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek; artikel 136, ,§2, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de artikelen 70, ,§2, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 30 december 1988 en dit in zijn versie van kracht zowel vóór als na de wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, en 76quater, ,§2, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, vóór de coördinatie ervan bij koninklijk besluit van 14 juli 1994. Aangevochten beslissing De Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren verklaart eiseres' hoger beroep ongegrond en veroordeelt derhalve eiseres in het aangevochten vonnis van 11 januari 2005, met bevestiging van het vonnis gewezen door de Politierechtbank te Tongeren, afdeling Tongeren, op 14 januari 2002, tot betaling aan verweerder van een bedrag van 5.396,25 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 28 juni 1996 en de gerechtelijke interest. De rechtbank stoelt deze beslissing op volgende motieven: "Omtrent de gegrondheid van de vordering zoals ingesteld door (verweerder tav eiseres). (Eiseres) (...) houd(
- t)voor dat de tegen (haar) ingestelde vordering ongegrond is. De vordering heeft betrekking op de door (verweerder) betaalde kosten aan (de heer V.), voor een nieuwe beenprothese op 28 juni 1996. (Eiseres) grond(
- t)(haar) verweer hiervoor op een dadingsovereenkomst afgesloten tussen (eiseres en de heer V.) op 20 juli 1993 waarbij aan (de heer V.) een bedrag werd uitbetaald door (eiseres) groot 24.795,43 euro, en waarbij (de heer V.) definitief afstand doet van iedere latere tussenkomst van de mutualiteit (verweerder) en dit vanaf de aanvaarding van de overeenkomst van dading. Vaststaat - en dit wordt door geen enkele partij betwist - dat (verweerder) geen partij was bij de dading, noch erbij aanwezig was. Zij wordt van de dading in kennis gesteld nadat deze ondertekend en uitgevoerd werd, middels aangetekende brief van 27 augustus 1993, en dit door (eiseres). Terecht stelt de eerste rechter dat deze dadingsovereenkomst niet tegenstelbaar is tegen (verweerder), gezien deze met de dading en de inhoud ervan, geen instemming verleend heeft. Op 28 juni 1996 betaalt (verweerder) aan (de heer V.) een bedrag uit groot 5.396,25 euro, wegens vervanging beenprothese. (Verweerder) treedt hierdoor in de plaats van de rechthebbende (de heer V.) op de toegekende prestaties. Verder staat het vast dat niet betwist wordt dat de door (verweerder) gevorderde kosten betrekking hebben (
- op)de vervanging van een beenprothese in oorzakelijk verband met het verkeersongeval van 19 maart 1977. Kosten die overigens cijfermatig niet betwist worden. Het beroep van (eiseres) tegen dit onderdeel van het vonnis is dan ook ongegrond" (vonnis, pp. 5-6). De eerste rechter, naar wie het bestreden vonnis verwijst, overwoog terzake in het vonnis a quo (pp. 4-5) als volgt: "Luidens artikel 136 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van 14 juli 1994 treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van (
- de)rechthebbende tot het geheel van de sommen die in gemeen recht verschuldigd zijn. De overeenkomst die tot stand is gekomen tussen de rechthebbende (de heer V.) en diegene die schadeloosstelling verschuldigd is, kan niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming. In onderhavige zaak werd een afschrift van de hogervermelde dadingsovereenkomst aan (verweerder) overgemaakt, doch werd door (verweerder) geen toestemming/akkoord verleend, zodat de desbetreffende dadingsovereenkomst niet aan (verweerder) tegenstelbaar is. De dadingsovereenkomst die tot stand is gekomen tussen de rechthebbende en de aansprakelijkheidsverzekeraar kan niet tegen de verzekeringsinstelling die rechtens in de plaats treedt van de rechthebbende op de toegekende prestaties van ziekte en invaliditeitsverzekering worden aangevoerd zonder haar instemming. De verzekeraar kan zich tegen haar vordering niet verweren door een beroep te doen op een dading met het slachtoffer waarbij de verzekeringsinstelling niet betrokken was, noch op het feit dat hij geen tweemaal dezelfde bedragen hoeft te betalen (...) Het wordt niet betwist dat de door (verweerder) gevorderde kosten voor de vervanging van een beenprothese in oorzakelijk verband staan met het verkeersongeval van 19 maart 1977. De door (verweerder) gevorderde kosten voor de vervanging van een beenprothese wordt door (eiseres) cijfermatig niet meer betwist, wordt bewezen door de overgelegde bewijsstukken is gegrond voor het gevorderde bedrag". Grieven 1.1 Overeenkomstig artikel 136, ,§2, eerste lid, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (hierna: de Ziektewet) worden de bij deze gecoördineerde wet bepaalde prestaties geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering. Luidens artikel 136, ,§2, derde lid, van de Ziektewet worden de prestaties, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht. De verzekeringsinstelling treedt, ingevolge artikel 136, ,§2, vierde lid, van de Ziektewet, rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. Krachtens het vijfde lid van artikel 136, ,§2, van de Ziektewet kan de overeenkomst die is totstandgekomen tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming. Het zesde lid van artikel 136, ,§2, van de Ziektewet schrijft voor dat degene die schadeloosstelling verschuldigd is, de verzekeringsinstelling verwittigt van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen. Hij maakt aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de totstandgekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. De verzekeringsmaatschappijen burgerlijke aansprakelijkheid worden gelijkgesteld met degene die schadeloosstelling is verschuldigd. Indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig het zesde lid, kan hij naar luid van het zevende lid van artikel 136, ,§2, van Ziektewet tegen laatstgenoemde de betalingen die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbende niet aanvoeren. Ingeval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende. 1.2 Een gelijkaardige regeling lag vervat in artikel 76quater, ,§2, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (hierna: de ZIV-wet), zoals van kracht vóór coördinatie bij koninklijk besluit van 14 juli 1994. Overeenkomstig artikel 76quater, ,§2, eerste lid, van de ZIV-wet worden de bij deze wet bepaalde prestaties geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering. Luidens artikel 76quater, ,§2, derde lid, van de ZIV-wet worden de prestaties, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht. De verzekeringsinstelling treedt, ingevolge artikel 76quater, ,§2, vierde lid, van de ZIV-wet, rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in lid 1 bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. Krachtens het vijfde lid van artikel 76quater, ,§2, van de ZIV-wet kan de overeenkomst die is totstandgekomen tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming. Het zesde lid van artikel 76quater, ,§2, van de ZIV-wet, zoals ingevoerd bij wet van 6 augustus 1993, schrijft voor dat degene die schadeloosstelling verschuldigd is, de verzekeringsinstelling verwittigt van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen. Hij maakt aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de totstandgekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. De verzekeringsmaatschappijen burgerlijke aansprakelijkheid worden gelijkgesteld met degene die schadeloosstelling is verschuldigd. Indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig het zesde lid, kan hij naar luid van het zevende lid van artikel 76quater, ,§2, van ZIV-wet, zoals ingevoerd bij wet van 6 augustus 1993, tegen laatstgenoemde de betalingen die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbende niet aanvoeren. Ingeval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende. 1.3 Artikel 70, ,§2, van de ZIV-wet, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 30 december 1988, bevatte eveneens een gelijkaardige regeling. In de versie van kracht na wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, stelde voornoemd artikel 70, ,§2: "De bij deze wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering. De prestaties worden, onder door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht. De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in lid 1 bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. De overeenkomst die totstandgekomen is tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, kan niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming. In de versie van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 luidde artikel 70, ,§2, van de ZIV-wet als volgt: "De in deze wet bedoelde prestaties worden slechts toegekend onder de door de Koning bepaalde voorwaarden als de schade waarvoor om die prestaties wordt verzocht door het gemeen recht of door een andere wetgeving is gedekt. In die gevallen worden de verzekeringsprestaties niet samen genoten met de schadeloosstelling voortvloeiende uit de andere wetgeving ; ze zijn ten laste van de verzekering in zoverre voor de door die wetgeving gedekte schade niet werkelijk schadeloosstelling is verleend. In al de gevallen moet de rechthebbende sommen ontvangen welke ten minste gelijk zijn aan het bedrag van de verzekeringsprestaties. (...). De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende. De overeenkomst totstandgekomen tussen degene die schadeloosstelling verschuldigd is en de rechthebbende kan niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming". 2. Vergoedingsovereenkomsten tussen de rechthebbende en de aansprakelijke zijn niet tegenstelbaar aan het ziekenfonds, ongeacht of ze dateren van vóór of na de tussenkomst van het ziekenfonds. Vergoeding in gemeen recht door de aansprakelijke of zijn burgerrechtelijk aansprakelijkheidsverzekeraar van de door de rechthebbende gelden schade is, wanneer de aansprakelijke of zijn verzekeraar de verzekeringsinstelling overeenkomstig artikel 136, ,§2, zesde lid, van de Ziektewet en artikel 76quater, ,§2, zesde lid, van de ZIV-wet verwittigt van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen en aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij overmaakt van het totstandgekomen akkoord, wel tegenstelbaar aan het ziekenfonds. Wanneer de rechthebbende, het weze ingevolge een dadingsovereenkomst, vergoeding van de door de Ziektewet gedekte schade heeft verkregen overeenkomstig het gemeen recht en de aansprakelijkheidsverzekeraar die de gemeenrechtelijke vergoeding heeft uitgekeerd het ziekenfonds hiervan overeenkomstig artikel 136, ,§2, zesde lid van de Ziektewet en artikel 76quater, ,§2, zesde lid, van de ZIV-wet heeft verwittigd, dient het ziekenfonds in beginsel niet meer tussen te komen. De prestaties uit de Ziektewet worden, luidens artikel 136, ,§2, derde lid, van de Ziektewet evenals artikel 76quater, ,§2, derde lid, van de ZIV-wet en artikel 70, ,§2, van de ZIV-wet zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 en vóór de wijziging bij wet van 30 december 1988, immers slechts toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens het gemeen recht. Krachtens artikel 136, ,§2, eerste lid, van de Ziektewet evenals artikel 76quater, ,§2, eerste lid, van de ZIV-wet en artikel 70, ,§2, van de ZIV-wet, zoals van kracht na de wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978 en vóór de wijziging bij wet van 30 december 1988, worden de bij deze wet bepaalde prestaties geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Slechts wanneer de bedragen welke krachtens het gemeen recht worden verleend minder bedragen dan de prestaties van de verzekering, heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering. Luidens artikel 70, ,§2, van de ZIV-wet, zoals van kracht vóór de wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, zijn de in de wet bedoelde prestaties ten laste van de verzekering in zoverre voor de door het gemeen recht gedekte schade niet werkelijk schadeloosstelling is verleend. Indien het ziekenfonds nog vergoeding aan de rechthebbende uitbetaalt nadat deze, het weze ingevolge een dadingsovereenkomst, volledige vergoeding van de schade in gemeen recht heeft ontvangen van de aansprakelijkheidsverzekeraar en laatstgenoemde het ziekenfonds hiervan heeft verwittigd, heeft de betaling door het ziekenfonds een onverschuldigd karakter. Van zodra de rechthebbende in gemeen recht volledige vergoeding heeft ontvangen, dooft zijn vordering tegen de aansprakelijke en diens verzekeraar uit. Aangezien de rechthebbende geen recht meer heeft tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar, kan het ziekenfonds ook niet in de rechten van de rechthebbende tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar treden. Artikel 136, ,§2, vijfde lid, van de Ziektewet alsmede artikel 76quater, ,§2, vijfde lid, van de ZIV-wet en artikel 70, ,§2, van de ZIV-wet, zoals van kracht vóór en na de wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, naar luid waarvan de overeenkomst tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is niet aan de verzekeringsinstelling tegenstelbaar is zonder haar instemming, houdt in dat de aansprakelijkheidsverzekeraar uit het akkoord met het slachtoffer geen exceptie put tegen het ziekenfonds dat een subrogatierecht uitoefent. Die bepaling is enkel toepasselijk als het ziekenfonds over een subrogatierecht beschikt. Het subrogatierecht van het ziekenfonds ontstaat echter alleen wanneer het betaalt vooraleer in gemeen recht vergoeding werd toegekend. Nadien kan in beginsel geen subrogatie meer ontstaan, ook niet wanneer het slachtoffer en de aansprakelijkheidsverzekeraar een dading hebben gesloten. Slechts indien de in het gemeen recht, ingevolge een dadingsovereenkomst, aan de rechthebbende uitgekeerde vergoeding minder zou bedragen dan de in het gemeen recht verschuldigde vergoeding, kan het ziekenfonds dat nog vergoedingen aan de rechthebbende uitbetaalt ten belope van het verschil tussen de overeenkomstig de dading betaalde vergoeding en de in gemeenrecht verschuldigde vergoeding, een recht tegen de aansprakelijke of zijn verzekeraar laten gelden nu de (zonder zijn instemming aangegane) dadingsovereenkomst hem ingevolge de Ziektewet en de ZIV-wet niet tegenstelbaar is. 3.1 Overeenkomstig artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet is elk vonnis met redenen omkleed. Ingevolge deze grondwetsbepaling is de rechter verplicht te antwoorden op alle precieze, relevante en regelmatig aangevoerde middelen in besluiten van partijen. Luidens artikel 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bevat het vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusies of middelen van partijen. 3.2 Eiseres voerde in haar beroepsbesluiten (p. 2), neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren op 11 september 2003 aan dat: - in verband met het aan de heer V. verleende voorbehoud inzake de beenprothese op 20 juli 1993 een dadingsovereenkomst werd gesloten voor een bedrag van 1.000.000 BEF, - zij in uitvoering van deze dadingsovereenkomst aan de heer V. 1.000.000 BEF vergoedde, - zij deze regeling en dadingsovereenkomst per aangetekend schrijven van 27 augustus 1993 ter kennis bracht van verweerder, waarbij werd meegedeeld dat geen verdere tussenkomsten meer ten laste werden genomen. Eiseres stelde in beroepsbesluiten (pp. 6-8) dat de vordering van verweerder om volgende redenen ongegrond diende te worden verklaard: "1. De vordering betreft de kosten van een nieuwe beenprothese op 28 juni 1996 ten voordele van V..
- a)Omtrent onder meer, de beenprotheses werd echter door (eiseres) met V. een definitieve regeling in de vorm van een dading getroffen op 20 juli 1993 waarbij deze vergoed werd voor alle mogelijke toekomstige kosten, waaronder dus deze van prothesen. Juist om te vermijden dat V. hiervoor nog beroep zou doen op zijn mutualiteit, (verweerder), werd in artikel 7 van deze dadingsovereenkomst uitdrukkelijk vermeld: - 'De begunstigde verklaart dat hij definitief afstand doet van iedere latere tussenkomst van de mutualiteit en dit vanaf de aanvaarding van deze overeenkomst van dading'.
- b)Opdat (verweerder) volledig op de hoogte zou zijn, heeft (eiseres) deze dadingsovereenkomst officieel en expliciet ter kennis gebracht per aangetekend schrijven van 27 augustus 1993 van (eiseres) aan (verweerder) (stuk 2), nogmaals herhaald per officiële brief van 1 september 1993 van haar raadsman (stuk 3). (Verweerder) wist dus perfect dat zij geen tussenkomsten meer moest doen voor haar verzekerd lid V., vermits er dienaangaande een volledige gemeenrechtelijke schadeloosstelling was tussengekomen. Het is derhalve volkomen onbegrijpelijk en terzelfdertijd onaanvaardbaar dat (verweerder) in 1996, 3 jaar later, toch nog een beenprothese van V. gaat betalen en deze kosten dan op (eiseres) wil verhalen. Waarom heeft (verweerder) op die manier gehandeld vermits zij voor V. helemaal niet verschuldigd was??? Tot op heden geeft (verweerder) hierop geen antwoord... 2. (Verweerder) en de eerste rechter stelden dat de dading ingevolge artikel 136, ,§2, vijfde alinea, van de wet van 14 juli 1994 niet tegenstelbaar is aan (verweerder). De eerste rechter heeft echter dienaangaande niet geantwoord op de argumentatie van (eiseres).
- a)Op zich is de dading inderdaad niet tegenstelbaar maar het behoort eveneens artikel 136, ,§2, eerste en derde alinea, van diezelfde wet van 14 juli 1994 te lezen - Artikel 136, ,§2, eerste alinea: De bij deze gecoördineerde wet bepaalde prestaties worden geweigerd, indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend'. - Artikel 136, ,§2, derde alinea, voegt hieraan toe: 'De prestaties worden, onder door de Koning bepaalde voorwaarden toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.' Aangezien in casu derhalve: - (verweerder) haar tussenkomst moest ( ) weigeren wanneer de schade reeds vergoed werd volgens gemeen recht; - deze volledige gemeenrechtelijke vergoeding gebeurde ingevolge de dading, waarvan artikel 7 bepaalde dat het verzekerd lid V. (die hiervoor 1.000.000 BEF werd uitgekeerd) definitieve en algehele afstand doet van iedere latere tussenkomst van zijn mutualiteit (verweerder); - en (verweerder) ingevolge aangetekend schrijven van 27 augustus 1993 wist dat er een volledige gemeenrechtelijke schadeloosstelling is tussengekomen; kan het uiteraard niet aanvaard worden dat, desondanks en in strijd met de wettelijke bepalingen op 28 juni 1996, hetzij 3 jaar later, (verweerder) toch nog uitgaven gaat doen voor V. en dit dan wil recupereren van (eiseres). Besluit De vordering van (verweerder) schendt artikel 136, ,§2, (eerste) en derde alinea 3. Voor de goede orde doe(
- t)(eiseres) nog opmerken dat de rechtspraak en rechtsleer, waarnaar de (verweerder) en de eerste rechter verwe(zen), geen weergave doet van de concrete inhoud van de dadingen, waarvan sprake, en het ook handelde over dadingen waarvan de mutualiteit geen kennis had. Dit is hier dus helemaal niet het geval. 4. Tenslotte kan (verweerder) als gesubrogeerde ook niet meer rechten doen gelden dan haar verzekerd lid V.. (Eiseres kan) tegen de subrogatoire vordering van (verweerder) alle excepties inroepen die zij tegen V. (had) kunnen tegenwerpen. Deze excepties zijn tegenstelbaar aan de mutualiteit op voorwaarde dat zij dagtekenen van voor de subrogratie welke ten laatste geschiedt op het ogenblik van de betaling van de verzekeringsprestaties. Vermits - de subrogatoire vordering van (verweerder) gebeurde op 28 juni 1996; - doch de gemeenrechtelijke regeling met V. reeds tussenkwam ingevolge de dading van 1993; dagtekent deze exceptie van vóór de subrogatoire vordering van (verweerder) en is deze exceptie dus wél tegenstelbaar. (Zie: - Pol. Rb. Gent 17 september 2002, inzake L.C.M. c/ Fortis, onuitg. (stuk 6)). De vordering van (verweerder) is dan ook ongegrond". 3.3 Zoals hiervoren aangehaald, voerde eiseres in haar beroepsbesluiten aan dat de schade van de heer V. in gemeen recht volledig werd vergoed ingevolge de dadingsovereenkomst van 20 juli 1993, dat verweerder van deze regeling op de hoogte werd gebracht en dat de subrogatoire vordering van verweerder pas nadien, op 28 juni 1996, ontstond. Eiseres argumenteerde hierbij dat, hoewel de dading op zich niet tegenstelbaar is aan verweerder, rekening dient te worden gehouden met artikel 136, ,§2, tweede en derde lid, van de Ziektewet, luidens welke de bij deze wet bepaalde prestaties geweigerd worden indien in gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend en de prestaties van de Ziektewet slechts worden verleend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed in gemeen recht. Eiseres besloot dat de vergoeding in gemeen recht, die dateert van vóór de uitgaven van verweerder, aan verweerder tegenstelbaar is en de vordering van verweerder derhalve strijdig is met artikel 136, ,§2, tweede en derde lid, van de Ziektewet. Na te hebben vastgesteld dat ingevolge de dadingsovereenkomst tussen eiseres en heer V. op 20 juli 1993 aan de heer V. door eiseres een bedrag van 24.795,43 euro werd uitbetaald en dat verweerder bij aangetekende brief van 27 augustus 1993 door eiseres in kennis werd gesteld van de dading nadat deze ondertekend en uitgevoerd werd, verwerpt de rechtbank het verweer van eiseres om reden dat de dadingsovereenkomst niet tegenstelbaar is aan verweerder gezien deze geen instemming verleend heeft met de dading en inhoud ervan. De rechtbank antwoordt evenwel niet op de hoger aangehaalde relevante en precieze middelen in besluiten van eiseres luidens welke, hoewel de dading aan verweerder niet tegenstelbaar is, in gemeen recht schadeloosstelling werd verleend en verweerder ingevolge deze schadeloosstelling geen prestaties meer verschuldigd was aan het slachtoffer en niet meer in diens rechten kon worden gesubrogeerd voor prestaties die dateren van na de gemeenrechtelijke schadeloosstelling waarvan het in kennis werd gesteld. Het vonnis, waarin niet wordt geantwoord op voornoemde relevante, precieze en regelmatig aangevoerde middelen van eiseres, is derhalve, ten eerste, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet en 780, eerste lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek). 4. Door na te hebben vastgesteld dat: - eiseres en de heer V. een dadingsovereenkomst sloten op 20 juli 1993 waarbij aan de heer V. een bedrag van 24.795,43 euro werd betaald, - verweerder door eiseres bij aangetekende brief van 27 augustus 1993 van de dading in kennis werd gesteld nadat deze ondertekend en uitgevoerd werd, kon de rechtbank niet wettig beslissen dat verweerder, voor de op 28 juni 1996 aan de heer V. betaalde vergoeding van 5.396,25 euro in de rechten trad van de heer V. ten aanzien van eiseres en eiseres dit bedrag dient terug te betalen aan verweerder. Indien de rechthebbende vanwege de aansprakelijkheidsverzekeraar voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, schadeloosstelling in gemeen recht heeft verkregen en, zoals in casu, niet wordt vastgesteld dat de schade in gemeen recht niet volledig werd vergoed, is het ziekenfonds geen prestaties meer verschuldigd aan de rechthebbende (tenzij de krachtens de Ziektewet verschuldigde prestaties meer zouden bedragen dan de in gemeen recht verschuldigde prestaties, in welk geval het ziekenfonds het verschil aan de rechthebbende dient te betalen). Betaalt het ziekenfonds niettemin prestaties uit aan het slachtoffer nadat deze in gemeen recht werd vergoed en nadat het ziekenfonds hiervan overeenkomstig artikel 136, ,§2, zesde lid, van de Ziektewet en artikel 76quater, ,§2, zesde lid, van de ZIV-wet werd verwittigd, treedt het voor deze betaling niet in de rechten van de rechthebbende en kan het vanwege de aansprakelijke of zijn verzekeraar geen terugbetaling van deze prestaties vorderen. Het feit dat de schadeloosstelling in gemeen recht geschiedt op grond van een dadingsovereenkomst die, omdat het ziekenfonds zijn instemming hiermee niet heeft verleend, aan dat ziekenfonds niet tegenstelbaar is, doet hieraan geen afbreuk. Door eiseres evenwel te veroordelen tot betaling van, in hoofdsom, 5.396,25 euro aan verweerder, zijnde het bedrag dat laatstgenoemde op 28 juni 1996 aan heer V. uitbetaalde, schendt de rechtbank derhalve, ten tweede, artikel 136, ,§2, van de op 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en de artikelen 70, ,§2, zoals van kracht vóór de wijziging bij wet van 30 december 1988 en dit in de versie van kracht zowel vóór als na de wijziging bij koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, en 76quater, ,§2, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, vóór de coördinatie ervan bij koninklijk besluit van 14 juli 1994. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Artikel 136, ,§2, eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hierna Ziektewet genoemd, bepaalt dat de bij deze gecoördineerde wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Het derde lid bepaalt dat de prestaties, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, worden toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht. Krachtens het vierde lid treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende. Deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden. Het vijfde lid bepaalt dat de overeenkomst die tot stand is gekomen tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, niet tegen de verzekeringsinstelling kan worden aangevoerd zonder haar instemmming. Krachtens het zesde lid van deze bepaling verwittigt degene die schadeloos-stelling verschuldigd is, de verzekeringsinstelling van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen en maakt hij aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de tot stand gekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. Het zevende lid bepaalt dat indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig het vorige lid, hij tegen laatstgenoemde de betalingen die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbenden niet kan aanvoeren. In geval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende. Uit voormelde bepalingen en hun onderlinge samenhang volgt dat de rechthebbende overeenkomstig de door de Koning bepaalde voorwaarden recht heeft op de overeenkomstig de Ziektewet verschuldigde prestaties zolang de schade niet werkelijk tot beloop van die prestaties is vergoed op grond van enige andere wetgeving. De verzekeringsinstelling kan in dat geval door middel van zijn subrogatoire rechtsvordering de betaalde prestaties verhalen op de debiteur die krachtens een andere wetgeving voor dezelfde schade vergoeding is verschuldigd. Overeenkomstig artikel 136, ,§2, vijfde lid, van de Ziektewet, kan de debiteur van de gemeenrechtelijke vergoeding de overeenkomst tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling is verschuldigd niet tegenwerpen aan de verzekeringsinstelling, tenzij mits toestemming van deze instelling. De verzekeringsinstelling die echter prestaties uitbetaalt aan de rechthebbende na overeenkomstig artikel 136, ,§2, zesde lid, van de Ziektewet, ervan te zijn in kennis gesteld dat de rechthebbende reeds krachtens het gemeen recht werkelijk werd schadeloosgesteld, treedt voor deze betaling niet rechtens in de plaats van de rechthebbende om de betaalde prestaties te verhalen op de aansprakelijke of zijn verzekeraar. Die vroegere betaling kan in die omstandigheden wel aan de verzekerings-instelling worden tegengeworpen. Het feit dat de aan de verzekeringsinstelling ter kennis gebrachte schadeloos-stelling in gemeen recht gebeurt op grond van een dadingsovereenkomst tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling is verschuldigd, waarmee de verzekeringsinstelling niet heeft ingestemd, doet hieraan geen afbreuk. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis volgt dat: - de eiseres en de rechthebbende V. op 20 juli 1993 een dadingsovereenkomst sloten waarbij aan deze laatste een bedrag van 24.795,43 euro werd betaald tot vergoeding van de schade veroorzaakt door een verkeersongeval en waarvoor de verzekerde van de eiseres aansprakelijk is, - de verweerder door de eiseres bij aangetekende brief van 27 augustus 1993 van de dading in kennis werd gesteld nadat deze ondertekend en uitgevoerd werd, - de verweerder aan V. op 28 juni 1996 de kosten voor een nieuwe beenprothese heeft betaald, - de door de verweerder gevorderde kosten voor de vervanging van de beenprothese in oorzakelijk verband staan met het verkeersongeval waarvoor de verzekerde van de eiseres aansprakelijk is. De appelrechters konden op grond van die gegevens en zonder vast te stellen of voor de schade die aanleiding had gegeven tot de vergoeding door de verweerder, krachtens het gemeen recht of krachtens een andere wetgeving niet een tevoren ter kennis gebrachte schadeloosstelling was verleend, niet wettig beslissen dat de verweerder deze vergoeding op de eiseres kan verhalen. Zodoende schenden zij artikel 136, ,§2, van de ziektewet. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van een bedrag van 5.396,25 euro met interest aan de verweerder en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, zitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negenentwintig mei tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060529.1 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CTMON:2013:ARR.20130411.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20011024.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100315.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div