id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.4 Rolnummer: C.05.0440.N-C.06.0017.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-09-21 Raadplegingen: 364 - laatst gezien 2026-07-04 06:25 Fiche Thesaurus CAS: WRAKING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Wraking (gerechtelijk recht) Vrije woorden: WRAKING Annotaties Publicaties: P.§B./R.D.J.P. - Joachim VAN DONINCK; Rechtsbescherming bij evaluatie van magitraten. - 2008, 22-32 R.A.B.J. - Rudy VERBEKE; Evaluatie van magistraten: de wraking van de beoordelaar. - 2006, 1335-1346 Juristenkrant - Joachim VAN DONINCK; Magistraat mag evaluatiecollege wraken. - 2006, 1335-1346 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0440.N en C.06.0017.N X., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF A. Cassatieberoep C.05.0440.N. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 24 maart 2006 verwezen naar de derde kamer. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. B. Cassatieberoep C.06.0017.N. Het cassatieberoep is gericht tegen de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren-magistraten bij de Rechtbank van Koophandel te (...) van 7 oktober
- De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 28 maart 2006 verwezen naar de derde kamer. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN A. In de zaak C.05.0440.N. De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna EVRM); - het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter; - de artikelen 2, 259ter, 259quater, 259nonies, 259decies, 360quater en 828 tot en met 842 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging. Bestreden beslissing Het hof van beroep verklaart eiseres' verzoek tot wraking van de leden-magistraten van het college van evaluatoren bij de Rechtbank van Koophandel te (...) niet toelaatbaar, op grond van de volgende overwegingen: "De heer (...) is voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te (...) en ingevolge artikel 259decies van het Gerechtelijk Wetboek automatisch lid van het college van evaluatoren, dat verzoekster dient te evalueren. De heren (...) werden door de algemene vergadering van de Rechtbank van Koophandel te (...) verkozen tot evaluatoren en dienen dus samen met hun korpschef verzoekster te evalueren. Voor elke beoordeling rijst de vraag of de procedure, zoals voorzien in de artikelen 828 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek kan aangewend worden om evaluatoren bij de periodieke evaluatie van magistraten te wraken. Uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de wetgever met de evaluatie een interne, periodieke kwaliteitscontrole binnen elk rechtscollege beoogt (...). De evaluatie heeft niet als primaire bedoeling de magistraat, die in gebreke blijft, te sanctioneren, maar beoogt in de eerste plaats het individueel functioneren van de betrokkene en de werking van het rechtscollege of het korps in zijn geheel te optimaliseren. Kortom de evaluatie is in feite een managementinstrument, dat het mogelijk moet maken de personele middelen op de meest geschikte wijze in te zetten en te valoriseren. Dit neemt niet weg dat de magistraat, die om redenen die hem toerekenbaar zijn, de gestelde redelijke doelstellingen niet haalt, hierop moet kunnen worden aangesproken. De korpschef is hiertoe 'de' aangewezen persoon. De twee andere evaluatoren zijn een bijkomende garantie naar de magistraat toe, die dient geëvalueerd te worden. De vaststelling, dat het huidig evaluatiestelsel, zoals het door de wetgever in tekst werd gebracht, niet vertrekt van een positieve benadering, maar de klemtoon legt op het aspect bestraffing, doet geen afbreuk aan het bovengestelde, aan de doelstelling van de evaluatie. Het wat ongelukkig in de tekst gieten van het evaluatiesysteem door de wetgever maakt de vaststelling, dat het om een managementinstrument gaat om de werking van het rechtscollege te verbeteren, niet ongedaan. De evaluatie betreft aldus noch een burgerlijk proces, noch een strafproces, noch een bestuursproces, kortom geen vorm van rechtspraak. De artikelen 828-847 van het Gerechtelijk Wetboek zijn er bijgevolg niet op van toepassing". Grieven Eerste onderdeel Schending van artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, van de artikelen 2, 259ter, 259quater, 259nonies, 259decies, 360quater en 828 tot en met 842 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging.
- Eiseres voerde in haar verzoekschriften tot wraking en haar conclusies voor het hof van beroep aan dat het college van evaluatoren-magistraten, dat overeenkomstig artikel 259decies van het Gerechtelijk Wetboek belast was met haar periodieke evaluatie, in het verleden blijk had gegeven van vooringenomenheid en partijdigheid, door op basis van onjuiste gegevens betreffende de behandelde zaken haar capaciteiten als magistrate te beoordelen. Omwille van dit gebrek aan onpartijdigheid en de grote graad van vijandschap tussen de evaluatoren en eiseres, nog verergerd doordat zij als enige magistrate van het korps moest geëvalueerd worden nu de overige magistraten deel uitmaakten van het college van evaluatoren, diende zij naar aanleiding van de volgende periodieke evaluatie een verzoekschrift tot wraking van diezelfde evaluatoren in. Het hof van beroep verklaart het verzoek tot wraking van eiseres evenwel niet-ontvankelijk en beslist dat de artikelen 828 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek op deze evaluatie niet van toepassing zijn.
- De artikelen 259nonies en volgende van het Gerechtelijk Wetboek bepalen dat de werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie, die slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en dit op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten. De evaluatie wordt voorafgegaan door een of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste één van zijn beoordelaars, waarna de korpschef een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene overhandigt. De betrokkene kan nadien zijn schriftelijke opmerkingen aan de korpschef bezorgen, waarna de definitieve beoordelingsbeslissing wordt genomen en aan de betrokkene overhandigd wordt. Het verloop van de evaluatieprocedure werd verder uitgewerkt in de artikelen 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging. De artikelen 7 en 8 van dit koninklijk besluit werden door de Raad van State bij arrest nr. 144.185 van 9 mei 2005 vernietigd.
- De beoordelingsbeslissing beïnvloedt de loopbaan en de vermogensrechten van de geëvalueerde magistraat. Zo bepaalt artikel 259quater, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de procedure tot aanwijzing van mandaten dat het aanwijzingsdossier van een korpschef een afschrift van het evaluatiedossier bevat. Een afschrift van het evaluatiedossier, dat gedurende ten minste tien jaar bij de minister van Justitie bewaard wordt (cf. artikel 259nonies, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), maakt ook deel uit van het benoemingsdossier bedoeld in artikel 259ter, ,§2, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Tot slot geeft de beoordeling "onvoldoende" aanleiding tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in de artikelen 360 en 360bis, gedurende zes maanden, en dit onverminderd tuchtrechtelijke gevolgen (cf. artikel 259decies, in fine iuncto artikel 360quater van het Gerechtelijk Wetboek). De procedure tot evaluatie en de beoordelingsbeslissing die erop volgt raken derhalve zowel de loopbaan als het inkomen van de betrokken magistraat.
- Het college van evaluatoren-magistraten neemt als orgaan van de rechterlijke macht ingevolge de hierboven uiteengezette procedure een beslissing die de carrière, de loopbaan en dus ook de vermogensrechten van de betrokken magistraat, in voorliggend geval eiseres, beïnvloedt. Nu deze beslissing derhalve de burgerlijke rechten van de geëvalueerde magistraat raakt, is artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en het erin vervatte recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie noodzakelijkerwijze erop van toepassing. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de vaststelling betreffende de loopbaan van een persoon in overheidsdienst, die de subjectieve vermogensrechten van de betrokkene raakt, als een vaststelling betreffende een burgerlijk recht in de zin van artikel 6.1, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan worden beschouwd. Uitzonderingen op de verdragswaarborgen in artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens moeten restrictief worden geïnterpreteerd.
- De evaluatieprocedure en de beoordelingsbeslissing die ermee gepaard ging raakten de subjectieve vermogensrechten van eiseres, zodat er een burgerlijk recht in het geding was en de naleving van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens moest worden gewaarborgd. Gelet op de door de wetgever en de koning uitgewerkte procedure en het burgerlijk recht dat daarbij in het geding was, is er sprake van een rechtspleging waarop krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek de gemeenrechtelijke regels betreffende wraking, met name de artikelen 828 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing zijn. De in het Gerechtelijk Wetboek gestelde regels zijn krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek in beginsel inderdaad van toepassing op alle rechtsplegingen.
- De vaststelling dat de evaluatoren-magistraten die samen het college van evaluatoren vormden, volgens eiseres blijk gaven van vooringenomenheid en partijdigheid, verantwoordde dan ook de toepassing van de regels betreffende wraking in de artikelen 828 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Bezwaren van organisatorische aard, met name dat door het mogelijk maken van de wraking van evaluatoren-magistraten elke evaluatie in kleinere rechtscolleges onmogelijk zou worden gemaakt, zoals het openbaar ministerie in zijn advies voorafgaand aan het bestreden arrest opmerkte, kunnen aan de rechten en vrijheden gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens geen afbreuk doen. In zover het hof van beroep het verzoek van eiseres tot wraking van de leden van het college van evaluatoren-magistraten niet-ontvankelijk verklaart om reden dat de artikelen 828 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek er niet op van toepassing zijn, terwijl er sprake was van een rechtspleging waardoor de subjectieve vermogensrechten van eiseres, derhalve een burgerlijk recht, getroffen werden en het vereiste van onpartijdigheid dan ook wel degelijk gold, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht en schendt het artikel 6.1 van het van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 2, 259ter, 259quater, 259nonies, 259decies, 360quater en 828 tot en met 842 van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Schending van het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter, van de artikelen 2, 259ter, 259quater, 259nonies, 259decies, 360quater en 828 tot en met 842 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging.
- Het hof van beroep erkent dat "het huidig evaluatiestelsel, zoals het door de wetgever in tekst werd gebracht, niet vertrekt van een positieve benadering, maar de klemtoon legt op het aspect bestraffing".
- Gelet op het "bestraffend" karakter van de door de wetgever en de Koning uitgewerkte procedure tot evaluatie van magistraten, moest het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter door het college van evaluatoren - orgaan van de rechterlijke macht - worden geëerbiedigd. Bij miskenning van deze essentiële regel van rechtsbedeling kon een verzoek tot wraking wel degelijk op ontvankelijke wijze worden ingesteld.
- De beslissing dat ondanks de bestraffende teneur van het huidige evaluatiestelsel een verzoek tot wraking van de leden van het college van evaluatoren-magistraten niet-ontvankelijk is, is dan ook niet naar recht verantwoord en schendt derhalve het algemeen rechtsbeginsel van onpartijdigheid van de rechter en de artikelen 2, 259ter, 259quater, 259nonies, 259decies, 360quater en 828 tot en met 842 van het Gerechtelijk Wetboek. B. In de zaak C.06.0017.N De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel betreffende het gezag van gewijsde van vernietigingsarresten van de Raad van State, afdeling administratie; - de artikelen 259ter, 259quater, 259nonies en 259decies van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging. Bestreden beslissing De voorziening in cassatie strekt tot vernietiging van de definitieve evaluatiebeslissing, door het college van evaluatoren bij de Rechtbank van Koophandel te(...)op 7 oktober 2005 ten aanzien van eiseres genomen. In deze beslissing wordt aan eiseres een eindbeoordeling "onvoldoende" toegekend. Grieven Schending van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het gezag van gewijsde van vernietingsarresten van de Raad van State, afdeling administratie en tevens, voor zoveel als nodig, van de artikelen 259ter, 259quater, 259nonies en 259decies van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging.
- Overeenkomstig een algemeen rechtsbeginsel zijn de arresten van de Raad van State die een rechtshandeling van een administratieve overheid vernietigen bekleed met gezag van gewijsde (cf. Cass., 4 april 2002, nr. C.00.0457.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020404.1; Cass., 8 februari 1991, Arr. Cass., 1990-91, 617; S. Lust en P. Popelier, "Rechtshandhaving door het Arbitragehof en de Raad van State door de uitoefening van de vernietigingsbevoegdheid: de positieve en de negatieve bijdrage aan de rechtsvorming", R.W. 2001-2002, 1218, nr. 34). Dit gezag van gewijsde geldt erga omnes en heeft tot gevolg dat eenieder die de gevolgen van de vernietigde beslissing ondervond, ook de gevolgen van de vernietiging zal ondervinden (cf. S. Lust en P. Popelier, l.c., R.W. 2001-2002, 1218, nr. 34 en 1219; A. Mast e.a., Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer, 2002, 971, nr. 997). Het gezag strekt zich uit tot het beschikkend gedeelte - de vernietiging - en de motieven die er noodzakelijk de grondslag van vormen (cf. Cass. 8 februari 1991, reeds geciteerd; S. Lust en P. Popelier, l.c., R.W. 2001-2002, 1219). Zo de Raad van State een rechtshandeling van een administratieve overheid vernietigt, wordt deze handeling van bij de aanvang ervan ("ab initio") uit de rechtsorde genomen (cf. S. Lust en P. Popelier, l.c., R.W. 2001-2002, 1220, nr. 36; A. Mast e.a., o.c., Antwerpen, Kluwer, 2002, 973). De rechtsgevolgen van de vernietigde handeling verliezen dan eveneens de rechtens vereiste grondslag (cf. S. Lust en P. Popelier, l.c., R.W. 2001-2002, 1220, nr. 37).
- De artikelen 259nonies en volgende van het Gerechtelijk Wetboek bepalen dat de werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie, die slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en dit op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten. De evaluatie wordt voorafgegaan door een of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste één van zijn beoordelaars, waarna de korpschef een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene overhandigt. De betrokkene kan nadien zijn schriftelijke opmerkingen aan de korpschef bezorgen, waarna de definitieve beoordelingsbeslissing wordt genomen en aan de betrokkene overhandigd wordt. Het verloop van de evaluatieprocedure wordt verder uitgewerkt in de artikelen 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging. De artikelen 7 en 8 van dit koninklijk besluit werden door de Raad van State bij arrest nr. 144.185 van 9 mei 2005 vernietigd.
- Naar aanleiding van de huidige periodieke evaluatie had eiseres de leden van het college van evaluatoren attent gemaakt op het arrest van de Raad van State van 9 mei 2005 en had zij aangevoerd dat de evaluatie in haar huidige vorm ten gevolge van dit arrest niet langer doorgang kon vinden. Het college verwerpt dit verweer en oordeelt dat volgens de Raad van State "de koning in feite aan machtsoverschrijding heeft gedaan door, waar hij slechts zeer bijkomstige zaken bij delegatie kan regelen, diverse handelingen, (...), heeft opgelegd die bezwaarlijk hun rechtsgrond kunnen vinden in de wet. Dit betekent evenwel dat het principe van de evaluatie blijft bestaan zoals uitgewerkt in artikel 259nonies en decies van het Gerechtelijk Wetboek en alle andere bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 eveneens overeind blijven zoals de criteria van de factoren voor de evaluatie die door de Hoge Raad werden vooropgesteld. Het principe van een of meerdere functioneringsgesprekken voorafgaand aan het evaluatiegesprek is voorzien in artikel 259nonies, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en blijft eveneens wettelijk bestaan. Aangezien er op 8 maart 2001 een functioneringsgesprek heeft plaatsgehad waarvan collega X. een schriftelijke synthese heeft ontvangen, en zij geen enkele opmerking ter zake heeft gemaakt, kan en kon het huidig samengesteld college overgaan tot de periodieke evaluatie van collega X.., zoals voorzien in artikel 259decies van het Gerechtelijk Wetboek" (cf. p. 5 van de definitieve evaluatie).
- In het arrest van 9 mei 2005, dat de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging vernietigde, besliste de Raad van State inderdaad dat in artikel 259nonies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek "bezwaarlijk een rechtsgrond kan gevonden worden voor de bepaling in de artikelen 7 en 8 van het bestreden besluit waarbij de geëvalueerde opgelegd wordt verslagen van functioneringsgesprekken en schriftelijke voorbereidingen op evaluatiegesprekken te bezorgen aan zijn evaluatoren" (cf. nr. 2.3.2.5., in fine van het arrest). De Raad van State stelt evenwel ook vast dat in het vijfde lid van artikel 259nonies van het Gerechtelijk Wetboek evenmin een rechtsgrond kan worden gevonden voor de bepaling in de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit dat reeds bij het begin van de evaluatieperiode een functioneringsgesprek moet worden gevoerd (cf. nr. 2.3.2.5., in fine van het arrest).
- In zoverre het college van evaluatoren in de definitieve evaluatiebeslissing van 7 oktober 2005 oordeelt dat het arrest van de Raad van State geen afbreuk doet aan het principe van één of meerdere functioneringsgesprekken en het de evaluatie van eiseres - spijts de motieven in het vernietigingsarrest van de Raad van State - mede steunt op het functioneringsgesprek dat op 8 maart 2001 - bij de aanvang van de evaluatieperiode 2001/2004 - plaatsvond (cf. p. 5, p. 6 laatste alinea en p. 7 van de evaluatiebeslissing in de door ondergetekende aangebrachte paginering), miskent het dan ook het gezag van gewijsde van de vernietigingsarrest van de Raad van State van 9 mei 2005 (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat vernietingsarresten van de Raad van State gezag van gewijsde hebben, tevens, voor zoveel als nodig, van de artikelen 259ter, 259quater, 259nonies en 259decies van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging.). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Samenvoeging De zaken C.05.0440.N en C.06.0017.N hebben betrekking op dezelfde evaluatie. Zij dienen te worden gevoegd. A. Zaak C.05.0440.N Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 259nonies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de werkende beroepsmagistraten onderworpen aan een gemotiveerde schriftelijke evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van een mandaat wanneer het een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat betreft. Krachtens artikel 259decies, ,§2, van hetzelfde wetboek, geschiedt de evaluatie bij volstrekte meerderheid van stemmen door de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering of de korpsvergadering, of, eventueel door de korpschef alleen.
- De in het Gerechtelijk Wetboek gestelde regels, inclusief die vervat in de artikelen 828 en volgende, zijn krachtens artikel 2 van hetzelfde wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van bedoeld wetboek.
- De evaluatie van de magistraten moet worden aangemerkt als een rechtspleging in de zin van voormeld artikel
- Deze rechtspleging wordt niet geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.
- De appelrechters konden op grond van de door hen aangehaalde redenen niet beslissen dat de regels in zake wraking bedoeld in de artikelen 828 tot 847 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn op de evaluatie van magistraten.
- Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. B. Zaak C.06.0017.N
- De vernietiging van het arrest van 30 juni 2005 heeft de vernietiging van de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren van 7 oktober 2005 tot gevolg. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.05.0440.N en C.06.0017.N. Vernietigt het bestreden arrest en de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren van 7 oktober
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest en op de definitieve evaluatiebeslissing van het college van evaluatoren van 7 oktober
- Veroordeelt de Staat in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van nul euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van een juni tweeduizend en zes uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020404.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170622.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div