← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:

Art.1402

Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Voorlopige tenuitvoerlegging Hoger beroep Bevoegdheid van de rechter Vernietiging Voorwaarden Motiveringsgebrek Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen:

Art.1402

Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Beslissing inzake de voorlopige tenuitvoerlegging Hoger beroep Bevoegdheid van de rechter Vernietiging Voorwaarden Motiveringsgebrek Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen:

Art.1402Annotaties Publicaties: R.W.

- X; Noot. - 2007-2008, 1282 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0231.N

  1. HANNECARD, naamloze vennootschap, met zetel te 9600 Ronse, Zonnestraat 311,
  2. HANNETHANE, naamloze vennootschap, met zetel te 9600 Ronse, Ninoofsesteenweg 559, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen NOVOGRAPH, naamloze vennootschap, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Haachtsesteenweg 82, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 januari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 774, tweede lid, 1138, 2°, 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek; - de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijke geding (het beschikkingsbeginsel). Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het beroepen vonnis van 18 juni 2002 van de Rechtbank van Koophandel te Brussel gegrond en doen dit vonnis teniet waar de uitvoerbaarheid bij voorraad ervan wordt beslist, op grond van de volgende motieven:
  3. (De verweerster) verzoekt het (hof van beroep) om haar grieven inzake de besliste uitvoerbaarheid gegrond te verklaren en als volgt te beslissen: - de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis (...) te schorsen en (de eiseressen) te veroordelen tot het terugbetalen van een som van 28.461,29 euro, te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 30.8.2002; - akte willen nemen van het feit dat (de verweerster) nu reeds (de eiseres) in gebreke stelt voor alle schade die zij heeft ondergaan door het uitvoeren van het vonnis, meer bepaald het inpalmen van het cliënteel van (de verweerster); - ondergeschikt overeenkomstig artikel 1066, 6°, GW (de verweerster) toe te laten over te gaan tot het kantonneren van de som van 28.461,29 euro en (de eiseressen) te veroordelen tot het terugbetalen van een som van 28.461,29 euro, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 30.8.
  4. Zij betuigt dat het vonnis de rechten van verdediging schendt, dat ultra petita werd beslist en verder dat er kennelijke onregelmatigheden werden begaan. Uit haar ondergeschikte verwijzing naar artikel 1066, 6°, Gerechtelijk Wetboek en de middelen die zij ontwikkelt in haar conclusie blijkt dat zij ook opkomt tegen de uitsluiting van haar recht om te kantonneren voor het geval de uitvoerbaarheid niet wordt geschorst.
  5. (De eiseressen) besluiten tot verwerping van de desbetreffende grieven. Voor het geval het (hof van beroep) zou oordelen dat de uitsluiting van het kantonnement onterecht werd beslist, wegens gemis aan motivering, vragen zij dat het (hof van beroep) alsnog (de verweerster) van het recht om te kantonneren zou uitsluiten.
  6. Het bepaalde in artikel 1402 Gerechtelijk Wetboek, dat de appelrechter verbiedt om de tenuitvoerlegging te verbieden of te doen schorsen, dient aldus te worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de appelrechter de opportuniteit van een in eerste aanleg besliste tenuitvoerlegging zou toetsen, maar niet dat deze zou worden ongedaan gemaakt wanneer zij op een onregelmatige wijze werd beslist. De rechtsleer neemt aan dat dergelijke onregelmatigheid voorhanden is wanneer ultra petita werd beslist, wanneer een procedurevoorschrift of - beginsel werd geschonden of wanneer de wet de voorlopige tenuitvoerlegging verbiedt (cfr. E. Dirix & K. Broeckx, Beslag, APR, 2001, nrs; 71-73 en 350-352; E. Dirix & K. Broeckx, Overzicht van rechtspraak, Beslagrecht (1991-1996), T.P.R., 1996, 1411, nr 23).
  7. In de inleidende dagvaarding evenals in de conclusies die voor het tussenvonnis van 10 januari 2001 werden genomen heeft (de eiseres) als onderdeel van haar vordering ook verzocht om het vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren én om (de verweerster) uit te sluiten van het recht om te kantonneren. Dit verzoek werd niet nader gestaafd. (De verweerster) heeft geconcludeerd tot verwerping van de vordering.
  8. Krachtens artikel 1398 Gerechtelijk Wetboek kan de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn beslissing toestaan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt. De ruimte die aldus aan de rechter wordt gelaten om over de voorlopige tenuitvoerlegging te beslissen ontslaat hem evenwel niet van de grondwettelijke verplichting om zijn beslissing op dit punt te motiveren. Uit de motivering dient met name te blijken dat de concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging kunnen wettigen en in het licht van de ernst van het gevoerde verweer en de omzichtige afweging van de belangen van de partijen.
  9. In het bestreden vonnis wordt evenwel geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging. De beslissing is in dit opzicht dan ook niet naar recht verantwoord.
  10. Het (hof van beroep) besluit zodoende dat er grond bestaat om de toegestane voorlopige uitvoerbaarheid te schorsen" (bestreden arrest, bladzijden 7, 8 en 9). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van procespartijen in het burgerlijk geding, zoals vastgelegd in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepalen de partijen de grenzen van het burgerlijk geding. De rechter mag dan ook geen betwisting aanvoeren die tussen de partijen in het geding niet bestaat. Overeenkomstig artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging dient de rechter de debatten te heropenen alvorens een vordering in te willigen op grond van een middel dat partijen voor hem niet hadden aangevoerd en waarover partijen geen discussie hebben kunnen voeren. De appelrechters verklaren het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis van de eerste rechter gegrond, op grond dat het beroepen vonnis geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging. De verweerster voerde in conclusie niet aan dat de beslissing waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet gemotiveerd was en om die reden onregelmatig was en eiseres kon op dit punt geen verweer voeren. Hieruit volgt dat de appelrechters, door het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis van de eerste rechter gegrond te verklaren, op grond dat het beroepen vonnis geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging, een betwisting aanvoeren die tussen partijen niet bestond (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van partijen in het burgerlijk geding, het beschikkingsbeginsel) en door aldus de beslissen zonder aan de eiseres de mogelijkheid te geven op dit punt verweer te voeren, schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede onderdeel Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen. Overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek kan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan. De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid (artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek). Het in artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte verbod om de tenuitvoerlegging van vonnissen te schorsen, is absoluut. Hieruit volgt dat, door de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging te schorsen, de appelrechters voormelde bepalingen, en in het bijzonder artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek, schenden. Derde onderdeel Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen. Overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek kan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan. De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid (artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek). In zoverre aangenomen moet worden dat het in artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte verbod tot schorsing van de tenuitvoerlegging niet absoluut is, dient niettemin te worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging slechts in uitzonderlijke gevallen geschorst kan worden. De tenuitvoerlegging kan enkel geschorst worden ingeval de voorlopige tenuitvoerlegging op manifest onregelmatige wijze is toegestaan. Dit is met name het geval wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan zonder dat dit gevraagd werd, wanneer dit gebeurde in een geval waarin dit door de wet verboden wordt of wanneer dit gebeurde met miskenning van het recht van verdediging. Artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek laat de rechter in hoger beroep evenwel niet toe de tenuitvoerlegging te schorsen om de enkele reden dat de beslissing van de eerste rechter waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet gemotiveerd is. Hieruit volgt dat, door de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging te schorsen op grond van de enkele overweging dat de eerste rechter geen enkele motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging, de appelrechters de artikelen 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek schenden. Vierde onderdeel Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414, verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen. Overeenkomstig artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek kan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toestaan. De rechters in hoger beroep kunnen in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid (artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek). Zelfs in zoverre aangenomen moet worden dat het in artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vervatte verbod tot schorsing van de tenuitvoerlegging niet absoluut is, en daarenboven aangenomen moet worden dat de rechter in hoger beroep de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging kan schorsen ingeval de beslissing die de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat een motiveringsgebrek bevat, is de beslissing van de appelrechters niet naar recht verantwoord. Artikel 149 van de Grondwet schrijft voor dat elk vonnis met redenen omkleed is. De motiveringsverplichting houdt enerzijds in dat een rechterlijke beslissing redenen moet bevatten en houdt anderzijds in dat de rechter moet antwoorden op de conclusies van partijen. Een rechterlijke beslissing moet redenen bevatten om de wettigheidstoetsing ervan mogelijk te maken. Artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen kan toestaan. De wet maakt deze mogelijkheid niet afhankelijk van het vervuld zijn van een aantal voorwaarden. De rechter kan de voorlopige tenuitvoerlegging toestaan op grond van een loutere beoordeling van de opportuniteit ervan. Nu de beslissing tot het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging een loutere opportuniteitsbeoordeling inhoudt, en de rechter in hoger beroep de opportuniteit van de voorlopige tenuitvoerlegging niet mag beoordelen, dient de eerste rechter in de beslissing waarbij hij de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat niet aan te geven welke concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging kunnen wettigen. De motiveringsplichting verplicht de rechter in dit verband enkel te antwoorden op de door partijen aangevoerde verweermiddelen. Nu eiseressen voor de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging eisten en verweerster hieromtrent geen verweer voerde, diende de eerste rechter in zijn beslissing waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet aan te geven welke concrete omstandigheden de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen. Hieruit volgt dat de appelrechters, door te beslissen dat de eerste rechter zijn beslissing met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging diende te motiveren en dat diende te blijken dat de concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen in het licht van de ernst van het gevoerde verweer en de omzichtige afweging van de belangen van partijen, geven de appelrechters aan de motiveringsverplichting een draagwijdte die deze niet bevat (schending van artikel 149 van de Grondwet), en schenden zij de artikelen 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre de appelrechters, door te overwegen dat diende te blijken dat de concrete omstandigheden van het geval de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen in het licht van de ernst van het gevoerde verweer en de omzichtige afweging van de belangen van partijen, beslissen dat verweerster voor de eerste rechter verweer voerde met betrekking tot de door de eiseres gevorderde voorlopige tenuitvoerlegging, schenden zij de bewijskracht van alle door de verweerster voor de eerste rechter ingediende conclusies, nu in deze conclusies op geen enkel punt verweer werd gevoerd omtrent de door de eiseres gevorderde voorlopige tenuitvoerlegging (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  11. Krachtens artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de rechters in hoger beroep in geen geval de tenuitvoerlegging verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid. Die bepaling strekt ertoe te verhinderen dat de appelrechter de opportuniteit van de in eerste aanleg toegestane voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw in vraag stelt.
  12. Die bepaling staat er niet aan in de weg dat de appelrechter de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging teniet doet wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd, wanneer zij niet door de wet is toegestaan of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging. Een motiveringsgebrek in de beslissing van de eerste rechter over de tenuitvoerlegging laat de appelrechter niet toe die voorlopige tenuitvoerlegging te verbieden of te schorsen.
  13. De appelrechters stellen vast dat in het bestreden vonnis met betrekking tot het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging "geen enkele motivering wordt verstrekt" en oordelen dat deze beslissing teniet moet worden gedaan wegens het gebrek aan motivering. Door aldus te oordelen schendt het arrest artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek.
  14. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 1 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2011:ARR.20110510.7 ECLI:BE:CALIE:2013:ARR.20130528.6 ECLI:BE:CALIE:2013:ARR.20130531.1 ECLI:BE:CALIE:2014:ARR.20141014.12 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170316.10 ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20101203.8 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.095 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.