← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.8 Rolnummer: C.05.0024.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-24 Raadplegingen: 694 - laatst gezien 2026-07-04 05:54 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Tenzij hierover verweer werd gevoerd, dient de rechter het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging van zijn vonnis niet nader te motiveren

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M.; zie ook Cass., 1 juni 2006, AR C.03.0231.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.5, nr ..., supra. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Vonnis - arrest - Algemeen Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Voorlopige tenuitvoerlegging Motivering Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1398 Nota: C.05.0024.N CONCLUSIE van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. In deze zaak stond de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe. Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart het verzoek van verweerster tot opheffing van de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging gegrond. Vermits het vonnis geen motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging, vernietigden de appèlrechters dan ook het vonnis op dit punt.
  2. In het tweede onderdeel van het enig middel tot cassatie wordt aangevoerd dat de in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsplicht van de rechter moet worden beoordeeld in het licht van de besluiten van een procespartij. De motiveringsplicht legt de rechter in dit verband enkel op te antwoorden op de door partijen in conclusies aangevoerde middelen. Nu door verweerder geen verweer werd gevoerd op de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging, diende de eerste rechter zijn beslissing op dit punt niet te motiveren. Door anders te vereisen, geven de appèlrechters aan de motiveringsplicht een draagwijdte die zij niet bevat en schenden zij hierdoor de artikelen 149 van de Grondwet, en 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt. Dit artikel formuleert de regel: gewone rechtsmiddelen schorsen de voorlopige uitvoerbaarheid van de beslissing. De uitzondering hierop volgt in de daaropvolgende bepaling: artikel 1398, eerste lid, van het Gerechtelijk wetboek bepaalt dat, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen kan toestaan. Met betrekking tot de beslissing van voorlopige tenuitvoerlegging bepaalt artikel 1402 van hetzelfde wetboek op zijn beurt dat de rechters in hoger beroep in geen geval de tenuitvoerlegging kunnen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid. De rechter in hoger beroep kan overeenkomstig dit verbod de voorlopige tenuitvoerlegging, niet schorsen of verbieden. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof strekt deze regel ertoe te verhinderen dat de appèlrechter de opportuniteit van de in eerste aanleg toegestane voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw in vraag stelt
(1). Dit verbod verhindert echter niet dat de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging kan vernietigd worden in geval van miskenning van een 'procedurebeginsel of voorschrift' (bv. miskenning van de rechten van verdediging
(2)), of in geval van een 'manifeste onregelmatigheid' (bv. een beslissing ultra petita)
(3). De vraag rijst of het niet-gemotiveerd toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging eveneens een vernietiging kan verantwoorden. Een bepaalde strekking in de rechtsleer en de rechtspraak is van oordeel dat, wanneer de rechter bij toepassing van artikel 1398, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat, hij dit doet in afwijking op de regel geformuleerd in artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. Om die reden moet dit op gemotiveerde wijze geschieden
(4). Een 'automatisch' toestaan van de uitvoerbaarheid bij voorraad, al dan niet op gemotiveerd verzoek, zou niet stroken met het uitzonderlijk karakter van artikel 1398, eerste lid Ger.W
(5). Deze motiveringsplicht zou de rechter ook nopen tot bezinning over de maatregel opdat hij slechts met passende omzichtigheid zou worden toegestaan
(6). Wanneer de rechter, ongeacht het feit of de eiser zijn verzoek motiveert, dit verzoek ongemotiveerd toestaat, zou hij tekort komen aan zijn motiveringsplicht, en zou het vonnis op dit punt dienen te worden vernietigd omwille van onregelmatigheid
(7). Voormeld standpunt is evenwel niet verenigbaar met de vaste rechtspraak van Uw Hof krachtens dewelke in burgerlijke zaken de rechter, bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, niet alle elementen dient te vermelden die de toepassing van een wetsbepaling verantwoorden.
(8)De bij artikel 149 van de Grondwet voorgeschreven motiveringsplicht houdt dan ook niet in dat de rechter de redenen moet opgeven waarop hij zijn beslissing laat steunen als er dienaangaande geen conclusie werd genomen. Noch de artikelen 1397 en 1398 van het Gerechtelijk Wetboek, noch enige andere wettelijke bepaling, leggen de rechter die overeenkomstig artikel 1398 de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat, een bijzondere motiveringsplicht op naast de verplichting de conclusies van de partijen daaromtrent te beantwoorden. De omstandigheid dat artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek de uitzondering is op de regel neergelegd in artikel 1397 van dat wetboek, vermag hieraan geen afbreuk te doen. In de rechtsleer wordt er bovendien op gewezen dat de beslissing over de voorlopige tenuitvoerlegging slechts een opportuniteitsbeoordeling in houdt, zodat op dat vlak geen wettigheidstoezicht kan uitgeoefend worden. Nu noch het hof van beroep, noch Uw Hof een wettigheidstoezicht kan uitoefenen op de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging, dient de rechter zijn beslissing op dit punt niet te motiveren bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie.
(9)Voorts wordt geargumenteerd dat de voorlopige tenuitvoerlegging slechts een eenvoudige uitvoeringsmodaliteit betreft van de beslissing ten gronde. In geval hierover door de partijen niet werd geconcludeerd, dient de rechter zijn beslissing hieromtrent niet nader te motiveren.
(10)Uit het voorgaande kan worden besloten dat de appelrechter de door de eerste rechter bevolen voorlopige tenuitvoerlegging niet kan vernietigen louter omdat die beslissing niet werd gemotiveerd wanneer voor de eerste rechter geen conclusies werden genomen waarin de elementen voor het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging worden betwist. Dit standpunt sluit overigens aan bij het arrest van Uw Hof van 1 april 2004 (A.R. nr. C.02.0055.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.18) waaruit blijkt dat de beslissing die zonder enige motivering ingaat op een niet gemotiveerde vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging het recht van verdediging niet miskent en in graad van beroep om die reden niet kan worden vernietigd. Nu eiseressen voor de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging eisten en verweerster hieromtrent geen verweer voerde, diende de eerste rechter in zijn beslissing waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet aan te geven welke concrete omstandigheden de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen. Door te beslissen dat de eerste rechter zijn beslissing met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging diende te motiveren ook al werd er door verweerster dienaangaande niet geconcludeerd, geven de appelrechters aan de motiveringsverplichting een draagwijdte die deze niet bevat, en schenden zij naast artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest. ARREST ___________________________
(1)Cass. 1 april 2004 (C.02.0055.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.18).
(2)Ibidem; Brussel, 9 oktober 2000, P&B 2001, 72; Brussel 24 januari 2003, J.T. 2003, 272; A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nr. 957; K. BROECKX, 'Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?', noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 3.
(3)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nr. 957; J. VAN COMPERNOLLE, 'Examen de jurisprudence (1972-1986) Droit judiciaire privé, saisies conservatoires et voies d'exécution', R.C.J.B. 1987, 431; K. BROECKX, 'Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?', noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 3; E. DIRIX, 'Overzicht van rechtspraak. Beslagrecht 1991-1996', T.P.R. 1996, p. 1412; E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, in A.P.R., Gent, Story, 2001, nrs. 350-351 en aldaar geciteerde rechtspraak; G.L. BALLON, 'Over art. 1402 Ger.W.', noot onder Antwerpen 13 maart 2000, A.J.T. 2000-01, 260-261; G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2003, p. 252, voetnoot nr. 165; Brussel 30 oktober 2001, P&B 2001, 47 met noot K. WAGNER.
(4)Brussel, 30 oktober 2001, P&B 2001, 47; Antwerpen, 13 maart 2000, A.J.T. 2000-01, 259, met noot G.L. BALLON; Beslagr. Mechelen 24 juni 1991, T.B.B.R. 1994, 140; K. WAGNER, noot onder Brussel 30 oktober 2001, P&B 2001, 52; K. BROECKX, 'Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?', noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 8-10.
(5)E. DIRIX, 'Overzicht van rechtspraak. Beslag en collectieve schuldenregeling. 1997-2001', T.P.R. 2002, p. 1209, nr. 23 en aldaar geciteerde rechtspraak; E. DIRIX en K. BROECKX, 'Overzicht van rechtspraak. Beslagrecht. 1991-1996', T.P.R. 1996, nr. 19 en aldaar geciteerde rechtspraak.
(6)Antwerpen, 13 maart 2000, A.J.T. 2000-01, 259, met noot G.L. BALLON; K. BROECKX, 'Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?', noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 8-9; E. DIRIX en K. BROECKX, 'Overzicht van rechtspraak. Beslagrecht. 1991-1996', T.P.R. 1996, nr. 20 en aldaar geciteerde rechtspraak.
(7)G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2003, p. 252, voetnoot nr. 165.
(8)Zie o.m. Cass., 29 januari 1999, A.R. nr. C.97.0195.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990129.4, A.C., 1999, 53.
(9)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Liège, 1987, 251, nr. 325 en 605, nr. 957; B. MAES, De motiveringsverplichting van de rechter, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen, 1990, 8, nr. 8).
(10)Cass. Fr. 13 april 1976, D. 1977, IR, 193, J.C.P. 1976, IV, 188; Cass. Fr. Civ. 23 oktober 1974, D. 1975, IR, 11; Cass., fr. 17 juni 1981, J.C.P. 1981, IV, 318; K. BROECKX, 'Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?', noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 7 met verwijzing naar de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie; R. PERROT, 'Jurisprudence française en matière de droit judiciaire privé. Procédure de l'instance: jugement et voies de recours. Voies d'exécution et mesures conservatoires ', Rev. Trim. Dr. Civ. 1984, 566, nr. 15). Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Voorlopige tenuitvoerlegging Motivering Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1398 Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 1 juni 2006, AR C.05.0024.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Voorlopige tenuitvoerlegging Motivering Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) Voorlopige tenuitvoerlegging Motivering Nota: C.05.0024.N CONCLUSIE van advocaat-generaal Dirk THIJS:
  1. In deze zaak stond de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe. Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart het verzoek van verweerster tot opheffing van de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging gegrond. Vermits het vonnis geen motivering verstrekt inzake de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging, vernietigden de appèlrechters dan ook het vonnis op dit punt.
  2. In het tweede onderdeel van het enig middel tot cassatie wordt aangevoerd dat de in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsplicht van de rechter moet worden beoordeeld in het licht van de besluiten van een procespartij. De motiveringsplicht legt de rechter in dit verband enkel op te antwoorden op de door partijen in conclusies aangevoerde middelen. Nu door verweerder geen verweer werd gevoerd op de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging, diende de eerste rechter zijn beslissing op dit punt niet te motiveren. Door anders te vereisen, geven de appèlrechters aan de motiveringsplicht een draagwijdte die zij niet bevat en schenden zij hierdoor de artikelen 149 van de Grondwet, en 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan schorsen, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt. Dit artikel formuleert de regel: gewone rechtsmiddelen schorsen de voorlopige uitvoerbaarheid van de beslissing. De uitzondering hierop volgt in de daaropvolgende bepaling: artikel 1398, eerste lid, van het Gerechtelijk wetboek bepaalt dat, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen kan toestaan. Met betrekking tot de beslissing van voorlopige tenuitvoerlegging bepaalt artikel 1402 van hetzelfde wetboek op zijn beurt dat de rechters in hoger beroep in geen geval de tenuitvoerlegging kunnen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid. De rechter in hoger beroep kan overeenkomstig dit verbod de voorlopige tenuitvoerlegging, niet schorsen of verbieden. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof strekt deze regel ertoe te verhinderen dat de appèlrechter de opportuniteit van de in eerste aanleg toegestane voorlopige tenuitvoerlegging opnieuw in vraag stelt
(1). Dit verbod verhindert echter niet dat de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging kan vernietigd worden in geval van miskenning van een "procedurebeginsel of voorschrift" (bv. miskenning van de rechten van verdediging
(2)), of in geval van een "manifeste onregelmatigheid" (bv. een beslissing ultra petita)
(3). De vraag rijst of het niet-gemotiveerd toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging eveneens een vernietiging kan verantwoorden. Een bepaalde strekking in de rechtsleer en de rechtspraak is van oordeel dat, wanneer de rechter bij toepassing van artikel 1398, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat, hij dit doet in afwijking op de regel geformuleerd in artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek. Om die reden moet dit op gemotiveerde wijze geschieden
(4). Een "automatisch" toestaan van de uitvoerbaarheid bij voorraad, al dan niet op gemotiveerd verzoek, zou niet stroken met het uitzonderlijk karakter van artikel 1398, eerste lid Ger.W
(5). Deze motiveringsplicht zou de rechter ook nopen tot bezinning over de maatregel opdat hij slechts met passende omzichtigheid zou worden toegestaan
(6). Wanneer de rechter, ongeacht het feit of de eiser zijn verzoek motiveert, dit verzoek ongemotiveerd toestaat, zou hij tekort komen aan zijn motiveringsplicht, en zou het vonnis op dit punt dienen te worden vernietigd omwille van onregelmatigheid
(7). Voormeld standpunt is evenwel niet verenigbaar met de vaste rechtspraak van Uw Hof krachtens dewelke in burgerlijke zaken de rechter, bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie, niet alle elementen dient te vermelden die de toepassing van een wetsbepaling verantwoorden.
(8)De bij artikel 149 van de Grondwet voorgeschreven motiveringsplicht houdt dan ook niet in dat de rechter de redenen moet opgeven waarop hij zijn beslissing laat steunen als er dienaangaande geen conclusie werd genomen. Noch de artikelen 1397 en 1398 van het Gerechtelijk Wetboek, noch enige andere wettelijke bepaling, leggen de rechter die overeenkomstig artikel 1398 de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat, een bijzondere motiveringsplicht op naast de verplichting de conclusies van de partijen daaromtrent te beantwoorden. De omstandigheid dat artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek de uitzondering is op de regel neergelegd in artikel 1397 van dat wetboek, vermag hieraan geen afbreuk te doen. In de rechtsleer wordt er bovendien op gewezen dat de beslissing over de voorlopige tenuitvoerlegging slechts een opportuniteitsbeoordeling in houdt, zodat op dat vlak geen wettigheidstoezicht kan uitgeoefend worden. Nu noch het hof van beroep, noch Uw Hof een wettigheidstoezicht kan uitoefenen op de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging, dient de rechter zijn beslissing op dit punt niet te motiveren bij ontstentenis van een daartoe strekkende conclusie.
(9)Voorts wordt geargumenteerd dat de voorlopige tenuitvoerlegging slechts een eenvoudige uitvoeringsmodaliteit betreft van de beslissing ten gronde. In geval hierover door de partijen niet werd geconcludeerd, dient de rechter zijn beslissing hieromtrent niet nader te motiveren.
(10)Uit het voorgaande kan worden besloten dat de appelrechter de door de eerste rechter bevolen voorlopige tenuitvoerlegging niet kan vernietigen louter omdat die beslissing niet werd gemotiveerd wanneer voor de eerste rechter geen conclusies werden genomen waarin de elementen voor het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging worden betwist. Dit standpunt sluit overigens aan bij het arrest van Uw Hof van 1 april 2004 (A.R. nr. C.02.0055.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.18) waaruit blijkt dat de beslissing die zonder enige motivering ingaat op een niet gemotiveerde vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging het recht van verdediging niet miskent en in graad van beroep om die reden niet kan worden vernietigd. Nu eiseressen voor de eerste rechter de voorlopige tenuitvoerlegging eisten en verweerster hieromtrent geen verweer voerde, diende de eerste rechter in zijn beslissing waarbij de voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan niet aan te geven welke concrete omstandigheden de toegestane tenuitvoerlegging konden wettigen. Door te beslissen dat de eerste rechter zijn beslissing met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging diende te motiveren ook al werd er door verweerster dienaangaande niet geconcludeerd, geven de appelrechters aan de motiveringsverplichting een draagwijdte die deze niet bevat, en schenden zij naast artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. Het onderdeel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest. ARREST ___________________________
(1)Cass. 1 april 2004 (C.02.0055.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.18).
(2)Ibidem; Brussel, 9 oktober 2000, P&B 2001, 72; Brussel 24 januari 2003, J.T. 2003, 272; A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nr. 957; K. BROECKX, "Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?", noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 3.
(3)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nr. 957; J. VAN COMPERNOLLE, "Examen de jurisprudence (1972-1986) Droit judiciaire privé, saisies conservatoires et voies d'exécution", R.C.J.B. 1987, 431; K. BROECKX, "Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?", noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 3; E. DIRIX, "Overzicht van rechtspraak. Beslagrecht 1991-1996", T.P.R. 1996, p. 1412; E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, in A.P.R., Gent, Story, 2001, nrs. 350-351 en aldaar geciteerde rechtspraak; G.L. BALLON, "Over art. 1402 Ger.W.", noot onder Antwerpen 13 maart 2000, A.J.T. 2000-01, 260-261; G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2003, p. 252, voetnoot nr. 165; Brussel 30 oktober 2001, P&B 2001, 47 met noot K. WAGNER.
(4)Brussel, 30 oktober 2001, P&B 2001, 47; Antwerpen, 13 maart 2000, A.J.T. 2000-01, 259, met noot G.L. BALLON; Beslagr. Mechelen 24 juni 1991, T.B.B.R. 1994, 140; K. WAGNER, noot onder Brussel 30 oktober 2001, P&B 2001, 52; K. BROECKX, "Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?", noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 8-10.
(5)E. DIRIX, "Overzicht van rechtspraak. Beslag en collectieve schuldenregeling. 1997-2001", T.P.R. 2002, p. 1209, nr. 23 en aldaar geciteerde rechtspraak; E. DIRIX en K. BROECKX, "Overzicht van rechtspraak. Beslagrecht. 1991-1996", T.P.R. 1996, nr. 19 en aldaar geciteerde rechtspraak.
(6)Antwerpen, 13 maart 2000, A.J.T. 2000-01, 259, met noot G.L. BALLON; K. BROECKX, "Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?", noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 8-9; E. DIRIX en K. BROECKX, "Overzicht van rechtspraak. Beslagrecht. 1991-1996", T.P.R. 1996, nr. 20 en aldaar geciteerde rechtspraak.
(7)G. DE LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, Larcier, 2003, p. 252, voetnoot nr. 165.
(8)Zie o.m. Cass., 29 januari 1999, A.R. nr. C.97.0195.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990129.4, A.C., 1999, 53.
(9)A. FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Liège, 1987, 251, nr. 325 en 605, nr. 957; B. MAES, De motiveringsverplichting van de rechter, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen, 1990, 8, nr. 8).
(10)Cass. Fr. 13 april 1976, D. 1977, IR, 193, J.C.P. 1976, IV, 188; Cass. Fr. Civ. 23 oktober 1974, D. 1975, IR, 11; Cass., fr. 17 juni 1981, J.C.P. 1981, IV, 318; K. BROECKX, "Is het verbod voor de appèlrechter om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen (art. 1402 Ger.W.) absoluut?", noot onder Beslagr. Mechelen 24 juni 1991 T.B.B.R. 1994, nr. 7 met verwijzing naar de rechtspraak van het Franse Hof van Cassatie; R. PERROT, "Jurisprudence française en matière de droit judiciaire privé. Procédure de l'instance: jugement et voies de recours. Voies d'exécution et mesures conservatoires ", Rev. Trim. Dr. Civ. 1984, 566, nr. 15). Annotaties Publicaties: R.W. - X, Noot. - 2007-2008, 1282 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0024.N GEMEENTE BERLAAR, vertegenwoordigd door haar college van Burgemeester en Schepenen, met burelen te 2590 Berlaar, Markt 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RITA PROMOTIONS, naamloze vennootschap, handel drijvende onder de benaming Sportvelden Doelvelden, met zetel te 2500 Lier, Aarschotsesteenweg 6, verweerster, en ten aanzien van D.E. vereffenaar van de VZW Footballclub Rita, tot bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 oktober 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep willigt het verzoek van de verweerster in en hervormt de door de rechtbank van eerste aanleg toegestane voorlopige tenuitvoerlegging, op grond van de volgende overwegingen: "ln rechte Argumenten van de NV Rita Promotions (de verweerster) De beslissing tot toekenning van de uitvoerbaarheid bij voorraad werd gewezen met miskenning van de motiveringsplicht, miskenning van haar retentierecht ex. art. 6 opstalwet. Bovendien werd de uitspraak ultra petita gewezen omdat de voorlopige tenuitvoerlegging niet door de vereffenaar van de v.z.w. werd gevorderd. Argumenten van de gemeente Berlaar (de eiseres) Het door de NV Rita Promotions neergelegd verzoekschrift conform artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek is in strijd met het non bis in idem beginsel daar de in het verzoekschrift verwoorde argumentatie dezelfde is als deze waarop de beslagrechter te Mechelen en de beslagrechter in hoger beroep al uitspraak hebben gedaan. De appelrechter kan de uitvoerbare kracht van het vonnis niet schorsen behoudens in geval van manifeste onregelmatigheid. Er is geen enkel element om aan te nemen dat er te dezen sprake is van een manifeste onregelmatigheid. Zij heeft herhaaldelijk bij conclusie voor de eerste rechter de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van de partijen gevraagd. De uitspraak betreffende de uitvoerbaarheid werd niet ultra petita gewezen. De NV Rita Promotions heeft haar stelling in verband met de gevraagde tenuitvoerlegging niet kenbaar gemaakt. Gezien haar stilzwijgen kan dit als haar instemming worden genoteerd en diende de rechter niet te motiveren. De beoordeling in verband met art. 6 Opstalwet behoort niet aan het (hof van beroep) in het kader van de thans door de NV Rita Promotions voorgelegd verzoekschrift. Huidig verzoek van de NV Rita Promotions is tergend en roekeloos. Zij heeft recht op een schadevergoeding van 5.000,00 euro. Argumenten van de vereffenaar van de v.z.w. (partij opgeroepen tot bindendverklaring) Hij heeft geen conclusie neergelegd. Beoordeling De omstandigheid dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare rechterlijke beslissing al bij de beslagrechter aan bod is gekomen, verhindert niet dat het bestreden vonnis dat de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat met het rechtsmiddel van hoger beroep wordt bekritiseerd om reden van de onregelmatigheid van de beslissing van de uitvoerbaarverklaring zelf. Immers in beginsel heeft de beslagrechter niet de bevoegdheid de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare rechterlijke beslissing te schorsen. Dit kan hij slechts in de wettelijk bepaalde uitzonderingen en in uitzonderlijke omstandigheden, voornamelijk bij misbruik van beslagrecht of wanneer over de draagwijdte van de uitvoerbare titel een ernstige betwisting rijst. Geen enkel van deze hypotheses zijn hier van toepassing. Krachtens artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de rechters in hoger beroep in geen geval de tenuitvoerlegging van het vonnis schorsen, dat op straffe van nietigheid. Dit verbod van artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek moet echter worden genuanceerd in de gevallen, waarin niet de opportuniteit van een regelmatig verleende uitvoerbaarheid, maar enkel de regelmatigheid van de uitvoerbaarverklaring zelf ter discussie staat. De gemeente Berlaar heeft bij conclusie voor de eerste rechter gevraagd het vonnis ten aanzien van alle partijen uitvoerbaar te verklaren. Door op verzoek van de gemeente Berlaar het vonnis bij voorraad uitvoerbaar te verklaren heeft de eerste rechter niet ultra petita beslist en is dus er in dit verband geen nietigheid van het vonnis (artikel 1138, tweede lid, Ger. W.). De voorlopige tenuitvoerlegging was ook niet door de wet verboden. Het argument van de NV Rita Promotions in verband met de miskenning van art. 6 opstalwet (retentierecht) is te dezen zonder belang vermits deze problematiek behoort tot de beoordeling van de zaak ten gronde. In de conclusie van de gemeente Berlaar voor de eerste rechter wordt geen enkel middel of argument tot verantwoording van de gesolliciteerde tenuitvoerlegging voorgedragen. Bovendien heeft de eerste rechter de toelating tot tenuitvoerlegging niet gemotiveerd. Hij is echter verplicht zijn beslissing dienaangaande te motiveren vermits het overgelaten wordt aan zijn soevereine beoordeling (art. 149 G.W.). De motivering heeft niet alleen tot doel verheldering te verschaffen aan de rechter in hoger beroep maar ook om arbitraire beslissingen tegen te gaan. De verplichting van de rechter om zijn beslissing waarbij hij de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat te motiveren is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen betreffende de uitvoerbaarheid van vonnissen. De gewone rechtsmiddelen hebben schorsende werking, waarop de uitvoerbaarheid bij voorraad de uitzondering vormt. Deze regel wordt miskend door de bestreden beslissing waarin zonder motivering de uitvoerbaarheid bij voorraad werd toegestaan. Gelet op deze motiveringsplicht is het irrelevant dat de NV Rita Promotions op dit punt voor de eerste rechter geen verweer heeft gevoerd. Het verzoek van de NV Rita Promotions is gegrond en is dus niet tergend en roekeloos. De tegeneis van de gemeente Berlaar tot het bekomen van schadevergoeding is in dit verband ongegrond" (cf. p. 3 e.v. van het arrest). Grieven Eerste onderdeel Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet. Het hof van beroep stelt in het bestreden arrest vast dat de rechtbank van eerste aanleg niet ultra petita uitspraak deed en dat de door de verweerster aangevoerde schending van de Opstalwet zonder belang is, vermits deze problematiek tot de beoordeling van de zaak ten gronde behoort (cf. p. 5, derde en vierde alinea van het arrest). Vervolgens oordeelt het hof van beroep dat "in de conclusie van (de eiseres) voor de eerste rechter ... geen enkel middel of argument tot verantwoording van de gesolliciteerde tenuitvoerlegging wordt voorgedragen" (cf. p. 5, laatste alinea van het arrest). In haar hernemende syntheseconclusie in eerste aanleg verzocht de eiseres de rechtbank van eerste aanleg nochtans om "huidig vonnis gelet op de overduidelijke contractuele bepalingen en de onwenselijkheid om verdere rechtsonduidelijkheid te laten bestaan over de aanwending van de goederen toebehorend aan het openbaar domein uitdrukkelijk uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijts elk rechtsmiddel en zonder mogelijkheid tot borgstelling en/of kantonnement" (cf. p. 26 van deze conclusie). De eiseres staafde haar verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis derhalve met verwijzing naar de "overduidelijke contractuele bepalingen" en de "onwenselijkheid om verdere rechtsonduidelijkheid te laten bestaan over de aanwending van de goederen toebehorend aan het openbaar domein". Waar het arrest overweegt dat "in de conclusie van (de eiseres) voor de eerste rechter ... geen enkel middel of argument tot verantwoording van de gesolliciteerde tenuitvoerlegging wordt voorgedragen" (cf. p. 5, laatste alinea van het arrest), geeft het de hernemende syntheseconclusie van de eiseres derhalve weer op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het dan ook de bewijskracht van deze conclusie (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Minstens houdt het arrest geen rekening met de motieven die de eiseres in haar hernemende syntheseconclusie ter verantwoording van het verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging opgaf (cf. p. 26 van deze conclusie) en is het arrest om die reden niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). Tweede onderdeel Schending van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 1397, 1398 en 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. Luidens artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de regel van artikel 1414 betreffende bewarend beslag. Artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek biedt de rechter evenwel de mogelijkheid om de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen toe te staan, onverminderd de regels inzake kantonnement. De rechter oordeelt soeverein over het verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging, zoals het hof van beroep in het bestreden arrest vaststelt (cf. p. 5, laatste alinea van het arrest). Deze voorlopige tenuitvoerlegging geschiedt op risico van de procespartij die de uitvoering van de beslissing nastreeft. Artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechters in hoger beroep in geen geval de tenuitvoerlegging van de vonnissen kunnen verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid. De beslissing die de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat kan evenwel worden hervormd indien de voorlopige tenuitvoerlegging in strijd met het beschikkingsbeginsel of het recht van verdediging toegestaan werd. In voorliggend geval beslist het hof van beroep dat "de eerste rechter de toelating tot tenuitvoerlegging niet gemotiveerd (heeft). Hij is echter verplicht zijn beslissing dienaangaande te motiveren vermits het overgelaten wordt aan zijn soevereine beoordeling (art. 149 G.W.). De motivering heeft niet alleen tot doel verheldering te verschaffen aan de rechter in hoger beroep maar ook om arbitraire beslissingen tegen te gaan. De verplichting van de rechter om zijn beslissing waarbij hij de voorlopige tenuitvoerlegging toestaat te motiveren is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen betreffende de uitvoerbaarheid van vonnissen. De gewone rechtsmiddelen hebben schorsende werking, waarop de uitvoerbaarheid bij voorraad de uitzondering vormt. Deze regel wordt miskend door de bestreden beslissing waarin zonder motivering de uitvoerbaarheid bij voorraad werd toegestaan. Gelet op deze motiveringsplicht is het irrelevant dat (de verweerster) op dit punt voor de eerste rechter geen verweer heeft gevoerd" (cf. p. 5, laatste alinea en p. 6, eerste alinea van het arrest). De eiseres verzocht de rechtbank van eerste aanleg de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe te staan, "gelet op de overduidelijke contractuele bepalingen en de onwenselijkheid om verdere rechtsonduidelijkheid te laten bestaan over de aanwending van de goederen toebehorend aan het openbaar domein" (cf. p. 26 van de hernemende syntheseconclusie in eerste aanleg van de eiseres). De verweerster betwistte de vordering van de eiseres op dat punt niet, wat het hof van beroep in het bestreden arrest vaststelt (cf. p. 6, eerste alinea, van het arrest). De rechtbank van eerste aanleg stond de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis toe. De in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsplicht van de rechter moet worden beoordeeld in het licht van de besluiten van een procespartij. In voorliggend geval vorderde eiseres de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis en voerde de verweerster op dat punt geen verweer. Bij gebrek aan betwisting dienaangaande moest de rechtbank van eerste aanleg zijn beslissing om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te laten niet nader motiveren. Nu de eiseres op de hierboven omschreven wijze om de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis verzocht en de verweerster op dat punt geen verweer voerde, behoefde de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging geen nadere motivering. Waar het hof van beroep oordeelt dat de rechtbank van eerste aanleg zijn beslissing niet motiveerde en om die reden de toelating tot voorlopige tenuitvoerlegging hervormt, schendt het dan ook artikel 149 van de Grondwet. Nu de hervorming van de door de eerste rechter toegestane voorlopige tenuitvoerlegging op een verkeerde interpretatie van de grondwettelijke motiveringsplicht berust, is het arrest evenmin in overeenstemming met artikel 1402 van het Gerechtelijk Wetboek en schendt het artikel 1402, alsook de artikelen 1397 en 1398 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Tenzij hierover verweer werd gevoerd, dient de rechter het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging niet nader te motiveren. 2. De eiseres heeft haar verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging voor de eerste rechter gemotiveerd op grond van de "overduidelijke contractuele bepalingen en de onwenselijkheid om verdere rechtsonduidelijkheid te laten bestaan over de aanwending van de goederen toebehorend aan het openbaar domein". 3. De verweerster heeft hierover voor de eerste rechter geen verweer gevoerd. 4. De appelrechters oordelen dat op de eerste rechter de verplichting rustte om zijn beslissing om de uitvoerbaarheid bij voorraad toe te staan te motiveren en dat het daarbij zonder belang is dat de verweerster op dit punt voor de eerste rechter geen verweer heeft gevoerd. 5. Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. 6. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 1 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2011:ARR.20110510.7 ECLI:BE:CABRL:2012:ARR.20120417.16 ECLI:BE:CALIE:2014:ARR.20141014.12 ECLI:BE:PIBRL:2015:JUG.20150414.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990129.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040401.18 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.