← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.9 Rolnummer: C.05.0494.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 1586 - laatst gezien 2026-07-04 06:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De beginselen van scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de wetgevende macht en van de parlementsleden houden niet in dat de Staat in het algemeen zou zijn ontheven van zijn verplichting de schade te vergoeden die een fout van het Parlement aan een derde heeft veroorzaakt

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Overheidsaansprakelijkheid - Wetgevende macht Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Fout van Parlement Schade veroorzaakt aan derde Verplichting tot vergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1997 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Vrije woorden: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Onafhankelijkheid van de wetgevende macht Fout van Parlement Schade veroorzaakt aan derde Verplichting tot vergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1997 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Fout van Parlement Schade veroorzaakt aan derde Verplichting tot vergoeding Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1997 - Artt.1382en13 Fiches 4 - 6 Door de kennisneming van geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting aan de hoven en rechtbanken toe te kennen, stelt artikel 144 van de Grondwet alle burgerlijke rechten onder de bescherming van de rechterlijke macht
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Geschillen over burgerlijke rechten Kennisneming door hoven en rechtbanken Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: BURGERLIJKE RECHTEN. POLITIEKE RECHTEN Geschillen over burgerlijke rechten Kennisneming door hoven en rechtbanken Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 Geschillen over burgerlijke rechten Kennisneming door hoven en rechtbanken Fiches 7 - 8 De bescherming geboden door artikel 144 van de Grondwet laat niet toe dat de rechter, rechtstreeks of onrechtstreeks, toezicht uitoefent op de wijze waarop het Parlement het recht van onderzoek uitoefent of tot zijn besluit komt, en aldus op de wijze waarop de leden van de Kamers hun mening uitdrukken
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 144 Draagwijdte van de bescherming door de rechter Thesaurus CAS: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Vrije woorden: MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Bescherming geboden door artikel 144 Grondwet Fiche 9 Artikel 56 van de Grondwet beperkt niet het recht van onderzoek dat elke Kamer heeft
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 56 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 56 Recht van onderzoek van elke Kamer Fiches 10 - 12 De parlementaire immuniteit, bepaald in artikel 58 van de Grondwet heeft tot doel het beschermen van de vrije meningsuiting in het Parlement en de handhaving van de scheiding van machten tussen wetgever en rechter
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 58 Parlementaire immuniteit Doel MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Parlementaire immuniteit Doel MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Parlementaire immuniteit Doel Fiches 13 - 14 Vormt geen onevenredige inbreuk op het recht op toegang tot de rechter de omstandigheid dat de rechter niet mag oordelen of een meningsuiting van een parlementslid of van een parlementaire commissie foutief was en aldus de aansprakelijkheid van de federale Staat tot gevolg zou kunnen hebben
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 58 Parlementaire immuniteit Gevolg Recht op toegang tot de rechter MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Parlementaire immuniteit Gevolg Recht op toegang tot de rechter Fiches 15 - 16 De vrijheid van meningsuiting in het Parlement omvat niet enkel de mondelinge verklaringen van individuele parlementsleden, maar ook hun geschriften, alsmede alle parlementaire werkzaamheden, zo ook deze van een parlementaire onderzoekscommissie, opgericht bij toepassing van artikel 56 van de Grondwet en van de wet van 3 mei 1880 op het parlementaire onderzoek
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 58 Vrije meningsuiting van de parlementsleden MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Parlementaire immuniteit Vrije meningsuiting in het Parlement Fiches 17 - 20 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 1 juni 2006, AR C.05.0494.N, A.C., 2006, nr ... Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Fout van Parlement Schade veroorzaakt aan derde Verplichting tot vergoeding MACHTEN - SCHEIDING DER MACHTEN Onafhankelijkheid van de wetgevende macht Fout van Parlement Schade veroorzaakt aan derde Verplichting tot vergoeding MACHTEN - WETGEVENDE MACHT Fout van Parlement Schade veroorzaakt aan derde Verplichting tot vergoeding MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Geschillen over burgerlijke rechten Kennisneming door hoven en rechtbanken Nota: C.05.0494.N Conclusie van de Heer procureur-generaal M. De Swaef 1. Benevens enige opschudding in de media
(1), heeft het bestreden arrest ook al de doctrine in beweging gebracht
(2). Aanleiding tot het geding is het op 28 april 1997 publiek gemaakte verslag van de parlementaire onderzoekscommissie 'met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten, van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen'
(3). Pijnpunt is de lijst van organisaties en verenigingen die tijdens dat onderzoek ter sprake zijn gekomen
(4). Bij de opstelling van die lijst zou, volgens sommigen
(5), al te lichtzinnig tewerk zijn gegaan, voornamelijk door met betrekking tot bepaalde organisaties en verenigingen de onterechte catalogisering als sekten voorop te stellen. Niettegenstaande de uiteindelijke 'compromisoplossing' van de Kamer om de bedoelde lijst geen deel te laten uitmaken van de besluiten van de parlementaire onderzoekscommissie en om de lijst zodoende evenmin het voorwerp van enige goed- of afkeuring door de Kamer te laten uitmaken
(6), startte een bepaalde vereniging een juridische procedure met het oog op aansprakelijkheidsstelling van de Belgische Staat, gelet op het doen en laten van voormelde parlementaire onderzoekscommissie. De beweerde lasterlijke aantijgingen in het verslag zouden er teveel aan zijn, zeker waar zonder afdoende staving terminologie als 'misdaadorganisatie', 'maffia', 'oplichting', 'witwassen van zwart geld', 'dekmantel voor illegale praktijken en bendevorming' en 'seksschandalen' wordt gebruikt. Dit geding leidde tot het thans bestreden arrest, waarbij het Hof van Beroep te Brussel
(7)op de aansprakelijkheidsstelling ingaat, de publicatie van het arrest beveelt onder verbeurte van een dwangsom en de Belgische Staat veroordeelt tot schadevergoeding.
  1. Voor het Hof beoogt de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de vernietiging van dit arrest. De eerste verweerster in cassatie is een vereniging ter realisatie van een religieus doel; de tweede, derde en vierde verweerders zijn actieve bestuursleden in die vereniging. In het enig middel tot cassatie staat een enkele vraag centraal: in welke mate kan de Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat, aansprakelijk worden gesteld voor een in het raam van de parlementaire werkzaamheden geuite schadeverwekkende mening, ofschoon diegene van wie ze afkomstig is vrijuit moet gaan bij toepassing van artikel 58 G.W. dat de parlementaire immuniteit waarborgt? Het antwoord op die vraag kan mutadis mutandis ook gelden voor een gemeenschap of een gewest, vertegenwoordigd door zijn respectievelijk gemeenschaps- of gewestparlement, vermits de leden van die parlementen evengoed immuniteit genieten bij toepassing van artikel 120 G.W. De appelrechters beantwoorden de vraag positief.
  2. De appelrechters gaan uit van de cassatierechtspraak inzake overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de uitvoerende macht
(8)en van leden van de rechterlijke orde
(9). Die rechtspraak maakt dat bij elke burgerlijke materieelrechtelijke aanspraak, zoals een aanspraak op basis van de artikelen 1382-1383 B.W., een 'rechtsvordering' hoort voor de burgerlijke rechter. Zulke rechtsvordering maakt het mogelijk voor het bedoelde rechtssubject om zijn materieelrechtelijke aanspraak ten aanzien van een ander rechtssubject door een rechter te laten beoordelen via een wettelijk bepaalde rechtspleging
(10). Hierbij is de hoedanigheid van het andere rechtssubject, particulier of overheid, zonder belang, evenmin als de aard van de handeling die ten grondslag ligt aan de materieelrechtelijke aanspraak. Zodoende kan de Staat aansprakelijk worden gesteld voor een fout van zijn organen. Volgens de appelrechters geldt die buitencontractuele aansprakelijkheid voor 'alle machten die het staatsgezag uitmaken, en dus ook voor de de wetgevende macht'. De appelrechters oordelen verder dat een parlementaire onderzoekscommissie 'zowel in de uitvoering van de onderzoeksverrichtingen als in de verslaggeving ervan' als orgaan van de Staat handelt. Hieruit leiden de appelrechters af dat 'de Staat dan ook in de regel vatbaar is voor een aansprakelijkheidsvordering op basis van de artikelen 1382-1383 B.W. wegens schadeverwekkende fouten of nalatigheden door de commissie begaan'. 4. Door de kennisneming van geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting aan de hoven en rechtbanken toe te kennen, stelt artikel 144 G.W. alle burgerlijke rechten onder de bescherming van de rechterlijke macht. Ter verwezenlijking van die bescherming, heeft de grondwetgever geen rekening gehouden met de hoedanigheid van de gedingvoerende partijen en evenmin met de aard van de handelingen waardoor een recht wordt geschonden, maar wel en uitsluitend met de aard van het recht waarover het geschil loopt. Zoals de burgers, is de Staat onderworpen aan rechtsregels, waaronder deze met betrekking tot vergoeding van de schade ingevolge fouten die subjectieve rechten en wettige belangen van rechtssubjecten aantasten
(11). De schadeverwekkende fout van een orgaan van de Staat stelt, in de regel, de Staat rechtstreeks aansprakelijk op basis van de artikelen 1382-1383 B.W., wanneer het orgaan binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheden heeft gehandeld of wanneer ieder redelijk en voorzichtig mens moet aannemen dat het orgaan binnen die grenzen heeft gehandeld. Er wordt aangenomen dat de beginselen van de scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de wetgevende macht en van de parlementsleden niet inhouden dat de Staat in het algemeen zou zijn ontheven van zijn verplichting om op basis van voormelde wetsbepalingen de schade te vergoeden die door zijn fout of door die van een van zijn organen, en met name de wetgevende macht, aan derden is veroorzaakt in het raam van de parlementaire werkzaamheden
(12). Met andere woorden, mede onder invloed van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
(13), moet thans in het Belgische grondwettelijke recht de overheidsaansprakelijkheid wegens het doen en laten van de wetgever worden aanvaard
(14). De aansprakelijkheid voor wetgeving geldt niet alleen in geval van een 'gekwalificeerde schending' van het Europese gemeenschapsrecht
(15), maar ook in geval van schending van grondwettelijke regels. Toepassingsgevallen voor de Belgische rechtscolleges dienen zich aan
(16), zoals de aansprakelijkheidsstelling van de Belgische Staat voor het gebrek aan passende maatregelen tot verhelping van de gerechtelijke achterstand
(17). In zoverre wordt de extrapolatie van voormelde (cassatie)rechtspraak inzake overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de uitvoerende macht en van leden van de rechterlijke orde naar de overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de wetgevende macht
(18)niet in twijfel getrokken, ook niet in het enig middel tot cassatie. 5. De vraag rijst evenwel in hoeverre de in beginsel niet uitgesloten overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de wetgevende macht ook toepasbaar is in het bijzondere geval dat de beweerde fout bestaat in een in het raam van de parlementaire werkzaamheden geuite schadeverwekkende mening, nu het parlementslid of de parlementsleden die de litigieuze mening hebben geuit sowieso immuun zijn bij toepassing van artikel 58 G.W.
(19). Vormt deze bepaling met andere woorden een beletsel voor de bedoelde aansprakelijkheidsstelling? De appelrechters zien er alvast geen: hoewel het litigieuze verslag van de parlementaire onderzoekscommissie 'sekten' moet worden aangezien als een parlementaire werkzaamheid waarvoor de parlementaire onderzoekscommissie als dusdanig de bescherming geniet van artikel 58 G.W., verhindert dit niet dat de inhoud van het verslag de aansprakelijkheid meebrengt van de Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers. De appelrechters oordelen meer bepaald dat 'de aansprakelijkheid van de Staat niet wordt uitgesloten omdat de persoonlijke verantwoordelijkheid van het orgaan zelf voor de schadeverwekkende handeling die het heeft verricht, niet in het gedrang kan komen, omdat die handeling weliswaar een fout is, maar het orgaan persoonlijk ontheven is van de aansprakelijkheid waartoe ze aanleiding kan geven'. De scheiding der machten verhindert de aansprakelijkheidsstelling evenmin. Hier preciseren de appelrechters dat de Staat aansprakelijk wordt gesteld, 'niet als wetgevende macht, maar als de ene en onverdeelde rechtspersoon, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schade ontstaan door foutieve gedragingen of nalatigheden van zijn organen'. Na verwerping van deze ongrondwettigheidsbezwaren, besluiten de appelrechters dat de parlementaire onderzoekcommissie een fout heeft begaan in haar verslaggeving
(20), en met name door de wijze waarop de verweerders in cassatie in het verslag worden omschreven.
  1. Het enig middel tot cassatie, dat enkel opkomt tegen de wijze waarop de appelrechters de ongrondwettigheidsbezwaren verwerpen, komt gegrond over in zoverre het schending aanvoert van artikel 58 G.W. Anders dan de appelrechters oordelen, lijkt mij de Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, niet aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor een in het raam van de parlementaire werkzaamheden geuite mening.
  2. Artikel 58 van de Grondwet bepaalt dat geen lid van een van beide Kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht
(21). Hoewel die grondwetsbepaling woordelijk enkel handelt over de meningsuiting van de parlementsleden, kent zij een ruimere draagwijdte en behelst zij de werking van het parlement als dusdanig
(22). Artikel 58 G.W. moet dan ook een uitlegging krijgen gelet op de context van de macht die aan het parlement is toebedeeld. 8. Waar de Belgische grondwetgever zich grotendeels inspireerde aan het Franse grondwettelijke recht
(23), gaat de in artikel 58 G.W. bedoelde parlementaire immuniteit ontegensprekelijk terug op de Engelse Bill of Rights van 13 februari 1689
(24), en meer precies artikel 9
(25), bepalende 'that de freedom of speech and debates or proceedings in parliament ought not te be impeached or questioned in any court or place out of parliament' (de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid der debatten of werkzaamheden in het parlement kan niet beperkt of in vraag gesteld worden voor enige rechtbank of op enige andere plaats buiten het parlement). Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt de werkelijke draagwijdte ervan. Naar Engelse maatstaven kunnen procespartijen op geen enkele wijze een verklaring of een handeling in de House of Commons of in de House of Lords in vraag stellen door, rechtstreeks of onrechtstreeks, te suggereren dat die handeling of verklaring onwaar, foutief of misleidend was of was ingegeven door onoorbare motieven
(26). Een en ander houdt niet alleen in dat de parlementsleden een absolute vrijheid van meningsuiting genieten met betrekking tot hun uitspraken in het parlement, maar tevens dat de debatten in het parlement op geen enkele wijze de grondslag kunnen vormen voor enige rechtsvordering. De parliamentary freedom of speech verhindert niet alleen dat een parlementslid zelf burgerrechtelijk of strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een verklaring of een handeling die hij in de uitoefening van zijn mandaat stelt, maar tevens dat een dergelijke verklaring of handeling op enige wijze voor een rechterlijke instantie in vraag wordt gesteld, en dit om te verhinderen dat de parlementsleden onrechtstreeks in de vrije uitoefening van hun mandaat zouden worden beperkt
(27). Het is dan ook duidelijk dat eerder dan de parlementsleden zelf, het parlement en de parlementaire debatten bescherming (moeten) genieten. Artikel 58 G.W. behelst zodoende niet alleen de individuele parlementsleden, maar het parlement en de parlementaire debatten als dusdanig. 9. Het parlement en zijn leden genieten een absolute vrijheid van meningsuiting in het raam van de parlementaire werkzaamheden. Hierbij zij aangestipt dat de mening van het parlement, dan wel van een deel ervan zoals een parlementaire commissie, in essentie het product is van de door artikel 58 G.W. beschermde meningen van individuele parlementsleden. De absolute aard van de vrijheid van meningsuiting is wezenlijk voor de goede werking van het parlement en aldus voor het democratische staatsbestel. Het staat buiten kijf dat zij de openbare orde raakt
(28), reden waarom overigens een parlementslid de bedoelde immuniteit niet kan verzaken
(29). Zulks maakt dat aan die vrijheid geen andere grenzen kunnen worden gesteld dan diegene die het parlement zelf bepaalt. Zo bijvoorbeeld laat artikel 66 van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers de parlementsvoorzitter toe te verhinderen dat een mening wordt geuit of minstens dat er verdere ruchtbaarheid aan wordt gegeven. Krachtens artikel 51 van het Reglement van de Senaat geldt hetzelfde voor de Senaat. Meteen zij aangestipt dat de voorzitters van de verschillende parlementen van ons land dergelijke bevoegdheid met de grootste terughoudendheid hanteren
(30). 10. In de lijn van het voormelde strekt artikel 58 G.W. ertoe de meningsuiting als dusdanig buiten elke vervolging of onderzoek te stellen, in welke context ook. De meningsuiting kan dan ook geen aanleiding geven tot toepassing van de artikelen 1382-1383 B.W. Het al dan niet foutieve karakter kan in geen enkele context ter discussie staan
(31). Waar (met de moderne doctrine) wordt aangenomen dat de overheidsaansprakelijkheid rijst voor de fouten van al haar organen, met inbegrip van de parlementaire organen, onderstelt die aansprakelijkheid uiteraard een foutief handelen of nalaten, zij het dat het orgaan zelf immuun is
(32). Maar de mogelijkheid om die fout vast te stellen ontbreekt te dezen. Zoals gezegd, kunnen de meningen die het parlement en zijn leden in het raam van de parlementaire werkzaamheden uiten, geen aanleiding geven tot toepassing van de artikelen 1382-1383 B.W. Het al dan niet foutieve karakter kan in geen enkele context ter discussie staan, en dus evenmin in een context van overheidsaansprakelijkheid. Dit maakt mijns inziens het verschil met voormelde (cassatie)rechtspraak inzake overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de uitvoerende macht
(33)en voor fouten van leden van de rechterlijke orde
(34). De door de appelrechters gemaakte extrapolatie van deze rechtspraak naar het onderhavige geval gaat niet op
(35), omdat inzake overheidsaansprakelijkheid voor een in het raam van de parlementaire werkzaamheden foutief geuite (schadeverwekkende) mening, de mogelijkheid om die fout in rechte vast te stellen ontbreekt. 11. De meningen die het parlement en zijn leden in het raam van de parlementaire werkzaamheden
(36)uiten, kunnen niet tot verantwoording aanleiding geven, en zodoende evenmin worden beoordeeld door enig rechtscollege. Dergelijke verantwoording en beoordeling door een rechtscollege met gebeurlijk aansprakelijkheidsstelling zouden de goede werking van het parlement en aldus van het democratische staatsbestel in het gedrang brengen
(37). Enige terughoudendheid bij de meningsuiting is uit den boze. Elke hinder of vrees in dit raam, al was het onrechtstreeks, gaat volledig in tegen de idee achter artikel 58 G.W.
(38). Die hinder of vrees zou ook ten onrechte kunnen meebrengen dat de parlementsvoorzitter, bij toepassing van het voormelde artikel 66 van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers vaker verhindert dat een mening wordt geuit of minstens dat er verdere ruchtbaarheid aan wordt gegeven
(39). Het parlement en zijn leden moeten vrij hun meningen kunnen uiten, zonder in de vrees te leven dat die uiting uit de parlementaire stukken zal worden geweerd om een eventuele aansprakelijkheidsvordering te vermijden
(40). Artikel 58 G.W. sluit niet alleen de 'vervolging' uit. Artikel 58 G.W. heeft een meer algemene en absolute draagwijdte: een parlementslid kan niet worden vervolgd of aan 'enig onderzoek' worden onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht. Wil artikel 58 G.W. een afdoende betekenis krijgen, dan verdient het woord 'onderzoek' een ruime invulling
(41). Artikel 58 G.W. moet dan ook in die zin worden geïnterpreteerd dat de bedoelde parlementaire meningsuiting noch rechtstreeks noch onrechtstreeks voor en door een rechter het voorwerp van een (aansprakelijkheids)betwisting kan uitmaken, zelfs al is het betrokken parlementslid geen partij in het geding in kwestie. Dit betekent dat een rechter de mogelijkheid ontbeert om te beoordelen of een parlementaire meningsuiting een fout of een strafrechtelijk misdrijf uitmaakt, ook al zou daardoor het parlementslid zelf niet strafrechtelijk of burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. Er anders over oordelen houdt het gevaar in dat hetzij het parlementslid, hetzij de parlementsvoorzitter verklaringen inhoudt of weglaat uit vrees voor mogelijke vorderingen in rechte. Samengevat en grondwetsconform luidt het aldus dat, aangezien de meningen die in het parlement zijn geuit, geen aanleiding kunnen geven tot toepassing van de artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek, de aansprakelijkheid van de Staat voor de fouten van haar organen te dezen uitgesloten is. 12. Tot waar reikt het toepassingsgebied van de aldus voor beoordeling in rechte immune meningsuiting? Het toepassingsgebied is hoe dan ook begrensd door het raam van de parlementaire werkzaamheden
(42). Voormelde vrijheid van meningsuiting omvat niet enkel de mondelinge verklaringen, afgelegd in plenaire vergadering dan wel in commissie of in een ander parlementair orgaan, maar ook de geschriften
(43). Ook de schriftelijke weergave
(44)van de mondelinge verklaringen van een parlementslid in de Handelingen, het Beknopt Verslag of het Integraal Verslag is immuun. Hetzelfde geldt voor de getrouwe weergave van dergelijke verklaringen in de pers
(45). Er is geen enkele reden om een parlementair verslag anders te beoordelen
(46). Zo genieten zowel de parlementsleden wiens verklaringen in een verslag worden weergegeven, als de rapporteur die als auteur van het verslag wordt aangemerkt, de bescherming van artikel 58 G.W. Wat de rapporteur betreft, geldt die bescherming bijgevolg ook voor de weergave van meningen van anderen, met inbegrip van de mening van de commissie in zijn geheel. Te dezen spreken de appelrechters zulks niet tegen. Zij beamen dat artikel 58 G.W. zich uitstrekt tot de in de parlementaire stukken weergegeven meningsuiting van een parlementslid of van de commissie. Waar zij overwegen dat de tekst van het verslag 'van enige afstandelijkheid van de bronnen en hun beweringen geenszins blijk geeft', schrijven zij de litigieuze passages in het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie minstens impliciet aan de commissie toe. Het staat buiten kijf dat de vrijheid van meningsuiting ook de (parlementaire) werkzaamheden van een parlementaire onderzoekscommissie bij toepassing van artikel 56 G.W. en de Wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek omvat
(47). De werkzaamheden van een parlementaire onderzoekscommissie maken immers integraal deel uit van de parlementaire werkzaamheden
(48). Het aan de wetgever toegekende onderzoeksrecht strekt ertoe enerzijds controle uit te oefenen en anderzijds de noden van het land vast te stellen
(49). De uitoefening van het onderzoeksrecht maakt een essentieel onderdeel uit van de taak van de wetgever
(50). Deze ultieme controleopdracht behoort toe aan de wetgever, en niet aan de rechterlijke macht. De rechterlijke macht kan zich niet in de plaats stellen van de wetgever of zich boven de wetgever stellen door zichzelf deze ultieme controleopdracht toe te eigenen en dit door de uitgeoefende parlementaire controle zelf aan controle te onderwerpen. Het litigieuze verslag van de parlementaire onderzoekscommissie 'sekten' geniet derhalve identiek dezelfde bescherming als een door een parlementslid in het raam van de parlementaire werkzaamheden geuite mening. Het feit dat het verslag zichzelf bepaalde kwaliteiten toedicht, zoals 'objectiviteit, waarheid, doorzichtigheid' en dergelijke, doet hieraan geen afbreuk. Het verslag zelf is een meningsuiting vanwege de parlementaire onderzoekscommissie. De bescherming van deze meningsuiting is absoluut, zodat de rechterlijke toetsing ervan aan de artikelen 1382-1383 B.W. niet mogelijk is, ook al zou het verslag niet beantwoorden aan voormelde kwaliteiten die het zichzelf toedicht. 13. Hoewel niet is uit te sluiten dat een derde schade kan lijden door een in het raam van parlementaire werkzaamheden geuite mening en deze derde, gelet op het voormelde, geen schadevergoeding kan bekomen noch van het parlementslid noch vanwege de Staat, behelst die parlementaire immuniteit geen miskenning van het recht van toegang tot de rechter zoals vervat in artikel 6 E.V.R.M. Zulks blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zij het dat die rechtspraak duidelijk het voormelde toepassingsgebied, begrensd door het raam van de parlementaire werkzaamheden, in de verf zet
(51). Buiten dit raam geuite meningen genieten geen immuniteit. De parlementaire immuniteit kent een strikte interpretatie en kan niet overslaan tot het publieke optreden buiten het parlement. Die begrenzing verklaart de verschillen in uitkomst in de arresten van het Europees Hof betreffende de verenigbaarheid van die immuniteit met artikel 6 E.V.R.M. In de zaak A versus Verenigd Koninkrijk oordeelt het Europees Hof dat, voor zover de parlementaire verantwoordelijkheid betrekking heeft op een toespraak van een parlementslid in het kader van een parlementair debat, ze geen onevenredige beperking inhoudt van het recht van toegang tot de rechter
(52). De bedoelde immuniteit, die consistent is met de algemene rechtsopvattingen van de democratische staten, de Raad van Europa en het Europees parlement, kan in beginsel niet worden aangezien als een onevenredige beperking van het recht van toegang tot de rechter. De onmogelijkheid om gebeurlijke schade ingevolge een in het raam van parlementaire werkzaamheden geuite mening te doen vergoeden, kan met andere woorden de proportionaliteitstoets van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doorstaan
(53). In de zaken Cordova versus Italië daarentegen, oordeelt het Europees Hof dat, wanneer de parlementaire immuniteit toepassing vindt op een toespraak tijdens een verkiezingsmeeting of op persoonlijke briefwisseling, er wel sprake van een schending van artikel 6 E.V.R.M.
(54). Het is dus doorslaggevend dat de litigieuze verklaringen in de uitoefening van het parlementair mandaat geschieden
(55). Op die manier bevestigt het Europees Hof het functionele karakter van de parlementaire immuniteit
(56).
  1. Besluit is dan ook dat de extrapolatie van voormelde (cassatie)rechtspraak inzake overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de uitvoerende macht en van leden van de rechterlijke orde naar de overheidsaansprakelijkheid voor fouten van de wetgevende macht niet opgaat in zoverre het gaat om een in het raam van de parlementaire werkzaamheden foutief geuite (schadeverwekkende) mening, aangezien de mogelijkheid om die fout in rechte vast te stellen ontbreekt. De parlementaire vrijheid van meningsuiting kan niet worden ingeperkt, ook niet onrechtstreeks doordat een rechter ze als foutief zou kunnen bestempelen. Die mogelijkheid voor de rechter is onverenigbaar met de historiek en de draagwijdte van artikel 58 G.W. Het enige middel tot cassatie is in zoverre gegrond. De algemene rechtsbescherming voor de burger, die meebrengt dat de Staat niet is ontheven van zijn verplichting om op basis van de artikelen 1382-1383 B.W. de schade te vergoeden die door zijn fout of door die van een van zijn organen, en met name de wetgevende macht, aan derden is veroorzaakt in het raam van de parlementaire werkzaamheden, kan niet leiden tot een onderzoek of vervolging op grond van een in het raam van de parlementaire werkzaamheden geuite mening en dus tot de beoordeling door de rechter of deze meningsuiting foutief is.
  2. De appelrechters gaan er van uit dat artikel 58 van de Grondwet niet uitsluit dat de aansprakelijkheid van de Belgische Staat rijst voor een schadeverwekkende foutieve meningsuiting in het raam van de werkzaamheden van een parlementaire onderzoekscommissie. Zij toetsen vervolgens het verslag van de in het middel bedoelde parlementaire onderzoekscommissie aan de zorgvuldigheidsnorm van de artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek. Zij besluiten tot een schadeverwekkende foutieve meningsuiting en veroordelen de Belgische Staat tot schadeherstel. Zodoende schenden zij artikel 58 van de Grondwet. BESLUIT: VERNIETIGING, behalve in zoverre de appelrechters het hoger beroep ontvankelijk verklaren. ___________________________
(1)H. DE CROO in De Standaard, F. DELPEREE in Le Soir en M. UYTTENDAELE in La Libre Belgique, telkens in het week-einde van 3-4 september 2005.
(2)M.-F. RIGAUX, "La responsabilité de l'Etat pour une faute commise par une commission d'enquête parlementaire", noot onder Brussel 28 juni 2005, J.T. 598-602; K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", noot onder Brussel 28 juni 2005, C.D.P.K. 2005, 666-675; M. UYTTENDAELE, "Réflexions à froid sur un petit coup d'Etat jurisprudentiel", noot onder Brussel 28 juni 2005, J.L.M.B. 2005, 1590-1600; H. VUYE, "Overheidsaansprakelijkheid voor het doen en laten van parlementaire onderzoekscommissies... Waarom niet en waarom wel?", noot onder Brussel 28 juni 2005, T.B.B.R. 2005, 503-514; J. WILDEMEERSCH, "Quand le pouvoir judiciaire se mêle du pouvoir législatif", noot onder Bruxelles, 28 juni 2005, J.L.M.B. 2005, 1600-1611.
(3)Verslag DUQUESNE en WILLEMS, Parl. St. Kamer 1995-96, nrs. 313/7 en 313/8.
(4)Zie de 'synoptische tabel' in het voormelde verslag DUQUESNE en WILLEMS, Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 313/8, p. 227-274.
(5)Zie bv. Hand. Kamer 7 mei 1997, nr. 160, p. 5683-5684 en 5690-5691.
(6)Motie aangenomen in plenaire vergadering, Parl. St. Kamer 1995-96, nr. 313/9.
(7)Anders dan de eerste rechter, die de vordering niet ontvankelijk verklaarde (Rb. Brussel 16 februari 2001, R.W. 2002-03, 306, T.B.B.R. 2003, 211, noot K. MUYLLE, "Het parlement ontspringt de dans: over de dagvaarding van wetgevende vergaderingen maar niet voor een fout van de wetgever").
(8)Cass. 5 november 1920 (Flandria), Pas. 1920, I, 193, met conclusie van eerste advocaat-generaal P. LECLERCQ.
(9)Cass. 19 december 1991 (Anca), Arr. Cass. 1991-92, nr. 215, J.L.M.B. 1992, 42, noot F. PIEDBOEUF, Journ. Proc. 1992, nr. 209, p. 20, noot C. PANIER, J.T. 1992, 142, met conclusie van eerste advocaat-generaal J. VELU, Pas. 1992, I, nr. 215, met conclusie van eerste advocaat-generaal J. VELU, R. Cass. 1992, 3, noot A. VAN OEVELEN, R.C.J.B. 1993, 285, noot F. RIGAUX en J. VAN COMPERNOLLE, R.R.D. 1992, 411, noot C. JASSOGNE, R.W. 1992-93, 396, Rev.not.b. 1992, 265, T.B.B.R. 1992, 60, noot A. VAN OEVELEN. Zie omtrent het zonet aangehaalde Anca-arrest ook: M. CASSIERS, "De overheidsaansprakelijkheid voor het optreden van de rechterlijke macht", Jura Falc. 1992-93, 55-85; R.O. DALCQ, "La responsabilité de l'Etat du fait des magistrats A propos de l'arrêt de la Cour de cassation du 19 décembre 1991", J.T. 1992, 449-453; A. VAN OEVELEN, "De aansprakelijkheid van de Staat voor ambtsfouten van magistraten en de orgaantheorie na het Anca-arrest van het Hof van Cassatie van 19 december 1991", R.W., 1992-93, 377-396. Voor een overzicht sinds dit arrest: K. STANGHERLIN, "La responsabilité de l'Etat du fait du service public de la justice", T.B.B.R. 2002, 502-525; A. VAN OEVELEN, "De aansprakelijkheid van de Staat voor ambtsfouten van magistraten sinds het Anca-arrest van het Hof van Cassatie van 19 december 1991", in H. VANDENBERGHE (ed.), Overheidsaansprakelijkheid Verslagboek Studiedag 24 mei 2002, Leuven, Postacademische vorming K.U. Leuven, 2002, 134-170; A. VAN OEVELEN, "De aansprakelijkheid van de Staat voor ambtsfouten van magistraten in de Belgische rechtspraak en in die van het Europese Hof voor Justitie", in H. VANDENBERGHE (ed.), Overheidsaansprakelijkheid, Brugge, die Keure, 2005, 203-263.
(10)Een materieelrechtelijke aanspraak heeft inderdaad weinig zin wanneer zij niet in rechte, dit wil zeggen 'formeelrechtelijk', kan worden afgedwongen.
(11)Cass. 13 mei 1982, Arr. Cass. 1981-82, nr. 547, Pas. 1982, I, nr. 547.
(12)Zie bv.: M.-F. RIGAUX, l.c., p. 599, nr. 5; H. VUYE, l.c., p. 508, nr. 9; M. UYTTENDAELE, l.c., p. 1598, nr. 10; J. WILDEMEERSCH, l.c., p. 1609, nr. 3.2.
(13)P. SENKOVIC, L'évolution de la responsabilité de l'Etat législateur sous l'influence du droit communautaire, Brussel, Bruylant, 2000, 490 p.
(14)Zie omtrent de aansprakelijkheid van de Staat wegens een fout van de wetgevende macht: H. VUYE, "Aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor het doen en laten van de wetgever", T.B.B.R. 2002, 526-540; H. VUYE, "Aansprakelijkheid wegens ondeugdelijke wetgeving Een laatste bastion na Flandria, Anca, Francovich en Brasserie du pêcheur?", in H. VANDENBERGHE (ed.), Overheidsaansprakelijkheid Verslagboek studiedag 24 mei 2002, Leuven, Postacademische Vorming K.U.Leuven, 2002, 70-133; H. VUYE, "Overheidsaansprakelijkheid wegens het doen en laten van de wetgever Van Europees recht naar Belgisch recht: een (te) grote stap?", in H. VANDENBERGHE (ed.), Overheidsaansprakelijkheid, Brugge, die Keure, 2005, 123-
  1. Zie voorts: G. MAES, "Sancties bij een door het Arbitragehof vastgestelde ongrondwettige afwezigheid van wetgeving", R.W. 2003-04, p. 1207-1209, nrs. 27-31; M. MAHIEU en S. VAN DROOGHENBROECK, "La responsabilité de l'état législateur", J.T. 1998, 825-846; S. VAN DROOGHENBROECK, "La responsabilité du fait de la fonction normative", J.T. 1997, 105-112; A. VAN OEVELEN en P. POPELIER, "De aansprakelijkheid van publiekrechtelijke rechtspersonen voor ondeugdelijke wetgeving", in De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, XXIIIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1996-97, Gent, Mys & Breesch, 1997, 75-
  2. Vgl. nog: Cass. 27 juni 1845, Pas., 1845, I,
(392), 409, met conclusie van procureur-generaal M. LECLERCQ.
(15)H.v.J., arrest van 5 maart 1996 in zaken C-46/93 en C-48/93, Brasserie du pêcheur versus Duitsland en The Queen versus Secretary of State for transport, ex parte Factortame Ldt. e.a. Zie voor een overzicht van rechtspraak van het Hof van Justitie, o.m.: H. VUYE, "Aansprakelijkheid wegens ondeugdelijke wetgeving Een laatste bastion na Flandria, Anca, Francovich en Brasserie du pêcheur?", l.c., 76-107; H. VUYE, "Overheidsaansprakelijkheid wegens het doen en laten van de wetgever Van Europees recht naar Belgisch recht: een (te) grote stap?", l.c., 130-177.
(16)Zie o.m.: Brussel 4 juli 2002, T.B.B.R. 2002, 551; Rb. Brussel 17 maart 1997, C.D.P.K. 1997, 657, R.W. 1997-98, 257, noot P. POPELIER; Rb. Luik 17 november 2000, J.T. 2001, 299, noot Y.-H. LELEU, Rb. Brussel 7 december 2000, J.T. 2001, 385; Rb. Brussel 9 februari 2001, J.T. 2001, 362; Rb. Brussel 16 februari 2001, T.B.B.R. 2003, 211, noot K. MUYLLE. Zie ook: F. JUDO, "Recente ontwikkelingen op het vlak van de overheidsaansprakelijkheid", in A. ALEN en P. LEMMENS (eds.), Staatsrecht, Themis-cahier 18 K.U. Leuven, Brugge, die Keure, 2002, 74-77.
(17)Rb. Brussel 6 november 2001, T.B.B.R. 2002, 15, noot H. VUYE en K. STANGHERLIN, bevestigd door het Hof van Beroep te Brussel van 4 juli 2002, thans bestreden in cassatie.
(18)Hierbij zij wel aangestipt dat het te dezen gaat om de Kamer van volksvertegenwoordigers en niet om de federale wetgevende macht als dusdanig, want die bestaat overeenkomstig artikel 36 G.W., en onder voorbehoud van artikel 74 G.W., uit de Koning, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.
(19)Vgl. de tegenovergestelde standpunten van enerzijds M.-F. RIGAUX (l.c., p. 600 e.v., nrs. 8 e.v.) en anderzijds M. UYTTENDAELE (l.c., inz. p. 1594, nr. 6, voetnoot 38).
(20)De wijze waarop de commissie haar onderzoek voerde zou daarentegen niet op foutieve wijze de belangen van de verweerders in cassatie hebben geschonden.
(21)Zie over artikel 58 G.W., inz.: H. VUYE, "Les irresponsabilités parlementaire et ministérielle: les articles 58, 101, alinéa 2, 120 et 124 de la Constitution", C.D.P.K. 1997, 2-27. Zie voorts: Verslag DE GROOT, Parl.St. Kamer, 1992-93, nr. 781, p. 4-6; Verslag EERDEKENS, Parl.St. Kamer, 2001-02, nr. 50-1946/1, p. 12-15; A. ALEN en K. MUYLLE, Compendium van het Belgisch Staatsrecht, I, A, Mechelen, Kluwer, 2003, 232- 234; G. DOR en A. BRAAS, "La Constitution", in Les Novelles, Lois politiques et administratives, II, Brussel, Larcier, 1935, p. 169-179, nrs. 507-549; R. HAYOIT DE TERMICOURT, "De parlementaire immuniteit", R.W. 1955-56, kol. 49-55 , nrs. 1-12; R. HAYOIT DE TERMICOURT, "L'immunité parlementaire", R.D.P. 1955, 279-310 en J.T. 1955, 613-615; O. ORBAN, Le droit constitutionnel de la Belgique, II, Luik/Parijs, H. Dessain/V. Giard en E. Brière, 1908, 473-476; Pand. B., LIX, v° Immunités parlementaires, Brussel, Larcier, 1895, 894-898; R.D.P.B., IX, v° Pouvoir législatif, Brussel/Parijs, Bruylant/LG.D.J., 1938, 761-762; M. UYTTENDAELE, Précis de droit constitutionnel belge, Brussel, Bruylant, 2001, 217-219; J. VANDE LANOTTE en G.GOEDERTIER, Overzicht publiekrecht, Brugge, die Keure, 2003, 692-693; J. VELU, Droit public, I, Brussel, Bruylant, 1986, 496-499; M. VERDUSSEN, Contours et enjeux du droit constitutionnel pénal, Brussel, Bruylant, 1995, 598-621.
(22)K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 672, nr. 8; M. UYTTENDAELE, l.c., J.L.M.B. 2005, p. 1593, nr. 6; H. VANDENBERGHE, "Parlementaire onverantwoordelijkheid voor de 'freedom of speech' en het E.V.R.M.", in Liber amicorum Jean-Pierre DE BANDT, Brussel, Bruylant, p. 908, nr. 2; J. VELU, o.c., I, 496.
(23)H. VUYE, "Les irresponsabilités parlementaire et ministérielle: les articles 58, 101, alinea 2, 120 et 124 de la Constitution, l.c., p. 4-5, nr. 3.
(24)F. DELPEREE, Le droit constitutionnel de la Belgique, Brussel/Parijs, Bruylant/L.G.D.J., 2000, 529; R. HAYOIT DE TERMICOURT, "De parlementaire immuniteit", l.c., kol. 50, nr. 2; M. VERDUSSEN, o.c., 596.
(25)K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 671, nr. 7.
(26)Zie hierover voorts: K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 671, nr. 7.
(27)K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 672, nr. 8, die in die optiek verwijst naar het arrest van het Arbitragehof van 7 februari 2001, waarbij het oordeelt dat een mening of stem uitgebracht in de uitoefening van het parlementair mandaat geen aanleiding kan geven tot de toepassing van artikel 15ter van de Wet op de verkiezingsuitgaven (Arbitragehof nr. 10/2001, 7 februari 2001, J.L.M.B., 2001, 496, noot F. ABU DALU, Jaarboek Mensenrechten, 2000-01, 243, noot K. MUYLLE). Nochtans beoogt die bepaling niet het parlementslid in kwestie te sanctioneren. Het Arbitragehof kijkt evenwel verder dan het onmiddellijke voorwerp van de vordering: indien een door artikel 58 G.W. beschermde mening als bewijs kan dienen in een procedure om de overheidsdotatie van een politieke partij te ontnemen, worden de parlementsleden van die partij in hun bewegingsvrijheid beperkt (vgl.: M. UYTTENDAELE, l.c., J.L.M.B. 2005, p. 1591-1592, nr. 3 en p. 1594-1595, nr. 7). MUYLLE verwijst verder naar het befaamde Vlaams Blok-arrest, waarbij het Hof van Beroep te Gent oordeelt dat artikel 58 G.W. zich er tegen verzet dat het bewijs dat een politieke partij dient te worden aangezien als een groep of vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt, zou worden bijgebracht hetzij aan de hand van de door tot die politieke partij behorende parlementsleden in de uitoefening van hun parlementaire functies uitgebrachte meningen of stemmen, hetzij aan de hand van de weergave van deze meningen of stemmen in de gedrukte teksten van het parlement (Gent 21 april 2004, J.T. 2004, 590, noot E. BREMS en S. VAN DROOGHENBROECK, TvMR, 2004, nr. 2, p. 9, noot D. VOORHOOF en NjW 2004, 718, noot S. SOTTIAUX en J. VRIELINK; het Hof van Cassatie heeft de cassatieberoepen tegen dat arrest verworpen; Cass. 9 november 2004, C.D.P.K. 2005, 597, noot A. VANDAELE, R.D.P. 2005, 789, noot M.-F. RIGAUX, T.B.P. 2005, 43, noot F. MEERSSCHAUT). Opnieuw viseerde de strafvordering niet de parlementsleden in kwestie, maar volstond voor het Hof van Beroep het mogelijke effect dat de strafvordering op de vrije meningsuiting in het parlement zou hebben (zie ook: de conclusie van procureur-generaal M. LECLERQ voor Cass. 12 juli 1865, Pas. 1865, I, 261 inzake Chazal: artikel 58 G.W. verhindert dat de schuld van de protagonisten mede wordt bepaald aan de hand van wat ze hadden verklaard in het parlement; artikel 58 G.W. verhindert evenwel niet dat een rechter zich op een parlementaire toespraak baseert bij de interpretatie van een reeks van handelingen waaruit het bestaan van een overeenkomst wordt afgeleid: Cass. 21 februari 1901, Pas. 1901, I, 140, met conclusie van eerste advocaat-generaal VAN SCHOOR).
(28)M.-F. RIGAUX, l.c., p. 600, nr. 8.
(29)R. HAYOIT DE TERMICOURT, "De parlementaire immuniteit", l.c., kol. 50, nr. 2; H. VANDENBERGHE, l.c., p. 912, nr. 4; J. VELU, o.c., I, 1986, 496-497.
(30)E. TOEBOSCH, Parlementen en reglementen, Brussel, E. Story-Scientia, 1991, 65-81 en 289-291.
(31)Zie dienaangaande in historisch en internationaal perspectief: H. VANDENBERGHE, l.c., 907-922.
(32)Zie bv. de artikelen 1140-1147 Ger.W. wat betreft de beperkte persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter. Zie over de dissociatie van de overheidsaansprakelijkheid van de persoonlijke aansprakelijkheid van het overheidsorgaan ook: A. VAN OEVELEN, "De aansprakelijkheid van de Staat voor ambtsfouten van magistraten en de orgaantheorie na het Anca-arrest van het Hof van Cassatie van 19 december 1991", l.c., p. 381-382, nrs. 16-17.
(33)Cass. 5 november 1920 (Flandria), Pas. 1920, I, 193, met conclusie van eerste advocaat-generaal P. LECLERCQ.
(34)Cass. 19 december 1991 (Anca), Arr. Cass. 1991-92, nr. 215, J.L.M.B. 1992, 42, noot F. PIEDBOEUF, J.P. 1992, nr. 209, p. 20, noot C. PANIER, J.T. 1992, 142, met conclusie van eerste advocaat-generaal J. VELU, Pas. 1992, I, nr. 215, met conclusie van eerste advocaat-generaal J. VELU, R. Cass. 1992, 3, noot A. VAN OEVELEN, R.C.J.B. 1993, 285, noot F. RIGAUX en J. VAN COMPERNOLLE, R.R.D. 1992, 411, noot C. JASSOGNE, R.W. 1992-93, 396, Rev.not.b. 1992, 265, T.B.B.R. 1992, 60, noot A. VAN OEVELEN.
(35)K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 670-671, nr. 6.
(36)Zie hierover: P. LEMMENS, "Vrijheid van meningsuiting Een grondrecht ingebed in plichten en verantwoordelijkheden", Preadvies voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Deventer, Kluwer, 2005, p. 67-68, nr. 56; M. UYTTENDAELE, l.c., p. 1593-1594, nrs. 5-6; H. VUYE, "Overheidsaansprakelijkheid voor het doen en laten van parlementaire onderzoekscommissies... Waarom niet en waarom wel?", l.c., p. 504, nr. 3; J. WILDEMEERSCH, l.c., p. 1604-1607, nrs. 2.3-2.3.2.
(37)E.H.R.M., arrest van 17 december 2002 inzake A versus Verenigd Koninkrijk, NJCM-Bulletin, 2004, 1002-1015, noot W. VOERMANS; R. HAYOIT DE TERMICOURT, "De parlementaire immuniteit", l.c., kol. 50, nr. 2; H. VANDENBERGHE, l.c., p. 910, nr. 3.
(38)Dit is ook het fundamentele verschil met de aansprakelijkheid van de Staat voor foutieve wetgeving. Om de aansprakelijkheid van de Staat uit hoofde van een met de Grondwet strijdige wetgevende norm te kunnen inroepen, moet eerst een beroep tot vernietiging worden ingesteld bij of een prejudiciële vraag worden gesteld aan het Arbitragehof (A. ALEN en K.MUYLLE, Compendium van het Belgisch Staatsrecht, Deel 1B, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 485. in die controle voorziet de grondwetgever uitdrukkelijk (artikel 142 G.W.). De controle van de rechter op door artikel 58 G.W. beschermde handelingen, daarentegen, sluit de grondwetgever uit (K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 674, nr. 9).
(39)K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 674, nr. 9.
(40)Dit is trouwens de verantwoording van het arrest van het Hof van Cassatie van 11 april 1904 waarin het Hof oordeelt dat de getrouwe weergave van verklaringen van een parlementslid in de Handelingen of in de pers de bescherming van artikel 58 G.W. genieten (Cass. 11 april 1904, Pas. 1904, I, 199, met conclusie van eerste advocaat-generaal TERLINDEN). Zonder dergelijke bescherming bestaat het gevaar immers dat de draagwijdte van dergelijke verklaringen beperkt blijft tot het parlementaire halfrond. Op te merken valt dat het Hof van Cassatie in dit arrest overweegt dat "cette publication n'expose ni l'éditeur des Annales, ni le membre du parlement dont les paroles sont produites".
(41)K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 675, nr. 10.
(42)M. UYTTENDAELE, l.c., p. 1593-1594, nrs. 5-6; J. WILDEMEERSCH, l.c., p. 1604-1607, nrs. 2.3-2.3.2.
(43)K. MUYLLE, "Luidt artikel 1382 B.W. de doodsklok over artikel 58 G.W.?", l.c., p. 668-669, nr. 4; H. VUYE, "Les irresponsabilités parlementaire et ministérielle: les articles 58, 101, alinéa 2, 120 et 124 de la Constitution", l.c., p. 10, nr. 10.
(44)M. VAN DER HULST, Het federale parlement, Kortrijk, UGA, 1994, 189.
(45)Cass. 11 april 1904, Pas. 1904, I, 199, met conclusie van eerste advocaat-generaal TERLINDEN.
(46)R. HAYOIT DE TERMICOURT, "De parlementaire immuniteit", l.c., kol. 51, nr. 4; J. VELU, o.c., I, 498.
(47)Verslag TESCH, Parl.St. Kamer, 1880-81, nr. 79 en Hand. Kamer, 2 en 3 juni 1881, 1227- 1254, waaruit valt op te maken dat de parlementaire onschendbaarheid volgens de centrale afdeling, daarin gevolgd door de Kamer, niet alleen geldt voor de verklaringen van een lid van de onderzoekscommissie, maar ook voor de handelingen die hij stelt, zoals de beslissing om een persoon als getuige te horen. Zie ook: A. GIRON, Le droit public de la Belgique, Brussel, A. Manceaux, 1884, 107.
(48)R.D.P.B., IX, v° Pouvoir législatif, l.c., p. 761, nr. 117; M. VERDUSSEN, o.c., 593 en 622; M. UYTTENDAELE, o.c., p. 217, nr. 184
(49)Advies van de Raad van State bij het wetsvoorstel tot aanvulling van de Wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, Parl. St. Kamer 1988-89, nr. 675/2.
(50)A. ALEN en F. MEERSSCHAUT, "Beschouwingen omtrent het wezen van het parlementair onderzoeksrecht", in Liber Amicorum Ernest Krings, Gent, Story-Scientia, 1991, 12.
(51)H. VANDENBERGHE, l.c., 907-922.
(52)E.H.R.M., arrest van 17 december 2002 inzake A versus Verenigd Koninkrijk, NJCM-Bulletin, 2004, 1002-1015, noot W. VOERMANS. Zie ook: E.H.R.M., arrest van 27 november 2003 inzake Zollmann versus Verenigd Koninkrijk, E.H.R.L.R., 2004, 200-202.
(53)M. UYTTENDAELE, l.c., p. 1593-1594-, nrs 5-6.
(54)E.H.R.M., arresten van 30 januari 2003 in zaken Cordova versus Italië, NjW 2003, 235. In dezelfde zin: E.H.R.M., arrest van 3 juni 2004 inzake de Jorio versus Italië. Zie over die rechtspraak voorts: F. KRENC, "La règle de l'immunité parlementaire à l'épreuve de la Convention européenne des droits de l'homme", R.T.D.H. 2003, 813-821 en K. MUYLLE en J. VAN NIEUWENHOVE, "Kroniek Parlementair Recht Parlementaire onverantwoordelijkheid niet strijdig met recht op toegang tot rechter", T.B.P. 2003, 419-421.
(55)MUYLLE merkt op dat het Europees Hof nochtans traditioneel groot belang hecht aan de vrije meningsuiting van politici, die in staat moeten zijn hun kiezers te vertegenwoordigen (E.H.R.M., arrest van 23 april 1992 inzake Castells versus Spanje; E.H.R.M., arrest van 10 oktober 2000 inzake Ibrahim Aksoy versus Turkije; E.H.R.M., arrest van 27 februari 2001, inzake Jerusalem versus Oostenrijk, J.T. 2001, 407, noot S. DEPRE). Vanuit dit oogpunt heeft het weinig zin de parlementaire onverantwoordelijkheid te beperken tot meningsuitingen die worden uitgebracht in het kader van een parlementair debat. Andere media inzonderheid radio en televisie maken het een parlementslid mogelijk een veel wijder publiek te bereiken en aldus de zorgen van zijn kiezers te verwoorden. Het Europees Hof verantwoordt evenwel het onderscheid in zijn rechtspraak aan de hand van het doel van de parlementaire onverantwoordelijkheid: 'the absolute immunity enjoyed by members of parliament is designed to protect the interests of parliament as a whole as opposed to those of inidividual members of parliament. This is illustrated by the fact that the immunity does not apply outside parliament. In contrast, the immunity which protects those engaged in the reporting of parliamentary proceedings, and that enjoyed by elected representatives in local government, are each qualified in nature.' (E.H.R.M., arrest van 17 december 2002 inzake A versus Verenigd Koninkrijk, NJCM-Bulletin, 2004, 1002-1015, noot W. VOERMANS).
(56)H. VANDENBERGHE, l.c., p. 922, nr.
  1. Annotaties Publicaties: AM - X; - 2007,484-491 Die Keure; Feestbundel voor Hugo Vandenberghe - A. ALEN; - 2007, 1-14 T.B.P. - K. MUYLLE; - 2007; 461-463 J.T. - S. VAN DROOGHENBROECK; - 2006, 461-463 N.J.W. - I. BOONE; Noot - 2006,559 Juristenkrant - P. HERBOTS - 2006, 9 C.D.P.K. - E. MAES; - 2007, 905-916 J.T. - A.ALEN; - 2008, 97-101 C.D.P.K. - Marie Françoise RIGAUX; - 2007, 195-225 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0494.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op verzoek van haar voorzitter, de heer Herman De Croo, met kantoor te 1008 Brussel, Natieplein 2, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. UNIVERSELE KERK VAN HET KONINKRIJK GODS, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 2060 Antwerpen, Carnotstraat 15,
  3. V. O. J.-C.,
  4. B. K.,
  5. D. B. B. A.-R., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 juni 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Bij beschikking van de voorzitter van 24 maart 2006 werd deze zaak van de eerste kamer naar de voltallige terechtzitting verwezen. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 56, 58 en 144 van de Grondwet; - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 1 tot 13 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek; - artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna artikel 10 E.V.R.M.); - het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. Aangevochten beslissingen De appelrechters beslissen dat de Staat aansprakelijk gesteld kan worden voor schade veroorzaakt door fouten van de wetgevende macht en dat noch artikel 58 van de Grondwet, noch het beginsel van de scheiding der machten zich hier tegen verzetten. De appelrechters beslissen nog dat de parlementaire onderzoekscommissie een fout heeft begaan door op onvoorzichtige wijze het openbaar verslag op te stellen, en dat de verweerders hierdoor schade leden, zodat de eiser hiervoor aansprakelijk is, op grond van de volgende overwegingen: "De oorzaken van de vordering (De verweerders) leggen uit: - dat de eerste verzoekster een vereniging is ter realisatie van een religieus doel. Dat zij tevens gekend is onder de franse benaming 'Eglise Universelle du Royaume de Dieu' en onder de Portugese benaming 'Igreja Universai do Reino de Deus' (IURD). - dat deze verzoekster de afdeling in België vormt van de internationale religieuze beweging, onder haar Portugese benaming ontstaan in Brazilië. - dat deze kerkvereniging naast het religieuze werk tevens actief is in het liefdadigheidswerk en de sociale hulpverlening (o.a. voedselhulp, reïntegratie van delinquenten en verslaafden, etc.). - dat de tweede, de derde en de vierde verzoekers actieve bestuursleden zijn in deze V.Z.W., respectievelijk in de hoedanigheid van voorzitter, secretaris en penningmeester. Ze voeren aan dat door de Kamer van Volksvertegenwoordigers een verslag werd opgesteld onder de naam 'Gewone Zitting 1996-1997 28 april 1997 Parlementair Onderzoek met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen.' en dat dit verslag publiek verspreid wordt en verkrijgbaar is door eenieder. Ze stellen dat in dit verslag onbewezen aantijgingen, beschuldigingen en beweringen over eerste verzoekster, of over de internationale religieuze beweging met diezelfde naam waarvan zij in België een afdeling vormt, worden weergegeven als ware feiten. Met name: - dat op pagina 319 (volume I) onder meer gesteld wordt 'Het blijkt evenwel te gaan om een authentieke misdaadorganisatie. Dit is een extreme vorm van 'religieus mercantilisme'.' 'In feite betreft het slechts een groots opgezette 'vorm van oplichting'. 'De leiders van de kerk leiden een luxeleventje(...)'.' - op pagina 320 wordt zonder enige staving losbandig gedrag gesuggereerd: 'In de organisatie zouden zich ook tal van seksschandalen hebben voltrokken'. - verder op pagina 320 wordt betrokkenheid bij criminele praktijken geïnsinueerd: 'Eén daarvan zou zijn aangekocht met het geld van de Colombiaanse maffia'. 'De leiders van de IURD zouden ook betrokken zijn bij 'drugs- en wapenhandel via Paraguay en Portugal'.' 'De activiteiten in België, die trouwens worden gesubsidieerd door de Braziliaanse organisatie, zouden dus een dekmantel kunnen zijn voor illegale praktijken. De aanwezigheid van de IURD in Luxemburg "zou erop kunnen wijzen" dat die organisatie zich ook inlaat met praktijken die verband houden met het "witwassen van geld'. (blz. 4 5 van het bestreden arrest) 'De rechtsmacht De vordering die door (de verweerders) werd ingesteld beoogt het herstel van de beweerde schade die zij toeschrijven aan fouten begaan door de Parlementaire commissie. De vordering is gesteund op art. 1382 en 1383 B.W. en heeft uitsluitend betrekking op de subjectieve rechten van (de verweerders). Art. 144 G.W. kent de gewone rechtbanken en hoven bij uitsluiting de bevoegdheid toe om te oordelen over de burgerlijke rechten. Daarbij kan geen rekening gehouden worden met de hoedanigheid van de procesvoerende partijen, noch met de aard van de handelingen die een krenking van het recht zouden veroorzaakt hebben, doch enkel met de aard van het gekrenkte recht dat het voorwerp vormt van het geschil. Overeenkomstig art. 556 Ger. W. nemen de hoven en rechtbanken kennis van alle vorderingen, behalve deze welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt. Art. 58 G. W. onttrekt niet aan de rechter het oordeel over een vordering tot schadevergoeding wegens een beweerde fout van een lid van de Kamer, of van een instelling in de schoot van kamer opgericht. De door de Belgische Staat ingeroepen onverantwoordelijkheid van de kamerleden betreft niet de rechtsmacht, maar de grond van de zaak: met name het al dan niet vaststellen van de aansprakelijkheid (zie hierna). De principiële aansprakelijkheid De verantwoordelijkheid van de Staat door het gedrag van zijn organen De Staat is, zoals de burgers, onderworpen aan de rechtsregels en geen enkele wetsbepaling, noch enig algemeen rechtsbeginsel ontslaat de Staat van de algemene zorgvuldigheidsplicht waarvan de niet naleving gesanctioneerd wordt door art. 1382 en 1383 B.W. De Staat kan aansprakelijk gesteld worden voor de schade veroorzaakt door de fouten van haar organen. In beginsel brengt de fout van een orgaan de rechtstreekse aansprakelijkheid van de Staat op basis van art. 1382 en 1383 B.W. teweeg indien dat orgaan binnen de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheid heeft gehandeld of door ieder redelijk en voorzichtig mens geacht moet worden binnen die grenzen gehandeld te hebben. De buitencontractuele aansprakelijkheid van de Staat is niet beperkt tot de uitvoerende macht, maar geldt ook de andere machten die het staatsgezag uitmaken, en dus ook de wetgevende macht. Omtrent het parlementair onderzoek moet worden verwezen naar de wet van 30 juni 1996 tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek. Art. 1 van de Wet van 3 mei 1880 luidt sindsdien als volgt: 'Artikel
  6. De Kamers oefenen het bij artikel 56 van de Grondwet toegekende recht van onderzoek uit overeenkomstig de volgende regels.' 'De door de Kamers ingestelde onderzoeken treden niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen.' Naar luid van art. 3 zijn de vergaderingen van de commissie die het onderzoek uitvoert openbaar, tenzij de commissie anders beslist. De leden van de Kamer zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergadering, maar de commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden om de geheimhouding in acht te nemen. De kamer of de commissie, alsook hun voorzitters voor zover die daartoe gemachtigd worden, kunnen alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen nemen. Hiertoe kan aan de eerste voorzitter van het hof van beroep gevraagd worden een raadsheer aan te stellen. De aangestelde magistraat staat onder leiding van de voorzitter van de commissie. Hij stelt een schriftelijk verslag op. De commissie kan ook inlichtingen opvragen bij de procureur-generaal, die dat kan weigeren maar met de mogelijkheid voor de aanvrager om daartegen hoger beroep in te stellen. (art. 4) Naar luid van art. 8 moeten andere personen dan de leden van de kamer die de niet openbare commissievergaderingen bijwonen of eraan deelnemen de eed afleggen het geheim karakter van de werkzaamheden te zullen naleven. De processen-verbaal waarin wordt vastgesteld dat er aanwijzingen of vermoedens zijn van strafbare feiten, worden gezonden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep opdat daaraan gevolg wordt gegeven als naar recht. (art. 10) De commissie maakt van haar werkzaamheden een verslag op dat openbaar is (art. 13). Het recht van onderzoek wordt in de rechtsleer omschreven als een attribuut van de bevoegdheid van de Wetgevende Kamers, soms ook als een natuurlijk uitvloeisel van het initiatiefrecht. Het recht van onderzoek wordt uitgeoefend door de Kamer zelf, of door een daartoe in haar midden opgerichte commissie (art. 2). Het recht van onderzoek wordt collectief uitgevoerd en het onderscheidt zich aldus van het individuele initiatiefrecht van de leden van de Kamers. De openbare verslaggeving van het onderzoek is verplicht. Zowel in de uitvoering van de onderzoeksverrichtingen omtrent de sekten, als in de verslaggeving ervan, handelde de commissie die gelast was met het onderzoek naar de sekten binnen zijn bevoegdheid als orgaan van de Staat. De Belgische Staat is dan ook, in de regel, vatbaar voor een aansprakelijkheidsvordering gesteund op art. 1382 en 1383 B.W. wegens schadeverwekkende fouten of nalatigheden door de commissie begaan. De schadeverwekkende handeling moet daarbij niet noodzakelijk uitgaan van de plenaire vergadering van de Kamer, zodat de goedkeuring van slechts een beperkt gedeelte van het verslag in de plenaire vergadering van 7 mei 1997 de aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor het handelen vanwege één van haar organen, te dezen de commissie, niet in de weg staat zélf als door een commissie opgericht in haar midden kan worden uitgevoerd. De exceptie van art. 58 G.W. Geen lid van een van beide Kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek worden onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht. Deze onverantwoordelijkheid geldt zowel voor strafrechtelijke vorderingen als voor burgerlijke vorderingen, voor zover deze mening is uitgebracht in de uitoefening van zijn functie. Daaronder moet ook begrepen worden de meningsuiting van een lid van de Kamers die weergegeven wordt in parlementaire stukken, meer bepaald in deze documenten die deel uitmaken van de parlementaire werkzaamheden, temeer wanneer de publicatie ervan is voorgeschreven. Hierboven werd gewezen op de bevoegdheid die aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de Senaat werd verleend op grond van art. 56 G.W. en op het verplichte karakter van de publicatie van een verslag na het afsluiten van de werkzaamheden van het onderzoek. Het opstellen en publiceren van een verslag van een onderzoekscommissie behoort dan ook tot de 'uitoefening van de functie' van het parlementair mandaat, zelfs wanneer men dit begrip strikt interpreteert. Art. 58 G.W. brengt echter niet met zich mede dat de Staat zich zou kunnen beroepen op deze onverantwoordelijkheid die niet leidt tot de principiële niet aansprakelijkheid van de Belgische Staat voor handelingen of nalatigheden van zijn organen, het weze een onderzoekscommissie van een wetgevende kamer. De aansprakelijkheid van de Staat wordt niet uitgesloten omdat de persoonlijke verantwoordelijkheid van het orgaan zelf voor de schadeverwekkende handeling die het heeft verricht, niet in het gedrang kan komen, ofwel omdat het orgaan kan aangemerkt worden wegens een onoverkomelijke dwaling van dit orgaan of een andere hem eigen grond van ontheffing van zijn aansprakelijkheid, ofwel omdat die handeling (weliswaar) een fout is, maar het orgaan persoonlijk ontheven is van de aansprakelijkheid waartoe ze aanleiding kan geven. De grondwettelijke scheiding der machten Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling ontrekt de Belgische Staat, voor wat betreft de Wetgevende Macht in de uitoefening van haar opdrachten, aan de in artikelen 1382-1383 B.W. bepaalde verplichting om de schade te vergoeden die deze macht door haar fout aan een ander veroorzaakt. Er werd reeds geoordeeld: 'Zelfs een strikte scheiding van machten houdt niet in dat de Staat ontheven is van zijn aansprakelijkheid (i.v.m. schade) die aan derden werd veroorzaakt door een foutief handelen of nalaten van organen van de uitvoerende macht (Cass. 5 november 1920...) -Flandria-arrest n.v.h.- of van de rechterlijke macht (Cass. 19 december 1991...) -Anca-arrest n.v.h.-. Er is geen reden om de weerslag van het beginsel van de scheiding der machten op de eventuele aansprakelijkheid van de Staat voor wetgevende handelingen anders te beoordelen'. Het beginsel der scheiding der machten kan niet ingeroepen worden om voor te houden dat de Belgische Staat niet aansprakelijk zou kunnen gesteld worden bij een onzorgvuldig optreden van de wetgevende macht. De Staat wordt immers aansprakelijk gesteld niet als 'wetgevende macht', maar als de ene en onverdeelde rechtspersoon, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schade ontstaan door foutieve gedragingen of nalatigheden van haar organen'. 'De ingeroepen fouten 'De zorgvuldigheidsplicht Uit de voorliggende stukken kan niet afgeleid worden dat het onderzoek zelf zoals het werd gevoerd, op foutieve wijze de belangen van (de verweerders) heeft geschonden (zie hierboven). Doch ook de openbare rapportage van het onderzoek moet voldoen aan de criteria van zorgvuldigheid, immers ook de overheid is gebonden door de zorgvuldigheidsnorm. (De verweerders) verwijten in hoofdzaak de publicatie van wat zij noemen lasterlijke aantijgingen, ze achten dit des te schadelijker wegens het gezag waarmee de Kamer van volksvertegenwoordigers is bekleed. Ze achten het foutief dat een aantal uitspraken over de kerkgemeenschap en haar leden worden gedaan die - zonder enige aanwijzing van waarachtigheid, laat staan enig bewijs - als 'feiten' worden voorgesteld. Hierboven werden de door (de verweerders) gewraakte passages weergegeven. De kerkgemeenschap wordt daarnaast ook nog vermeld in de synoptische tabel (Verslag, volume 2, blz. 243, onder nr. 62) en (de verweerders) zijn van oordeel dat de opname in deze lijst hoe dan ook een uitdrukking is van een waardeoordeel van de Commissie. Vooral het openbaar karakter en de publieke verspreiding en ruchtbaarheid worden foutief en schadeverwekkend genoemd. Het verslag werd opgemaakt namens de onderzoekscommissie, bevat twee volumes (boekdelen) en is publiek toegankelijk. De commissie stelt voorop dat ze aldus verslag uitbrengt van de opdracht die aan de commissie werd toegekend door de plenaire vergadering van de Kamer. Ze wil de vaststellingen, analyses, voorstellen of aanbevelingen, zowel deze welke ze geregistreerd heeft als die welke ze heeft goedgekeurd, aan een openbaar debat in de Kamer en terzelfdertijd aan een breed maatschappelijk debat onderwerpen (blz. 5). Als de 'enige' doelstelling van de opdracht van de commissie wordt beschreven: het bestrijden van het misbruik door bepaalde personen of verenigingen van de door de Grondwet gewaarborgde fundamentele vrijheden die onverkort moeten geëerbiedigd worden (blz. 5). Er wordt gewezen op de omvang van het onderzoek en het bewust tegensprekelijk karakter ervan dat aantoont dat de commissie een objectief onderzoek - zonder enige vooroordeel - heeft willen voeren. 'Wellicht hebben de conclusies van de commissie des te meer gewicht daar zij de vrucht van objectief werk zijn. Dat hopen wij althans'. Ze stelt dat ze in haar opdracht tekort zou geschoten zijn mocht zij een aantal vaststellingen en helaas bevestigde waarheden voor de publieke opinie hebben verborgen (blz. 6). Het verslag vangt aan met de verklaring: 'De parlementaire onderzoekscommissie heeft er naar gestreefd haar werkzaamheden uit te voeren in een geest die rekening houdt met de eisen van de hedendaagse samenleving: objectiviteit, waarheid, doorzichtigheid, pluralisme, overstijging van achterhaalde scheidingslijnen, verantwoordelijkheidszin'. (blz. 5) Ontleding van de gewraakte tekst Het onderdeel van het verslag 'het Parlementair onderzoek naar de sekten' dat handelt over de Universele Kerk van het Rijk Gods (UIRD) situeert zich in volume 1, deel 2, lits. III, getiteld 'Informatie uit de hoorzittingen met gesloten deuren (meestal door volgelingen, gewezen volgelingen of hun familieleden)', blz. 318 e.v. De tekst is doorlopend en schrijft de inhoud niet toe aan een welbepaalde getuige of bron, behoudens waar het over het fortuin van de stichter gaat (zie verder) en waar in de voorlaatste alinea gemeld wordt dat een getuige er de aandacht wenst op te vestigen dat de kerk ervoor gekozen heeft zich in de nabijheid van grote internationale havens, zoals Rotterdam of Antwerpen, te vestigen. Dit wordt, in dezelfde paragraaf gevolgd door de bedenking dat de activiteiten in België een dekmantel zouden kunnen zijn voor illegale praktijken. In de volgende (slot)alinea wordt gesteld dat de aanwezigheid van de kerkgemeenschap in Luxemburg erop zou kunnen wijzen dat de organisatie zich ook inlaat met praktijken die verband houden met het witwassen van het geld. De beschrijving van de kerkgemeenschap vangt aan met een aantal gegevens omtrent de oprichting en het vermoeden ('zou') dat ze is voorgekomen uit de pinksterbeweging. Bijna onmiddellijk daarop volgt de zin: 'Het blijkt evenwel te gaan om een authentieke misdaadorganisatie, die alleen verrijking nastreeft'. Vervolgens wordt gewezen op de vestigingplaats van de kerk in België (Antwerpen) en de huurprijs van de lokalen. Er wordt een adres in Brussel opgegeven en er wordt vermeld dat de organisatie officieel in Luxemburg is gevestigd. De kerk heeft in België volgens het verslag slechts een 20-tal leden, meestal zwarte vrouwen uit Portugees sprekende landen. De tekst bevat een beschrijving van geldinzamelingen bij de leden, tegen belofte van de vervulling van wensen die echter nooit worden ingewilligd. Dit onderdeel eindigt met de zin: 'In feite betreft het slechts een groots opgezette vorm van oplichting'. Elders in de tekst stelt men vast dat de leiders van de beweging beweren aids te kunnen genezen, en dat zij vooral werven bij volkse en behoeftige mensen. Volgens bepaalde bronnen, zo meldt het verslag, zou de stichter in 20 jaar tijd een fortuin van zowat 100 miljoen dollar hebben opgebouwd en leiden de kerkleiders een luxeleven. Beschreven wordt dat de kerk ook 2.000 tempels bezit, 22 radiostations en 16 televisiestations. 'Eén daarvan zou aangekocht zijn met het geld van de Colombiaanse maffia'. Het internationale karakter van de organisatie wordt beklemtoond. Tussen deze gegevens door wordt er geopperd dat er zich in de organisatie (ook) tal van seksschandalen zouden voltrokken hebben, dat de leiders zouden betrokken zijn bij drugs- en wapenhandel via Paraguay en Portugal en dat in Frankrijk klacht werd ingediend ingevolge de zelfmoord van een jongere die onder belofte werk te vinden vruchteloos een bedrag van 40.000 BEF had geschonken. Toetsing De statements: 'Het blijkt evenwel te gaan om een authentieke misdaadorganisatie, die alleen verrijking nastreeft' en 'In feite betreft het slechts een groots opgezette vorm van oplichting' zijn affirmatief en zonder voorbehoud geformuleerd. Ze worden omringd door een aantal ondersteunende feiten en vaststellingen die eveneens zonder enige reserve worden geformuleerd (zoals de verwijzing naar het fortuin van de leiders en de bezittingen van de organisatie). Een reeks associaties worden voorafgegaan door de woorden 'zou' of 'zouden' en sommige daarvan hebben een bepaald zwaarwichtige inhoud of connotatie: maffia, witwassen van (zwart) geld, dekmantel voor illegale praktijken en bendevorming.' Zoals elke uitspraak, tekst of publicatie, dient bij de toetsing van wat uitgedrukt is rekening gehouden te worden met de volledige context die verondersteld mag worden gekend te zijn door de normaal aandachtige lezer. Deze lezer moet een normaal kritische houding aannemen tegenover dat wat hem wordt aangeboden. Dit gebeurt vooreerst door de identificatie van de auteur en verder o.m. door de situering en de evaluatie van de bron of de bronnen, het in acht nemen van het voorgenomen doel van het geschrift, en de uitgedrukte werkwijze van onderzoek of studie. Te dezen gaat van de auteur van het geschrift een specifiek gezag uit: het is een parlementaire onderzoekscommissie die bekleed is met de onderzoeksbevoegdheden zoals een onderzoeksrechter. Het verslag van de commissie vangt aan met de verwijzing naar een aantal aan zichzelf gestelde eisen: 'objectiviteit, waarheid, doorzichtigheid, pluralisme, overstijging van achterhaalde scheidingslijnen, verantwoordelijkheidszin'. De zin voor objectiviteit wordt bijzonder beklemtoond: 'Wellicht hebben de conclusies van de commissie des te meer gewicht daar zij de vrucht van objectief werk zijn'. Het doel, of de doelgroep, van de publicatie overtreft - volgens eigen aangeven - het parlementair debat en de parlementaire besluitvorming: de commissie wil haar bevindingen tezelfdertijd ook "aan breed maatschappelijk debat onderwerpen" met het oog op 'het bestrijden van het misbruik door bepaalde personen of verenigingen'. Vanuit dit gezag, de zichzelf toegeschreven objectiviteit en de rechtstreekse doelstelling het publiek voor te lichten dient het stuk afgewogen te worden. De inhoud is bijzonder zwaarwichtig: de organisatie (leiders, leden...) worden zware misdrijven toegeschreven, in twee gevallen zonder enige reserve, en in andere gevallen wordt deze reserve bijzonder zwak uitgedrukt en insinueert men dat er zich bijzonder laakbare feiten op allerlei terreinen (misdaad, zeden, onredelijke verrijking, uitbuiting) voordoen. Omtrent de bronnen van de weergegeven informatie en beweringen blijkt de tekst en ook de context bijzonder vaag. Feiten die een zekere waarschijnlijkheid hebben en loutere beweringen worden in het stuk niet, of nauwelijks, van elkaar onderscheiden. De tekst verdicht tevens de informatie en de beweringen omtrent de verwante religieuze organisatie(s) in het buitenland en deze in België, hoewel deze laatste marginaal genoemd wordt, met slechts een ... twintigtal leden. Er kan, in de regel, geen bezwaar tegen bestaan dat in een dergelijke publicatie verwezen wordt naar anonieme getuigen. In zijn verdediging argumenteert de Belgische Staat echter dat de tekst slechts de weergave is van de beweringen van de getuigen en dat 'deze informatie gewoon werd gebundeld', zonder dat de commissie zich over het waarheidsgehalte heeft uitgesproken (zie de besluiten van de Belgische Staat dd. 8 november 2001). De concrete redactie van dit onderdeel van het verslag laat echter niet toe te besluiten dat dit stuk aldus moet, of zelfs kan gelezen worden. Van enige afstandelijkheid van de bronnen en hun beweringen geeft de tekst geenszins blijk. Bij de normaal aandachtige en normaal kritische lezer van dit onderdeel van het verslag wordt daarentegen de verwachting gewekt dat de weergegeven informatie steunt op gecontroleerde bronnen en dat die informatie een groot waarheidsgehalte, minstens een ernstige waarschijnlijkheidsgraad, heeft. De titel van het hoofdstuk waarin de tekst werd opgenomen 'Informatie uit de hoorzittingen met gesloten deuren' spreekt deze verwachting geenszins tegen. Het volstaat ook niet er in de inleiding van het verslag op te wijzen dat het nooit de bedoeling is geweest een heksenjacht op gang te brengen temeer er in diezelfde inleiding wordt gewezen op kwaliteiten zoals grondigheid en objectiviteit. De commissie was bijzonder onvoorzichtig en onkies om de beweringen van enkele anonieme getuigen op deze wijze te verwerken in een redactioneel stuk dat de kerkgemeenschap o.a. misdadigheid en normloosheid toeschrijft. Daarbij kon de commissie met zekerheid beseffen dat deze beschrijving schadelijk kon zijn voor de organisatie. Deze fout wordt niet verschoond door de omstandigheid dat de vereniging niet inging op een uitnodiging om gehoord te worden; dit belette de commissie niet om de gewone voorzichtigheid in acht te nemen bij het opstellen van het openbaar verslag. De synoptische tabel (boekdeel II, blz. 227) wordt ingeleid door de waarschuwing dat de opsomming geen standpunt, noch waardeoordeel inhoudt, en dat de commissie er niet van uitgaat dat een beweging die op de lijst voorkomen een sekte is, of dat ze gevaarlijk is. Behoudens het land van de herkomst, het jaar van de oprichting en de stichter bevat de tabel enkel de vermelding dat de kerkgemeenschap een afscheuring is van de pinksterbeweging. Dit onderdeel van het verslag geeft geen aanleiding tot het vaststellen van een fout of een gebrek aan voorzorg" (blz. 11-16 en 18-22 van het bestreden arrest). Grieven Artikel 144 van de Grondwet bepaalt dat geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren. Artikel 556 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de hoven en rechtbanken kennis nemen van alle vorderingen, behalve deze welke de wet aan hun rechtsmacht onttrekt. Artikel 58 van de Grondwet bepaalt dat geen lid van een van beide Kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht. Deze bepaling, die de regel van de parlementaire onverantwoordelijkheid tot uitdrukking brengt, omvat twee onderscheiden beginselen die beide essentieel zijn voor de goede werking van het parlement. Enerzijds waarborgt artikel 58 van de Grondwet de vrijheid van meningsuiting van de leden van de Kamers. Deze vrijheid van meningsuiting van de leden van de Kamers, die eveneens vervat ligt in artikel 10 E.V.R.M., dient noodzakelijkerwijze absoluut te zijn. Zij is immers een noodzakelijke voorwaarde voor de goede werking van het parlement en derhalve voor de democratie. De vrije meningsuiting over zaken van publiek belang moet zonder enige terughoudendheid mogelijk zijn in het parlement. Zonder deze absolute vrijheid van meningsuiting kan de democratie niet naar behoren functioneren. Deze regel werd dan ook niet ingevoerd ter bescherming van de belangen van de vertegenwoordigers zelf, maar wel ter bescherming van het algemeen belang. Deze regel van de absolute vrijheid van meningsuiting in het kader van het parlementaire debat houdt dan ook in dat de leden van de Kamers, bij het uitoefenen van hun functie, niet aan de zorgvuldigheidsplicht, zoals vervat in de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, onderworpen zijn. Een mening geuit in het kader van een parlementair debat kan dan ook onmogelijk foutief zijn in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Dit blijkt uit de tekst zelf van artikel 58 van de Grondwet op grond waarvan geen lid van een van beide Kamers aan een onderzoek kan worden onderworpen naar aanleiding van een mening uitgebracht in de uitoefening van zijn functie : op grond van deze bepaling kunnen de meningen geuit in het kader van de parlementaire activiteit niet aan enig onderzoek worden onderworpen. Anderzijds houdt artikel 58 van de Grondwet in dat de parlementaire debatten niet onderworpen kunnen worden aan enige controle van de rechterlijke macht. In die zin is artikel 58 van de Grondwet de weerslag van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten op grond waarvan elk van de organen van de Staat bekleed is met een bepaalde functie in de uitoefening van de staatsmacht en dit orgaan deze functie met uitsluiting van de andere organen mag uitoefenen. Volgens dit beginsel en artikel 58 van de Grondwet kan de rechterlijke macht dan ook in principe niet oordelen over de regelmatigheid en rechtmatigheid van de wijze van optreden van de wetgevende macht en meer bepaald van de debatten die in de wetgevende kamers gevoerd worden. De parlementaire debatten kunnen dan ook op generlei wijze onderworpen worden aan de controle van de rechterlijke macht en de grondslag vormen van enige rechtsvordering. Deze regel strekt ertoe bovenvermelde absolute vrijheid van meningsuiting te waarborgen en is dan ook, zoals deze absolute vrijheid van meningsuiting zelf, essentieel voor de goede werking van het parlement en van de democratie. De parlementaire onverantwoordelijkheid vervat in artikel 58 van de Grondwet heeft niet enkel betrekking op mondelinge verklaringen in het parlement, maar tevens op alle geschriften in het raam van de parlementaire werkzaamheden. Verder heeft deze parlementaire onverantwoordelijkheid betrekking op alle werkzaamheden van het parlement. Artikel 56 van de Grondwet bepaalt dat elke Kamer het recht van onderzoek heeft. Dit onderzoeksrecht werd nader uitgewerkt in de artikelen 1 tot 13 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek. Overeenkomstig artikel 13 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek maakt de commissie van haar werkzaamheden een verslag, dat openbaar is. Zij vermeldt haar conclusies en formuleert, in voorkomend geval, opmerkingen over de verantwoordelijkheden die door het onderzoek aan het licht zijn gebracht, en voorstellen over een wijziging van de wetgeving. Uit deze bepaling blijkt dat het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie de loutere weergave is van de werkzaamheden en van de conclusies van de commissie. De werkzaamheden die in het kader van het parlementair onderzoek plaatsvinden, behoren tot de essentie van de taken van de wetgevende kamers en genieten dan ook eveneens de bescherming van artikel 58 van de Grondwet. Derhalve kunnen de meningen die geuit zijn in het kader van een parlement onderzoek, evenals de schriftelijke weerslag hiervan in het verslag, onmogelijk foutief zijn in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Verder mogen noch de debatten die gevoerd werden in het kader van een parlementair onderzoek, noch het verslag dat hiervan de weergave is, aan enige rechterlijke controle onderworpen worden. Terzake onderwerpen de appelrechters het onderzoek dat gevoerd werd in de parlementaire onderzoekscommissie en de conclusies van de onderzoekscommissie aan de zorgvuldigheidstest vervat in de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. De appelrechters beslissen dat niet blijkt dat het onderzoek zelf, zoals het werd gevoerd, op foutieve wijze de belangen van de verweerders heeft geschonden, doch dat de openbare rapportage niet voldoet aan de criteria van zorgvuldigheid. De appelrechters overwegen dat van de parlementaire onderzoekscommissie een zeker gezag uitgaat, dat het verslag zichzelf objectiviteit toeschrijft en dat het tot doel heeft het publiek voor te lichten. De appelrechters verwijten de parlementaire onderzoekscommissie aan eerste verweerster zware misdrijven toe te schrijven, in twee gevallen zonder reserve, zonder de bronnen van deze beweringen nader te omschrijven en zonder enige afstand te nemen van deze bronnen, zodat de verwachting wordt gewekt dat de informatie een ernstige waarschijnlijkheidsgraad heeft. De appelrechters overwegen nog dat de commissie bijzonder onvoorzichtig was om de beweringen van enkele anonieme getuigen op deze wijze te verwerken in het verslag. Daar het verslag slechts de weergave is van de werkzaamheden en de conclusies van de parlementaire onderzoekscommissie, beoordelen en bekritiseren de appelrechters, door te beslissen dat de commissie een fout heeft begaan door in het verslag aan de eerste verweerster zware misdrijven toe te schrijven zonder de bronnen van deze beweringen nader te omschrijven en zonder enige afstand te nemen van deze bronnen, de conclusies zelf van de parlementaire onderzoekscommissie en bekritiseren zij aldus een mening die in het kader van de parlementaire werkzaamheden werd uitgebracht. Door aldus te beslissen dat de mening die werd uitgebracht in voormelde parlementaire onderzoekscommissie foutief is, schenden de appelrechters de artikelen 56 en 58 van de Grondwet, 10 E.V.R.M., 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1 tot 13 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek. Door zich verder op bovenvermelde wijze rechtstreeks in de activiteit van de Kamer van volksvertegenwoordigers te mengen, daarop controle uit te oefenen en daarover een oordeel uit te spreken, schenden zij de artikelen 56 en 58 van de Grondwet, de artikelen 1 tot 13 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat niet een parlementslid, maar de Belgische Staat wordt veroordeeld. Hieruit volgt dat de appelrechters, door te beslissen dat zij rechtsmacht hebben om over de vordering uitspraak te doen en door deze vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, alle in het middel genoemde bepalingen en algemeen rechtsbeginsel schenden. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  7. De beginselen van scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de wetgevende macht en van de parlementsleden houden niet in dat de Staat in het algemeen zou zijn ontheven van zijn verplichting de schade te vergoeden die een fout van het Parlement aan een derde heeft veroorzaakt. Door de kennisneming van geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting aan de hoven en rechtbanken toe te kennen, stelt artikel 144 van de Grondwet alle burgerlijke rechten onder de bescherming van de rechterlijke macht. Ter verwezenlijking van die bescherming heeft de grondwetgever geen rekening gehouden met de hoedanigheid van de gedingvoerende partijen en evenmin met de aard van de handelingen waardoor een recht wordt geschonden, maar wel en uitsluitend met de aard van het recht waarover het geschil loopt. Zoals de burgers is de Staat onderworpen aan rechtsregels, waaronder die welke betrekking hebben op de vergoeding van schade ten gevolge van fouten die de subjectieve rechten en de wettige belangen van personen aantasten.
  8. De bescherming geboden door artikel 144 van de Grondwet laat niet toe dat de rechter, rechtstreeks of onrechtstreeks, toezicht uitoefent op de wijze waarop het parlement het recht van onderzoek uitoefent of tot zijn besluit komt, en aldus op de wijze waarop de leden van de Kamers hun mening uitdrukken.
  9. Artikel 56 van de Grondwet bepaalt dat elke Kamer het recht van onderzoek heeft. De Grondwet beperkt dit recht van onderzoek niet.
  10. Artikel 58 van de Grondwet bepaalt dat geen lid van een van beide kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht.
  11. Die bepalingen sporen met de beperkingen die ook het EVRM, zoals het EHRM het uitlegt, stelt aan het recht de handelingen van het Parlement en zijn leden te toetsen. De parlementaire immuniteit dient een legitiem doel: het beschermen van de vrije meningsuiting in het parlement en de handhaving van de scheiding van machten tussen wetgever en rechter. Het is geen onevenredige inbreuk op het recht op toegang tot de rechter te beslissen dat de rechter niet mag oordelen of een meningsuiting van een parlementslid of van een parlementaire commissie foutief was en aldus de aansprakelijkheid van de federale Staat tot gevolg zou kunnen hebben.
  12. Die vrijheid omvat niet enkel de mondelinge verklaringen van individuele parlementsleden, maar ook hun geschriften. Zij omvat voorts alle parlementaire werkzaamheden, zo ook deze van een parlementaire onderzoekscommissie, opgericht bij toepassing van artikel 56 van de Grondwet en van de wet van 3 mei 1880 op het parlementaire onderzoek.
  13. Indien de burgers het recht zouden hebben een schadeclaim tegen de Staat in te leiden op grond van een beweerde onzorgvuldige meningsuitdrukking geuit in het raam van de parlementaire werkzaamheden, zou die vrijheid in strijd met de Grondwet beperkt worden.
  14. De appelrechters gaan ervan uit dat artikel 58 van de Grondwet niet uitsluit dat de Belgische Staat aansprakelijk is voor een schadeverwekkende foutieve meningsuiting in het raam van de werkzaamheden van een parlementaire onderzoekscommissie. Vervolgens toetsen de appelrechters het verslag van die onderzoekscommissie aan de zorgvuldigheidsnorm van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Zodoende beperken zij, in strijd met artikel 58 van de Grondwet, de vrijheid van meningsuiting die in dit artikel wordt gewaarborgd.
  15. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre de appelrechters het hoger beroep ontvankelijk verklaren. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, voltallige kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de afdelingsvoorzitters Edward Forrier, Claude Parmentier, Robert Boes en Ernest Waûters, en de raadsheren Christian Storck, Ghislain Londers, Didier Batselé en Albert Fettweis, en in openbare en voltallige terechtzitting van 1 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060601.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20181012.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221124.1F.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221215.1F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221216.1N.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060928.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.