← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060608.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060608.8 Rolnummer: F.04.0050.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-10-20 Raadplegingen: 542 - laatst gezien 2026-07-04 06:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan er niet aan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Die grondwettelijke regels worden niet geschonden door het loutere feit dat de belasting slechts één enkele belastingplichtige treft

(1).
(1)Zie Cass., 15 jan. 2004, AR F.02.0006.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9, nr 24, met concl. O.M., www.cass.be. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: BELASTING Gelijkheid inzake belastingen Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen Vereiste verantwoording Belasting die slechts één enkele belastingplichtige treft Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Belasting die slechts één enkele belastingplichtige treft Verenigbaarheid met de gelijkheid inzake belastingen Vereisten Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Gelijkheid van de Belgen voor de wet Belasting Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen Vereiste verantwoording Belasting die slechts één enkele belastingplichtige treft Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden Belasting Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen Vereiste verantwoording Belasting die slechts één enkele belastingplichtige treft Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Vrije woorden: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Gelijkheid inzake belastingen Onderscheid volgens verschillende categorieën van belastingplichtigen Vereiste verantwoording Belasting die slechts één enkele belastingplichtige treft Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Artt.10,11en Tekst van de beslissing Nr. F.04.0050.N STEVAN, naamloze vennootschap, met zetel te 8860 Lendelede, Heulsestraat 87, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Speecke, advocaat bij de balie te Kortrijk, kantoor houdende te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 8b, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEMEENTE LENDELEDE, vertegenwoordigd door haar college van Burgemeester en Schepenen, met burelen te 8860 Lendelede, Dorpsplein 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Francis Werbrouck, advocaat bij de balie te Roeselare, kantoor houdende te 8800 Roeselare, Schierveldestraat 33, en door mr. Michel Maus, advocaat bij de balie te Brugge, kantoor houdende te 8310 Brugge, Puienbroeklaan 33, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994. Aangevochten beslissingen Bij arrest van 27 april 2004 verklaart het hof van beroep het verhaal ontvankelijk en gegrond, doet het bestreden vonnis teniet en verklaart de oorspronkelijke vorderingen van eiseres ongegrond, na ondermeer aangaande de door de eiseres ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel te hebben overwogen: "De in artikel 10 van de Grondwet
(1994)vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet, de in artikel 11 Grondwet
(1994)neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen toegekende rechten en vrijheden alsmede de regel van artikel 172 Grondwet
(1994)inzake de gelijkheid voor de belastingen impliceren dat allen die zich in dezelfde toestand bevinden, gelijkelijk worden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel wordt niet geschonden doordat een belasting slechts één welbepaalde situatie of één belastingplichtige treft, maar wel doordat vergelijkbare situaties of belastingplichtigen een verschillende behandeling krijgen. Het door (de eiseres) gehekelde besluit zelf voert in zijn artikel 1 een aanvullende belasting in op de heffing van de Vlaamse Gemeenschap in toepassing van artikel 47 van het decreet van 2 juli
  1. In het artikel 2 wordt bepaald dat deze belasting wordt berekend op alle categorieën van afvalstoffen zoals omschreven in het decreet van 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen en zoals dit werd gewijzigd of nog zal gewijzigd worden bij latere besluiten. Het artikel 3 regelt vervolgens de invoering van de belasting bij wege van kohier, de aangifte, de procedure van ambtshalve belasting. Het artikel 4 van het besluit regelt de verdere invordering en de bezwaarprocedure. Het artikel 5 voorziet dat de belastingplichtige onderworpen is aan dezelfde regels zoals vastgesteld bij het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 20/12/1989, houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en volgens het besluit van 14/02/1990 van de Vlaamse Executieve houdende nadere regelen betreffende milieuheffingen op vaste afvalstoffen. Volgens het artikel 6 tenslotte wordt een afschrift van het besluit voor verder gevolg aan de bevoegde overheid gestuurd. Deze bepalingen hebben betrekking op alle belastingplichtigen die voldoen aan de voorwaarden in artikel 1 en 2 van het besluit. Op geen enkel ogenblik wordt in het reglement, bestaande uit de vermelde artikelen 1 tot 6 het toepassingsgebied van de belasting beperkt tot (de eiseres). Een andere belastingplichtige die de beide artikelen 1 en 2 van het besluit bedoelde heffing van de Vlaamse Gemeenschap verschuldigd is, dient evenzeer de aanvullende gemeentebelasting te betalen als de (eiseres). Het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet geschonden. Hieraan wijzigt niets de verwijzing in de overwegingen voorafgaand aan het eigenlijk reglementair gedeelte naar de stortplaats van de (eiseres) en naar de (eiseres) zelf. De (eiseres) baat immers de enige stortplaats uit in de gemeente, zodat de vermeldingen omtrent de (eiseres) enkel de juiste feitelijke situatie weergeven die bestond op het ogenblik van het nemen van het besluit en die het opleggen van de aanvullende gemeentebelasting moet rechtvaardigen. Deze verwijzing niet belet dat zoals voorzegd, een andere belastingplichtige desgevallend de aanvullende belasting zou moeten betalen. De verwijzing door de (verweerster) naar een gemeentebesluit van eind 2001 is niet dienend nu dit laatste besluit te dezen niet moet worden toegepast. De (eiseres) is verder van oordeel dat het belastingreglement het gelijkheidsbeginsel schendt omdat er geen redelijke verantwoording is van de ongelijkheid in functie van het doel van belasting, en tevens het evenredigheidsbeginsel en de motiveringsplicht geschonden zijn. In het licht van de doelstelling van de opgelegde opcentiemen (kosten voor wegenwerken, signalisatie en ontrading) aanziet zij de jaarlijkse opbrengst van 298.000 euro van de aanvullende belasting als kennelijk onredelijk, mede omdat sedert jaren geen wegeniswerken zijn uitgevoerd, de signalisatie al jaren dezelfde is, en zij reeds 1.487.361 euro aan milieuheffing betaalt omwille van de hypotheek op het leefmilieu. Minstens is er geen toereikende motivering aldus de (eiseres). De door de geïntimeerde aangevoerde omstandigheden omtrent onderhoud van wegen en aanbrengen van signalisatie worden niet bewezen. Verhoogd vrachtwagenverkeer naar de stortplaats met bijkomende kosten voor de gemeente is in rede aan te nemen. De aanvullende gemeentebelasting werd ook bijkomend opgelegd als middel om de belasting van het leefmilieu en de volksgezondheid van de gemeentebevolking tegen te gaan, meer bepaald door de toevoer van het afval zoveel mogelijk af te remmen en als zodanig het aanwenden van meer milieuvriendelijke verwijderingswijzen te stimuleren. Opdat de aanvullende belasting enig ontradend/aanmoedigend effect zou kunnen hebben, mag zij niet onbelangrijk zijn, zonder daarom buiten verhouding te mogen zijn. Dergelijke disproportionaliteit blijkt te dezen niet. De overwegingen voorafgaand aan het reglementerend gedeelte van het besluit rechtvaardigen op afdoende wijze het invoeren van de aanvullende belasting. Het door de (eiseres) aangevoerde middel is ongegrond". Grieven Eerste onderdeel De eiseres liet in haar eerste besluiten op pagina 3 een middel gelden, geput uit de schending van het fiscaaljuridisch gelijkheidsbeginsel, aanvoerend dat de belasting formeel werd gevestigd in hoofde van één bepaalde belastingplichtige. De eiseres verduidelijkte dat de in het kader van het gelijkheidsprincipe noodzakelijke objectiviteit en verantwoording t.o.v. het doel en de aard van de belasting moet onderzocht worden op basis van het doel van de belastingheffing, zoals dat blijkt uit de belastingverordening en de daaraan voorafgaande overwegingen. Het litigieuze gemeentelijk belastingreglement d.d. 16 december 1999, dat uitgevaardigd wordt op grond van de hierna volgende, daaraan voorafgaande en daarmee onlosmakelijk verbonden overwegingen "dat op het grondgebied Lendelede een vergunde stortplaats is gevestigd, dat deze stortplaats niet enkel het plaatselijk afval, maar ook de fracties, afkomstig van andere gemeente ontvangt, dat de uitbating van voormelde stortplaats ons bestuur noodzaakt om buitengewone uitgaven te dragen voor het onderhoud van wegen, aanbrengen van aangepaste signalisatie, politiecontroles, enz..., dat de genoemde uitbating een zware hypotheek legt op het leefmilieu en de volksgezondheid van onze bevolking in het algemeen, en dat het derhalve aangewezen is om alle middelen aan te wenden om de toevoer van het afval zoveel mogelijk af te remmen en als zodanig het aanwenden van meer milieuvriendelijke verwijderingswijzen te stimuleren", en in de voor de appelrechter bewezen vaststelling dat deze verwijzingen naar deze ene stortplaats wel degelijk betrekking hebben op de eiseres aangezien zij de enige stortplaats uitbaat (arrest, folio 94, laatste alinea), vestigt derhalve juridisch en niet louter in feite een belasting in hoofde van één belastingplichtige, ten deze de eiseres. Besluit Het hof van beroep dat vaststelt dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is omdat de verwijzing in de overwegingen voorafgaand aan het eigenlijk reglementair gedeelte naar één belastingplichtige, met name de eiseres, schendt het gelijkheidsbeginsel door het reglement toch toe te passen (schending van de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Tweede onderdeel De eiseres liet in haar eerste besluiten op pagina 3 en volgende een middel gelden, geput uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, met name het gebrek aan redelijke verantwoording van de ongelijkheid, ingesteld door het bestreden belastingreglement, in functie van het doel van de belasting. De eiseres preciseerde dat het grondwettelijke gewaarborgd gelijkheidsbeginsel inhoudt dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel; het litigieuze belastingreglement, dat steunt op de motivering dat de aanvullende gemeentebelasting een middel is om de belasting van het leefmilieu en de volksgezondheid van de gemeentebevolking tegen te gaan en om tegemoet te komen aan buitengewone uitgaven voor onderhoud, aangepaste signalisatie en politiecontroles, meer bepaald door toevoer van het afval zoveel mogelijk af te remmen en als zodanig het aanwenden van meer milieuvriendelijke verwijzingen te stimuleren, zelfs al mag ze niet onbelangrijk zijn teneinde een ontradend/aanmoedigend effect te hebben zonder daarom buiten verhouding te mogen zijn, gelet op het voor de appelrechter 'vaststaand gegeven dat eiseres jaarlijks reeds 60.000.000 BEF (1.487.361 euro) milieuheffing betaalt aan de Vlaamse Gemeenschap, onevenredig is en geen redelijke verantwoording biedt in functie van het doel van de belasting. Besluit Het hof van beroep dat besluit dat er geen sprake is van disproportionaliteit schendt het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel door het bedoelde belastingreglement toe te passen (schending van de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de gecoördineerde Grondwet en van het evenredigheidsbeginsel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan er niet aan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De al of niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
  3. Die grondwettelijke regels worden niet geschonden door het loutere feit dat de belasting slechts één enkele belastingplichtige treft.
  4. Krachtens artikel 1 van het belastingsreglement tot het vaststellen van opcentiemen op de milieuheffing voor het dienstjaar 2000, dat door de gemeenteraad van de verweerster werd goedgekeurd in zitting van 16 december 1999, wordt een aanvullende belasting geheven "op de heffing van de Vlaamse Gemeenschap in toepassing van artikel 47 van het decreet van 2 juli 1981" betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen.
  5. Krachtens artikel 2 van dit belastingreglement wordt de belasting berekend a rato van 20 opcentiemen op alle categorieën van afvalstoffen zoals omschreven in het decreet van 2 juli 1981, zoals dit werd gewijzigd of nog zal gewijzigd worden bij latere besluiten.
  6. Uit de lezing in samenhang van die bepalingen van het gemeentelijk belastingreglement volgt dat elke uitbater van een vergunningsplichtige inrichting op het grondgebied van de gemeente 20 opcentiemen op de door het gewest geheven milieuheffing verschuldigd is ten voordele van de gemeente.
  7. Het arrest oordeelt dat "deze bepalingen betrekking hebben op alle belastingplichtigen die voldoen aan de voorwaarden in artikel 1 en 2 van het besluit" en dat "op geen enkel ogenblik in het reglement (...) het toepassingsgebied van de belasting beperkt wordt tot (de eiseres)".
  8. Het hof van beroep vermocht op grond hiervan te oordelen dat het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden en dat "de verwijzing in de overwegingen voorafgaand aan het eigenlijk reglementair gedeelte naar de stortplaats van (de eiseres) en naar (de eiseres) zelf" hieraan niets wijzigt.
  9. Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat het bestreden belastingreglement vanuit juridisch oogpunt een belasting vestigt in hoofde van één enkele belastingplichtige, kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel preciseert niet waardoor de appelrechter die oordeelt dat de disproportionaliteit van de belasting niet blijkt, de in het onderdeel aangevoerde grondwetsartikelen en het evenredigheidsbeginsel schendt.
  11. Het onderdeel is bij gemis aan duidelijkheid niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, zonder acht te slaan op de memorie van antwoord, waarvan niet blijkt dat zij voorafgaandelijk is betekend. Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 119,01 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 8 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060608.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091210.4 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121123.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130215.4 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150903.5 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180517.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040115.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140213.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.