id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060608.9 Rolnummer: C.03.0145.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-03 08:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 294, ,§ 1, W.I.B.
(1964), krachtens welke bepaling de invordering van de belasting gevestigd ten name van het gezinshoofd in beginsel mag vervolgd worden op al de roerende of onroerende goederen van de echtgenoten, alsmede op die van de kinderen wier inkomen met dat der ouders werd samengevoegd, heeft niet tot gevolg dat echtgenoten hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de belastingschuld, maar bepaalt enkel de omvang van het verhaalsrecht van de schatkist
(1)
(2).
(1)Zie Cass., 3 april 1964, Pas., 1964, I, 825; Cass., 19 jan. 1967, A.C., 1967, 611; Cass., 19 jan. 1968, A.C., 1968, 689; Cass., 2 feb. 1977, A.C., 1977, 616, met concl. van adv.-gen. Krings.
(2)De betwisting betreft de invordering lastens eiseres van een supplementaire aanslag in de personenbelasting over het aanslagjaar 1968 gevestigd op naam van haar voormalige echtgenoot. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Invordering van de belasting Tijdens het huwelijk verkregen inkomsten Inkohiering op naam van het gezinshoofd Invordering ten laste van de echtgenoten Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 26-02-1964 - Artt.73en294, Tekst van de beslissing Nr. C.03.0145.N D.H., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14,
- BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Ontvanger der Belastingen van het Ontvangkantoor Brasschaat, met kantoor te 2930 Brasschaat, Guyotdreef 21, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 73 en 75 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór hun vervanging bij wet van 5 januari 1976, 208 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij wet van 30 mei 1972, 294 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij artikel 21 van de Herstelwet van 10 februari 1981 (IV), en 304, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964); - de artikelen 1200, 1202, 1206, 1234, 1319, 1320, 1322, 1537, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 14 juli 1976, 2244 en 2249 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 176 en 194, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 28 mei 1970, en 194, zoals van toepassing na zijn wijziging bij koninklijk besluit van 28 mei 1970, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen; - het algemeen rechtsbeginsel dat hoofdelijkheid niet wordt vermoed. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, bevestigt de bestreden vonnissen, waarbij de eerste rechter de vordering van de eiseres, strekkende tot het horen zeggen voor recht dat de belastingen, verschuldigd krachtens de aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1968 onder kohierartikel 029601, niet meer konden ingevorderd worden en de verweerder te veroordelen tot de kosten, toelaatbaar maar ongegrond verklaarde en deze afwees, en veroordeelt de eiseres tot de kosten van het hoger beroep, na onder meer te hebben overwogen: "Dat voor aanslagjaar 1968, inkomsten 1967, op naam van de echtgenoten P.- D.C. G. een supplementaire aanslag in de personenbelasting werd gevestigd onder kohierartikel 029601 (supplement aan artikel 964011) voor een bedrag van 3.085.598 BEF en het aanslagbiljet aan de belastingplichtigen werd toegezonden op 24 december 1970; Dat bij vonnis van 21 oktober 1971 het faillissement werd uitgesproken van mevrouw D.C. en dit faillissement werd afgesloten op 11 juni 1982, terwijl bij vonnis van 31 juli 1973 het faillissement werd uitgesproken van de heer P.en dit faillissement werd afgesloten op 15 september 1982; Dat de betwisting betrekking heeft op de vraag of de kwestieuze belastingschuld voor aanslagjaar 1968 nog kan ingevorderd worden ten laste van (de eiseres) en derhalve of rechtsgeldige verjaringstuitende dwangbevelen werden betekend; dat derhalve eerst dient onderzocht te worden of er tussen (de eiseres) en haar ex-echtgenoot al dan niet hoofdelijkheid bestaat voor deze belastingschuld en welke de gevolgen daarvan zijn; Dat nadien dient onderzocht te worden of de verjaring al dan niet geldig werd gestuit; De passieve hoofdelijkheid tussen (de eiseres) en haar ex-echtgenoot voor de belastingschuld van aanslagjaar 1968: (...) dat krachtens artikel 294 W.I.B.
(1964)- zoals het van toepassing was voor aanslagjaar 1968 - de invordering van de belasting gevestigd ten name van het gezinshoofd mocht vervolgd worden op al de roerende of onroerende goederen van de echtgenoten, alsmede op die van de kinderen wier inkomen met dat van de ouders werd samengevoegd; Dat de bepalingen van artikel 294 W.I.B.
(1964)algemeen zijn en geen onderscheid behelzen tussen de verschillende huwelijksstelsels; (...) dat (de eiseres) en haar ex-echtgenoot gehuwd waren onder het stelsel van scheiding van goederen overeenkomstig de oude artikelen 1536 en volgende Burgerlijk Wetboek; Dat de kwestieuze supplementaire aanslag - evenals de aanvankelijke aanslag - werd gevestigd bij toepassing van artikel 73 W.I.B.
(1964)dat bepaalde dat, ongeacht het aangenomen huwelijksstelsel, de aanslag moest worden gevestigd op naam van het gezinshoofd; Dat de aanslag artikel 029601 betrekking heeft op inkomsten verworven tijdens het huwelijk en werd ingekohierd op 24 december 1970, hetzij voor de ontbinding van het huwelijk tussen (de eiseres) en de heer P.op 28 oktober 1971 (overschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand); (...) dat derhalve, ook al waren zij gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, (de eiseres) en haar ex-echtgenoot beiden gehouden waren tot dezelfde belastingschuld en ieder van hen bijgevolg voor het geheel kon aangesproken worden; dat dit betekent dat er, zoals door de eerste rechter terecht wordt gesteld, krachtens de wet passieve hoofdelijkheid bestond tussen (de eiseres) en haar ex-echtgenoot jegens (de verweerders); (...) dat de door (de eiseres) aangehaalde rechtspraak inzake de hoofdelijkheid in geen enkel geval specifiek betrekking heeft op artikel 294 W.I.B.
(1964); dat de geciteerde rechtspraak immers betrekking heeft op een periode van voor het ontstaan van artikel 294 W.I.B. '64 dat slechts van toepassing was vanaf aanslagjaar 1964 tot en met aanslagjaar 1980 (dus aanslagjaren 1963 en vorige) hetzij op een latere periode (aanslagjaar 1981 en volgende); (...) dat overeenkomstig de artikelen 1206, 2244 en 2249 Burgerlijk Wetboek vervolgingen tegen één van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring ten aanzien van alle stuit; Dat derhalve te dezen een dwangbevel dat aan één van de echtgenoten werd betekend, ook de verjaring tegen de andere echtgenoot stuit; De stuiting van de verjaring. (...) dat - met het oog op de stuiting van de verjaring - meerdere dwangbevelen werden betekend; Dat evenwel ook het faillissement van (de eiseres) gevolgen heeft wat de verjaring betreft; Dat de verjaring evenwel gestuit werd door het dwangbevel van 2 november 1984; Dat ongeacht het feit of de woon- of verblijfplaats van (de eiseres) op dat ogenblik al dan niet bekend was of moest zijn, het vaststaat dat de ex-echtgenoot van (de eiseres) sedert 5 januari 1984 ambtelijk afgeschreven was, zodat ten aanzien van hem geldig betekend werd aan de procureur des Konings; Dat derhalve het dwangbevel van 2 november 1984 ook ten aanzien van (de eiseres) de verjaring heeft gestuit; (...) dat op 10 oktober 1989 opnieuw een dwangbevel werd betekend ten aanzien van (de eiseres) en haar ex-echtgenoot en de betekening alsdan werd gedaan aan de genaamde J. P., gerechtelijk stagiair. (...) dat vaststaat dat de voormalige echtgenoot van (de eiseres) op 10 oktober 1989 geen gekende woonof verblijfplaats had noch in België noch in het buitenland, zodat rechtsgeldig kon betekend worden aan de Procureur des Konings; Dat het exploot tevens rechtsgeldig betekend werd aan de gerechtelijke stagiair en bovendien geen enkele onregelmatigheid bevat; Dat derhalve de verjaring niet alleen ten aanzien van de heer P.doch ook ten aanzien van (de eiseres) op rechtsgeldige wijze werd gestuit; (...) dat de argumenten van partijen in verband met het al dan niet bekend zijn van het adres van (de eiseres) dan ook niet aan de orde is. (...) dat op 26 juli 1994 en op 15 juli 1999 dwangbevelen werden betekend aan de woonplaats van (de eiseres), waarover geen betwisting wordt gevoerd en waardoor de verjaring werd gestuit; dat er dan ook geen sprake is van verjaring; (...) dat de eerste rechter derhalve terecht de vordering van (de eiseres) ongegrond heeft verklaard; Dat het hoger beroep dan ook ongegrond is en (de eiseres) dient veroordeeld te worden tot de kosten, zoals hierna begroot". De eerste rechter stelde meer bepaald met betrekking tot de hoofdelijkheid: "Betreffende de passieve hoofdelijkheid tussen de eiseres en haar vroegere echtgenoot voor de belastingschuld voor aanslagjaar 1968. Krachtens het oude artikel 294 W.I.B.
(1964), dat van toepassing was voor de aanslagjaren 1980 en vorige, mocht de invordering van de belasting gevestigd ten name van het gezinshoofd vervolgd worden op al de roerende of onroerende goederen van de echtgenoten, alsmede op die van de kinderen wier inkomen met dat der ouders werd samengevoegd, behoudens uitzonderingen. De bepalingen van het oude artikel 294 W.I.B.
(1964)zijn algemeen en behelzen geen onderscheid tussen de verschillende huwelijksstelsels zodat artikel 294 W.I.B.
(1964)van toepassing is, ongeacht het door de echtgenoten aangenomen huwelijksvermogensstelsel. Niettegenstaande de eiseres en haar vroegere echtgenoot gehuwd waren onder het stelsel 'scheiding van goederen'; waren beiden aldus gehouden tot dezelfde belastingschuld en kon ieder van hen bijgevolg voor het geheel worden aangesproken. Conform artikel 1202, tweede lid, B.W. bestond er - krachtens artikel 294 W.1.B.
(1964)-passieve hoofdelijkheid van rechtswege tussen de eiseres en haar vroegere echtgenoot. Krachtens de artikelen 1206, 2244 en 2249 B.W stuiten vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring ten aanzien van allen. Bijgevolg stuit het dwangbevel, dat aan één van de echtgenoten werd betekend, ook de verjaring tegen de andere echtgenoot". Grieven Eerste onderdeel Blijkens artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek bestaat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde schuld, zodat ieder van hen kan worden aangesproken, en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt. Blijkens artikel 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij artikel 51 van de wet van 5 januari 1976, werden de belastbare inkomsten van echtgenoten samengevoegd, ongeacht het aangenomen huwelijksstelsel, en werd de aanslag op naam van het gezinshoofd gevestigd. Van deze aanslag op naam van het gezinshoofd werd slechts afgeweken in één hypothese, met name deze bedoeld in artikel 75, zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij wet van 5 januari 1976, waarbij werd bepaald dat in geval van huwelijk, ontbinding van het huwelijk, scheiding van tafel en bed, het belastbaar inkomen van de vrouw, voor het gedeelte van het belastbaar tijdperk dat het huwelijk voorafgaat of dat op de ontbinding van het huwelijk of op de scheiding volgt, het voorwerp is van een afzonderlijke aanslag, gevestigd op naam van de genietster. Bij toepassing van eerstgenoemde bepaling werd aldus in 1970 voor het aanslagjaar 1968, inkomsten 1967, onder het kohierartikel 029601, bij wijze van supplement aan het artikel 964011, een aanvullende aanslag gevestigd op naam van P.- D.C. G. , hetzij de toenmalige echtgenoot van de eiseres, zoals duidelijk blijkt uit het aanslagbiljet, verstuurd op 24 december 1970, zulks uit hoofde van inkomsten, verworven tijdens het huwelijk. In het bestreden arrest stelt het hof van beroep overigens zelf uitdrukkelijk vast (onder meer op pagina 6, 2e alinea) dat de kwestieuze supplementaire aanslag gevestigd werd bij toepassing van artikel 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), hetgeen inhield dat ze gevestigd werd op naam van het gezinshoofd, zulks met inachtneming van artikel 208 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 30 mei 1972, waaruit volgt dat de Koning de wijze waarop men dient te handelen voor de aangiften, de opmaking en de betekening der kohieren, de betalingen, de kwijtschriften en de vervolgingen zou bepalen, evenals van artikel 176 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, waaruit volgt dat de aanslagen worden ten kohiere gebracht op naam van de betrokken belastingschuldigen. Besluit Hieruit volgt dat, in zoverre het hof van beroep met de vaststelling "dat voor het aanslagjaar 1968, inkomsten 1967, op naam van de echtgenoten P.- D.C. G. een supplementaire aanslag in de personenbelasting werd gevestigd onder kohierartikel 029601 (supplement aan artikel 964011) voor een bedrag van 3.085.598 BEF", te kennen geeft dat de aanslag gevestigd was op naam van beide echtgenoten, daar waar het aanslagbiljet enkel melding maakt van P.- D.C. G. , aldus verwijzende naar het gezinshoofd in de zin van artikel 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964, het arrest de bewijskracht van voornoemd aanslagbiljet miskent door hieraan een uitlegging te geven die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). In ieder geval kon het arrest niet wettig besluiten dat voornoemde aanvullende aanslag, die duidelijk verband hield met inkomsten, verworven tijdens het huwelijk, zoals vastgesteld in het bestreden arrest, op naam van beide echtgenoten was gevestigd (schending van artikelen 73, 75 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór hun vervanging bij wet van 5 januari 1976, 208 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij wet van 30 mei 1972, en 176 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen). Derhalve kon het hof van beroep, gelet op de inkohiering van de belastingschuld op naam van het gezinshoofd, niet wettig besluiten dat de eiseres gehouden was tot dezelfde belastingschuld als haar voormalige echtgenoot (schending van de artikelen 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij artikel 51 van de wet van 5 ja nuari 1976, 208 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij wet van 30 mei 1972, en 176 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen) en evenmin wettig beslissen dat er voor deze belastingschuld tussen beide echtgenoten hoofdelijkheid bestond (schending van artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek). In ieder geval is het bestreden arrest, dat eerst vaststelt dat de aanslag gevestigd werd op naam van de echtgenoten en vervolgens besluit dat de aanslag gevestigd werd bij toepassing van artikel 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), dat bepaalde dat, ongeacht het aangenomen huwelijksstelsel, de aanslag moest worden gevestigd op naam van het gezinshoofd, door een tegenstrijdigheid in de motivering aangetast en derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Tweede onderdeel Uit artikel 1206 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de vordering tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring stuit ten aanzien van allen. Artikel 2249 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt voorts dat de ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, overeenkomstig de bovenstaande artikelen, inzonderheid artikel 2244, waaruit volgt dat een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting vormen, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, de verjaring stuit tegen alle overige, zelfs tegen hun erfgenamen. Blijkens artikel 1200 van het Burgerlijk Wetboek bestaat er hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder van hen kan worden aangesproken, en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt. Uit artikel 1202 van het Burgerlijk Wetboek volgt evenwel dat hoofdelijkheid niet wordt vermoed; zij moet uitdrukkelijk bedongen zijn. Deze regel lijdt alleen uitzondering in de gevallen waarin hoofdelijkheid bestaat van rechtswege, krachtens een bepaling van de wet. Blijkens artikel 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij artikel 51 van de wet van 5 januari 1976, werden de belastbare inkomsten van echtgenoten samengevoegd, ongeacht het aangenomen huwelijksstelsel, en werd de aanslag op naam van het gezinshoofd gevestigd. Blijkens artikel 294 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij artikel 21 van de Herstelwet van 10 februari 1981 (IV), opgenomen in hoofdstuk VII betreffende de invordering der belasting, mocht de invordering van de belasting gevestigd ten name van het gezinshoofd worden vervolgd op al de roerende en onroerende goederen van de echtgenoten, alsmede op die van de kinderen wier inkomen met dat der ouders werd samengevoegd, tenzij 1° de echtgenoot liet blijken dat hij die goederen voor zijn huwelijk bezat of dat hij ze nadien verkregen had door wederbelegging van de realisatieprijs van dergelijke goederen; 2° die echtgenoot of de kinderen lieten blijken dat hun goederen of de gelden waarmede die goederen werden aangeschaft voortkwamen van een successie, van een schenking uitgaande van andere personen dan de belastingplichtige, ofwel van hun eigen inkomsten of nog van de realisatie van aldus verkregen goederen. Blijkens ,§2 van datzelfde artikel mocht de invordering van de gedeelten van de belasting in verband met de respectieve inkomsten van de echtgenoot of van de kinderen, in alle geval, worden vervolgd op al de respectieve goederen der belanghebbenden. Uit geen van beide bepalingen volgt dat er in hoofde van de echtgenoten in enige hoofdelijkheid werd voorzien. Er werd enkel bepaald dat de belasting op naam van het gezinshoofd werd ingekohierd en dat de belasting mede kon worden vervolgd op de goederen, toebehorende aan de andere echtgenoot. Ten slotte volgt uit artikel 1537 van het Burgerlijk Wetboek, van toepassing op de huwelijksstelsels van scheiding van goederen ten tijde van de inkohiering der belasting, dat elk van de echtgenoten bijdraagt tot de lasten van het huwelijk volgens hetgeen in hun huwelijkscontract desbetreffend werd overeengekomen. Uit deze bepaling volgt derhalve evenmin de hoofdelijkheid van de echtgenoten. Besluit Hieruit volgt dat het hof van beroep dat besluit tot het bestaan van een passieve hoofdelijkheid tussen beide echtgenoten, gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, die krachtens de wet bestond, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van de artikelen 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij artikel 51 van de wet van 5 januari 1976, 294 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij artikel 21 van de Herstelwet van 10 februari 1981 (IV), 1200, 1202 en 1537, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij wet van 14 juli 1976, van het Burgerlijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel dat hoofdelijkheid niet wordt vermoed). Het hof van beroep kon derhalve niet wettig besluiten dat de betekening van het dwangbevel aan de echtgenoot van de eiseres de verjaring te hare aanzien had gestuit (schending van de artikelen 1206, 2244 en 2249 van het Burgerlijk Wetboek, 208, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)en 194 van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen) en kon derhalve, in afwezigheid van vaststelling dat de dwangbevelen aan eiseres op rechtsgeldige wijze waren betekend geworden niet wettig besluiten dat de belastingschuld voor het aanslagjaar 1968 niet was verjaard te hare opzichte (schending van de artikelen 208, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij wet van 30 mei 1972, 304, eerste lid, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1964), 194, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 28 mei 1970, 194, zoals van toepassing na zijn wijziging bij voornoemd koninklijk besluit, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en 1234 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 73 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964), zoals van toepassing vóór zijn vervanging bij artikel 51 van de wet van 5 januari 1976, worden de belastbare inkomsten van echtgenoten samengevoegd, ongeacht het aangenomen huwelijksstelsel, en wordt de aanslag op naam van het gezinshoofd gevestigd. 2. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 294, ,§1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)mag de invordering van de belasting gevestigd ten name van het gezinshoofd vervolgd worden op al de roerende of onroerende goederen van de echtgenoten, alsmede op die van de kinderen wier inkomen met dat der ouders werd samengevoegd. Deze verhaalsmogelijkheid is niet van toepassing indien de echtgenoot laat blijken dat hij die goederen vóór zijn huwelijk bezat of dat hij ze nadien heeft verkregen door wederbelegging van de realisatieprijs van dergelijke goederen, of indien die echtgenoot of de kinderen laten blijken dat hun goederen of de gelden waarmede die goederen werden aangeschaft, voortkomen van een nalatenschap, van een schenking uitgaande van andere personen dan de belastingplichtige, ofwel van hun eigen inkomsten of nog van de realisatie van aldus verkregen goederen. 3. Artikel 294, ,§1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)heeft niet tot gevolg dat echtgenoten hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de belastingschuld, maar bepaalt enkel de omvang van het verhaalsrecht van de schatkist.
- Het arrest oordeelt dat krachtens de wet een passieve hoofdelijkheid bestaat tussen echtgenoten vermits zij beiden gehouden zijn tot dezelfde belastingschuld zodat de betekening van een dwangbevel aan de ene echtgenoot ook de verjaring tegen de andere echtgenoot stuit.
- Het arrest schendt derhalve artikel 294, ,§1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964). Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 8 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060608.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div