id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060615.6 Rolnummer: C.05.0370.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Financieel recht Invoerdatum: 2006-08-21 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-07-03 18:56 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2006:CONC.20060615.6 Fiche 1 Een beslag onder derden omvat ook de schuldvorderingen waarvan het ontstaan afhangt van een toekomstige gebeurtenis op voorwaarde dat zij ten tijde van het beslag hun grondslag vinden in een reeds bestaande rechtsverhouding tussen de beslagene en de derde
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Uitvoerend beslag onder derden - Bankrekening - Overschrijving - Verschillende banken - Verplichting tot afdracht - Ogenblik Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1539 Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - BANKVERRICHTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Bankrekening - Uitvoerend beslag onder derden - Overschrijving - Verschillende banken - Verplichting tot afdracht - Ogenblik Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1539 Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen. G. Dubrulle, Cass., 15 juni 2006, AR C.05.0370.N, Pas., 2006, nr ... Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Beslag onder derden - Omvang Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Uitvoerend beslag onder derden - Bankrekening - Voorwerp Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - BANKVERRICHTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Bankrekening - Uitvoerend beslag onder derden - Voorwerp Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Uitvoerend beslag onder derden - Bankrekening - Overschrijving - Verschillende banken - Verplichting tot afdracht - Ogenblik Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - BANKVERRICHTINGEN UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Bankrekening - Uitvoerend beslag onder derden - Overschrijving - Verschillende banken - Verplichting tot afdracht - Ogenblik Tekst van de beslissing Nr. C.05.0370.N FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Pierre van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen S.J.L., naamloze vennootschap, met zetel te 2980 Halle-Zoersel, Raymond Delbekestraat 85, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1445, 1446, 1452, 1455, 1539, 1542 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1994 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de vordering van verweerster gegrond op basis van volgende overwegingen: "In geval van beslag op een bankrekening wordt in beginsel enkel het tegoed getroffen dat de rekening aangeeft ten tijde van het beslag. Sommen die later op de rekening van de beslagene gecrediteerd worden vallen in beginsel niet onder het beslag en dienen door de derde beslagene niet aanvullend te worden verklaard. Evenwel dient desbetreffend onderscheid te worden gemaakt naargelang de beslagene ten tijde van het beslag al dan niet reeds een vordering tot afgifte had van een na het beslag op zijn rekening gevormd saldo. In dit verband wordt het 'disponible' van de rekening onderscheiden van het 'différé'. Met dit laatste wordt gedoeld op het provenu van rekeningverrichtingen die hangende zijn op het ogenblik van het beslag - zoals de inning van een cheque of de uitvoering van een overschrijving - maar die nog niet op het credit van de rekening te zien zijn, of in de omgekeerde beweging het bedrag dat nog niet op het debet werd ingeschreven. Het 'disponible' van de rekening dat bestaat op het ogenblik waarop het beslag wordt gelegd behoort tot het in beslag genomen tegoed, omdat de verplichting tot afgifte dan reeds virtueel bestaat (cfr. E. Dirix & K. Broeckx, Beslag, APR, 2001, 413-414, nr. 710). In het voorliggende geval heeft een debiteur van de beslagene, de firma Van Oeckel, een opdracht tot betaling van 393.196 frank - thans 9.747, 747,07 euro - gegeven ten laatste op de dag van het beslag aangezien haar bankrekening reeds op 11 oktober 1999 werd gedebiteerd met als valutadatum eveneens 11 oktober
- Dit houdt in dat met ingang van de vermelde datum het betaalde bedrag niet meer tot het tegoed van de firma Van Oeckel behoorde, ten voordele van de rekening van de begunstigde Ulfcar. Ingevolge die financiële bewerking in uitvoering was met ingang van dezelfde datum de rekeninghouder van (de eiseres) titularis van een schuldvordering op zijn bank tot beloop van het op zijn rekening te crediteren bedrag, en behoorde dit zodoende eveneens tot het in beslag genomen tegoed. Het ogenblik waarop tussen de betrokken banken in de verrekenkamer werd gecompenseerd, 12 oktober 1999, is in het licht van de verplichtingen van de derde beslagene niet relevant. Het verandert immers niets aan de reeds voordien bestaande virtuele verplichting tot afgifte in hoofd van de bank van de beslagen debiteur. (De eiseres) heeft zodoende een deel van het aanvankelijk bewarend in beslag genomen bedrag - naderhand omgezet in een uitvoerend beslag - niet afgegeven". Grieven Uit de artikelen 1445, 1446, 1452, 1455, 1539, 1542 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat beslag onder derden (bewarend of uitvoerend) slaat op bedragen of zaken die de derde-beslagene op het ogenblik van het beslag verschuldigd is aan de schuldenaar van de beslaglegger. In casu voerde de eiseres in conclusie aan dat wanneer een overschrijvingsopdracht gebeurt door tussenkomst van twee banken (de eerste, zijnde de bank van de opdrachtgever; de tweede, zijnde de bank van de begunstigde), de eerste bank optreedt als lasthebber van de opdrachtgever en de tweede bank als in de plaats gestelde lasthebber in de zin van artikel 1994 van het Burgerlijk Wetboek met als gevolg dat de begunstigde van de opdracht pas een schuldvordering tegen zijn bank verkrijgt ten vroegste op het ogenblik dat zijn bank de fondsen, voorwerp van de overschrijvingsopdracht, onder zich heeft. Het bestreden arrest spreekt de stelling van de eiseres dat de overschrijvingsopdracht van de firma Van Oeckel ten voordele van de NV Ulfcar gebeurde door tussenkomst van twee verschillende banken niet tegen (in tegendeel: het spreekt over een compensatie op 12 oktober 1999 in verrekenkamer tussen de betrokken banken) en stelt het volgende vast: - de verweerster heeft op 11 oktober 1999 in handen van de eiseres derdenbeslag gelegd op de bankrekening van de NV Ulfcar bij de eiseres; - een debiteur van de NV Ulfcar, de firma Van Oeckel, heeft (aan zijn bank) een overschrijvingsopdracht gegeven bestaande uit een som van 393.196 BEF te storten op de rekening van de NV Ulfcar bij de eiseres; - de rekening van de firma Van Oeckel werd op 11 oktober 1999 gedebiteerd met een bedrag van 393.196 BEF; - de eiseres voert aan dat pas op 12 oktober 1999 de compensatie tussen de betrokken banken in de verrekenkamer is gebeurd (hetgeen het bestreden arrest niet tegenspreekt). Daaruit volgt dat op het ogenblik van het bewarend derdenbeslag (11 oktober 1999) de eiseres niet het bedrag van 393.196 BEF onder zich had maar dat dit bedrag nog steeds bij de bank van de firma Van Oeckel was. Bijgevolg was de NV Ulfcar (beslagene) op 11 oktober 1999 nog geen schuldeiser van eiseres en was deze laatste geen schuldenaar van de NV Ulfcar voor wat betreft het bedrag van 393.196 BEF. Vermeld bewarend derdenbeslag, dat later omgezet werd in een uitvoerend derdenbeslag, kon derhalve niet het hierboven vermeld bedrag van 393.196 BEF tot voorwerp hebben. Het bestreden arrest beslist het tegendeel door erop te wijzen dat op 11 oktober 1999 het bedrag van 393.196 BEF "niet meer tot het tegoed van de firma Van Oeckel behoorde, ten voordele van de rekening van de begunstigde Ulfcar", en dat ingevolge de financiële bewerking in uitvoering, de rekeninghouder van de eiseres (de NV Ulfcar) titularis was van een schuldvordering op zijn bank tot beloop van het op zijn rekening te crediteren bedrag. Het feit dat op het ogenblik van het derdenbeslag een financiële bewerking in uitvoering was in het voordeel van de bankrekening van de beslagene, houdt niet in alle gevallen in dat de beslagene op dat ogenblik reeds schuldeiser is van zijn bankier. Alles hangt af van de concrete omstandigheden van de financiële bewerking. In casu was eiseres, zoals door haar betoogd in conclusie, een door de lasthebber van de opdrachtgever van de overschrijvingsopdracht in zijn plaats gestelde lasthebber en bekwam zij pas na compensatie tussen de betrokken banken op 12 oktober 1999 in verrekenkamer het bedrag van 393.196 BEF met als gevolg dat voordien de NV Ulfcar geen enkele vordering had op de eiseres tot het bekomen van dit bedrag. Door op grond van de in het bestreden arrest vastgestelde feiten en in dit arrest niet-tegensproken feiten, aangevoerd door de eiseres, te oordelen dat de compensatie op 12 oktober 1999 tussen de betrokken banken in verrekenkamer niet relevant is en dat reeds op 11 oktober 1999 de beslagene (de NV Ulfcar) een vordering had op de eiseres tot het bekomen van het bedrag van 393.196 BEF met als gevolg dat dit bedrag onder het derdenbeslag valt, schendt het bestreden arrest de artikelen 1445, 1446, 1452, 1455, 1539, 1542 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek en de wettelijke begrippen "bedragen (en) of zaken die (de derde beslagene) aan zijn schuldenaar (de schuldenaar van de beslaglegger) verschuldigd (zijn) is", welke voorkomen in artikelen 1445 en 1539 van het Gerechtelijk Wetboek. In de mate het bestreden arrest de eiseres niet beschouwt als een in de plaats gestelde lasthebber of inhoudt dat op 11 oktober 1999 de eiseres, als in de plaats gestelde lasthebber verbintenissen heeft ten opzichte van de begunstigde van de overschrijvingsopdracht, schendt het tevens artikel 1994 van het Burgerlijk Wetboek, dat in casu van toepassing is op de eiseres en dat niet in dergelijke verbintenissen tussen de in de plaats gestelde lasthebber en derden voorziet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens de artikelen 1445 en 1539 van het Gerechtelijk Wetboek is het beslag onder derden het beslag dat door een schuldeiser wordt gelegd op de bedragen en zaken die de derde aan zijn schuldenaar, de beslagene, verschuldigd is. Een dergelijk beslag omvat ook de schuldvorderingen waarvan het ontstaan afhangt van een toekomstige gebeurtenis op voorwaarde dat zij ten tijde van het beslag hun grondslag vinden in een reeds bestaande rechtsverhouding tussen de beslagene en de derde.
- Wordt het beslag gelegd op een bankrekening, dan is het voorwerp van het beslag al hetgeen de bank, op het tijdstip van het beslag, krachtens de rechtsverhouding tot de rekeninghouder aan deze verschuldigd is. Hieronder vallen ook de bedragen die nog niet op de rekening werden ingeschreven maar waarvoor de bank reeds ten tijde van het beslag een verplichting tot afdracht aan de rekeninghouder heeft. Wanneer de beslagene de begunstigde is van een overschrijving die verloopt over verschillende banken, dan ontstaat de verplichting van de bank tot afdracht aan de rekeninghouder van de gelden die voortkomen uit deze overschrijving op het ogenblik van de verrekening tussen de betrokken banken.
- De appelrechter stelt vast dat: - de verweerster op 11 oktober 1999 beslag heeft gelegd op de bankrekening van de NV Ulfcar bij de eiseres; - de firma Van Oeckel aan haar bankier een overschrijvingsopdracht heeft gegeven voor een bedrag van 393.196 BEF met de NV Ulfcar als begunstigde; - de rekening van de firma Van Oeckel op 11 oktober 1999 voor dat bedrag wordt gedebiteerd; - op 12 oktober 1999 de verrekening tussen de banken plaatsvindt; - de eiseres in haar verklaring van derde-beslagene meedeelt dat het saldo van de rekening van de NV Ulfcar op het ogenblik van het beslag 1.730.075 BEF bedraagt; - de verweerster van oordeel is dat het voorwerp van het beslag ook het na 11 oktober 1999 gecrediteerde bedrag van 393.196 BEF omvat. - de verweerster de veroordeling vordert van eiseres tot afgifte van dit bedrag.
- Het arrest oordeelt op grond van deze vaststellingen dat het beslag ook het bedrag van 393.196 BEF omvat omdat ten tijde van het beslag op 11 oktober 1999 "ingevolge die financiële bewerking in uitvoering, (de NV Ulfcar) met ingang van dezelfde datum titularis (was) van een schuldvordering op zijn bank tot beloop van het op zijn rekening te crediteren bedrag" en "het ogenblik waarop tussen de betrokken banken in de verrekenkamer werd gecompenseerd, 12 oktober 1999, in het licht van de verplichtingen van derde-beslagene niet relevant (is)".
- Door op die gronden de eiseres te veroordelen tot de betaling van het bedrag van 393.196 BEF is de beslissing niet naar recht verantwoord.
- Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Paul Maffei, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 juni 2006 uitgesproken door raadsheer Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060615.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2006:CONC.20060615.6 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.14 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240111.1N.5 ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260217.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div