id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060615.7 Rolnummer: C.05.0115.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2006-10-02 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-07-03 08:13 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Door het toestaan van betalingsfaciliteiten, dat een uitzondering vormt op het beginsel van de verbindende kracht van overeenkomsten, hetwelk ook geldt voor de rechter, kan deze de schuldenaar uitstel van betaling verlenen, maar kan hij hem niet van zijn verplichting tot betaling ontslaan
(1)Zie Cass., 19 juni 1986, AR 7496, nr 658 en R.W., 1987-88, 1503, met noot A. Van Oevelen, "De toekenning van een uitstel van betaling (art. 1244 B.W.) mag er niet toe leiden dat de schuldenaar van zijn verbintenis wordt bevrijd". Thesaurus CAS: VERBINTENIS UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Overeenkomst - Verbindende kracht - Betalingsfaciliteiten - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1134, eerste lid Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - VERBINDENDE KRACHT (NIET-UITVOERING) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Betalingsfaciliteiten - Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1134, eerste lid Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Overeenkomst - Verbindende kracht - Betalingsfaciliteiten - Bevoegdheid van de rechter Tekst van de beslissing Nr. C.05.0115.N SG BANK DE MAERTELAERE, naamloze vennootschap, met zetel te 9000 Gent, Rijsenbergstraat 148, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- C.N.,
- L.P., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 10 oktober 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - artikel 38, ,§1, van de wet van 12 juni 1991 op het Consumentenkrediet, zoals van toepassing v66r de wijziging bij artikel 32 van de Wet van 24 maart 2003; - de artikelen 702, 3°, 807 en 1138, enig lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging; - het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, luidens hetwelk de rechter geen betwisting mag aanvoeren die, vreemd aan de openbare orde, door de conclusie der partijen was uitgesloten, zoals bevestigd door de artikelen 807 en 1138, enig lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent verleent in het bestreden vonnis van 10 oktober 2003 verweerder akte van zijn vrijwillige tussenkomst en verklaart eiseres' hoger beroep en de verweersters incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Vervolgens bevestigt de rechtbank van eerste aanleg het bestreden vonnis van 11 juni 2002 van de Vrederechter van het vierde kanton te Gent, met dien verstande dat de rechtbank de veroordeling tot vrijwaring, uitgesproken door de eerste rechter lastens de verweerder, beperkt tot het bedrag dat hij van de rekening heeft genomen, meer bepaald 21.570,63 euro (29.007,44 7.436,81). Aldus machtigt de rechtbank de verweerster om de aan de eiseres te betalen bedragen (29.007,44 euro verhoogd met de conventionele interesten en 743,68 euro verhoogd met gerechtelijke interesten evenals de gerechtskosten, verminderd met 5000 en 1500 euro, betaald op 5 februari 2002 en 18 maart 2002) te kwijten bij middel van maandelijkse afbetalingen van 100,00 euro, en dit voor het eerst op 15 juni
- Tenslotte veroordeelt de rechtbank van eerste aanleg elk der partijen tot de kosten van het hoger beroep gevallen aan hun zijde. De rechtbank van eerste aanleg stoelt haar beslissing onder meer op de volgende gronden (vonnis p. 7): "1.
- Wat betreft de betalingsfaciliteiten. De rechtbank merkt op dat gelet op de autonome procedure die artikel 38 WCK toch is, de rechtbank geen expliciet onderzoek dient te doen naar de voorwaarden van artikel 1244 BW. nl. dat de consument "ongelukkig en ter goeder trouw is". Deze rechtbank begrijpt dat de eerste rechter bij de beoordeling van het toestaan van het gemak van betaling, wellicht het belang van de beide partijen voor ogen heeft gehad en kan deze wijze van benadering bijtreden. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat (de verweerster) als invalide inderdaad over een beperkt inkomen beschikt dat haar niet toelaat in te staan voor de onmiddellijke terugbetaling van het krediet. De rechtbank meent dat zowel (de eiseres) als de bankinstelling belang heeft bij het bekomen van betaling doch oordeelt dat zonder afbetalingsfaciliteiten zulks niet mogelijk zal zijn. De eerste rechter kan dan ook worden gevolgd waar hij meende dat een gemak van betaling aan (de verweerster) kon worden toegekend van 100 euro per maand". De eerste rechter deed in het vonnis a quo, gewezen op 11 juni 2002, als volgt uitspraak over het verzoek tot uitstel van betaling: "Aan de verweerster, C.N., kan, rekening houdend met haar financiële toestand, uitstel van betaling worden toegestaan, zoals hierna bepaald". Grieven Artikel 38, ,§1, van de wet van 12 juni 1991 op het Consumentenkrediet, zoals van toepassing tijdens de duur van de kredietovereenkomst, dat wil zeggen vóór zijn wijziging bij artikel 31 van de Wet van 24 maart 2003, voorzag dat: "onverminderd het bepaalde van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek, (kan) de vrederechter de betalingsfaciliteiten die hij bepaalt, toestaan aan de consument wiens financiële toestand is verslechterd. Wanneer het toestaan van betalingsfaciliteiten de kosten van de kredietovereenkomst verhoogt, bepaalt de vrederechter het deel dat door de consument moet worden gedragen". Artikel 38, ,§1, van de wet van 12 juni 1991 gaf aldus aan de vrederechter de mogelijkheid om betalingsfaciliteiten toe te staan aan de consument die erom verzocht, mits de financiële toestand van deze laatste was verslechterd. De betalingsmoeilijkheden van de consument moeten met andere woorden te wijten zijn aan factoren die zijn ingetreden na het ondertekenen van het kredietcontract. Het volstaat, en de tekst van de wet vereist met betrekking tot de motivering niets meer, vast te stellen dat de financiële toestand van de consument na het sluiten van de kredietovereenkomst is verslechterd, ongeacht of die toestand op het ogenblik van het sluiten ervan reeds min of meer precair was. De rechter is bijgevolg verplicht om in zijn vonnis vast te stellen dat de financiële toestand van de consument is verslechterd. Luidens artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek moet het exploot van dagvaarding het onderwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering vermelden. Met de woorden "een korte samenvatting van de middelen van de vordering" wordt niet de opgave van de rechtsregels waarop de vordering steunt, bedoeld. Het volstaat de feitelijke gegevens aan te voeren die aan de grondslag van de vordering liggen. De rechter moet, met eerbiediging van de rechten van verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten de rechtsregels toepassen op grond waarvan hij de vordering zal inwilligen of afwijzen. De partijen dienen zelf niet de mogelijk toe te passen rechtsregels op te geven. Daarover moet de rechter beslissen op grond van de adagia "da mihi factum, dabo tibi ius" en "curia novit jura". Indien de rechter een vordering wil toekennen of afwijzen op grond van een eigen redenering en van de wetsbepalingen die hij het best aangewezen oordeelt, dient hij de debatten niet te heropenen, zoals bepaald in artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek. De rechter is echter wel gebonden door de feiten die voor hem werden aangevoerd, d.w.z. dat hij enkel mag steunen op de feiten waarover de partijen voor hem hebben gedebatteerd. Het is de taak van de rechter het rechtskarakter van de aangevoerde feiten te onderzoeken, ongeacht de benaming die de partijen eraan geven, voor zover hij enkel steunt op regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten en stukken. Deze regel vloeit voort uit de toepassing van het recht van verdediging en van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, luidens hetwelke de rechter geen aan de openbare orde vreemde betwisting, die door de conclusies der partijen was uitgesloten, ambtshalve mag opwerpen. De feitelijke gegevens, nodig voor de toepassing van de door de rechter ingeroepen rechtsregel, dienen in de bestreden beslissing te zijn vastgesteld of te blijken uit de gedingstukken. De rechtbank van eerste aanleg stoelde haar beslissing met betrekking tot het toekennen van betalingsfaciliteiten aan de verweerster op artikel 38 van de Wet op het Consumentenkrediet, daar waar partijen enkel concludeerden over het betalingsgemak in het licht van artikel 1244 van het Burgerlijk Wetboek (verzoekschrift tot hoger beroep pp. 4-5, "grieven"; conclusie voor eiseres pp. 6-7, "Nopens het gemak van betaling", conclusie voor de verweerster pp. 4-5). De rechtbank van eerste aanleg kon artikel 38 van de Wet op het Consumentenkrediet op onderhavige zaak van toepassing verklaren, mits de rechten van verdediging van partijen niet te schenden en het wettigheidstoezicht van het Hof niet onmogelijk te maken. De rechtbank van eerste aanleg diende derhalve alle feitelijke elementen, nodig voor de toepassing van artikel 38, ,§1, van de Wet op het Consumentenkrediet, op grond van de feiten die de partijen voor haar hadden aangevoerd, in het thans bestreden vonnis vast te stellen. Daartoe behoorde onder meer de vaststelling dat de financiële toestand van de verweerster zou zijn verslechterd. De rechtbank van eerste aanleg stelde in het bestreden vonnis vast dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verweerster als invalide over een beperkt inkomen beschikt dat haar niet toelaat in te staan voor de onmiddellijke terugbetaling van het krediet (vonnis p. 7, punt 1.2., derde alinea). De rechtbank stelde echter geen andere feitelijke gegevens vast betreffende de financiële positie van de verweerster en bijgevolg evenmin dat de financiële toestand van verweerster na het sluiten van de kredietovereenkomst op 7 augustus 2001 verslechterd was. Op grond van de feitelijke vaststellingen die door de rechtbank van eerste aanleg in het bestreden vonnis werden weergegeven kon de rechtbank dienvolgens niet wettig besluiten tot het voorhanden zijn van de toepassingsvoorwaarde, neergelegd in artikel 38, ,§1 van de wet van 12 juni 1991, en schendt ze aldus artikel 38, ,§1 van de wet van 12 juni 1991 op het Consumentenkrediet, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij artikel 31 van de Wet van 24 maart 2003 Minstens laat de door het bestreden vonnis gegeven redengeving voor het toestaan van de betalingsfaciliteiten het Hof niet toe zijn wettigheidscontrole op de beslissing uit te oefenen en komt het bestreden vonnis aldus tekort aan de bij artikel 149 van de Grondwet voorgeschreven motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). Voor zover er zou dienen te worden aangenomen dat de rechtbank door artikel 38, ,§1, van de Wet op het Consumentenkrediet toe te passen impliciet alle feitelijke elementen, nodig voor de toepassing van voornoemde wetsbepaling zou hebben vastgesteld - quod non -, trad de rechtbank inzonderheid wat de verslechterde financiële situatie van de verweerster betreft, buiten de feiten die de partijen voor haar hebben aangevoerd, en miskent ze het recht van verdediging van partijen, inzonderheid van de eiseres, door deze niet in de gelegenheid te stellen terzake verweer te voeren (schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden evenals van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging) werpt ze aldus, onder miskenning van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, een aan de openbare orde vreemd geschil op dat door de conclusies der partijen was uitgesloten en schendt ze dienvolgens het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, zoals bevestigd in de artikelen 807 en 1138, enig lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals de artikelen 702, 3°, 807 en 1138, enig lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 1337bis van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De negende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent verleent in het bestreden vonnis van 10 oktober 2003 de verweerder akte van zijn vrijwillige tussenkomst en verklaart eiseres' hoger beroep en verweersters incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Vervolgens bevestigt de rechtbank van eerste aanleg het bestreden vonnis van 11 juni 2002 van de Vrederechter van het vierde kanton te Gent, met dien verstande dat de rechtbank de veroordeling tot vrijwaring, uitgesproken door de eerste rechter lastens de verweerder beperkt tot het bedrag dat hij van de rekening heeft genomen, meer bepaald 21.570,63 euro (29.007,44 7.436,81). Aldus machtigt de rechtbank verweerster om de aan de eiseres te betalen bedragen (29.007,44 euro verhoogd met conventionele interesten en 743,68 euro verhoogd met gerechtelijke interesten evenals de gerechtskosten, verminderd met 5000 en 1500 euro, betaald op 5 februari 2002 en 18 maart 2002) te kwijten bij middel van maandelijkse afbetalingen van 100,00 euro, en dit voor het eerst op 15 juni
- Tenslotte veroordeelt de rechtbank van eerste aanleg elk der partijen tot de kosten van het hoger beroep gevallen aan hun zijde. De rechtbank van eerste aanleg grondt deze beslissing onder meer op de volgende motieven (vonnis p. 7): "1.
- Wat betreft de betalingsfaciliteiten. De rechtbank merkt op dat gelet op de autonome procedure die artikel 38 WCK toch is, de rechtbank geen expliciet onderzoek dient te doen naar de voorwaarden van artikel 1244 BW. nl. dat de consument 'ongelukkig en ter goeder trouw is'. Deze rechtbank begrijpt dat de eerste rechter bij de beoordeling van het toestaan van het gemak van betaling, wellicht het belang van de beide partijen voor ogen heeft gehad en kan deze wijze van benadering bijtreden. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat (de verweerster) als invalide inderdaad over een beperkt inkomen beschikt dat haar niet toelaat in te staan voor de onmiddellijke terugbetaling van het krediet. De rechtbank meent dat zowel (de eiseres) als de bankinstelling belang heeft bij het bekomen van betaling doch oordeelt dat zonder afbetalingsfaciliteiten zulks niet mogelijk zal zijn. De eerste rechter kan dan ook worden gevolgd waar hij meende dat een gemak van betaling aan (de verweerster) kon worden toegekend van 100 euro per maand". Grieven Overeenkomstig artikel 1134, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan degenen die deze hebben aangegaan tot wet. Het tweede lid van voormelde wetsbepaling voegt er aan toe dat deze overeenkomsten niet kunnen worden herroepen dan met wederzijdse toestemming van de partijen of op gronden door de wet erkend. Op grond van artikel 1337bis van het Gerechtelijk Wetboek is enkel de feitenrechter gemachtigd om uitstel van betaling te verlenen. Krachtens voormelde artikelen is de feitenrechter niet wettelijk bevoegd om de schuldenaar voorgoed geheel of ten dele te bevrijden van zijn verbintenissen, wat in strijd zou zijn met het in artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde beginsel dat de overeenkomst geldt als wet. De eiseres voerde aan dat aan een schuldenaar niet zoveel uitstel mag worden verleend dat een schuld de facto nooit zal worden vereffend (verzoekschrift tot hoger beroep p. 4, "grieven", eerste alinea) en dat in onderhavig geval de schuld van de verweerster door enerzijds het toekennen van betalingsfaciliteiten zoals door de eerster rechter bepaald en anderzijds het toekennen van interesten aan de eiseres, de facto nooit zal worden vereffend, maar integendeel jaarlijks nog zal aanzwellen (beroepsconclusie p. 6, "Nopens het gemak van betaling"). De eiseres stelde dat bij veroordeling van de verweerster tot de hoofdsom van 23.766,06 euro, de afbetaling van de hoofdsom alleen al, gezien de toegestane afbetalingstermijnen a rato van 100,00 euro per maand, nagenoeg twintig jaar in beslag zou nemen (beroepsconclusie p. 6, "Nopens het gemak van betaling", tweede alinea). De eiseres voegde er bovendien aan toe dat de door de eerste rechter toegekende interesten van 7,07 pct. resulteren in een jaarlijks verschuldigd bedrag van 1.680,20 euro, wat inhoudt dat de verweersters schuld nooit kan uitdoven, maar integendeel, zelfs zonder enige kapitalisatie, jaarlijks nog zal aanzwellen met 480,20 euro (voornoemde conclusie p. 6, "Nopens het gemak van betaling", derde en vierde alinea). Op dit verweer antwoordde de rechtbank van eerste aanleg in het bestreden vonnis enkel onrechtstreeks door te stellen dat de eiseres, als bankinstelling, belang heeft bij het bekomen van betaling, doch dat zulks zonder betalingsfaciliteiten niet mogelijk is (vonnis p. 7, vijfde alinea). Ofschoon de rechter over een grote beoordelingsbevoegdheid beschikt om al dan niet betalingsfaciliteiten toe te staan, wordt deze bevoegdheid niettemin begrensd. Het toekennen van betalingsfaciliteiten mag immers niet leiden tot een "burgerlijk faillissement". Teneinde een verzoek om betalingsfaciliteiten gegrond te kunnen verklaren, moet worden onderzocht of de schuldenaar zich dan nog in de mogelijkheid bevindt om de aangegane schuld binnen een redelijke termijn terug te betalen. Dit is niet het geval wanneer de terugbetaling van de geleende kapitalen niet voor de pensioenleeftijd kan worden georganiseerd, of wanneer de afbetaling niet eens de interesten dekt waardoor de schuld niet-invorderbaar wordt. Het toekennen van betalingsfaciliteiten mag er derhalve niet toe leiden dat de schulden niet kunnen worden aangezuiverd, zodat de schuldeiser verplicht wordt eindeloos krediet te verstrekken. De rechter, die betalingsfaciliteiten kan toestaan, is echter niet bevoegd om de schuldenaar te ontslaan van de terugbetaling van zijn schulden. Door enerzijds de verweerster dergelijk ruime afbetalingsfaciliteiten toe te staan en anderzijds de eiseres interesten toe te kennen op het door de verweerster nog verschuldigde bedrag, waardoor de verweersters schuld jaarlijks aanzwelt in plaats van af te nemen, schendt de rechtbank van eerste aanleg de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek en 1337bis van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het toestaan van betalingsfaciliteiten vormt een uitzondering op het beginsel van de verbindende kracht van overeenkomsten, neergelegd in artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit beginsel geldt ook voor de rechter. Door het toestaan van betalingsfaciliteiten kan de rechter de schuldenaar uitstel van betaling verlenen, maar hij kan hem niet van zijn verplichting tot betaling ontslaan. De rechter die door het toestaan van betalingsfaciliteiten de verplichting van de schuldenaar ingevolge een kredietovereenkomst beperkt tot betaling van een gedeelte van de lopende interest, miskent de vermelde wetsbepaling.
- Met bevestiging van het beroepen vonnis van 11 juni 2002, veroordelen de appelrechters de eerste verweerster om aan de eiseres te betalen een bedrag van 29.007,44 euro, te vermeerderen met de conventionele interest aan 7,07 % per jaar vanaf 9 november 2001, een bedrag van 743,68 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 9 januari 2002 en de gerechtskosten, dit alles te verminderen met de reeds op 5 februari 2002 respectievelijk op 18 maart 2002 betaalde bedragen van 5.000 euro en 1.500 euro. De appelrechters machtigen de eerste verweerster zich van de bedragen van deze veroordelingen te kwijten door maandelijkse afkortingen van 100 euro en dit voor het eerst op 15 juni
- De appelrechters verlenen de eerste verweerster aldus geen uitstel van betaling, maar laten haar toe haar schuld nooit af te betalen door haar verplichting te beperken tot betaling van een gedeelte van de lopende interest. Zodoende schenden de appelrechters artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek.
- Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre de appelrechters uitspraak doen "wat betreft de betalingsfaciliteiten" en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Paul Maffei, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 juni 2006 uitgesproken door raadsheer Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060615.7 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140407.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div