← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.1 Rolnummer: S.05.0108.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 633 - laatst gezien 2026-07-04 05:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De aanpassingsbijslagen als bedoeld in artikel 58bis, ,§ 1, 2° van de Arbeidsongevallenwet, zijn vergoedingen waarop de regel volgens welke de rechtsvordering tot betaling van de inzake arbeidsongevallen verschuldigde vergoedingen verjaart na verloop van drie jaar van toepassing is

(1).
(1)Cass., 9 dec. 2002, AR S.01.0104.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021209.7, nr 658 met concl. eerste adv.-gen J.F. LECLERCQ. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Allerlei Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Allerlei Fonds voor Arbeidsongevallen Aanpassingsbijslagen Aard Verjaring Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.58bis,§1 Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Verjaring Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Verjaring Termijn Duur Fonds voor Arbeidsongevallen Aanpassingsbijslagen Aard Vordering in rechte Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.58bis,§1 Fiches 3 - 6 Op de in de Arbeidsongevallenwet bedoelde uitkeringen zijn van rechtswege interesten verschuldigd vanaf het ogenblik waarop ze eisbaar worden; de interest die op de aanpassingsbijslagen verschuldigd is, is eveneens een vergoeding in de zin van artikel 69, eerste lid, Arbeidsongevallenwet en bijgevolg onderworpen aan de driejarige verjaringstermijn
(1).
(1)Cass., 30 jan. 1995, AR S.94.0010.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950130.7 - S.94.0116.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950130.7, nr 53. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Allerlei Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Allerlei Fonds voor Arbeidsongevallen Aanpassingsbijslagen Interest Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.42,derde Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Verjaring Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - RECHTSPLEGING - Verjaring Termijn Duur Fonds voor Arbeidsongevallen Aanpassingsbijslagen Interesten Vordering in rechte Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.42,derde Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Arbeidsongevallen Vergoedingen Fonds voor Arbeidsongevallen Aanpassingsbijslagen Interest Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.42,derde Thesaurus CAS: INTERESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: INTERESTEN - ALGEMEEN Arbeidsongevallen Vergoedingen Fonds voor Arbeidsongevallen Aanpassingsbijslagen Interest van rechtswege verschuldigd Aard Verjaring Termijn Duur Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.42,derde Tekst van de beslissing Nr. S.05.0108.N LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, verzekerings-instelling, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579/40, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, openbare instelling met rechtsper-soonlijkheid, met zetel te 1050 Brussel, Troonstraat 100, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 december 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 69, eerste lid, eerste zin, en voor zoveel als nodig, artikel 42, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoofdberoep van de verweerder gegrond, het incidenteel beroep van de eiser ongegrond, vernietigt het dienvolgens het vonnis van de eerste rechter en verklaart het, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van de eiser ontoelaatbaar wegens verjaring, op grond van de volgende motieven: "5.2.2. De eerste betwisting, die aan het oordeel van de eerste rechter werd onderworpen, betrof de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is op de vordering van (eiser) tot betaling van de interest op de (inmiddels betaalde) aanpassingsbijslagen. Inmiddels zijn beide partijen het eens dat de 3-jarige verjaringstermijn van artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet toepasselijk is. Terecht overigens. Het artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet heeft een algemene draagwijdte en is van toepassing op alle vorderingen die strekken tot vergoeding van het arbeidsongeval, zoals voorzien in de Arbeidsongevallenwet (Guide Social Permanent, Sécurité sociale: commentaires, Deel 1, boek II, titel VIII, hoofdstuk III, 1-60). Daartoe behoren ongetwijfeld de aanpassingsbijslagen, voorzien in artikel 58bis (voorheen artikel 58 (cfr. hoger)) van dezelfde wet. Het gaat immers om uitkeringen bepaald in de Arbeidsongevallenwet (cfr. Cass. 30 januari 1995, R. W. 1995-96, 324) die ertoe strekken kleine, langlopende vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid te herwaarderen en aan te passen aan de index. Als dusdanig mogen zij dan ook geacht worden deel uit te maken van de vergoeding van het arbeidsongeval. Daarnaast kan ook de rechtsvordering tot betaling van de wettelijke interest worden beschouwd als een rechtsvordering tot betaling van vergoedingen in de zin van artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet. De aanspraken op wettelijke intrest zijn gesteund op de Arbeidsongevallenwet, met name op artikel 42, derde lid, van deze wet, waarin werd bepaald dat van rechtswege interest verschuldigd is op de in de wet bedoelde uitkeringen vanaf het ogenblik waarop zij eisbaar zijn geworden. Deze wettelijke interest is overigens zelf ook te beschouwen als een vergoeding, met name voor de schade veroorzaakt door de vertraging waarmee de schuldenaar de wettelijke uitkeringen betaalt (C. Persyn, R. Janvier en W. van Eeckhoutte, Overzicht van rechtspraak arbeidsongevallen 1984-1989, T.P.R. 1990, blz. 1350, nr. 105; zie ook artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek en H. De Page, Traité élémentaire de droit civil Belge, Brussel, Etablissements Emile Bruylant, 1957, deel 7, blz. 1172, nr. 1323). Het is trouwens opmerkelijk dat het onderscheid dat in het voormelde artikel 42, derde lid, wordt gemaakt tussen de 'uitkeringen' en de 'interest' in het artikel 69 niet (
  1. is)terug te vinden, doch aldaar melding wordt gemaakt van de 'vergoedingen' Dit laatste bevestigt eens te meer de algemene draagwijdte welke aan het begrip vergoedingen mag worden gegeven. De toepassing van het artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet op de rechtsvordering tot betaling van de interest, sluit tenslotte ook aan bij het algemeen rechtsbeginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt (accessorium sequitur principale) en is minstens te verantwoorden op basis van dit beginsel (voor wat het beginsel betreft, cfr. A. Lindemans, De verjaring van de vordering tot betaling van de interesten, T.B.B.R., 2000, 254). Het houdt immers concreet in dat de vordering van de intresten het verjaringsregime volgt van de vordering met betrekking tot de hoofdsom, in dit geval de aanpassingsbijslagen. Op grond van deze overwegingen besluit het arbeidshof dat de 3-jarige verjaringstermijn van het artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet van toepassing is op de vordering van de geïntimeerde tot betaling van de interest op aanpassingsbijslagen. 5.2.3. De alternatieven die aanvankelijk door (eiser) werden vooropgesteld, kunnen daarentegen niet worden bijgetreden. Dit geldt vooreerst voor de 30-jarige verjaringstermijn, die van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een vonnis of arrest. (...) Ook de 5-jarige verjaringstermijn van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek kan ter zake niet worden ingeroepen. De bijzondere bepaling van artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet verdient immers voorrang op deze algemene bepaling van het Burgerlijk Wetboek, temeer daar artikel 69 de openbare orde raakt (A. Lindemans, Verjaring in het socialezekerheidsrecht, Kluwer, Deurne, 1994, blz. 155). Met artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek werd trouwens in de eerste plaats bedoeld de schuldenaar te beschermen door een kortere verjaringstermijn in te voeren, in plaats van de algemene termijn die destijds 30 jaar bedroeg (cfr. Cass. 23 april 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 207). Aangezien artikel 69 van de Arbeidsongevallen-wet evenwel voorziet in een verjaringstermijn van drie jaar, is er geen aanleiding om toepassing te maken van het artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. De toepassing van de 5-jarige verjaringstermijn zou in deze zaak immers niet stroken met de ratio legis van het artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. 5.2.4. De toepassing van de 3-jarige verjaringstermijn van het artikel 69 van de Arbeidsongevallenwet heeft tot gevolg dat de vordering van (eiser) verjaard is". en "De vaststelling blijft dan ook dat de vordering tot betaling van de interest verjaard is". Grieven Artikel 69, eerste lid, eerste zin, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, een bepaling die de openbare orde raakt, schrijft voor dat de rechtsvordering tot betaling van de vergoedingen na drie jaar verjaart. Het arbeidshof overweegt dat niet enkel aanpassingsbijslagen dienen beschouwd te worden als een vergoeding in de zin van artikel 69, eerste lid, eerste zin, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, maar ook interest op aanpassingsbijslagen. Evenwel kan interest op aanpassingsbijslagen niet beschouwd worden als een vergoeding in de zin van artikel 69, eerste lid, eerste zin, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, maar is hij te onderscheiden van de vergoedingen waarin die wet voorziet en waarop hij verschuldigd is, zodat de rechtsvordering tot betaling van de interest op de vergoedingen verschuldigd krachtens de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet verjaart overeenkomstig het voorschrift van artikel 69, eerste lid, eerste zin, van die wet. Daaraan doet geen afbreuk dat, zoals het arbeidshof opmerkt, de aanspraken op wettelijke interest gesteund zijn op de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, met name op artikel 42, derde lid, van die wet. Dat de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 zelf de rechtsbron is voor het recht op wettelijke interest op de arbeidsongevallen-vergoedingen, maakt van die wettelijk interest nog geen arbeidsongevallenvergoeding. Artikel 42, derde lid, maakt overigens onderdeel uit van afdeling 5 "Betaling" van hoofdstuk II "Schadeloosstelling" van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en niet van de afdelingen 1, 2, 2bis en 3 van die wet, die de arbeidsongevallenvergoedingen als dusdanig omschrijven en regelen. De in artikel 42, derde lid, van de Arbeidsongevallen-wet van 10 april 1971 opgelegde wettelijke interest in geval van laattijdige betaling, is als zodanig geen arbeidsongevallenvergoeding, maar een modaliteit van betaling. Evenmin doet afbreuk aan het besluit dat interest op aanpassingsbijslagen niet beschouwd kan worden als een vergoeding in de zin van artikel 69, eerste lid, eerste zin van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, de overweging van het arbeidshof dat er een algemeen rechtsbeginsel zou bestaan dat de bijzaak de hoofdzaak volgt en dat een en ander zou inhouden dat de vordering van de interest het verjaringsregime zou volgen van de vordering met betrekking tot de hoofdsom. Allereerst is de rechtsspreuk luidens welke de bijzaak de hoofdzaak volgt, geen algemeen rechtsbeginsel. Bovendien bestaat er geen regel die voorschrijft dat de verjaringsregeling van de vordering van de interest, de verjaringsregeling van de vordering van de hoofdsom zou volgen, wel eerder in tegendeel. Aldus beslist het arbeidshof niet wettig dat de driejarige verjaringstermijn van artikel 69, eerste lid, eerste zin, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 op de vordering van eiser van toepassing is en verklaart het die vordering dienvolgens niet wettig ontoelaatbaar ingevolge verjaring (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling 1. Krachtens artikel 69, eerste lid, Arbeidsongevallenwet, verjaren de rechtsvorderingen tot betaling van de vergoedingen na verloop van drie jaar. Deze bepaling, die de openbare orde raakt, is van toepassing op elke vergoeding, ongeacht de benaming of de wijze van toekenning ervan, die krachtens deze wet verschuldigd is door een verzekeraar of door het Fonds voor Arbeidsongevallen. De aanpassingsbijslagen als bedoeld in artikel 58bis, ,§1, 2°, van de Arbeidsongevallenwet zijn vergoedingen in de zin van voornoemd artikel 69, eerste lid. 2. Krachtens artikel 42, derde lid, van de Arbeidsongevallenwet is op de door de wet bedoelde uitkeringen van rechtswege interest verschuldigd vanaf het ogenblik waarop zij opeisbaar worden. De interest die op de aanpassingsbijslagen verschuldigd is, is eveneens een vergoeding in de zin van voornoemd artikel 69, eerste lid, en bijgevolg onderworpen aan de driejarige verjaringstermijn. 3. Het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van zevenentachtig euro zeventien cent jegens de eisende partij en op de som van drieëntachtig euro vijfenzeventig cent jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negentien juni tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.1 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:AHANT:2010:ARR.20100125.6 ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090814.1 ECLI:BE:CTMON:2014:ARR.20140528.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950130.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021209.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.