id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.2 Rolnummer: S.04.0154.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 452 - laatst gezien 2026-07-03 08:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De verruiming van de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, is van toepassing op personen die niet onder het gezag van een werkgever arbeid verrichten
(1).
(1)Cass., 8 maart 2004, AR S.02.0116.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040308.5, nr 130; 4 okt. 2004, AR S.04.0007.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041004.5, nr
- Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Toepassingsgebied Uitbreiding van wet Thuisarbeiders Verrichten van arbeidsprestaties Gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - Art.3,4° Fiche 2 De personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 zijn niet de huisarbeiders omschreven in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, bijgevolg moet bij de beoordeling van gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 3, 4°, van het voormeld uitvoeringsbesluit geen rekening worden gehouden met het gezagselement, zoals dit besloten ligt in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Toepassingsgebied Uitbreiding van wet Thuisarbeiders Artikel 3, 4° K.B. 28 nov. 1969 Overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders Artikel 119.1, Arbeidsovereenkomstenwet Verschillende vormen van tewerkstelling Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.119.1 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0154.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen KAMECA, naamloze vennootschap, met zetel te 2360 Oud-Turnhout, Arselt 24, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 maart 2004 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 3, 119.1 en 119.2 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978; - de artikelen 2 en 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna: Uitvoeringsbesluit); - artikel 2, ,§1, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna: RSZ-wet) ; - artikel 2, ,§1, 1°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (hierna: Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid); - de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bestreden beslissing Het bestreden arrest vernietigt het vonnis van de eerste rechter en verklaart de vordering van de eiser ongegrond omdat hij onvoldoende het bestaan aantoont van gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet: "Naar het oordeel van het (arbeidshof) beschikt (eiser) na de wet van 6 december 1996 en de invoering van titel VI in de Wet Arbeidsovereenkomsten, over een keuzemogelijkheid wat de huisarbeid betreft. Hij kan zich beroepen op artikel 1, ,§1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 dat bepaalt dat deze wet toepassing vindt op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Titel VI in de Wet op de Arbeidsovereenkomsten (WAO) maakt inderdaad dat de werkgever en de huisarbeider door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Ofwel beroept (eiser) zich op de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 dat de toepassing van de RSZ-wet verruimt tot de personen die op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken. De vraag is of er een ongelijke behandeling ontstaat al naargelang (eiser) opteert voor de toepassing van artikel 1, ,§1, van de RSZ-wet dan wel voor de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969? De beoordeling heeft in eerste instantie betrekking enkel op de situatie van de huisarbeid. Het (arbeidshof) is van oordeel dat dergelijk ongelijke behandeling niet aanwezig is in de mate dat artikel 119.1 WAO en artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 met elkaar worden verzoend. In de hypothese dat (eiser) opteert voor de toepassing van artikel 1, ,§1, van de RSZ-wet, dan moet hij het bestaan van een arbeidsovereenkomst bewijzen. Wanneer het huisarbeid betreft, moet (eiser) zich alsdan richten naar een arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders. Deze arbeidsovereenkomst is in artikel 119.1 WAO omschreven als de overeenkomst waarbij huisarbeiders tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan. (Eiser) zal bijgevolg het bestaan moeten bewijzen van drie elementen: arbeid, loon en gezag, waarbij de wetgever uitdrukkelijk het toezicht en de rechtstreekse controle als indicatoren van het werkgeversgezag heeft weggehaald uit het begrip 'arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders'. In de hypothese dat (eiser) opteert voor de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 dan moet hij 'gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst' bewijzen. Na de wet van 6 december 1996 moet het begrip 'arbeidsovereenkomst' in dit artikel 3, 4°, gelezen worden als 'een arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders' in de zin van artikel 119.1 WAO. Het is deze arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders, zoals omschreven in artikel 119.1 WAO die model zal staan bij de beoordeling van de gelijkaardige voorwaarden. Het afgezwakte gezagsbegrip in artikel 119.1 WAO behoort één van de voorwaarden te zijn die moeten beoordeeld worden in het kader van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november
- Wanneer de inhoud van de gelijkaardige voorwaarden van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 beoordeeld wordt in die zin dat het al dan niet aanwezig zijn van het afgezwakte werkgeversgezag mee bepalend is om uit te maken of deze gelijkaardige voorwaarden al dan niet voorhanden zijn, dan is er geen ongelijke behandeling van werkgevers die huisarbeiders tewerkstellen al naargelang (eiser) opteert voor de toepassing van artikel 1, ,§1, van de RSZ-wet of van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november
- Dit betekent de facto dat het voortbestaan van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet echt zinvol meer is naast artikel 119.1 WAO, althans wat betreft het element 'gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst'. Het element gezag, weliswaar afgezwakt, kan immers niet meer worden omzeild maar het moet worden meegenomen bij de beoordeling van 'gelijkaardige' voorwaarden. In de interpretatie dat de gelijkaardige voorwaarden van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 kunnen beoordeeld worden zonder daarbij rekening te moeten houden met het begrip gezag uit artikel 119.1 WAO, daar is het (arbeidshof) van oordeel dat dergelijke interpretatie wél een ongelijke behandeling in het leven roept tussen de opdrachtgevers die beroep doen op zelfstandige medewerkers die thuis werken al naargelang (eiser) opteert voor toepassing van artikel 1, ,§1, WAO of voor de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november
- Immers, nu de huisarbeid is ondergebracht in de Arbeidsovereenkomstenwet is er geen objectief criterium meer om de toepassing van de RSZ-wet te verruimen naar een situatie van huisarbeid waarbij op geen enkele wijze wat voor soort werkgeversgezag ook moet worden bewezen. Blijft de mogelijke ongelijke behandeling tussen opdrachtgevers die beroep doen op zelfstandige medewerkers die thuis werken en opdrachtgevers die kortom beroep doen op zelfstandige medewerkers. Immers ten aanzien van de eerste categorie moet (eiser) slechts een afgezwakt werkgeversgezag bewijzen (geen leiding, geen rechtstreekse controle). Het onderscheid tussen beide categorieën blijft objectief en redelijk verantwoord omdat het typerende van huisarbeid is dat er geen leiding of rechtstreekse controle mogelijk is. Het onderscheid dient ook de doelstelling dat de categorie van de huisarbeiders onder de bescherming van de RSZ-wet moeten kunnen vallen. De ongelijke behandeling van de opdrachtgevers die beroep doen op zelfstandige medewerkers, met andere woorden het hanteren van een afgezwakt werkgeversgezag, is een noodzakelijk middel om deze doelstelling te bereiken. Immers het ontbreken van leiding en rechtstreekse controle mag ten aanzien van (eiser) niet gelden als een element ter ondersteuning van het zelfstandige statuut in een betwisting rond het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst voor huisarbeid. De conclusie uit dit alles is dat er geen bezwaar is dat (eiser) opteert voor de toepassing van artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, bij zoverre het werkgeversgezag van artikel 119.1 WAO wordt meegenomen in de beoordeling over de gelijkaardige voorwaarden. Beoordeling ten gronde Het (arbeidshof) is van oordeel dat een probleem van schijnzelfstandigheid moet worden benaderd vanuit het volgende principe: 'Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten'. Nu het vaststaat dat de samenwerking tussen (verweerster) en haar medewerkers door hen was geschoeid op zelfstandige basis, komt het erop aan te onderzoeken welke feitelijke elementen dit statuut van zelfstandige aan het wankelen brengen. Deze elementen moeten worden aangereikt en bewezen door (eiser) op wie de bewijslast rust. Wanneer deze elementen aantonen dat er gewerkt werd onder gelijkwaardige voorwaarden van een arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders in de zin zoals hoger in dit arrest werd aangegeven en ze zijn gewichtig genoeg dan duwen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij. Ze moeten terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld. Onder 'voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst' begrijpt het (arbeidshof) het geheel van materiële randvoorwaarden die de werkgever creëert of ter beschikking stelt van zijn medewerkers opdat deze door hem gewenste arbeid zouden afleveren. Daaronder vallen ondermeer: het onderdak, sanitair, verlichting en verwarming, meubilair en uitrusting, het te bewerken materiaal kortom alles wat de arbeid mogelijk moet maken en het werkgeversgezag. Onder het juridisch werkgeversgezag begrijpt het (arbeidshof) de instructies die de werkgever geeft met betrekking tot de uitvoering van de prestatie. (...) Wanneer het gaat over het werkgeversgezag dat is bedoeld in artikel 119.1 WAO dan kan dit begrip op dezelfde wijze ingevuld worden met uitzondering van die elementen die te maken hebben met het werken op afstand, die de wetgever definieerde als het geven van leiding en het uitvoeren van een rechtstreekse controle. Het ontbreken van deze leiding en rechtstreekse controle kan derhalve niet worden aangegrepen om het bestaan van het werkgeversgezag te ontkennen. Ook zonder leiding en rechtstreekse controle kan er nog steeds sprake zijn van gezag. Toetsing van de elementen (Verweerster) stelde eenzijdig de vergoeding voor het gepresteerde werk vast Dit element verwijst naar het bestaan van een werkgeversgezag. De prijs wordt bepaald enkel in functie van de economische activiteit van (verweerster). Er wordt geen rekening gehouden met de situatie van de medewerker. Voor hem is het te nemen of te laten. Dat betekent dat (verweerster) de waarde van de arbeid bepaalt enkel rekening gehouden met haar doelstellingen. Daarom ressorteert het onder werkgeversgezag. Na toetsing van de elementen die (eiser) aanreikt, komt het (arbeidshof) tot de bevinding dat slechts één element, namelijk de wijze van beloning, verwijst naar een afhankelijkheid of een ondergeschiktheid van de medewerker aan (verweerster). De andere elementen zijn niet typisch of gelijkaardig aan een samenwerking in ondergeschikt verband. Ze blijven evengoed overeind in een samenwerking op zelfstandige basis. Het (arbeidshof) is van oordeel dat één enkel element van ondergeschiktheid niet volstaat om de kwalificatie die (verweerster) en haar medewerkers gaven aan hun samenwerking onderuit te halen. Dit oordeel wordt versterkt door het feit dat een aantal typische kenmerken van een arbeidsovereenkomst van huisarbeider, zoals opgenomen in titel VI van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten, niet in het huidige samenwerkingsverband terug te vinden zijn, zoals bijvoorbeeld het betalen van een onkostenvergoeding voor de delocatie. De conclusie is dan ook dat (eiser) onvoldoende het bestaan aantoont van gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 119.1 WAO". Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 2, ,§1, 1°, van de RSZ-wet kan de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van de RSZ-wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst (cf. artikel 2, ,§1, 1°, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid). In toepassing van deze bepaling heeft de Koning in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit de toepassing van de RSZ-wet verruimd tot "de personen die, op de door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars". Om arbeid te verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst is niet vereist dat de werknemer prestaties levert onder gezag van een werkgever of in een verhouding van ondergeschiktheid maar dat de prestaties worden geleverd in omstandigheden die gelijkenis vertonen met die waaronder arbeid in ondergeschikt verband wordt verricht. De uitbreidingsbepaling van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit onderwerpt met andere woorden die personen aan de toepassing van de RSZ-wet die niet onder het gezag van een werkgever arbeid verrichten op een door hen gekozen plaats. Deze groep van personen dient duidelijk te worden onderscheiden van de huisarbeiders die, krachtens een overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan, en, naar gelang het geval, krachtens een arbeidsovereenkomst voor werklieden of bedienden zijn tewerkgesteld (zie de wet van 6 december 1996 ingevoegd als titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet). Naast het feit dat de personen omschreven in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit geen arbeid verrichten in ondergeschikt verband, onderscheiden deze personen zich ook van de huisarbeiders bedoeld in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet doordat hun arbeid uitsluitend kan bestaan in het bewerken van grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten die één of verschillende handelaars hen hebben toevertrouwd, terwijl de prestaties van de zogenaamde huisarbeiders zowel hand- als hoofdarbeid kan omvatten (cf. de artikelen 2, 3, 119.1, in fine en 119.2, ,§1, van de Arbeidsovereenkom-stenwet). Anders dan de huisarbeiders van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet kunnen de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit zich voor het uitvoeren van hun prestaties bovendien laten bijstaan door ten hoogste vier helpers. Nu de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit niet de huisarbeiders zijn omschreven in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, moet bij de beoordeling van de gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit bijgevolg geen rekening worden gehouden met het gezagselement dat besloten ligt in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Ten onrechte oordeelde het bestreden arrest derhalve dat sinds de wet van 6 december 1996 het begrip "arbeidsovereenkomst" in artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit moet gelezen worden als een "arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders" in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomst, waarbij het werkgeversgezag van artikel 119.1 één van de "gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst" vormt die voortaan in het kader van artikel 3, 4°, van het Uitvoeringsbesluit bij de beoordeling moet worden betrokken. Met dit foutief uitgangspunt voor ogen, wijst het bestreden arrest vervolgens de vordering af van eiser in de mate dat een aantal typische kenmerken van een arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders in de zin van titel VI van de Arbeidsovereenkomstenwet, zoals het betalen van een onkostenvergoeding, niet zijn terug te vinden en eiser, op één element van ondergeschiktheid na (de wijze van beloning), geen elementen kan voorleggen die verwijzen naar een afhankelijkheid of een ondergeschiktheid van de medewerkers ten opzichte van verweerster zodat de kwalificatie die partijen aan hun overeenkomst hebben gegeven niet wordt onderuit gehaald. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, bij de toetsing van de elementen, ten onrechte heeft gezocht naar elementen die wijzen op het bestaan van een gezagsrelatie. De beslissing dat eiser onvoldoende het bestaan heeft aangetoond van gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, waaronder het werkgeversgezag, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen, uitgezonderd de artikelen 10 en 11 van de Grondwet). Tweede onderdeel In de mate dat aan voormelde beslissing de opvatting ten grondslag ligt dat artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit een schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel inhoudt wanneer het werkgeversgezag niet als een gelijkaardige voorwaarde moet worden beschouwd voor de toepassing van voormelde uitbreidingsbepaling, dan schendt het bestreden arrest de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het gelijkheidsbeginsel wordt immers niet geschonden door in een ongelijke behandeling te voorzien van werkgevers die verschillende categorieën van personen tewerkstellen. De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel en met de aard van de in het geding zijnde beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel. Uit het eerste onderdeel volgt dat de personen bedoeld in artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit niet gelijkgeschakeld mogen worden met de huisarbeiders geviseerd in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Ook na de invoering van de arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders blijft het derhalve zinvol om aan de personen, die zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, éénzelfde sociale bescherming te garanderen als de werknemers die krachtens een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld. Het onderscheid tussen de huisarbeiders in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet en de personen bedoeld in artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit, gestoeld op het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst, de specifieke aard van de werkzaamheden en de eventuele bijstand van helpers, kan in redelijkheid verantwoorden dat eiser ten aanzien van de personen bedoeld in artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit niet het bestaan van een gezagsrelatie moet aantonen om hen aan de toepassing van de RSZ-wet te onderwerpen, terwijl dit wel moet worden bewezen ten aanzien van de huisarbeiders in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereen-komstenwet. Het bestreden arrest oordeelde derhalve ten onrechte dat wanneer de gelijkaardige voorwaarden van artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit kunnen beoordeeld worden zonder daarbij rekening te moeten houden met het begrip gezag uit artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, dit een ongelijke behandeling in het leven roept, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, tussen de opdrachtgevers die beroep doen op zelfstandige medewerkers die thuis werken al naargelang eiser opteert voor de toepassing van artikel 1, ,§1, van de Arbeidsovereenkomstenwet of voor de toepassing van artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit (p.8, derde laatste alinea). De beslissing dat eiser het werkgeversgezag moet meenemen bij de beoordeling van de "gelijkaardige voorwaarden" in het kader van artikel 3,4°, van het Uitvoeringsbesluit, werd bijgevolg niet wettig gegrond op voormelde door de appelrechters weerhouden schending van het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen, inzonderheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders is, overeenkomstig artikel 1, ,§1, van toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn.
- Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is vereist dat een werknemer zich ertoe verbindt, tegen loon, onder gezag van een werkgever arbeid te verrichten. Voor huisarbeiders die, overeenkomstig artikel 119 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever is niet vereist dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van de werkgever staan.
- Krachtens artikel 2, ,§1, van de RSZ-wet van 27 juni 1969 kan de Koning, bij in ministerraad overlegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de toepassing van deze wet uitbreiden "tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereen-komst" en alsdan de persoon aanwijzen "die als werkgever wordt beschouwd". In uitvoering van deze bepaling heeft de Koning in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 de toepassing van de wet van 27 juni 1969 verruimd tot "de personen die op een door hen gekozen plaats, in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die één of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars".
- Uit de voornoemde bepalingen volgt dat de verruiming van de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, van toepassing is op personen die niet onder het gezag van een werkgever arbeid verrichten.
- Vermits de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet de huisarbeiders zijn omschreven in artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, moet bij de beoordeling van de gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 3, 4°, van het voormeld uitvoeringsbesluit bijgevolg geen rekening worden gehouden met het gezagselement, zoals dit besloten ligt in artikel 119.1 van de Arbeids-overeenkomstenwet.
- Het arrest oordeelt dat de samenwerking tussen de verweerster en haar medewerkers door hen op zelfstandige basis was geschoeid. Na toetsing van de door eiser aangebrachte elementen, die op het bestaan van gelijkwaardige voorwaarden als in een arbeidsovereenkomst zouden wijzen, komt het arrest tot de bevinding dat slechts één van deze elementen naar een "afhankelijkheid of een ondergeschiktheid van de medewerker" verwijst. Het oordeelt dat één enkel element van ondergeschiktheid niet volstaat om de kwalificatie die de verweerster en haar medewerkers aan hun samenwerking gaven onderuit te halen, zodat de eiser onvoldoende het bestaan aantoont van gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 119.1 van de Arbeidsovereenkomstenwet.
- Door zodoende de beslissing dat de medewerkers niet werkten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst te gronden op het ontbreken van een gezagsverhouding, die niet wordt vereist in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969, schendt het arrest deze wettelijke bepaling.
- Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van negentien juni tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060619.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2007:ARR.20070521.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040308.5 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041004.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div