id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060620.7 Rolnummer: P.06.0825.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 168 - laatst gezien 2026-07-03 08:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De enkele omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat beslist over de handhaving van de voorlopige hechtenis van een verdachte zijn oordeel over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld medesteunt op een verklaring van een derde welke is opgenomen in een proces-verbaal, afkomstig uit een ander strafdossier dat niet volledig in kopie bij het dossier van het gerechtelijk onderzoek is gevoegd, miskent het recht van verdediging van de verdachte niet
(1).
(1)Zie L. HUYBRECHTS, Het gebruik in het strafproces van een ander strafdossier, in: Om deze redenen, Liber Amicorum Armand Vandeplas, Gent, Mys en Breesch,
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Ernstige aanwijzingen van schuld Proces-verbaal afkomstig uit ander strafdossier Recht van verdediging Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1990 - Art.22 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Voorlopige hechtenis Handhaving Ernstige aanwijzingen van schuld Proces-verbaal afkomstig uit ander strafdossier Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1990 - Art.22 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0825.N W. G., verdachte, eiser, gedetineerd, met als raadsman mr. Mounir Soudi, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 juni
- De eiser G. W. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert aan dat de appelrechters het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de eiser niet vermochten af te leiden uit de verklaring van B. M. omdat de eiser de rechtsgeldigheid van deze verklaring die uit een ander strafdossier is gelicht, niet kan controleren.
- De appelrechters overwegen: "De ernstige aanwijzingen van schuld blijken onder meer uit de verhoren van (de eiser) waarin hij aan de politie en de onderzoeksrechter verklaart bij herhaling stalen drugs in ontvangst te hebben genomen. Het feit dat B. M. hem aanduidt als leverancier van grote hoeveelheden XTC versterkt nog deze schuldaanwijzingen. De omstandigheid dat de verklaring van B. M. afkomstig is uit een ander strafdossier doet hieraan geen afbreuk. Bovendien gaf de onderzoeksrechter op 15 mei ll. de opdracht (de eiser) met M. te confronteren".
- De enkele omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat beslist over de handhaving van de voorlopige hechtenis van een verdachte, zijn oordeel over het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld medesteunt op een verklaring van een derde welke is opgenomen in een proces-verbaal, afkomstig uit een ander strafdossier dat niet volledig in kopie bij het dossier van het gerechtelijk onderzoek is gevoegd, miskent het recht van verdediging van de verdachte niet. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van het artikel 30, ,§ 2, vierde lid, en ,§ 4, Wet Voorlopige Hechtenis en van eisers recht van verdediging omdat het proces-verbaal van de bij hem uitgevoerde huiszoeking die een negatief resultaat opleverde, nog niet aan het strafdossier was gevoegd.
- De appelrechters oordelen dat "de omstandigheid dat het proces-verbaal van een uitgevoerde huiszoeking nog niet bij het dossier is gevoegd in casu geen schending van de rechten van verdediging (is daar) enerzijds het resultaat van de huiszoeking volgens (eiser) negatief was en anderzijds er geen enkel bezwarend element uit wordt geput". Zij vermelden bovendien de redenen waaruit naar hun oordeel het bestaan van de ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de eiser blijken. Aldus verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 50,85 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 20 juni 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060620.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div