← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060622.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060622.6 Rolnummer: C.06.0221.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 590 - laatst gezien 2026-07-04 01:47 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De mogelijkheid voor een partij om de onttrekking van de zaak aan de rechter te vorderen wanneer deze gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen, is ook toepasselijk op de strafgerechten

(1).
(1)Zie de concl. O.M. Hoewel deze conclusie strekte tot de toepassing van art. 648, 4° e.v. Ger.W. in strafzaken op procedures die uitsluitend burgerlijke belangen betreffen, breidt het Hof de toepasselijkheid van deze wetsbepalingen uit tot alle procedures voor de strafgerechten. Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Vrije woorden: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Verzuim meer dan zes maanden de zaak te berechten Strafgerecht Vordering van een partij Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.2,648,4° Fiche 2 Concl. adv.-gen. m.o. Cornelis, Cass., 22 juni 2006, AR C.06.0221.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Vrije woorden: VERWIJZING VAN EEN RECHTBANK NAAR EEN ANDERE - STRAFZAKEN Verzuim meer dan zes maanden de zaak te berechten Strafgerecht Vordering van een partij Ontvankelijkheid Nota: C.06.0221.N CONCLUSIE
  1. De feiten en de procedurevoorgaanden Verzoeker was op 26 oktober 1997 slachtoffer van een verkeersongeval met zware lichamelijke letsels dat ook de dood van een passagierster veroorzaakte. De dader van het ongeval werd bij vonnis van de derde kamer van de politierechtbank te Brugge van 16 september 1998 op strafrechtelijk gebied veroordeeld. Op burgerlijk gebied, werd een voorschot van 500.000 frank aan verzoeker toegekend en werd een deskundige aangesteld. De achttiende correctionele kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge bevestigde op 23 december 1998 grotendeels dit vonnis wat de straffen betreft en verleende een bijkomend voorschot aan verzoeker. De zaak werd terug naar de eerste rechter verwezen voor de verdere behandeling van de burgerlijke belangen. Ze werd aanhangig gemaakt door dagvaarding van verzoeker "in afhandeling van de burgerlijke belangen" bij de negende kamer van de politierechtbank te Brugge, zetelend in strafzaken. Bij vonnis van 27 november 2002 van de politierechtbank werden vergoedingen aan verzoeker toegekend en werd het dossier voor verdere behandeling van voorbehouden bedragen naar een latere datum uitgesteld. Bij verklaring op 9 december 2002, bij de griffie van de politierechtbank werd hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis door de rechtstreeks gedaagde partij en door haar verzekeraar, oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partij. Bij dagvaarding van de Procureur des Konings werd de zaak op 14 februari 2003 ingeleid voor de dertiende kamer van de correctionele rechtbank te Brugge. Ze werd voor pleidooi op 1 oktober 2004 vastgesteld en werd op deze datum in beraad genomen. De uitspraak was initieel voor 5 november 2004 voorzien. De uitspraak werd daarna meermaals uitgesteld, de laatste keer tot 12 mei
  2. De processen-verbaal van de zittingen vermelden geen reden voor de uitstellen. Op 27 april 2006 legde verzoeker zijn verzoek tot onttrekking neer.
  3. Strafrechtelijk karakter van de procedure voor de rechtbank aan dewelke onttrekking van de zaak wordt verzocht Uit de samenvatting van de procedure blijkt dat enkel burgerlijke belangen blijven te berechten en dat het gerecht dat erover uitspraak moet doen een strafrechtelijke rechtbank is. Volgens de vaste rechtspraak van Uw Hof wordt de rechtspleging door de aard van het gerecht bepaald en niet door de aard van de belangen die in betwisting zijn
(1). "Deze stelling wordt door ( U) consequent doorgetrokken, ook wanneer al een beslissing gevallen is omtrent de strafrechtelijke aspecten en dus alleen nog de burgerlijke rechtsvordering overblijft: de bevoegde rechter is nog steeds de strafrechter en de te volgen procedureregels zijn bijgevolg deze van het strafprocesrecht," zoals advocaat-generaal P. Duinslaeger dit in zijn conclusie voor uw arrest van 8 februari 2000 onderstreepte
(2). De regels van het strafproces werden in de onderhavige zaak nageleefd: Dit blijkt onder meer uit het feit dat het hoger beroep volgens de pleegvormen van het Wetboek van Strafvordering werd ingesteld en dat artikel 190 van het Wetboek van Strafvordering in de processen-verbaal van de rechtszittingen van de rechtbank van eerste aanleg werd vermeld. 3. Ontvankelijkheid van het verzoek Verzoeker roept het verzuim van meer dan zes maanden om de zaak te berechten in als reden voor zijn verzoek tot onttrekking van de zaak aan de rechter. Deze reden wordt in artikel 648 Ger. W. vermeld dat luidt: "Vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter kan worden ingesteld: 1° op grond van bloed- of aanverwantschap; 2° wegens wettige verdenking; 3° uit oorzaak van openbare veiligheid; 4° wanneer de rechter (gedurende meer dan zes maanden) verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen." Het Wetboek van Strafvordering kent de procedure van verwijzing van de ene rechtbank naar een andere, die door artikel 542 e. v. wordt geregeld en die enkel op grond van openbare veiligheid of van wettige verdenking ingeleid kan worden. Ondanks het verschil in de benaming beogen de twee procedures een zelfde doel. Dit wordt duidelijk door de geschiedenis van hun ontstaan en ontwikkeling aangetoond. Voor het Gerechtelijk Wetboek bevatte het wetboek van burgerlijke rechtspleging enkel bepalingen betreffende de bloed- en aanverwantschap. De rechtspraak paste nochtans de regels van artikel 542 tot 552 Sv. op de burgerlijke procedure toe, zodat de verzending ook mogelijk was op grond van openbare veiligheid en wettige verdenking. De koninklijke commissaris achtte het wenselijk dat een volledige tekst voor alle burgerlijke aangelegenheden zou worden opgesteld. Hij stelde ook een nieuwe oorzaak van onttrekking voor, ten aanzien van de rechter "die gedurende meer dan zes maanden naliet uitspraak te doen over zaken die in staat van wijzen zijn en wier beurt het is." Oorspronkelijk werd het recht om de onttrekking te vragen wegens het uitblijven van de uitspraak alleen aan de partijen toevertrouwd. De koninklijke Commissaris beschouwde dat de onttrekking enkel verantwoord was, indien de rechten van een partij in het gedrang kwamen Het behoorde bijgevolg aan de partijen zelf het initiatief te nemen zulke maatregel te vorderen.
(3)Dit standpunt werd door de commissies van de Senaat niet bijgetreden. Het recht om de onttrekking te vorderen werd alleen aan de procureur-generaal bij het hof van beroep toegekend. De bedoeling, volgens het verslag, was te voorkomen dat een partij zou aarzelen om deze maatregel te vragen uit vrees de geviseerde rechter te ontstemmen
(4). De voorkeur werd toen aan de term "onttrekking" gegeven in de plaats van "verzending" om de aard van de maatregel en het verschil ervan met de regeling van betwistingen over de bevoegdheid duidelijk te doen blijken. De invloed van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek inzake de bevoegdheid en de rechtspleging op de zaak die onder de strafrechtelijke rechtbanken ressorteren werd door procureur-generaal R. Hayoit de Termicourt onderzocht in zijn openingsrede van 1 september 1966. Hij verwees naar artikel 2 Ger. W. volgens welke "De in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen..." Ce qui , legde hij uit, signifie que, pour qu'une règle énoncée par le Code judiciaire ne soit pas applicable à une procédure déterminée, il faut qu'elle soit contredite ou que la procédure soit différemment organisée soit par une disposition légale antérieure, non expressément abrogée, soit par une disposition légale postérieure.
(5)" Als voorbeeld vermeldde hij de vordering tot verwijzing wegens wettige verdenking of openbare veiligheid, die in strafzaken niet door artikel 650 e. v. Ger. W. worden geregeld, maar door de niet opgeheven artikelen 542 tot 552 Sv. Deze stelling werd echter genuanceerd, wat de onttrekking aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten betreft, bedoeld in artikel 648, 4°, Ger. W. Hij oordeelde inderdaad dat: " Cette cause particulière de dessaisissement du juge est applicable aussi au juge saisi d'une cause répressive. En effet, elle n'est ni en opposition avec une disposition du Code d'instruction criminelle ni incompatible avec la nature de l'action exercée devant la juridiction répressive.
(6)" Acht jaar later bestudeerde procureur-generaal M. Delange parallel de onttrekking van de zaak aan de rechter en de verwijzing van de ene rechtbank naar een andere in zijn openingsrede van 2 september 1974. Hij steunde op artikel 2 Ger. W. om de toepassing van de bepalingen van dit wetboek in strafzaken uit te sluiten "in zover de gronden tot en de rechtspleging voor de verwijzing geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven bepalingen van het Wetboek van strafvordering."
(7)Op een meer restrictieve wijze dan zijn voorganger meende hij dat "De onttrekking van een zaak door het Hof van cassatie aan een rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen een door het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde nieuwigheid is en slechts geldt voor burgerlijke zaken".
(8)Deze stelling werd door Uw Hof zeer duidelijk bevestigd bij Uw arrest van 4 mei 1976
(9)waar u besliste dat, uit het samenlezen van artikel 652 Ger. W. met artikel 2 en 542 Sv. volgt "dat de door eiser op grond van artikel 652 Ger. W. bedoelde onttrekking van de zaak uitsluitend door de procureur-generaal bij het hof van beroep en enkel in civielrechtelijke procedures kan worden gevorderd." Na dit arrest wordt door de rechtsleer aangenomen dat de onttrekking aan de rechter overeenkomstig artikel 542 Sv. alleen gevorderd kan worden om reden van openbare veiligheid en op grond van wettige verdenking
(10). De toepassing van deze rechtspraak, samen met het principe dat de aard van het gerecht de aard van de te volgen procedure bepaalt, zou Uw Hof ertoe moeten leiden het huidige verzoek niet ontvankelijk te verklaren.
(11)De evolutie van de procedureregelen in de wetgeving en de rechtspraak gedurende de laatste jaren verplicht echter vast te stellen dat het traditionele onderscheid tussen de strafrechtelijke en de burgerlijke rechtspleging geleidelijk vervaagt. De versnelling van de procedures, de bescherming van de belangen van de slachtoffers of van de rechten van de verdediging, of een betere toegang tot het gerecht zijn redenen die vaak in aanmerking komen om de wijzigingen te verantwoorden. De wet van 11 juli 1994 heeft een artikel 601bis in het Gerechtelijk Wetboek ingeleid
(12)dat de politierechtbank bevoegd maakt voor alle vorderingen tot vergoeding van de schade ontstaan uit een verkeersongeval. De regelen van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op deze procedures, o.m. wat de vormen en termijnen van het hoger beroep betreft
(13). De wet van 13 april 2005 heeft artikel 4 van het voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd
(14)door regelen betreffende de instaatstelling van de zaak in te voegen die uit het burgerlijk recht worden overgenomen, in vorderingen die voor de strafrechter aanhangig worden gemaakt, wanneer uitspraak is gedaan over de strafvordering. De verplichte aanwezigheid van het openbaar ministerie op de terechtzitting waar deze zaken werden behandeld, werd tevens afgeschaft. Deze twee wetten tonen een neiging aan om meer en meer de procedureregels los te koppelen van de aard van het gerecht dat de zaak behandelt en om de voorkeur te geven aan de regelen van burgerlijk recht wanneer het geschil burgerlijke belangen betreft. Inzake de procedure van onttrekking aan de rechter die bedoeld is in artikel 648, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, heeft de wet van 6 december 2005 een einde gesteld aan het monopolie van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep door aan de partijen de mogelijkheid te bieden om het Hof van Cassatie te adiëren met een verzoek tot onttrekking van de zaak aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak, die hij in beraad heeft genomen, te berechten
(15). Een vereenvoudigde procedure werd voorzien voor dit geval. De toelichting van het wetsvoorstel dat tot de wet heeft geleid, duidt aan dat de bedoeling was tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de partijen die hun zaak behandeld willen zien, in de gevallen waar de procureurs-generaal geen gebruik maken van hun mogelijkheid om een vordering tot onttrekking in te stellen. De wil van de wetgever om de behandeling van de zaken te versnellen is ook aanwezig in deze wet en gaat samen met de bedoeling aan de partijen, die in een burgerlijk geschil zijn betrokken, een bredere autonomie in de verdediging van hun rechten toe te kennen. Tenslotte heeft de rechtspraak van Uw Hof inzake het deskundigenonderzoek in de strafzaken geëvolueerd in een zin die strekt tot een afwijking van de regelen van het Wetboek van Strafvordering wanneer alleen burgerlijke belangen in het geding blijven. Uw arrest van 8 februari 2000
(16)maakte een verschil tussen enerzijds het deskundigenonderzoek bevolen door het vonnisgerecht dat strekt tot de beoordeling van de strafvordering zelf, waar het aan de rechter staat de modaliteiten ervan te bepalen, rekening houdend met het recht van de verdediging en de vereisten van de strafvordering, en anderzijds, het deskundigenonderzoek dat uitsluitend burgerlijke belangen betreft, waar de artikelen 973 en 978 Ger. W. moeten worden toegepast. In zijn conclusie maakte advocaat-generaal P. Duinslaeger een verschil tussen de vraag betreffende het "algemeen" toepasselijke procesrecht op strafgerechten die burgerlijke belangen behandelen en de vraag omtrent "de procedureregels die toegepast dienen te worden wanneer dit "algemeen" toepasselijke procesrecht, in casu het strafprocesrecht, stilzwijgend blijft of leemtes vertoont."
(17)Artikel 2 Ger. W. stelt als principe dat de regels van dit wetboek van toepassing zijn op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van dit wetboek. "De toepasselijkheid van het Gerechtelijk Wetboek als "aanvulling" op het strafprocesrecht is dus," besloot P. Duinslaeger, "aan een dubbele voorwaarde onderworpen: de strafrechtspleging moet een leemte vertonen en de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek waardoor men deze leemte wenst aan te vullen moeten gesteund zijn op beginselen die met het strafprocesrecht verenigbaar zijn"
(18)Uw Hof stelde vast dat geen enkele bepaling van het Wetboek van Strafvordering de wijze regelt waarop het deskundigenonderzoek in strafzaken moet geschieden. De vraag omtrent de tweede voorwaarde wordt niet expliciet beantwoord, maar vloeit voort uit het feit dat enkel burgerlijke belangen nog dienden berecht te worden. Zulke redenering kan ook door Uw Hof in de onderhavige zaak worden gevolgd, waar de in geschil blijvende belangen geen invloed meer op de openbare vordering kunnen hebben. Er kan vastgesteld te worden dat de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering geen grond bevatten voor de verwijzing naar een andere rechtbank wegens verzuim van meer dan zes maanden om de zaak te berechten. De toepassing van artikel 648, 4°, Ger. W. kan moeilijk onverenigbaar worden verklaard met de principes van de strafvordering in geschillen van burgerlijke aard. Het weze mij toegelaten hier naar het hierboven vermelde oordeel van procureur-generaal Hayoit de Termicourt te verwijzen
(19). De ontvankelijkheid van het verzoek moet in een nieuwe juridische context beoordeeld worden, die aanzienlijk verschilt van degene waarin Uw arrest van 4 mei 1976 werd geveld, in een zaak waar de door verzoeker bedoelde beslissing de openbare vordering raakte. Deze context zou, meen ik Uw Hof ertoe moeten brengen te oordelen dat artikel 648, 4°, Ger. W. toepasselijk is op procedures die uitsluitend burgerlijke belangen betreffen en die door strafgerechten worden behandeld, nadat definitief op de openbare vordering uitspraak werd gedaan. Gelet op de wetten van 11 juli 1994 en van 6 december 2005, zou de vroegere interpretatie van dit artikel een discriminatie kunnen tot stand brengen tussen de rechtshorigen in verkeerszaken die zich burgerlijke partij stellen in het kader van artikel 4 Sv. aan wie het recht zou ontzegd worden een verzoek op grond van art. 648, 4 ° in te stellen en degene die hun vordering in het kader van artikel 601bis Ger. W inleiden voor wie deze mogelijkheid wel degelijk open zou zijn. Het mogelijke bestaan van deze discriminatie zou aanleiding moeten geven tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof. 4. Beoordeling van de grond tot onttrekking Op het ogenblik van de neerlegging van het verzoek was de zaak in beraad sinds meer dan 18 maanden. Ik verwijs hier naar de verklaringen van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge en van de voorzitter van de dertiende kamer van deze rechtbank in hun memories van 3 en 4 mei 2006 waaruit blijkt dat geen rechtvaardiging te geven is voor de laattijdigheid van de uitspraak. Het verzoek lijkt gegrond. 5. Conclusie Ik concludeer tot de onttrekking en tot de verwijzing naar een andere rechtbank of naar dezelfde rechtbank anders samengesteld. ________________________
(1)Cass., 6 januari 1941, Pas., 1941, I, p. 5, met noot Procureur-generaal R. Hayoit de Termicourt, 28 oktober 1957, A.C., 1958, p. 101,11 februari 1986, A.R.9697, nr. 376, 15 oktober 1986, A.R. 5141, nr. 88.
(2)Conclusies advocaat-generaal P. Duinslaeger onder Cass., 8 februari 2000, A. R. P.97.0515.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.8, nr. 100, A. C. 2000, p. 346.
(3)Ch. Van Reepinghen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, p.262.
(4)Parl. St., Verslag nr. 170 van 9 maart 1965, namens de commissies voor de Justitie en voor de Tewerkstelling, Arbeid en Sociale Voorzorg, uitgebracht door de heer De Baeck, Senaat, gewone zittijden 1963-1964 en 1964-1965, p. 110.
(5)R. Hayoit deTermicourt, "Considérations sur le projet de Code judiciaire", Openingsrede, 1966, p. 6.
(6)R. Hayoit deTermicourt, o. c., p. 44, noot 122.
(7)M. Delange, Openingsrede, 1974 (Vertaling), p.6
(8)M. Delange, o.c., p.9.
(9)(Cass. 4 mei 1976, Arr. Cass. 1976, 988).
(10)X. De Riemaecker en G. Londers, "Deontologie en tucht" in Statuut en deontologie van de magistraat, Die Keure, 2000, 357; E. Brewaeys en N. Clijmans, "Onttrekking zaak aan rechter - Vereenvoudigde procedure", NjW 2006, 150.
(11)Het feit dat het verzoek, ondanks de bepalingen van artikel 545, lid 1, Sv., niet bij de tweede kamer van het Hof aanhangig werd gemaakt heeft geen invloed op de regelmatigheid van de procedure, gelet op de macht die wordt door artikel 133 Ger. W. aan de Eerste Voorzitter verleend om voor de verdeling van de zaken tussen de kamers te zorgen.
(12)Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernisering van de strafrechtspleging, art. 36.
(13)R. Declercq, Beginselen van Strafrechtspleging, 3de editie 2003, nr. 2245, p. 966.
(14)Wet van 13 april 2005 tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het strafrecht en de strafrechtspleging, teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken, art 2.
(15)Wet van 6 december 2005 tot wijziging van de artikelen 648, 652, 655 en 656 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de invoering van een vereenvoudigde onttrekking van de zaak aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak die hij in beraad heeft genomen, te berechten, art. 3.
(16)Zie hierboven nota 2
(17)P. Duinslaeger, ibid.
(18)P. Duinslaeger, o.c., p. 347.
(19)Zie hierboven nota
  1. Tekst van de beslissing Nr. C.06.0221.N D. S. J., verzoeker tot onttrekking van de zaak aan de rechter, vertegenwoordigd door mr. Willy Van der Gucht, advocaat bij de balie te Gent, kantoor houdende te 9000 Gent, Sint-Denijslaan, 201, in de zaak van
  2. AXA ROYALE BELGE, naamloze vennootschap, met zetel te 1170 Brussel, Vorstlaan, 25,
  3. M.E., wonende te 8211 Zedelgem, Eernegemsestraat, 77, appellanten, vertegenwoordigd door mr. Nadine Cools, advocaat bij de balie te Brugge, kantoor houdende te 8310 Brugge, Polderhoeklaan, 6, tegen D. S. J., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. Willy Van der Gucht, advocaat bij de balie te Gent, kantoor houdende te 9000 Gent, Sint-Denijslaan, 201, in aanwezigheid van LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg, 579, PB 40, vertegenwoordigd door mr. Bart Van Damme, advocaat bij de balie te Brugge, kantoor houdende te 8310 Brugge, Baron Ruzettelaan,
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De verzoeker heeft op 27 april 2006 een verzoek neergelegd tot onttrekking van de zaak nr. BG (...) aan de dertiende correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, wegens verzuim van meer dan zes maanden om de zaak te berechten. Op 4 mei 2006 heeft de griffie van het Hof van Cassatie de opmerkingen ontvangen van Hendrik Danneels, voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge en van Marc Desloover, voorzitter van de dertiende correctionele kamer van deze rechtbank. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF
  5. Krachtens artikel 648, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering tot onttrekking van de zaak aan de rechter worden ingesteld wanneer de rechter gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen.
  6. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid voor de partijen om, zoals bepaald in artikel 652 van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak aan de rechter te onttrekken wanneer deze gedurende meer dan zes maanden verzuimd heeft de zaak te berechten die hij in beraad heeft genomen.
  7. Krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek.
  8. Hieruit volgt dat de artikelen 648, 4°, en 652 van het Gerechtelijk Wetboek ook toepasselijk zijn op de strafgerechten.
  9. Het verzoekschrift is gebaseerd op de volgende omstandigheden: - op 9 december 2002 werd hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 27 november 2002 gewezen door de Politierechtbank te Brugge, dat uitspraak gedaan heeft op de burgerlijke belangen; - op de zitting van 1 oktober 2004 werd de zaak door de dertiende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge in beraad genomen; - de uitspraak werd meermaals uitgesteld, de laatste maal tot 12 mei 2006; - op 20 maart 2006 heeft de advocaat van de verzoeker bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangedrongen om een uitspraak te verkrijgen; - op deze vraag werd op 24 maart 2006 geantwoord: "Onmiddellijk doe ik het nodige om de betreffende magistraat aan te manen om vonnis te verlenen".
  10. Uit die omstandigheden blijkt dat de dertiende correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge reeds meer dan zes maanden verzuimd heeft de zaak te berechten die zij in beraad heeft genomen.
  11. De voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge verklaart dat er geen rechtvaardiging is te geven voor de laattijdigheid waarmede het dossier is behandeld. De voorzitter van de dertiende correctionele kamer van deze rechtbank sluit zich bij die verklaring aan, in de mate het verzoek ontvankelijk is.
  12. De zaak zelf vertoont geen bijzondere kenmerken die zouden kunnen verantwoorden dat de zaak zo lang in beraad werd gehouden.
  13. De beslissing over het geschil mag in het belang van een goede rechtsbedeling niet langer uitblijven. Dictum Het Hof, Onttrekt de zaak nummer BG (...), ingeschreven op de rol van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, aan de dertiende correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, anders samengesteld. Veroordeelt de Belgische Staat in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van nul euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, de raadsheren Etienne Goethals, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns en in openbare terechtzitting van 22 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060622.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070208.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000208.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070622.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.