← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14 Rolnummer: P.05.1491.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 782 - laatst gezien 2026-07-04 05:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Cassatie in het belang van de wet op vordering van de procureur-generaal is ontvankelijk zo geen enkele partij binnen de wettelijke termijn een ontvankelijk en gegrond cassatieberoep heeft ingesteld of wanneer tegen de in laatste aanleg genomen beslissing geen ontvankelijk cassatieberoep openstaat

(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. en Cass., 25 okt. 1983, AR nr 8016, nr 110; 18 mei 1999, AR P.97.1518.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990518.5, nr 289 en 10 okt. 2000, AR P. 98.1591.N, nr
  1. Thesaurus CAS: CASSATIE - VORDERINGEN TOT VERNIETIGING. CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Cassatieberoep in het belang van de wet Vrije woorden: WAPENS Europees Antiterrorismeverdrag Strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van automatische vuurwapens Automatische vuurwapens Nota: P.05.1491.N Conclusie van Procureur-generaal M. De Swaef.
  2. Deze zaak is voor het Hof aanhangig ingevolge het cassatieberoep van de burgerlijke partij die opkomt tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de strafvordering in België lastens de verdachte F. ERDAL niet ontvankelijk is. De strafvordering heeft betrekking op feiten van moord, gepleegd op 9 januari 1996 te Istanbul (Turkije). Voor de appèlrechters was in het geding de toepassing van artikel 2 van de wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 en van de Overeenkomst betreffende de toepassing van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979 (B.S. 5 februari 1986). Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 bepaalt dat voor de toepassing van voornoemde Verdragen de Belgische rechtbanken bevoegd zijn en de Belgische strafwet van toepassing is op de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 van het Europees Verdrag van 27 januari 1977, wanneer een verzoek tot uitlevering door een Verdragssluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Het artikel 1 van het Europees Terrorismeverdrag waarnaar wordt verwezen en dat zowel voor België als Turkije bindend is, bepaalt sub littera e) dat ten behoeve van uitlevering tussen de Verdragsluitende Staten niet als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven, worden beschouwd de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen, (hand)granaten, raketten, automatische vuurwapens of bombrieven of pakjes, voor zover dit gebruik gevaar voor personen oplevert. Bij het appèlgerecht spitste het debat zich toe op de vraag of het bij de feiten gebruikte semi-automatisch vuurwapen gelijkgesteld moet worden met een automatisch vuurwapen waarvan sprake in de voornoemde wetsbepalingen. In de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat het bij de aanslag in Turkije gebruikte wapen geen automatisch vuurwapen is.
  3. De eiser in cassatie voert hiertegen drie cassatiemiddelen aan. M.i. is het bestreden arrest inderdaad niet cassatiebestendig, maar wel omwille van een andere rechtsgrond dan deze, ontwikkeld door de burgerlijke partij. Opdat een verplichting tot vervolging in België zou bestaan, is krachtens artikel 2 van de wet van 2 september 1985 primair vereist dat een verzoek tot uitlevering door een Verdragsluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Het gaat daarbij om voorafgaande voorwaarden opdat vervolging in België mogelijk is; wordt een dader immers wél uitgeleverd, dan vervalt de reden om in ons land tot vervolging over te gaan, nu de natuurlijke rechter de buitenlandse rechter is. Met artikel 2 van de wet van 2 september 1985 wordt alzo uitwerking verleend aan de artikelen 6 en 7 van het Europees Terrorismeverdrag. Artikel 6.1 van het Verdrag bepaalt dat elke Verdragsluitende Staat de maatregelen neemt die nodig zijn om zijn bevoegdheid vast te leggen tot kennisneming van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 in het geval waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en deze Staat hem niet uitlevert na een verzoek tot uitlevering te hebben ontvangen van een Verdragsluitende Staat waarvan de bevoegdheid tot vervolging is gebaseerd op een bevoegdheidsregel die eveneens bestaat in de wetgeving van een aangezochte Staat. Artikel 7 van het Verdrag bepaalt dat een Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 wordt aangetroffen en die een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 6, indien hij de vermoedelijke dader van het strafbaar feit niet uitlevert, in alle gevallen verplicht is de zaak zonder onnodig uitstel voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Deze bepalingen vormen de uitdrukking van de rechtsspreuk aut dedere aut iudicare (zie het toelichtend verslag bij het Verdrag van 27 januari 1977, Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486/1, p. 9, i.h.b. randnummer 26). 'De verplichting om de zaak aan de bevoegde autoriteiten voor strafvervolging over te dragen komt in bijkomende orde, in die zin dat zij afhankelijk wordt gesteld aan de voorafgaande weigering in een bepaald geval uit te leveren, wat slechts mogelijk is onder de omstandigheden bedoeld in het Verdrag of in andere verdragsof wetsbepalingen' (ibid.). Een gelijkaardige verplichting om de bevoegdheid vast te leggen en de zaak over te dragen aan de rechterlijke autoriteiten komt reeds voor in het Verdrag van Den Haag van 16 december 1970 tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen en het Verdrag van Montreal van 23 september 1971 tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart (Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486/1, p. 4).
  4. Blijkens het toelichtend rapport bij het Europees Terrorismeverdrag moeten voor de toepassing van artikel 7 ervan en de verplichte bevoegdheidsuitbreiding om een vervolging in te stellen, volgende voorwaarden vervuld zijn: - de vermoedelijke dader van het strafbaar feit moet zijn aangetroffen op het grondgebied van de aangezochte Staat, en - de aangezochte Staat moet een verzoek tot uitlevering hebben ontvangen van een Verdragsluitende Staat waarvan de bevoegdheid tot vervolging is gebaseerd op een bevoegdheidsregel die eveneens bestaat in zijn eigen wetgeving (randnummers 59-60). Hierbij valt op te merken dat de termen van artikel 7 van het Europees Terrorismeverdrag minder speelruimte laten dan het vergelijkbare artikel 7 van het Verdrag van Den Haag van 16 december
  5. Immers, artikel 7, eerste alinea, van laatstgenoemd verdrag bepaalt: 'L'Etat contractant sur le territoire duquel l'auteur présumé de l'infraction est découvert, s'il n'extrade pas ce dernier, soumet l'affaire, sans aucune exception et que l'infraction ait ou non été commise sur son territoire, à ces autorités compétentes pour l'exercice de l'action pénale'. In tegenstelling tot artikel 7 van het Europees Terrorismeverdrag wordt hier door de tekst niet expliciet vereist dat de aangezochte Staat een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen maar is er alleen sprake van 'indien hij de vermoedelijke dader niet uitlevert' ('s'il n'extrade pas ce dernier'). VAN DEN WYNGAERT besluit dan ook dat het Haagse Verdrag niet vereist dat een uitleveringsverzoek werd afgewezen: 'In vele verdragen, o.a. in dat van Den Haag, bestaat de verplichting tot vervolging los van de vraag of er een voorafgaandelijk uitleveringsverzoek is geweest, dat werd afgewezen. Sommige meer recente verdragen stellen zich wat meer 'bescheiden' op, en verbinden de plicht tot vervolging aan de afwijzing van het uitleveringsverzoek: de plicht tot vervolging bestaat in deze verdragen slechts voor zover uitlevering eerst gevraagd was door een andere staat, en het uitleveringsverzoek niet werd ingewilligd'. In voetnoot verwijst deze auteur nu precies naar het Europees Terrorismeverdrag (C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2003, 1070). De striktere formulering van het Europees Terrorismeverdrag in vergelijking met het Haagse verdrag, is een wezenlijk argument om als voorwaarde te vereisen dat een uitleveringsverzoek werd afgewezen. Ook uit bepaalde passages van het toelichtend rapport bij het Europees Terrorismeverdrag (i.h.b. de hierboven onder randnummer 2 aangehaalde passage ervan) volgt dat een beslissing waarbij de uitlevering wordt geweigerd, vereist is om de bevoegdheidsuitbreiding toe te kennen. De doctrine gaat in dezelfde zin (B. DE SCHUTTER, 'La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un (faux) pas en avant?', J.T. 1977,
(217)219 en 220; J. DU JARDIN, 'De quelques particularités de la Convention européenne pour la répression du terrorisme, par rapport au droit extraditionnel classique', R.D.P. 1980,
(15)28-29; S. OSCHINSKY, 'Espace judiciaire européen et terrorisme. Essai de mise au point', J.T. 1980,
(289)290; J.J.A. SALMON, 'La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un vrai pas en arrière', J.T. 1977,
(497)501).
  1. Uit het voorgaande moet alsdan worden besloten dat voor de toepassing van artikel 7, Europees Terrorismeverdrag een weigering tot uitlevering moet voorliggen; gelet op het feit dat artikel 2 van de wet van 2 september 1985 de effectuering van de artikelen 6 en 7 van het Europees Terrorismeverdrag beoogt, moet ook in het kader van artikel 2 van de wet aan deze conditie zijn voldaan. Artikel 8 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 dat bepaalt dat een aangezochte partij kan weigeren een persoon wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd ter zake van het feit of de feiten waarvoor uitlevering is verzocht, is irrelevant omdat te dezen de wettelijke voorschriften precies het tegenovergestelde geval beogen, met name geen vervolgingsbevoegdheid in geval van uitlevering. De beslissing over het verzoek tot uitlevering is krachtens de wet van 2 september 1985 derhalve bepalend voor de eventuele bevoegdheidsuitbreiding van de Belgische gerechten. Zij kunnen zich slechts uitspreken over een in België uit te oefenen strafvordering indien ze daartoe wettelijk de bevoegdheid hebben verkregen, d.i. wanneer een verzoek tot uitlevering werd ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Hieraan is te dezen (nog) niet voldaan. Het bestreden arrest stelt weliswaar vast dat een (eerste) uitleveringsverzoek vanwege Turkije op 31 mei 2000 werd afgewezen, maar er blijken nog twee verzoeken tot uitlevering te bestaan waarover de Belgische regering zich vooralsnog niet heeft uitgesproken. Aldus ontbeerden de appèlrechters enige rechtsmacht om te oordelen over de ontvankelijkheid van de alhier uit te oefenen strafvordering omtrent de strafbare feiten, bedoeld in artikel 1 van het Europees Verdrag van 27 januari 1977 alsmede over de toepassing van de Belgische strafwet.
  2. De grieven die de eiser in cassatie aanvoert tegen de bestreden beslissing hebben evenwel geen betrekking op de rechtsmacht van het appèlgerecht: ze zijn aldus niet-ontvankelijk. Daarbij worden, luidens de meestal impliciete rechtspraak van het Hof, geen cassatiemiddelen ambtshalve aangevoerd naar aanleiding van de enkele voorziening van de burgerlijke partij tegen een arrest van buitenvervolgingstelling van de kamer van inbeschuldigingstelling (Cass., 10 dec. 1980, A.C., 1980-81, nr 219; 5 mei 1993, AR P.93.0497.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930505.10, nr 221; 10 sept. 1996, AR P.95.0849.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960910.9, nr 299 en 16 feb. 2005, AR P.04.1428.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050216.7, nr 95). Met een beslissing tot buitenvervolgingstelling kunnen worden gelijkgesteld de beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering (R. Declercq, Pourvoi en cassation en matière répressive, R.P.D.B., Complément IX, nr 243). Die onmogelijkheid tot het aanvoeren van ambtshalve middelen wordt weliswaar aangevochten. Cassatiemiddelen kunnen immers door het Hof steeds worden aangevoerd als de voorziening de uitspraak van de strafvordering betreft en het is niet de hoedanigheid van de eiser in cassatie, maar wel de aard van de bestreden beslissing die daarbij bepalend moet zijn (R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, 3e Editie 2003, nr 776). Wat er ook van zij, te dezen spreken de appèlrechters zich uitdrukkelijk uit over de strafvordering en wordt hiertegen enkel door de burgerlijke partij opgekomen. Omwille van voornoemde rechtspraak van het Hof kan mijn ambt nochtans van het bestreden arrest kennis geven overeenkomstig artikel 442 Wetboek van Strafvordering. Zo het Hof evenwel zou oordelen dat toch een ambtshalve middel kan worden opgeworpen zal de vernietiging, in tegenstelling tot de cassatie in het belang van de wet, dan wel met verwijzing kunnen gepaard gaan.
  3. Conclusie: vernietiging. Fiches 2 - 4 Concl. proc.-gen. De Swaef, Cass., 27 juni 2006, AR P.05.1491.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: VEILIGHEID VAN DE STAAT Vrije woorden: VEILIGHEID VAN DE STAAT Europees Antiterrorismeverdrag Strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van automatische vuurwapens Automatische vuurwapens Thesaurus CAS: WAPENS Vrije woorden: WAPENS Europees Antiterrorismeverdrag Strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van automatische vuurwapens Automatische vuurwapens Thesaurus CAS: CASSATIE - VORDERINGEN TOT VERNIETIGING. CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET Vrije woorden: CASSATIE - VORDERINGEN TOT VERNIETIGING. CASSATIEBEROEP IN HET BELANG VAN DE WET Cassatieberoep in het belang van de wet Ontvankelijkheid Fiche 5 Nu de strafbare feiten als bedoeld in artikel 1, e), Europees Antiterrorismeverdrag, het gebruik van vuurwapens omvatten waarmee ten minste automatisch kan worden herladen, hebben de bewoordingen "automatische vuurwapens" in voornoemd verdrag een algemene draagwijdte en maken ze geen onderscheid tussen volautomatische en semi-automatische vuurwapens
(1).
(1)Zie omtrent de invulling van het begrip "automatische vuurwapens" in het Europees Antiterrorismeverdrag: de memorie van toelichting bij het Wetsontwerp houdende goedkeuring van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 (Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486-1, p. 2) die verduidelijkt dat artikel 1 van het verdrag geen omschrijving van de terreurdaad noch van het politiek delict geeft. "Een zodanige omschrijving bleek moeilijk te geven en bovendien overbodig. Het artikel beperkt zich tot de opgaaf, naast de strafbare feiten waarin de internationale verdragen betreffende de vliegtuigkaping en de bescherming van diplomaten voorzien, van een reeks hatelijke handelingen die gevolgen hebben in het blinde weg (gebruik van bommen, bombrieven, automatische vuurwapens) of die gericht zijn tegen onschuldige personen (gijzeling)"; verder wordt bij het toelichtend verslag bij het verdrag onderstreept dat het verdrag enkel van toepassing is op bijzonder hatelijke en ernstige daden waarvan dikwijls personen het slachtoffer zijn die met de motieven van die daden geen uitstaans hebben (nr 21 van het toelichtend verslag, zoals ook gepubliceerd in Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486-1, p. 8); de categorie strafbare feiten bedoeld in artikel 1, e), komen -in tegenstelling tot deze in de letters
  1. a)tot en met d)- nog niet voor in internationale verdragen, maar worden zo ernstig geacht dat men het nodig heeft geoordeeld ze gelijk te stellen met de strafbare feiten van de letters
  2. a)tot en met
  3. d)(nr 35 van het toelichtend verslag); lid e heeft betrekking op de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen en andere tuigen die de dood tot gevolg kunnen hebben (in het Frans "... de tuer au hasard". "Het is enkel van toepassing wanneer het gebruik gevaar heeft opgeleverd voor personen d.w.z. een risico voor personen, zelfs zonder ze werkelijk te hebben gekwetst" (nr 38 van het toelichtend verslag bij het verdrag); ook bij de bespreking van de goedkeuringswet wordt onderstreept dat de grondgedachte van het verdrag is dat sommige misdaden vanwege de gebruikte middelen of wegens hun gevolgen zo hatelijk zijn dat men ze niet langer zomaar onder de categorie politieke misdrijven kan rangschikken met alle gevolgen die daaraan verbonden zijn (Parl. St. Kamer, 1981-82, nr 241-4, p. 28); er werd op gewezen dat artikel 1 van het Terrorismeverdrag betrekking heeft op handelingen die worden gekenmerkt door "le danger qu'ils constituent pour un ensemble de personnes souvent prises au hasard et sans lien direct avec les motifs de l'auteur (utilisation de bombes, armes à feu automatiques, lettres piégées, et...). Si cette seconde catégorie peut, à première vue, englober un ensemble très vaste d'actes de violence, il faut néanmoins souligner qu'ils se caractérisent tous par leur gravité, la non-discrimination en ce qui concerne les victimes et le caractère aveugle de l'effet de certains moyens utilisés. Tous les actes visés constituent un danger collectif et peuvent atteindre des innocents par des méthodes cruelles" (B. DE SCHUTTER, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un (faux) pas en avant?", J.T. 1977,
(217)219); op de bepaling van artikel 1, e), van het verdrag werd ook kritiek geleverd: "Quant au e, il confine au ridicule. Qu'on nous dise quels sont les délits politiques qui restent, si on n'utilise ni bombes, ni grenades, ni armes à feu automatiques? Le hold up ou l'assassinat avec un poignard ou un fusil moser? La grenade et la mitraillette sont donc devenues des armes aveugles? Ayant des effets indiscriminés? Pourquoi diable permettre à nos gendarmes de se promener munis de pareils engins dans les rues de Bruxelles?" (J.J.A. SALMON, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un vrai pas en arrière", J.T. 1977,
(497)500); du Jardin wijst erop dat de strafbare feiten van artikel 1 van het Terrorismeverdrag, met uitzondering van deze die verwijzen naar andere internationale verdragen, gekenmerkt worden door hun ernst, "par le danger qu'ils constituent pour les victimes innocentes et par le caractère aveugle et odieux des moyens utilisés ou de leur effets" (J. DU JARDIN, "De quelques particularités de la Convention Européenne pour la répression du terrorisme, par rapport au droit extraditionnel classique", R.D.P. 1980,
(15)20); de bepaling van artikel 1, e), van het verdrag maakte het voorwerp uit van kritiek, onder meer omdat ze onvolledig zou zijn: "C'est là, manifestement, une formule qui cherche à recouvrir le plus grand nombre d'activités terroristes connues à ce jour. Mais, pour aussi large qu'elle soit, elle s'est déjà vu adresser le reproche d'être incomplète: ainsi, pourquoi ne mentionner que les armes automatiques?" (M. ROUJOU DE BOUBEE, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme et le droit de l'extradition", R.D.P. 1980,
(63)69); over artikel 1 van het Terrorismeverdrag werd nog gezegd dat het gaat om een opsomming met voor- en nadelen. "Elle permet, en comparaison d'une définition générale et abstraite, d'envisager toutes les hypothèses et de situer les actes constitutifs de l'infraction avec une certaine précision. Par contre, elle risque toujours d'être lacunaire et d'être rapidement dépassée par les événements" (G. FRAYSSE-DRUESNE, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme", R.G.D.I.P. 1978,
(969)995); laatstgenoemde auteur wijst er op dat tijdens de bespreking van het verdrag in de Raadgevende Vergadering de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk de zwakte van de bepaling van artikel 1 hekelde, "en ce qu'il exclut les délits commis sans l'emploi d'armes automatiques" (G. FRAYSSE-DRUESNE, l.c., 995, voetnoot 27). Thesaurus CAS: VEILIGHEID VAN DE STAAT Vrije woorden: WAPENS Europees Antiterrorismeverdrag Strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van automatische vuurwapens Automatische vuurwapens Fiche 6 Nu de strafbare feiten als bedoeld in artikel 1, e), Europees Antiterrorismeverdrag, het gebruik van vuurwapens omvatten waarmee ten minste automatisch kan worden herladen, hebben de bewoordingen "automatische vuurwapens" in voornoemd verdrag een algemene draagwijdte en maken ze geen onderscheid tussen volautomatische en semi-automatische vuurwapens
(1).
(1)Zie omtrent de invulling van het begrip "automatische vuurwapens" in het Europees Antiterrorismeverdrag: de memorie van toelichting bij het Wetsontwerp houdende goedkeuring van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 (Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486-1, p. 2) die verduidelijkt dat artikel 1 van het verdrag geen omschrijving van de terreurdaad noch van het politiek delict geeft. "Een zodanige omschrijving bleek moeilijk te geven en bovendien overbodig. Het artikel beperkt zich tot de opgaaf, naast de strafbare feiten waarin de internationale verdragen betreffende de vliegtuigkaping en de bescherming van diplomaten voorzien, van een reeks hatelijke handelingen die gevolgen hebben in het blinde weg (gebruik van bommen, bombrieven, automatische vuurwapens) of die gericht zijn tegen onschuldige personen (gijzeling)"; verder wordt bij het toelichtend verslag bij het verdrag onderstreept dat het verdrag enkel van toepassing is op bijzonder hatelijke en ernstige daden waarvan dikwijls personen het slachtoffer zijn die met de motieven van die daden geen uitstaans hebben (nr 21 van het toelichtend verslag, zoals ook gepubliceerd in Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486-1, p. 8); de categorie strafbare feiten bedoeld in artikel 1, e), komen -in tegenstelling tot deze in de letters
  1. a)tot en met d)- nog niet voor in internationale verdragen, maar worden zo ernstig geacht dat men het nodig heeft geoordeeld ze gelijk te stellen met de strafbare feiten van de letters
  2. a)tot en met
  3. d)(nr 35 van het toelichtend verslag); lid e heeft betrekking op de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen en andere tuigen die de dood tot gevolg kunnen hebben (in het Frans "... de tuer au hasard". "Het is enkel van toepassing wanneer het gebruik gevaar heeft opgeleverd voor personen d.w.z. een risico voor personen, zelfs zonder ze werkelijk te hebben gekwetst" (nr 38 van het toelichtend verslag bij het verdrag); ook bij de bespreking van de goedkeuringswet wordt onderstreept dat de grondgedachte van het verdrag is dat sommige misdaden vanwege de gebruikte middelen of wegens hun gevolgen zo hatelijk zijn dat men ze niet langer zomaar onder de categorie politieke misdrijven kan rangschikken met alle gevolgen die daaraan verbonden zijn (Parl. St. Kamer, 1981-82, nr 241-4, p. 28); er werd op gewezen dat artikel 1 van het Terrorismeverdrag betrekking heeft op handelingen die worden gekenmerkt door "le danger qu'ils constituent pour un ensemble de personnes souvent prises au hasard et sans lien direct avec les motifs de l'auteur (utilisation de bombes, armes à feu automatiques, lettre piégées, et...). Si cette seconde catégorie peut, à première vue, englober un ensemble très vaste d'actes de violence, il faut néanmoins souligner qu'ils se caractérisent tous par leur gravité, la non-discrimination en ce qui concerne les victimes et le caractère aveugle de l'effet de certains moyens utilisés. Tous les actes visés constituent un danger collectif et peuvent atteindre des innocents par des méthodes cruelles" (B. DE SCHUTTER, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un (faux) pas en avant?", J.T. 1977,
(217)219); op de bepaling van artikel 1, e), van het verdrag werd ook kritiek geleverd: "Quant au e, il confine au ridicule. Qu'on nous dise quels sont les délits politiques qui restent, si on n'utilise ni bombes, ni grenades, ni armes à feu automatiques? Le hold up ou l'assassinat avec un poignard ou un fusil moser? La grenade et la mitraillette sont donc devenues des armes aveugles? Ayant des effets indiscriminés? Pourquoi diable permettre à nos gendarmes de se promener munis de pareils engins dans les rues de Bruxelles?" (J.J.A. SALMON, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un vrai pas en arrière", J.T. 1977,
(497)500); du Jardin wijst erop dat de strafbare feiten van artikel 1 van het Terrorismeverdrag, met uitzondering van deze die verwijzen naar andere internationale verdragen, gekenmerkt worden door hun ernst, "par le danger qu'ils constituent pour les victimes innocentes et par le caractère aveugle et odieux des moyens utilisés ou de leur effets" (J. DU JARDIN, "De quelques particularités de la Convention Européenne pour la répression du terrorisme, par rapport au droit extraditionnel classique", R.D.P. 1980,
(15)20); de bepaling van artikel 1, e), van het verdrag maakte het voorwerp uit van kritiek, onder meer omdat ze onvolledig zou zijn: "C'est là, manifestement, une formule qui cherche à recouvrir le plus grand nombre d'activités terroristes connues à ce jour. Mais, pour aussi large qu'elle soit, elle s'est déjà vu adresser le reproche d'être incomplète: ainsi, pourquoi ne mentionner que les armes automatiques?" (M. ROUJOU DE BOUBEE, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme et le droit de l'extradition", R.D.P. 1980,
(63)69); over artikel 1 van het Terrorismeverdrag werd nog gezegd dat het gaat om een opsomming met voor- en nadelen. "Elle permet, en comparaison d'une définition générale et abstraite, d'envisager toutes les hypothèses et de situer les actes constitutifs de l'infraction avec une certaine précision. Par contre, elle risque toujours d'être lacunaire et d'être rapidement dépassée par les événements" (G. FRAYSSE-DRUESNE, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme", R.G.D.I.P. 1978,
(969)995); laatstgenoemde auteur wijst er op dat tijdens de bespreking van het verdrag in de Raadgevende Vergadering de vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk de zwakte van de bepaling van artikel 1 hekelde, "en ce qu'il exclut les délits commis sans l'emploi d'armes automatiques" (G. FRAYSSE-DRUESNE, l.c., 995, voetnoot 27). Thesaurus CAS: WAPENS Vrije woorden: VEILIGHEID VAN DE STAAT Europees Antiterrorismeverdrag Strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van automatische vuurwapens Automatische vuurwapens Nota: P.05.1491.N Conclusie van Procureur-generaal M. De Swaef.
  1. Deze zaak is voor het Hof aanhangig ingevolge het cassatieberoep van de burgerlijke partij die opkomt tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de strafvordering in België lastens de verdachte F. ERDAL niet ontvankelijk is. De strafvordering heeft betrekking op feiten van moord, gepleegd op 9 januari 1996 te Istanbul (Turkije). Voor de appèlrechters was in het geding de toepassing van artikel 2 van de wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 en van de Overeenkomst betreffende de toepassing van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979 (B.S. 5 februari 1986). Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 bepaalt dat voor de toepassing van voornoemde Verdragen de Belgische rechtbanken bevoegd zijn en de Belgische strafwet van toepassing is op de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 van het Europees Verdrag van 27 januari 1977, wanneer een verzoek tot uitlevering door een Verdragssluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Het artikel 1 van het Europees Terrorismeverdrag waarnaar wordt verwezen en dat zowel voor België als Turkije bindend is, bepaalt sub littera e) dat ten behoeve van uitlevering tussen de Verdragsluitende Staten niet als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven, worden beschouwd de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen, (hand)granaten, raketten, automatische vuurwapens of bombrieven of pakjes, voor zover dit gebruik gevaar voor personen oplevert. Bij het appèlgerecht spitste het debat zich toe op de vraag of het bij de feiten gebruikte semi-automatisch vuurwapen gelijkgesteld moet worden met een automatisch vuurwapen waarvan sprake in de voornoemde wetsbepalingen. In de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat het bij de aanslag in Turkije gebruikte wapen geen automatisch vuurwapen is.
  2. De eiser in cassatie voert hiertegen drie cassatiemiddelen aan. M.i. is het bestreden arrest inderdaad niet cassatiebestendig, maar wel omwille van een andere rechtsgrond dan deze, ontwikkeld door de burgerlijke partij. Opdat een verplichting tot vervolging in België zou bestaan, is krachtens artikel 2 van de wet van 2 september 1985 primair vereist dat een verzoek tot uitlevering door een Verdragsluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Het gaat daarbij om voorafgaande voorwaarden opdat vervolging in België mogelijk is; wordt een dader immers wél uitgeleverd, dan vervalt de reden om in ons land tot vervolging over te gaan, nu de natuurlijke rechter de buitenlandse rechter is. Met artikel 2 van de wet van 2 september 1985 wordt alzo uitwerking verleend aan de artikelen 6 en 7 van het Europees Terrorismeverdrag. Artikel 6.1 van het Verdrag bepaalt dat elke Verdragsluitende Staat de maatregelen neemt die nodig zijn om zijn bevoegdheid vast te leggen tot kennisneming van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 in het geval waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en deze Staat hem niet uitlevert na een verzoek tot uitlevering te hebben ontvangen van een Verdragsluitende Staat waarvan de bevoegdheid tot vervolging is gebaseerd op een bevoegdheidsregel die eveneens bestaat in de wetgeving van een aangezochte Staat. Artikel 7 van het Verdrag bepaalt dat een Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 wordt aangetroffen en die een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 6, indien hij de vermoedelijke dader van het strafbaar feit niet uitlevert, in alle gevallen verplicht is de zaak zonder onnodig uitstel voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Deze bepalingen vormen de uitdrukking van de rechtsspreuk aut dedere aut iudicare (zie het toelichtend verslag bij het Verdrag van 27 januari 1977, Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486/1, p. 9, i.h.b. randnummer 26). "De verplichting om de zaak aan de bevoegde autoriteiten voor strafvervolging over te dragen komt in bijkomende orde, in die zin dat zij afhankelijk wordt gesteld aan de voorafgaande weigering in een bepaald geval uit te leveren, wat slechts mogelijk is onder de omstandigheden bedoeld in het Verdrag of in andere verdragsof wetsbepalingen" (ibid.). Een gelijkaardige verplichting om de bevoegdheid vast te leggen en de zaak over te dragen aan de rechterlijke autoriteiten komt reeds voor in het Verdrag van Den Haag van 16 december 1970 tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen en het Verdrag van Montreal van 23 september 1971 tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart (Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, 1977-78, nr 486/1, p. 4).
  3. Blijkens het toelichtend rapport bij het Europees Terrorismeverdrag moeten voor de toepassing van artikel 7 ervan en de verplichte bevoegdheidsuitbreiding om een vervolging in te stellen, volgende voorwaarden vervuld zijn: - de vermoedelijke dader van het strafbaar feit moet zijn aangetroffen op het grondgebied van de aangezochte Staat, en - de aangezochte Staat moet een verzoek tot uitlevering hebben ontvangen van een Verdragsluitende Staat waarvan de bevoegdheid tot vervolging is gebaseerd op een bevoegdheidsregel die eveneens bestaat in zijn eigen wetgeving (randnummers 59-60). Hierbij valt op te merken dat de termen van artikel 7 van het Europees Terrorismeverdrag minder speelruimte laten dan het vergelijkbare artikel 7 van het Verdrag van Den Haag van 16 december
  4. Immers, artikel 7, eerste alinea, van laatstgenoemd verdrag bepaalt: "L'Etat contractant sur le territoire duquel l'auteur présumé de l'infraction est découvert, s'il n'extrade pas ce dernier, soumet l'affaire, sans aucune exception et que l'infraction ait ou non été commise sur son territoire, à ces autorités compétentes pour l'exercice de l'action pénale". In tegenstelling tot artikel 7 van het Europees Terrorismeverdrag wordt hier door de tekst niet expliciet vereist dat de aangezochte Staat een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen maar is er alleen sprake van "indien hij de vermoedelijke dader niet uitlevert" ("s'il n'extrade pas ce dernier"). VAN DEN WYNGAERT besluit dan ook dat het Haagse Verdrag niet vereist dat een uitleveringsverzoek werd afgewezen: "In vele verdragen, o.a. in dat van Den Haag, bestaat de verplichting tot vervolging los van de vraag of er een voorafgaandelijk uitleveringsverzoek is geweest, dat werd afgewezen. Sommige meer recente verdragen stellen zich wat meer "bescheiden" op, en verbinden de plicht tot vervolging aan de afwijzing van het uitleveringsverzoek: de plicht tot vervolging bestaat in deze verdragen slechts voor zover uitlevering eerst gevraagd was door een andere staat, en het uitleveringsverzoek niet werd ingewilligd". In voetnoot verwijst deze auteur nu precies naar het Europees Terrorismeverdrag (C. VAN DEN WYNGAERT, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht, Antwerpen, Maklu, 2003, 1070). De striktere formulering van het Europees Terrorismeverdrag in vergelijking met het Haagse verdrag, is een wezenlijk argument om als voorwaarde te vereisen dat een uitleveringsverzoek werd afgewezen. Ook uit bepaalde passages van het toelichtend rapport bij het Europees Terrorismeverdrag (i.h.b. de hierboven onder randnummer 2 aangehaalde passage ervan) volgt dat een beslissing waarbij de uitlevering wordt geweigerd, vereist is om de bevoegdheidsuitbreiding toe te kennen. De doctrine gaat in dezelfde zin (B. DE SCHUTTER, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un (faux) pas en avant?", J.T. 1977,
(217)219 en 220; J. DU JARDIN, "De quelques particularités de la Convention européenne pour la répression du terrorisme, par rapport au droit extraditionnel classique", R.D.P. 1980,
(15)28-29; S. OSCHINSKY, "Espace judiciaire européen et terrorisme. Essai de mise au point", J.T. 1980,
(289)290; J.J.A. SALMON, "La Convention européenne pour la répression du terrorisme. Un vrai pas en arrière", J.T. 1977,
(497)501).
  1. Uit het voorgaande moet alsdan worden besloten dat voor de toepassing van artikel 7, Europees Terrorismeverdrag een weigering tot uitlevering moet voorliggen; gelet op het feit dat artikel 2 van de wet van 2 september 1985 de effectuering van de artikelen 6 en 7 van het Europees Terrorismeverdrag beoogt, moet ook in het kader van artikel 2 van de wet aan deze conditie zijn voldaan. Artikel 8 van het Europees Uitleveringsverdrag van 13 december 1957 dat bepaalt dat een aangezochte partij kan weigeren een persoon wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd ter zake van het feit of de feiten waarvoor uitlevering is verzocht, is irrelevant omdat te dezen de wettelijke voorschriften precies het tegenovergestelde geval beogen, met name geen vervolgingsbevoegdheid in geval van uitlevering. De beslissing over het verzoek tot uitlevering is krachtens de wet van 2 september 1985 derhalve bepalend voor de eventuele bevoegdheidsuitbreiding van de Belgische gerechten. Zij kunnen zich slechts uitspreken over een in België uit te oefenen strafvordering indien ze daartoe wettelijk de bevoegdheid hebben verkregen, d.i. wanneer een verzoek tot uitlevering werd ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Hieraan is te dezen (nog) niet voldaan. Het bestreden arrest stelt weliswaar vast dat een (eerste) uitleveringsverzoek vanwege Turkije op 31 mei 2000 werd afgewezen, maar er blijken nog twee verzoeken tot uitlevering te bestaan waarover de Belgische regering zich vooralsnog niet heeft uitgesproken. Aldus ontbeerden de appèlrechters enige rechtsmacht om te oordelen over de ontvankelijkheid van de alhier uit te oefenen strafvordering omtrent de strafbare feiten, bedoeld in artikel 1 van het Europees Verdrag van 27 januari 1977 alsmede over de toepassing van de Belgische strafwet.
  2. De grieven die de eiser in cassatie aanvoert tegen de bestreden beslissing hebben evenwel geen betrekking op de rechtsmacht van het appèlgerecht: ze zijn aldus niet-ontvankelijk. Daarbij worden, luidens de meestal impliciete rechtspraak van het Hof, geen cassatiemiddelen ambtshalve aangevoerd naar aanleiding van de enkele voorziening van de burgerlijke partij tegen een arrest van buitenvervolgingstelling van de kamer van inbeschuldigingstelling (Cass., 10 dec. 1980, A.C., 1980-81, nr 219; 5 mei 1993, AR P.93.0497.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930505.10, nr 221; 10 sept. 1996, AR P.95.0849.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960910.9, nr 299 en 16 feb. 2005, AR P.04.1428.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050216.7, nr 95). Met een beslissing tot buitenvervolgingstelling kunnen worden gelijkgesteld de beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering (R. Declercq, Pourvoi en cassation en matière répressive, R.P.D.B., Complément IX, nr 243). Die onmogelijkheid tot het aanvoeren van ambtshalve middelen wordt weliswaar aangevochten. Cassatiemiddelen kunnen immers door het Hof steeds worden aangevoerd als de voorziening de uitspraak van de strafvordering betreft en het is niet de hoedanigheid van de eiser in cassatie, maar wel de aard van de bestreden beslissing die daarbij bepalend moet zijn (R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, 3e Editie 2003, nr 776). Wat er ook van zij, te dezen spreken de appèlrechters zich uitdrukkelijk uit over de strafvordering en wordt hiertegen enkel door de burgerlijke partij opgekomen. Omwille van voornoemde rechtspraak van het Hof kan mijn ambt nochtans van het bestreden arrest kennis geven overeenkomstig artikel 442 Wetboek van Strafvordering. Zo het Hof evenwel zou oordelen dat toch een ambtshalve middel kan worden opgeworpen zal de vernietiging, in tegenstelling tot de cassatie in het belang van de wet, dan wel met verwijzing kunnen gepaard gaan.
  3. Conclusie: vernietiging. Annotaties Publicaties: N.C. - Steven DEWULF; Terroristen en hun wapens - 2007,141-148 JT - Eric DAVID; Un arrêt plein de bon sens - 2006, 642-644 Juristenkrant - Paul DE HERT; Uitlevering Erdal kan voor het Hof van cassatie - 2006,12 T.Straf. - X; noot - 2006,339-340 Tekst van de beslissing Nr. P.05.1491.N S. D., burgerlijke partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie en met raadslieden mr. Fernand Schmitz, advocaat bij de balie te Brussel en mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge, tegen E. F., alias Y. N., inverdenkinggestelde, verweerster, met als raadslieden mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie te Brugge en mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie te Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 31 oktober 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. De eiser stelt in een memorie drie middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit . Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht . Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd en vordert de cassatie in het belang van de wet. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
  4. Artikel 1, e), van het Europees Verdrag tot bestrijding van het terrorisme, opgemaakt te Straatsburg op 27 januari 1977 (Europees Antiterrorismeverdrag) bepaalt dat de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen, (hand)granaten, raketten, automatische vuurwapens of bombrieven of pakjes, voor zover dit gebruik voor personen gevaar oplevert, ten behoeve van uitlevering tussen verdragsluitende partijen niet als een politiek delict, een met een politiek samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven, wordt beschouwd. Artikel 2 van de wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Antiterrorismeverdrag en de Overeenkomst betreffende de toepassing tussen de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen, opgemaakt te Dublin op 4 december 1979, bepaalt dat voor de toepassing van de voornoemde verdragen de Belgische rechtbanken bevoegd zijn en de Belgische Strafwet van toepassing is op de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 Europees Antiterrorismeverdrag, wanneer een verzoek tot uitlevering door een verdragsluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd.)
  5. Geen enkele bepaling van het Europees Antiterrorismeverdrag bepaalt wat onder "automatisch vuurwapen" dient te worden verstaan.
  6. Artikel 31.
  7. van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, bepaalt dat een verdrag moet worden uitgelegd te goeder trouw overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag.
  8. Uit het toelichtend verslag voorafgaand aan het Europees Antiterrorismeverdrag blijkt dat de verdragsluitende partijen de toepassing van het verdrag beogen op bijzonder ernstige daden waarvan vaak personen het slachtoffer zijn die met de motieven van de aanslagen geen uitstaans hebben. Artikel 1, e), van voormeld verdrag onderstelt het gebruik van tuigen waardoor snel slachtoffers kunnen vallen, zonder dat evenwel vereist is dat personen werkelijk gekwetst werden. Daaruit volgt dat de strafbare feiten als bedoeld in artikel 1, e), Europees Antiterrorismeverdrag, het gebruik van vuurwapens omvatten waarmee ten minste automatisch kan worden herladen zodat snel en willekeurig kan worden gevuurd en een groot aantal slachtoffers kan worden gemaakt. Dergelijke wapens, zij het semiautomatisch, zijn, in tegenstelling tot de niet-automatische wapens, de vuurwapens bedoeld in artikel 1,e), Europees Antiterrorismeverdrag. De bewoordingen "automatische vuurwapens" in artikel 1, e), Europees Antiterrorismeverdrag hebben bijgevolg een algemene draagwijdte en maken geen onderscheid tussen volautomatische en semiautomatische vuurwapens.
  9. Het arrest oordeelt dat artikel 1, e), Europees Antiterrorismeverdrag van toepassing is op het gebruik van volautomatische vuurwapens en niet van semiautomatische vuurwapens. Het oordeelt vervolgens dat de bij de ten laste gelegde feiten gebruikte wapen een semiautomatisch vuurwapen is zodat de door de eiser ingevolge zijn burgerlijke partijstelling ingestelde strafvordering niet ontvankelijk is. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  10. De overige grieven behoeven geen antwoord. Vordering van de procureur-generaal
  11. De procureur-generaal voert aan dat zolang de Belgische regering geen uitspraak gedaan heeft over de twee verzoeken, uitgaande van Turkije, tot uitlevering van de verweerster wegens de feiten waarvoor eiser in België klacht heeft neergelegd, de Belgische rechtbanken onbevoegd zijn. Overeenkomstig artikel 2 van de wet van 2 september 1985 houdende goedkeuring van het Europees Antiterrorismeverdrag, zijn de Belgische rechtbanken immers slechts bevoegd en is de Belgische strafwet slechts van toepassing op de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 Europees Antiterrorismeverdrag, wanneer een verzoek tot uitlevering door een Verdragsluitende Staat is ingediend en de vermoedelijke dader niet wordt uitgeleverd. Op grond daarvan vordert de procureur-generaal de vernietiging van het arrest in het belang van de wet.
  12. Artikel 442 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Wanneer een hof van beroep of van assisen, of een correctionele rechtbank of politierechtbank een arrest of een vonnis in laatste aanleg heeft gewezen, dat vatbaar is voor cassatie, maar waartegen geen van de partijen binnen de gestelde termijn is opgekomen, kan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ook ambtshalve en niettegenstaande het verstrijken van de termijn, aan het Hof van Cassatie kennis ervan geven. Het arrest of het vonnis zal vernietigd worden zonder dat partijen zich erop kunnen beroepen om zich tegen de tenuitvoerlegging te verzetten". Uit die bepaling volgt dat de cassatie in het belang van de wet op vordering van de procureur-generaal enkel kan worden uitgesproken wanneer tegen een in laatste aanleg genomen beslissing waarin een onwettigheid voorkomt, geen enkele partij binnen de wettelijke termijn een ontvankelijk cassatieberoep heeft ingesteld of wanneer tegen dergelijke beslissing geen ontvankelijk cassatieberoep openstaat.
  13. Tegen het bestreden arrest is een ontvankelijk en gegrond cassatieberoep ingesteld. De vordering van de procureur-generaal is derhalve niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de rand van het vernietigde arrest. Verwerpt de vordering tot cassatie in belang van de wet. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Begroot de kosten op de som van 252,09 euro waarvan 222,09 euro verschuldigd is en 30 euro betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 27 juni 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060627.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070918.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230426.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230906.2F.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.16 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250204.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930505.10 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960910.9 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990518.5 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001010.12 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050216.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.