id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.5 Rolnummer: C.05.0163.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Insolventierecht Invoerdatum: 2006-10-26 Raadplegingen: 255 - laatst gezien 2026-07-03 08:01 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De verplichting van de lasthebber om de gelden die hij krachtens de uitvoering van zijn volmacht heeft ontvangen aan zijn lastgever af te dragen kan worden aangezien als een schuld tot betaling van een geldsom die, in beginsel, in aanmerking komt voor schuldvergelijking met een schuldvordering die de lasthebber op de lastgever heeft, ook al is die schuldvordering vreemd aan de lastgeving. Thesaurus CAS: LASTGEVING Vrije woorden: LASTGEVING Verplichting van de lasthebber Geldsom Ontvangst Aard Schuldvergelijking Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1291,1984 Thesaurus CAS: SCHULDVERGELIJKING Vrije woorden: SCHULDVERGELIJKING Lastgeving Verplichting van de lasthebber Geldsom Ontvangst Aard Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1291,1984 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Lastgeving Verplichting van de lasthebber Geldsom Ontvangst Aard Schuldvergelijking Mogelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.1291,1984 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0163.N VAN LOOY Jef, advocaat, kantoor houdende te 2280 Grobbendonk, Bevrijdingstraat 20 A, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Intabo, met zetel te 2260 Westerlo, Grote Markt 10, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GB RETAIL ASSOCIATES, naamloze vennootschap, met zetel te 1140 Evere, Olympiadenlaan 20, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 11 december 2003 en 16 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; - de artikelen 1234, 1289, 1291, 1984, 1993, 1999, 2000 en 2001 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 445 en 446 van de Faillissementswet van 18 april 1851, die boek III van het Wetboek van Koophandel vormt, zoals van toepassing vóór haar opheffing bij wet van 8 augustus 1997 (artikel 149) en 17 en 18 van de Faillissementswet van 8 augustus
- Aangevochten beslissingen De vijfde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen heropent in het bestreden tussenarrest van 11 december 2003 de debatten en verklaart in het bestreden eindarrest van 16 september 2004 het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk en gegrond, wijzigt het bestreden vonnis en verklaart eisers vordering in alle onderdelen ongegrond. Vervolgens verwijst het eindarrest de eiser in de kosten van beide aanleggen. De vijfde kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen deed in zijn tussenarrest van 11 december 2003 volgende feitelijke vaststellingen (p. 2): "NV Intabo was eigenaar en exploitant van een handelszaak 'Nopri' te Westerlo. Zij was met (de verweerster) verbonden met een franchiseovereenkomst. Ingevolge een aanzienlijk opgelopen schuld van Intabo ten overstaan van (de verweerster) (schommelend rond één miljoen euro) beëindigde deze de overeenkomst bij brief van 27 maart
- Toepassing makend van de bepalingen desbetreffende van de overeenkomst (meer bepaald art. 35 en 36) heeft (de verweerster) bezit genomen van de handelszaak en deze verkocht aan een BVBA Woco. De betaalde koopsom, 399.507,78 euro, werd door (de verweerster) aangewend ter (gedeeltelijke) delging van haar schuldvordering op Intabo. Op 8 april 1997 werd Intabo failliet verklaard". Het hof van beroep besloot na te hebben vastgesteld dat de verweerster zich beriep op (wettelijke) compensatie dat, nog vóór het faillissement, de voorwaarden voor compensatie vervuld waren zodat eisers vordering tot betaling van de overnameprijs ongegrond was, de schuld teniet gegaan zijnde door compensatie. Het hof van beroep stoelt deze beslissing onder meer op de volgende gronden, neergelegd in het tussenarrest op pagina's 3-5: "De overeenkomsten tussen (de verweerster) en de (NV Intabo) dateren van 15 december 1993 (de franchiseovereenkomst) en van 21 december 1993 (de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn). Krachtens art. 36 van de franchiseovereenkomst was (de verweerster) gerechtigd de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen. Het staat vast dat (de NV) Intabo een aanzienlijke schuld had opgebouwd als gevolg van een verlieslatende exploitatie en niet in staat was om deze schuld binnen redelijke termijn aan te zuiveren. (...) Uit de briefwisseling die aan de brieven van 26 en 27 maart 1997 voorafgaat blijkt immers onomstotelijk dat (de NV) Intabo zich in de volstrekte onmogelijkheid bevond de aanzienlijke schuld te betalen. Zij bevestigde uitdrukkelijk dat het haar niet mogelijk was nieuwe kredieten bij de banken te bekomen en geen andere inbreng te kunnen doen dan haar eigen arbeid. (...) In die omstandigheden kon de eerste rechter niet op de contractuele aansprakelijkheid van (de verweerster) steunen om deze te veroordelen tot betaling van de koopsom. Ook in hoger beroep blijft (de eiser) zijn vordering steunen op art. 445 en 446 (oude) Faill. W., huidige art. 17 en 18 Faill. W. Het blijkt evenwel dat de wijze waarop gehandeld werd overeenstemt met de contractuele afspraken die zelf dateren van eind 1993, lang vóór de verdachte periode (de datum van staking van betaling werd bepaald op 8 okt. 1996). Deze contractuele bepalingen ontsnappen derhalve aan de toepassing van art. 17 en 18 Faill. W. Art. 35 d van de franchiseovereenkomst luidt als volgt: 'In alle gevallen waar de afstand van het handelsfonds geschiedt ten gunste van een derde laat de franchisenemer bij deze reeds (de NV Nopri) en/of een door haar aangeduide maatschappij toe de prijs hiervan van de derde te ontvangen en het ontvangen bedrag te compenseren ten belope van het bedrag dat de franchisenemer in de boekhouding van de (NV Nopri) en/of een door haar aangeduide maatschappij nog verschuldigd zou blijven'. (De verweerster) heeft haar optierecht uitgeoefend en BVBA Woco als overnemer van de handelszaak aangeduid. Op grond van de aangehaald contractuele bepaling heeft zij zich de door deze betaalde koopsom laten betalen en heeft de pandhoudende schuldeiser, KBC, betaald", evenals op de gronden, die in het eindarrest voorkomen op pagina's 2 en 3: "(De verweerster) beroept zich in hoofdorde op de 'wettelijke compensatie na middellijke vertegenwoordiging'. Opdat compensatie zou kunnen plaats vinden is vereist dat de partijen schuldenaar zijn van elkaar. Te dezen was (de verweerster) niet zelf de koper van het handelsfonds. Zij heeft haar optierecht uitgeoefend door een derde aan te wijzen die het handelsfonds overnam: BVBA Woco. Onterecht stelt (de verweerster) de zaken zo voor dat zij ten overstaan van NV Intabo, de gefailleerde, schuldenaar was van de overnameprijs. Het lichten van de contractueel bedongen optie waarbij (de verweerster) voor rekening van een derde (de overnemer) handelde maakt haar niet tot schuldenaar van de prijs. Waar (de verweerster) als franchisegever om evidente redenen inspraak wenste te hebben in de persoon die het handelsfonds van de franchisenemer, Intabo, overnam en daarom het optierecht bedong, blijkt nergens uit de contractuele bepalingen dat in elk geval (de verweerster) moest instaan voor de betaling van de prijs. Door Woco aan te duiden als overnemer is (de verweerster) slechts opgetreden als tussenpersoon bij de koop-verkoop die tot stand is gekomen rechtstreeks tussen Intabo en Woco. Wel houden de bepalingen van de overeenkomst een lastgeving in van Intabo aan (de verweerster) om de verkoop te realiseren: door het optierecht toe te staan gaf Intabo aan (de verweerster) de volmacht om een overnemer van het handelsfonds te zoeken, daarmee de koop-verkoop te regelen (de bepaling van de overnameprijs werd geregeld in art. 35 a van de franchiseovereenkomst) en af te sluiten, alsmede om de koopsom in ontvangst te nemen (art. 35d van de overeenkomst). De verplichting van (de verweerster) om als lasthebber af te rekenen met Intabo moet te dezen aangezien worden als een schuld tot betaling van een geldsom vermits in beginsel enkel de koopsom moest worden afgerekend en de schuld aldus gemakkelijk en onmiddellijk kon worden vereffend en opeisbaar was. Er is aldus geen beletsel aangetoond voor de schuldvergelijking. Het litigieuze beding vervat in art. 35 d van de franchiseovereenkomst is dan ook te aanzien als een beding van conventionele schuldvergelijking tussen de schuld die op (de verweerster) rustte als lasthebber voor de afrekening van de ontvangen overnameprijs en de schuld van Intabo voor de door (de verweerster) in de loop van de uitvoering van de franchiseovereenkomst gedane onbetaald gebleven leveringen. Dit beding, dat dateert van lang voor de verdachte periode, is geldig". Grieven Naar luid van de artikelen 445 van de Faillissementswet (oud) en 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen, wanneer zij door de schuldenaar zijn verricht sinds het door de rechtbank bepaalde tijdstip van staking van betaling 1° alle handelingen waarbij om niet wordt beschikt over roerende of onroerende goederen, alsmede handelingen, verrichtingen of overeenkomsten, vergeldend of onder bezwarende titel, indien de waarde van hetgeen de gefailleerde heeft gegeven, de waarde van hetgeen hij daarvoor heeft ontvangen, aanmerkelijk overtreft; 2° alle betalingen, hetzij in geld, hetzij bij overdracht, verkoop, schuldvergelijking of anderszins, wegens niet vervallen schulden, en alle betalingen anders dan in geld of in handelspapier, wegens vervallen schulden; 3° alle bedongen hypotheken en alle rechten van gebruikspand of van pand, op de goederen van de schuldenaar gevestigd wegens voordien aangegane schulden. De artikelen 446 van de Faillissementswet van 18 april 1851 en 18 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 schrijven voor dat alle andere betalingen door de schuldenaar wegens vervallen schulden gedaan, en alle handelingen onder bezwarende titel door hem aangegaan na de staking van betaling en voor het vonnis van faillietverklaring, aan de boedel niet tegenwerpbaar verklaard kunnen worden, indien zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen of met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de staking van betaling. Uit voorgaande wetsbepalingen volgt dat artikelen 445 van de Faillissementswet (oud) en 17 van de huidige Faillissementswet een opsomming van de handelingen bevatten, die aan de boedel niet kunnen worden tegengeworpen, wanneer ze tijdens de verdachte periode door de schuldenaar worden verricht, terwijl de artikelen 446 van de Faillissementswet (oud) en 18 van de huidige Faillissementswet voorzien in een facultatieve niet-tegenwerpbaarheid van alle onder bezwarende titel aangegane handelingen en van alle andere betalingen door de schuldenaar wegens vervallen schulden gedaan, tijdens de verdachte periode, voor zover zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen, kennis hadden van de staking der betalingen. In uitvoering van de tussen de partijen op 15 december 1993 totstandgekomen overeenkomst waarbij werd voorzien in een optierecht (met verkooprecht), ging de verweerster op 27 maart 1997 over tot het lichten van voormelde optie (conclusie van de eiser p. 5, punt c.; beroepsbesluiten van de verweerster p. 6, punt 4, eerste alinea), t.t.z. tijdens de verdachte periode, nu de NV Intabo op 8 april 1997 failliet werd verklaard (tussenarrest p. 2, in het midden) en de datum van staking van betaling vervolgens werd vastgesteld op 8 oktober 1996 (tussenarrest p. 5, bovenaan). Hierbij wees de verweerster de BVBA Woco als overnemer van de handelszaak aan, verkocht ze als lasthebber van de NV Intabo aan de BVBA Woco de handelszaak en nam de koopsom in ontvangst, en wendde vervolgens de betaalde koopsom aan ter gedeeltelijke delging van haar schuldvordering op de NV Intabo. Het hof van beroep stelde dat aldus werd gehandeld in overeenstemming met contractuele bepalingen, die zelf dateren van eind 1993 dit is lang vóór de verdachte periode, waarbij een conventionele compensatie mogelijk werd gemaakt. Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 1234 van het Burgerlijk Wetboek gaan verbintenissen teniet onder meer door schuldvergelijking. Luidens artikel 1289 van het Burgerlijk Wetboek vindt schuldvergelijking plaats wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn en naar luid van artikel 1291 van hetzelfde wetboek heeft schuldvergelijking alleen plaats tussen twee schulden die beide een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort tot voorwerp hebben en die beide vaststaande en opeisbaar zijn. Aldus kan schuldvergelijking in beginsel niet plaatsvinden tussen een verbintenis om iets te doen en een verbintenis iets te geven. Artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de lastgeving of de volmacht een handeling is, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever in zijn naam te doen. Het hof van beroep oordeelt in het eindarrest van 16 september 2004 (p. 2) dat de verweerster onterecht aanvoerde dat zij ten aanzien van de gefailleerde schuldenaar was van de overnameprijs omdat het lichten van de contractueel bedongen optie waarbij de verweerster voor rekening van een derde (de overnemer) handelde, haar niet tot de schuldenaar van de prijs maakte. De vaststelling van het hof van beroep dat door in de overeenkomst van 1993 het optierecht toe te staan, de firma Intabo aan de verweerster de volmacht gaf om een overnemer van het handelsfonds te zoeken, daarmede de koop-verkoop te regelen en af te sluiten, alsmede om de koopsom in ontvangst te nemen, laat dus niet toe te besluiten dat de verweerster schuldenaar was van een geldsom in de zin van artikel 1289 van het Burgerlijk Wetboek. De uit de overeenkomst van 1993 voor de verweerster voortvloeiende verplichtingen konden dienvolgens niet in aanmerking worden genomen ter rechtvaardiging van een schuldvergelijking met de verbintenis die laststens de (gefailleerde) firma Intabo gold tot betaling van facturen aan de verweerster. Luidens artikel 1993 van het Burgerlijk Wetboek is de lasthebber weliswaar gehouden rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht, en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht ontvangen heeft C..). Deze bepaling houdt onder meer in dat de lasthebber gehouden is aan de lastgever te bezorgen wat hij ontvangen heeft in de uitvoering van zijn lastgeving. De verplichting om aldus de in uitvoering van de lastgeving gebeurlijk ontvangen gelden te bezorgen aan de lastgever kan weliswaar worden verrekend met de gebeurlijk lastens de lastgever bestaande verplichting om, overeenkomstig de artikelen 1999 e.v. van het Burgerlijk Wetboek voorschotten, kosten, loon, interesten en schadevergoeding te vergoeden of te betalen aan de lasthebber. Genoemde verplichting om de namens en voor de lastgever ontvangen gelden aan deze laatste te bezorgen kan echter niet worden aangegrepen om een schuldvergelijking door te voeren met de verbintenis die lastens de (gefailleerde) lastgever gold tot betaling van facturen aan de verweerster wegens de uitvoering van overeenkomsten die vreemd zijn aan de lastgeving. Het hof van beroep kon dienvolgens niet wettig oordelen dat "de verplichting van (de verweerster) om als lasthebber af te rekenen met Intabo te dezen aangezien (moet) worden als een schuld tot betaling van een geldsom" die geen beletsel vormde voor een schuldvergelijking ten aanzien van schulden tot betaling van facturen aan de verweerster wegens de uitvoering van overeenkomsten die vreemd zijn aan de lastgeving (schending van de artikelen 1234, 1289, 1291, 1984, 1993, 1999, 2000 en 2001 van het Burgerlijk Wetboek) en vervolgens, na te hebben beslist dat het tussen partijen overeengekomen beding, neergelegd in de overeenkomst van 15 december 1993 en derhalve vóór de verdachte periode totstandgekomen, dat diende te worden aangezien als een beding van conventionele schuldvergelijking tussen de schuld die op de verweerster rustte als lasthebber voor de afrekening van de ontvangen overnameprijs en de schuld van Intabo voor onbetaald gebleven leveringen, geldig is en na te hebben vastgesteld dat de voorwaarden voor compensatie, ofschoon totstandgekomen tijdens de verdachte periode, vóór het faillissement vervuld waren, niet wettig op grond van de in het middel aangehaalde overwegingen, eisers vordering, gestoeld op de artikelen 445 en 446 Faillissementswet (oud) en 17 en 18 van de nieuwe Faillissementswet, die voorzien in de niet-tegenwerpbaarheid aan de boedel van handelingen en betalingen, verricht door de gefailleerde tijdens de verdachte periode, zoals hiervoren in de aanhef van de grief gepreciseerd en hier als uitdrukkelijk hernomen aangezien, verwerpen (schending van de artikelen 445 en 446 Faillissementswet (oud) en 17 en 18 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997). Tweede onderdeel In zoverre het Hof zou oordelen dat het hof van beroep wettig kon besluiten tot het bestaan van een conventionele schuldvergelijking tussen de verbintenis in hoofde van de verweerster om als lasthebber af te rekenen met de (gefailleerde) firma Intabo en de verbintenis van laatstgenoemde firma tot betaling van facturen - quod non - , weze opgemerkt dat het doorvoeren van een schuldvergelijking een betaling uitmaakt. Luidens artikel 446 Faillissementswet (oud) en 18 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 kunnen alle betalingen wegens vervallen schulden, andere dan deze, die zijn opgesomd in artikelen 445 Faill. W. (oud) en 17 Faill. W. van 8 augustus 1997, die betalingen wegens vervallen schulden viseren, die niet werden gedaan in geld of in handelspapier of die niet de normale uitvoering van de overeengekomen verbintenis vormen, en alle handelingen onder bezwarende titel door de toekomstige gefailleerde aangegaan na de staking van betaling en vóór het vonnis van faillietverklaring, aan de boedel niet-tegenwerpbaar worden verklaard indien zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen of met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de staking van betaling. De eiser voerde in zijn op 24 juli 1992 gedagtekende beroepsconclusies terzake aan: - dat door de aangevochten verrichting betaling van de gefailleerde vennootschap werd afgedwongen, waarbij de volledige opbrengst door de verweerster ten eigen bate werd opgestreken zodat alle derden en andere schuldeisers in de kou bleven staan (conclusie p. 8, bovenaan en p. 10, derde alinea). - dat op deze betaling ondermeer de artikelen 446 van de Faillissementswet (oud) en 18 van de huidige Faillissementswet van toepassing zijn daar de wet geen onderscheid maakt tussen handelingen en betalingen, ongeacht of deze laatste al dan niet gebeuren ingevolge een bestaande overeenkomst (zelfde conclusie p. 9, vijfde alinea). De eiser wees er bovendien uitdrukkelijk op dat de verweerster manifest gehandeld had met de wetenschap dat de NV Intabo opgehouden had te betalen en dienvolgens in staking van betaling was, zodat de artikelen 18 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 en 446 van de Faillissementswet (oud) van toepassing waren (conclusie p. 9, a, tweede en derde alinea). De eiser besloot met andere woorden tot het voorhanden zijn van de toepassingsvoorwaarden van artikelen 446 Faillissementswet (oud) en 18 van de huidige Faillissementswet op de betaling, die in deze ten voordele van de verweerster op grond van een contractueel beding tussenkwam tijdens de verdachte periode. Het hof van beroep beperkte zich in zijn tussenarrest te overwegen dat de wijze waarop werd gehandeld, overeenstemde met de contractuele bepalingen die dateerden van eind 1993 en derhalve van lang vóór de verdachte periode, zodat deze bepalingen, en de daaruit volgende handelingen, ontsnapten aan de toepassing van de artikelen 17 en 18 van de Faillissementswet (tussenarrest p. 5, bovenaan). Op grond van deze enkele overweging kon het hof van beroep evenwel de uitsluiting van de toepassing van artikelen 446 van Faillissementswet (oud) en 18 van de huidige Faillissementswet niet wettig rechtvaardigen. Voornoemde artikelen vereisen immers uitsluitend dat de betaling wegens vervallen schuld is geschied tijdens de verdachte periode met kennis in hoofde van de schuldeiser van de staking van betaling van de schuldenaar. Zij stellen geenszins als voorwaarde dat de betaling bovendien moet zijn geschied in uitvoering van een overeenkomst, die tijdens de verdachte periode zou zijn totstandgekomen. De vaststellingen van het hof van beroep sluiten overigens niet uit en maken zelfs aannemelijk dat er kennis was in hoofde van de verweerster van de staking van betaling in hoofde van de NV Intabo. Het hof van beroep stelde immers in de feiten vast dat uit de briefwisseling tussen verweerster en de NV Intabo van voor 26 maart 1997 onomstotelijk bleek dat de NV Intabo zich in de volstrekte onmogelijkheid bevond de aanzienlijke schuld te betalen, wat zij tegenover de verweerster uitdrukkelijk bevestigde door te stellen dat het haar niet mogelijk was nieuwe kredieten bij de banken te bekomen en geen andere inbreng te kunnen doen dan haar eigen arbeid (tussenarrest p. 4, in het midden), welke omstandigheden door de eiser precies waren ingeroepen tot bewijs van de kennis, in hoofde van de verweerster, van de staking van betaling van de NV Intabo. Door enerzijds in de feiten vast te stellen, en in ieder geval niet uit te sluiten dat de verweerster op de hoogte was van de staking van betaling in hoofde van de NV Intabo en anderzijds te oordelen dat de betaling, gedaan tijdens de verdachte periode op grond van contractuele bepalingen, die dagtekenden van vóór deze periode, ontsnapt aan de toepassing van artikel 18 van de huidige Faillissementswet, schendt het hof van beroep de artikelen 18 van de huidige Faillissementswet en 446 Faillissementswet (oud) evenals, voor zoveel als nodig, de artikelen 1289 en 1291 Burgerlijk Wetboek. Minstens miskent het hof van beroep aldus zijn motiveringsverplichting, nu het nalaat een antwoord te verstrekken op eisers aanvoeringen nopens het voorhanden zijn van de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 446 Faillissementswet (oud) en 18 Faillissementswet van 8 augustus 1997 (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1291 van het Burgerlijk Wetboek heeft schuldvergelijking alleen plaats tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide vaststaand en opeisbaar zijn. Artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de lastgeving of volmacht een handeling is, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever in zijn naam te doen. Overeenkomstig artikel 1993 van hetzelfde wetboek, heeft de lasthebber de verplichting om de gelden die hij krachtens de uitvoering van zijn volmacht heeft ontvangen aan zijn lastgever af te dragen. Deze verplichting kan worden aangezien als een schuld tot betaling van een geldsom die, in beginsel, in aanmerking komt voor schuldvergelijking met een schuldvordering die de lasthebber op de lastgever heeft, ook al is die schuldvordering vreemd aan de lastgeving.
- Het onderdeel gaat ervan uit dat de verplichting van de lasthebber tot het afdragen aan de lastgever van de gelden die in de uitvoering van de lastgeving werden geïnd, geen schuld is tot betaling van een geldsom en die de lasthebber bijgevolg niet kan compenseren met een schuldvordering op de lastgever die vreemd is aan de lastgeving.
- Het onderdeel dat berust op een onjuiste rechtsopvatting faalt naar recht.
- Het onderdeel is voor het overige afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van de bepalingen inzake de lastgeving.
- Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- De appelrechters overwegen dat: - "Ook in hoger beroep (de eiser) zijn vordering blijft steunen op artikel 445 en 446 (oud) Faill. W., huidige art. 17 en 18 Faill. W. Het blijkt evenwel dat de wijze waarop gehandeld werd overeenstemt met de contractuele afspraken die zelf dateren van eind 1993, lang vóór de verdachte periode (de datum van staking van betaling werd bepaald op 8 okt. 1996). Deze contractuele bepalingen ontsnappen derhalve aan de toepassing van art. 17 en 18 Faill. W." - "Het beding houdende conventionele schuldvergelijking vervat in artikel 35d van de franchiseovereenkomst van 15 december 1993 dat dateert van lang voor de verdachte periode, is geldig. Nog voor het faillissement waren de voorwaarden voor compensatie vervuld zodat de vordering van (de eiser) tot betaling van de overnameprijs ongegrond is, de schuld teniet gegaan zijnde door compensatie".
- Zij verwerpen en beantwoorden aldus het verweer van de eiser.
- Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Anders dan het onderdeel aanvoert beperkt artikel 446 (oud) van de Faillissementwet de door de rechter in aanmerking te nemen elementen niet tot de kennis door de schuldeiser van de staking van betaling.
- Het onderdeel faalt in zoverre naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 515,81 euro jegens de eisende partij en op de som van 295,45 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 29 juni 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div