← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.6 Rolnummer: C.05.0478.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-10-26 Raadplegingen: 608 - laatst gezien 2026-07-04 07:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechter die kennisneemt van het derdenverzet oefent een volledige rechtsmacht uit met betrekking tot hetgeen in de bestreden beslissing werd beslist en de positie van de derde aanbelangt

(1).
(1)A. LE PAIGE, Handboek voor gerechtelijk recht, deel IV, Rechtsmiddelen, Antwerpen/Amsterdam, S.W.U., 1973, nr 191; H. BOULARBAH en J. ENGLEBERT, La tierce opposition contre une ordonnance rendue sur requête unilatérale introduit-elle une nouvelle instance?, J.T. 2000, p. 422, nr 14; K. WAGNER, APR, Derdenverzet, Kluwer, 2002, p. 5, nr 2 en p. 47, nr
  1. Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: DERDENVERZET Devolutieve kracht Rechtsmacht van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1122,eerst Fiche 2 Bij een derdenverzet mag de derde, binnen de grenzen van wat in de bestreden beslissing werd beslist en van wat hem aanbelangt, alle middelen aanvoeren zowel in feite als in rechte; hij wordt hierbij, in beginsel, niet beperkt door de proceshouding die was aangenomen door de partijen in het oorspronkelijk geding. Thesaurus CAS: DERDENVERZET Vrije woorden: DERDENVERZET Derde Aangevoerde middelen Tekst van de beslissing Nr. C.05.0478.N A.S., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. T.J.,
  3. T.J.,
  4. M.A.,
  5. V.M., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 17, 18, 774, 1042, 1122 en 1130 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging. Aangevochten beslissingen Het derdenverzet van de eiseres tegen het arrest van de eerste kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 juni 2000 in de zaak gekend onder het nr. 1997/AR/3396 ten einde dit arrest ten aanzien van de eiseres te hervormen in die zin dat voor recht moet worden gezegd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de derde verweerder de nalatenschap van zijn vader wijlen E.M. op 3 december 1997 aanvaardde onder het voorrecht van boedelbeschrijving en de inbreng van de derde verweerder in de nalatenschap van wijlen M.M. moet worden beperkt tot het effectieve aandeel dat de derde verweerder uit de nalatenschap van wijlen E.M.erfde, wordt door het bestreden arrest onontvankelijk verklaard op de volgende gronden: Door de eerste verweerster en de tweede verweerder J.T.en J.T., wordt opgeworpen dat het derdenverzet onontvankelijk is wegens gebrek aan belang. De derde die derdenverzet aantekent moet een belang hebben. Dit houdt in dat de derde dient aan te tonen dat de bestreden beslissing hem "eventueel" zal benadelen. Door de eiseres wordt als "belang" aangevoerd in haar dagvaarding houdende derdenverzet, dat er op 13.07.2001 uitvoerend roerend beslag werd gelegd op de goederen behorende tot de huwgemeenschap bestaande tussen haar en August Major. Door de eiseres wordt ook nog aangevoerd, dat in het arrest waartegen derdenverzet geen rekening werd gehouden met het feit dat August Major op 03.12.1997 de nalatenschap van wijlen E.M.had aanvaard onder voorbehoud van boedelbeschrijving en derhalve maar qualitate qua kon worden veroordeeld. Door de eiseres wordt gesteld dat het bedoeld uitvoerend beslag werd gelegd in uitvoering van dit arrest. Er moet vastgesteld worden dat de eiseres geen exploot van enig uitvoerend beslag neerlegt. In het ongenummerde bundel met stukken van de eiseres is wel een dagvaarding dd. 19.12.2002 voor de beslagrechter in Brugge aanwezig (in losbladige fotokopie). Daarin is echter sprake van een uitvoerend beslag krachtens een notariële akte. In de eveneens neergelegde beschikking dd. 02.12.2003 van de beslagrechter te Brugge, stelt deze laatste trouwens ook dat geen enkel beslag gebeurde krachtens het arrest. Verder moet gesteld worden dat het feit, dat er uitvoerend beslag gelegd wordt krachtens een titel, nog niet maakt dat er een belang ontstaat in hoofde van een derde wiens goederen onder dit beslag worden gelegd om derdenverzet tegen deze titel te kunnen aantekenen. Het belang om derdenverzet te doen ontstaat doordat de beslissing (titel) zelf nadeel berokkent, niet de uitvoering ervan op zich. Verder kan ten overvloede nog opgemerkt worden, dat een derde met een derdenverzet niet in de plaats kan treden van een partij die reeds veroordeeld werd in een beslissing. Deze derde kan geenszins argumenten of middelen inroepen die deze veroordeelde partij bewust/gewild of onbewust/ongewild niet heeft ingeroepen te zijner verdediging. Een derde kan met een derdenverzet enkel eigen belangen verdedigen. Door de eiseres in derdenverzet wordt aldus geen belang aangetoond in verband met haar derdenverzet. Grieven Eerste onderdeel In haar dagvaarding houdende derdenverzet hield eiseres uitdrukkelijk staande: - dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen bij vonnis van 5 november 1997 voor recht zegde dat de derde verweerder samen met de vierde verweerster gehouden was tot inbreng van een bedrag van 33.961,40 euro in de nalatenschap van wijlen M.M., zijnde de tegenwaarde van verdwenen effecten
(1); - dat in dit vonnis de zaak terug verwezen werd naar de aangestelde notarissen voor aanpassing van de staat van vereffening
(2); - dat de eerste kamer van het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 5 juni 2000 het vonnis van de eerste rechter heeft bevestigd
(3); - dat krachtens de grosse van de notariële akte verleden voor notaris L. W. met standplaats te Mechelen in datum van 14 april 2001 waarvan afschrift werd betekend op 13 juli 2001 met bevel tot betaling, uitvoerend beslag gelegd werd op de goederen behorende tot de huwgemeenschap van de derde verweerder en de eiseres (zie de dagvaarding in derdenverzet van 19 december 2002, p. 2, laatste lid en p. 3, eerste drie leden). De eerste en de tweede verweerders stelden eveneens in hun syntheseberoepsconclusie dat de tenuitvoerlegging geschiedde krachtens de notariële akte verleden door notaris L.W. op 14 april 2001 welke akte werd opgesteld met verwijzing naar het vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Mechelen van 5 november 1997 en het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 juni 2000 (zie de syntheseberoepsbesluiten van de eerste en de tweede verweerders, p. 2, 4 en 5). Door de verweerders werd niet aangevoerd dat het derdenverzet van de eiseres onontvankelijk zou zijn bij gebrek aan belang omdat het uitvoerend beslag niet gebeurde krachtens het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 juni 2000 maar krachtens de notariële akte van 14 april 2001 die in uitvoering van - en overeenkomstig dit arrest verleden werd. In zoverre het bestreden arrest beslist heeft dat het derdenverzet van de eiseres onontvankelijk is bij gebrek aan belang omdat enkel sprake is van een uitvoerend beslag krachtens een notariële akte en er geen enkel beslag gebeurde krachtens het arrest waartegen derdenverzet, zonder dat dit aangevoerd werd door partijen, zonder dat hierover gedebateerd werd en zonder de eiseres de gelegenheid te geven haar verweermiddelen desaangaande te doen gelden, werden de rechten van de verdediging van eiseres geschonden (schending van artikel 6.1 E.V.R.M. en van het algemeen beschikkingsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging). Het bestreden arrest kon het derdenverzet van de eiseres bovendien niet onontvankelijk verklaren op grond van die ambtshalve ingeroepen exceptie zonder voorafgaandelijk de heropening der debatten te bevelen (schending van de artikelen 774 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Het Hof van Beroep te Antwerpen had in zijn arrest van 5 juni 2000, met bevestiging van het vonnis a quo, gezegd voor recht dat de derde en de vierde verweerders gehouden zijn tot inbreng van 33.961,41 euro. In de dagvaarding houdende derdenverzet had eiseres uitdrukkelijk aangevoerd dat haar derdenverzet tegen het arrest van 5 juni 2000 ontvankelijk was vermits het Hof van Beroep te Antwerpen in het arrest van 5 juni 2000 geen rekening gehouden heeft met het feit dat de derde verweerder op 3 december 1997 de nalatenschap van E.M.had aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving zodat hij enkel qualitate qua kon veroordeeld worden en vermits in uitvoering van het arrest van 5 juni 2000 uitvoerend beslag gelegd werd op goederen van de huwgemeenschap voor een hoger bedrag dan de inbreng waartoe de derde verweerder ingevolge de aanvaarding onder voorbehoud kon worden veroordeeld (zie de dagvaarding in derdenverzet van 19 december 2002, p. 3, vanaf het vierde laatste lid). In haar besluiten hield de eiseres eveneens uitdrukkelijk staande dat zij als echtgenote van de derde verweerder wel degelijk belang en hoedanigheid heeft om derdenverzet in te stellen tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 juni 2000 vermits de derde verweerder de nalatenschap enkel aanvaard had onder voorrecht van boedelbeschrijving zodat derde verweerder enkel kon gehouden zijn voor het deel dat hij effectief uit de nalatenschap van wijlen zijn vader bekwam en er derhalve niet kon uitgevoerd worden op het gemeenschappelijk vermogen van de derde verweerder en de eiseres en vermits in het arrest van 5 juni 2000 geen sprake is van de aanvaarding van de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving (zie de besluiten van eiseres neergelegd op 2 september 2003, p. 5, randnrs. 4 en 5 en p. 9, nr. 6). Door te beslissen dat het feit dat er uitvoerend beslag gelegd wordt krachtens een titel, nog niet maakt dat er een belang ontstaat in hoofde van een derde wiens goederen onder dit beslag worden gelegd om derdenverzet tegen deze titel te kunnen aantekenen, heeft het bestreden arrest niet geantwoord op de in dit onderdeel geciteerde dagvaarding in derdenverzet en besluiten waarin de eiseres niet alleen stelde dat zij belang had bij het derdenverzet omdat goederen van het gemeenschappelijk vermogen onder beslag werden gelegd maar ook omdat het arrest van 5 juni 2000 zelf nadeel berokkent aan de eiseres vermits dit arrest ten onrechte had nagelaten rekening te houden met het feit dat derde verweerder de nalatenschap van zijn vader enkel aanvaard had onder voorrecht van boedelbeschrijving zodat de verplichting van de derde verweerder om bij te dragen in de schulden van die nalatenschap beperkt bleef tot het bedrag van de waarde van de goederen van die nalatenschap en zodat het gemeenschappelijk vermogen van de derde verweerder en van de eiseres in het geheel niet kon worden in beslag genomen (schending van artikel 149 van de Grondwet). Derde onderdeel Ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, kan ingevolge artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan. De eiser kan zijn derdenverzet steunen op eigen middelen, ook al werden die middelen niet ingeroepen door de partij die ingevolge de bestreden beslissing veroordeeld werd. De eiseres had ter staving van haar derdenverzet aangevoerd dat de appelrechters in het bestreden arrest van 5 juni 2000 ten onrechte hadden nagelaten rekening te houden met het feit dat de derde verweerder de nalatenschap van E.M.op 3 december 1997 had aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving zodat derde verweerder enkel qualitate qua kon veroordeeld worden tot het bedrag van de nalatenschap van E.M.en zodat niet kon uitgevoerd worden op goederen van de huwgemeenschap voor een hoger bedrag dan waarvoor de derde verweerder maximaal kon worden veroordeeld ingevolge de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Het bestreden arrest heeft het derdenverzet van de eiseres ten onrechte onontvankelijk verklaard omdat een derde geenszins argumenten of middelen kan inroepen die de veroordeelde partij bewust of onbewust niet heeft ingeroepen vermits de eiseres wel degelijk gerechtigd was haar derdenverzet tegen het arrest van 5 juni 2000 te steunen op het in dit onderdeel aangevoerde middel ook al had de derde verweerder, die door dit arrest veroordeeld werd, dit middel niet ingeroepen te zijner verdediging (schending van de artikelen 17, 18, 1122 en 1130 van het Gerechtelijk Wetboek). Vierde onderdeel Ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, kan krachtens artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek derdenverzet doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt en die gewezen is door een burgerlijk gerecht, of door een strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak gedaan heeft. Een derde kan in zijn rechten benadeeld worden en heeft dienvolgens het rechtens vereiste belang om derdenverzet aan te tekenen wanneer de uitvoering van de bestreden beslissing hem rechtstreeks of onrechtstreeks nadeel berokkent zodat hij er belang bij heeft de bestreden beslissing zelf ten aanzien van hem te doen hervormen. De eerste en de tweede verweerders waren krachtens de uitgifte van de notariële akte van 14 april 2001, die was opgesteld in uitvoering van - en conform het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 5 juni 2000 -, overgegaan tot uitvoerend beslag op goederen behorende tot het gemeenschappelijk vermogen van de derde verweerder (partij in het arrest van 5 juni 2000) en van de eiseres (derde ten opzichte van het arrest van 5 juni 2000). De eiseres werd dan ook rechtstreeks of onrechtstreeks in haar rechten benadeeld door het arrest van 5 juni 2000. Zij had derhalve het rechtens vereiste belang om derdenverzet in te stellen ten einde het arrest van 5 juni 2000 ten aanzien van haar te doen hervormen door aan te voeren dat dit arrest geen rekening hield met het feit dat de derde verweerder de nalatenschap van E.M.enkel aanvaard had onder voorrecht van boedelbeschrijving en hij derhalve ingevolge dit arrest ten onrechte samen met vierde verweerster verplicht werd tot inbreng van 33.961,41 euro vermits de derde verweerder, ingevolge de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, enkel qualitate qua kon gehouden worden tot het bedrag van de waarde van de goederen van de nalatenschap van E.M.
(1)en door aan te voeren dat ingevolge dit arrest niet kon uitgevoerd worden op goederen van de huwgemeenschap voor een bedrag hoger dan waarvoor de derde verweerder qualitate qua kon gehouden zijn
(2). Zonder het door de eiseres ter staving van haar derdenverzet aangevoerde middel te onderzoeken, kon het bestreden arrest niet wettelijk beslissen dat door de eiseres geen belang wordt aangetoond in verband met haar derdenverzet (schending van de artikelen 17, 18, 1122 en 1130 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. De eiseres heeft geconcludeerd zoals in het onderdeel is weergegeven. 2. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. 3. Het onderdeel is gegrond. Derde onderdeel 4. Krachtens artikel 1122, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en onder voorbehoud van de in dat artikel opgesomde bijzondere gevallen, die te dezen niet van toepassing zijn, kan ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in de zaak is tussengekomen, derdenverzet doen tegen de beslissing die zijn rechten kan benadelen. 5. De rechter die kennisneemt van het derdenverzet oefent een volledige rechtsmacht uit met betrekking tot hetgeen in de bestreden beslissing werd beslist en de positie van de derde aanbelangt. Binnen deze grenzen mag de derde alle middelen aanvoeren zowel in feite als in rechte en wordt hij hierbij, in beginsel, niet beperkt door de proceshouding die was aangenomen door de partijen in het oorspronkelijk geding. 6. De appelrechters die oordelen dat "de derde geenszins argumenten of middelen kan inroepen die (
  1. de)veroordeelde partij bewust/gewild of onbewust/ongewild niet heeft ingeroepen te zijner verdediging" en op die grond beslissen dat het derdenverzet van de eiseres geen belang vertoont, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. 7. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van 29 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.6 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2018:ARR.20180420.2 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160218.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.