← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.7 Rolnummer: C.04.0290.N-C.04.0359.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2006-10-26 Raadplegingen: 1266 - laatst gezien 2026-07-04 05:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een exploot van dagvaarding weliswaar de vermeldingen bevat als voorzien in de artikelen 43 en 702, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, maar deze betrekking hebben op een andere persoon dan diegene die de eiser had dienen te dagvaarden, brengt dit de niet-ontvankelijkheid van de aldus ingeleide vordering met zich mee. Dergelijke onregelmatigheid valt buiten de werkingssfeer van de nietigheidsregeling van de artikelen 860 tot 867 van dat wetboek, en geeft dienvolgens geen aanleiding tot beoordeling van belangenschade

(1).
(1)Zie Cass., 20 dec. 1996, AR C.94.0443.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.9, A.C., 1996, nr
  1. Thesaurus CAS: DAGVAARDING Vrije woorden: DAGVAARDING Burgerlijke zaken Vermeldingen Andere persoon Onregelmatigheid Vordering Nietigheidsregeling Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.43,en702 Tekst van de beslissing I Nr. C.04.0290.N W.J., in zijn hoedanigheid van curator van de NV Daniël Van Ceulebroeck, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 9, verweerder,
  3. ECTEC, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2260 Westerlo, Ambachtenstraat 13, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. II Nr. C.04.0359.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 9, eiser, vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  4. ECTEC, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 2260 Westerlo, Ambachtenstraat 13, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  5. W.J. in zijn hoedanigheid van curator van de NV Daniël Van Ceulebroeck, partij opgeroepen in gemeenverklaring van het arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest, op 20 januari 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL In de zaak C.04.0290.N De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. In de zaak C.04.0359.N De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3 en 82 van de Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 zoals gewijzigd bij de Bijzondere Wet van 16 juli 1993; - de artikelen 33 tot 48 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 702 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek; - de artikelen 860, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 19 februari 1990; - artikel 16 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997; - de artikelen 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet van 16 december
  6. Aangevochten beslissingen Het arrest van 20 januari 2004 van het Hof van Beroep te Antwerpen dat het hoger beroep van de eiser ontvankelijk doch ongegrond verklaart en de eiser veroordeelt tot het betalen van een aantal bedragen aan de verweerster, op grond onder meer van de volgende overwegingen: "De dagvaarding van 28 april 1997: De (verweerster) betwist niet dat zij op 28 april 1997 ten onrechte de Vlaamse Gemeenschap heeft gedagvaard, doch is van oordeel dat deze dagvaarding wel degelijk dient aanzien te worden als een rechtstreekse vordering voor faillissementsdatum ten laste van (de eiser). De eventueel onjuiste vermelding van de identiteit van de geadresseerde heeft geen nietigheid van het exploot tot gevolg, wanneer blijkt dat de gedaagde kennis had van de dagvaarding en derhalve voor de rechter kon verschijnen. Bij een vergissing in de identiteit van de gedaagde in de dagvaarding, kan de nietigheid van de dagvaarding slechts bevolen worden als (de eiser) hierdoor in haar belangen geschaad is; zulks is niet het geval indien (de eiser) kennis heeft gekregen van de dagvaarding; Te dezen blijkt duidelijk dat (de eiser) kennis heeft gekregen van de dagvaarding van 28 april 1997 (brief van zijn raadsman van 12 mei 1997 waarin deze zijn tussenkomst meldt voor (de eiser)). De (eiser) toont op geen enkele wijze aan dat zijn belangen zouden geschaad zijn door de dagvaarding van 28 april 1997, terwijl dergelijke belangenschade nochtans essentieel is om tot nietigheid van de dagvaarding te kunnen besluiten. De dagvaarding van 28 april 1997 is dan ook geldig ten aanzien van (de eiser) en dient bijgevolg beschouwd te worden als een rechtstreekse vordering ten aanzien van (de eiser) betekend voor het faillissement van NV D.V.C. (het faillissement dateert van 29 april 1997)". "De (verweerster) heeft de rechtstreekse vordering ingesteld bij dagvaarding van 28 april 1997, hetzij dus voor het faillissement van haar schuldenaar NV D.V.C. (het vonnis van faillietverklaring dateert van 29 april 1997). Een voor het faillissement van de hoofdaannemer ingestelde rechtstreekse vordering mag ook na het faillissement van de hoofdaannemer verder gezet worden. De (verweerster) kon en kan haar rechtstreekse vordering dan ook verder zetten tegen (de eiser)". "Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de oorspronkelijke vordering van (de verweerster) ten aanzien van (de eiser) volledig gegrond is en dat het bestreden vonnis deels dient hervormd te worden. Het hoger beroep van (de eiser in cassatie), evenals het incidenteel beroep van (in gemeenverklaring opgeroepen partij) is ongegrond". Grieven Eerste onderdeel Ingevolge de artikelen 3 en 82 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 hebben zowel het Vlaams Gewest als de Vlaamse Gemeenschap rechtspersoonlijkheid; krachtens artikel 82 van dezelfde Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 worden de gewesten en de gemeenschappen in en buiten rechte vertegenwoordigd door de Regering en worden rechtsgedingen van het gewest als de eiser of als de verweerder namens de Regering gevoerd ten verzoeke van het voor deze aangewezen lid. Indien krachtens artikel 703, 2de lid, van het Gerechtelijk Wetboek het voldoende is voor de identiteit van de rechtspersonen hun benaming, hun rechtskarakter en hun maatschappelijke zetel in de dagvaarding op te geven, dient de identiteit van de juiste rechtspersoon aangegeven te worden. Krachtens de artikelen 860, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek kan de nietigheid van de proceshandelingen wegens vormgebreken slechts worden uitgesproken wanneer er belangenschade is in hoofde van diegene die de nietigheid inroept. De vermelding van de identiteit van de gedaagde die de hoedanigheid van de verweerder heeft, heeft echter geen betrekking op een vormvereiste waarvan sprake in artikel 860 maar betreft wel degelijk de grond van de zaak om te weten of de correcte rechtspersoon die de hoedanigheid van de verweerder heeft of kan hebben, is gedagvaard. In casu blijkt uit de overwegingen van het bestreden arrest dat de litigieuze dagvaarding van 28 april 1997 op formeel vlak in orde was. Het probleem i.v.m. een mogelijke nietigheid en de gevolgen ervan stelde zich niet. Door op de litigieuze situatie de regels in verband met vormgebreken toe te passen -nietigheid wanneer belangenschade- schendt het bestreden arrest de regels van het gerechtelijk recht m.b.t. het inleiden van een rechtsvordering en het aanduiden van de persoon die de hoedanigheid heeft om als verweerder op te treden. Het dagvaarden van de verkeerde (rechts)persoon heeft geen uitstaan met de nietigheid op grond van vormgebreken. Het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord. Het schendt de artikelen 3 en 82 van de Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 zoals gewijzigd bij de Bijzondere Wet van 16 juli 1993 nu het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap onderscheiden rechtspersonen zijn. Het schendt tevens de artikelen 33 tot 48 van het Gerechtelijk Wetboek m.b.t. de inleidende procedureakten, de artikelen 702 en 703 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 860, 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek m.b.t. de vormgebreken van proceshandelingen. Tweede onderdeel Het bestreden arrest diende bijgevolg vast te stellen dat de bouwheer in het kader van een rechtstreekse vordering van een onderaannemer niet werd gedagvaard vóór het faillissement, nu dit uitgesproken werd bij vonnis van 29 april 1997 en de eiser, het Vlaams Gewest, slechts gedagvaard werd op 16 mei
  7. Het bestreden arrest had moeten vaststellen dat, indien artikel 1798 aan de onderaannemer een recht toekent op de schuldvordering van de aannemer op de bouwheer, dit recht slechts ontstaat op het ogenblik dat de rechtstreekse vordering wordt ingesteld en de titularis van de rechtstreekse vordering die zijn vordering niet heeft ingesteld vóór het ontstaan van de samenloop op de schuldvordering of op het geheel van het vermogen van de aannemer. De vordering is derhalve onderworpen aan de gevolgen van de samenloop, in het bijzonder het faillissement. Krachtens artikel 16, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, te rekenen vanaf het vonnis van faillietverklaring, verliest de gefailleerde immers van rechtswege het beheer over al zijn goederen en geen betalingen, verrichtingen en handelingen gedaan vanaf die datum kunnen aan de boedel worden tegengeworpen. Het faillissement heeft tot gevolg dat de schuldvordering van de aannemer op de bouwheer onbeschikbaar wordt. De rechtstreekse vordering kan enkel worden ingesteld wanneer de schuldvordering van de aannemer op de bouwheer nog beschikbaar is in het vermogen van de aannemer. In de mate blijkt uit het eerste onderdeel van dit middel dat de enige geldige dagvaarding gebeurde na de uitspraak van het faillissement, hadden de appelrechters moeten oordelen dat de verweerster geen rechtstreekse vordering meer kon instellen. Het bestreden arrest is niet naar recht verantwoord. Het schendt artikel 1798 Burgerlijk Wetboek nu na samenloop, waaronder faillissement, geen rechtstreekse vordering meer kan ingesteld worden. Het schendt de artikelen 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 en artikel 16, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 omdat, wanneer de hoofdaannemer failliet is verklaard, hij de beschikking en het beheer over zijn vermogen verliest en geldt het beginsel van de gelijkheid tussen schuldeisers. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling A. Samenvoeging
  8. De cassatieberoepen nummers C.04.0290.N en C.04.0359.N zijn tegen hetzelfde arrest gericht, zodat zij dienen gevoegd te worden. B. Cassatieberoep C.04.0359.N
  9. Wanneer een exploot van dagvaarding weliswaar de vermeldingen bevat als voorzien in de artikelen 43 en 702, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, maar deze betrekking hebben op een andere persoon dan diegene die de eiser had dienen te dagvaarden, brengt dit de niet-ontvankelijkheid van de aldus ingeleide vordering met zich mee. Dergelijke onregelmatigheid valt buiten de werkingssfeer van de nietigheidsregeling van de artikelen 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek, en geeft dienvolgens geen aanleiding tot beoordeling van belangenschade.
  10. Het arrest stelt vast dat de dagvaarding ten onrechte betekend werd op 28 april 1997 aan de Vlaamse Gemeenschap, een van het Vlaamse Gewest onderscheiden rechtspersoon. Het oordeelt dat de belangen van het Vlaamse Gewest hierdoor niet werden geschaad.
  11. Het arrest kon op die gronden niet wettelijk beslissen dat de dagvaarding betekend op 28 april 1997 rechtsgeldig was.
  12. Het onderdeel is gegrond. C. Cassatieberoep C.04.0290.N
  13. Gelet op de beslissing genomen in de zaak C.04.0359.N is het middel gegrond. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.04.0290.N en C.04.0359.N. Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, en de raadsheren Christian Storck, Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 29 juni 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060629.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100207.1 ECLI:BE:ARBRL:2010:JUG.20100217.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250410.1F.14 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220425.2 ECLI:BE:CTLIE:2023:ARR.20230628.1 ECLI:BE:CTLIE:2024:ARR.20240228.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961220.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.6 Link JUSTEL: ECLI:BE:TTBRL:2020:JUG.20200307.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.