id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060802.3 Rolnummer: P.06.1098.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2006-11-30 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-07-04 04:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Artikel 292 Gerechtelijk Wetboek vindt geen toepassing in het geval dat een magistraat, nadat hij voordien in dezelfde zaak, als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling, over de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden op grond van art. 235 ter en 235 quater Wetboek van Strafvordering heeft geoordeeld, als lid van de correctionele kamer uitspraak moet doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Strafvordering Hof van beroep Samenstelling Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling Raadsheer die als lid van de K.I., op grond van art. 235ter en 235 quater Sv. heeft geoordeeld Wettigheid Cumulatie van ambten Art. 292, Ger.W. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Hof van beroep Samenstelling Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling Raadsheer die als lid van de K.I., op grond van art. 235ter en 235 quater Sv. heeft geoordeeld Wettigheid Cumulatie van ambten Art. 292, Ger.W. Thesaurus CAS: OPENBARE ORDE Vrije woorden: OPENBARE ORDE Rechterlijke organisatie Hof van beroep Samenstelling Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling Raadsheer die als lid van de K.I., op grond van art. 235ter en 235 quater Sv. heeft geoordeeld Wettigheid Cumulatie van ambten Art. 292, Ger.W. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Hof van beroep Samenstelling Raadsheer die als lid van de K.I., op grond van art. 235ter en 235 quater Sv. heeft geoordeeld Wettigheid Cumulatie van ambten Art. 292, Ger.W. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Hof van beroep Samenstelling Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling Raadsheer die als lid van de K.I., op grond van art. 235ter en 235 quater Sv. heeft geoordeeld Wettigheid Cumulatie van ambten Art. 292, Ger.W. Fiche 6 Artikel 6.1 E.V.R.M. is niet van toepassing op de beslissingen van de vonnisgerechten wanneer ze, zoals te dezen, geen uitspraak doen over de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging maar over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling
(1).
(1)Cass., 3 mei 2006, AR P.06.0607.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.16, nr ... Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling Toepassing Fiches 7 - 8 Het enkel risico dat een rechter wordt bekritiseerd wegens een vorig optreden in dezelfde zaak leidt niet tot de onverenigbaarheid. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Strafvordering Rechtbanken Samenstelling Magistraat Risico van kritiek wegens vorig optreden in dezelfde zaak Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.292 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Rechtbanken Samenstelling Magistraat Risico van kritiek wegens vorig optreden in dezelfde zaak Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.292 Fiches 9 - 10 De enkele omstandigheid dat een verbindingsofficier aan de Belgische gerechtelijke overheid gegevens meedeelt die bekomen werden van een vertrouwenspersoon, aangaande een in België te plegen feit, behoort tot zijn specifieke opdracht en houdt geen enkel verband met het verrichten van een opsporingsonderzoek in de zin van art. 28bis, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Verbindingsofficier Gegevens Vertrouwenspersoon Opsporingsonderzoek Omvang ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Bewijslast Verbindingsofficier Gegevens Vertrouwenspersoon Opsporingsonderzoek Omvang Tekst van de beslissing Nr. P.06.1098.N Y I, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, eiser, met als raadslieden mr. Walter Van Steenbrugge en mr. Joachim Meese, advocaten bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 20 juli
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 292 Gerechtelijk Wetboek en artikel 6 EVRM. Meer bepaald zouden de magistraten die moeten oordelen over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling kunnen worden beïnvloed door de kennis van het vertrouwelijke dossier die zijzelf of andere leden van de zetel hebben opgedaan bij een vorige controle over de regelmatigheid van de procedure op grond van de artikelen 235ter en 235quater Wetboek van Strafvordering, zonder dat bij de beoordeling van het verzoek tot invrijheidstelling dit vertrouwelijke dossier zelf nog beschikbaar is.
- Artikel 6.1 EVRM is niet van toepassing op de beslissingen van de vonnisgerechten wanneer ze, zoals te dezen, geen uitspraak doen over de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging maar over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.
- Artikel 292 Gerechtelijk Wetboek vindt geen toepassing in het geval dat een lid van de kamer van inbeschuldigingstelling zitting houdt in het hof van beroep dat uitspraak moet doen over de zaak zelf. Dit geldt evenzeer wanneer deze magistraat als lid van de correctionele kamer uitspraak moet doen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, ook nadat hij voordien in dezelfde zaak, als lid van de kamer van inbeschuldigingstelling, over de regelmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden op grond van artikel 235ter en 235quater Wetboek van Strafvordering heeft geoordeeld.
- Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de mogelijkheid bestaat dat de rechter die over het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling moet oordelen, de motieven van het verzoek beoordeelt als een kritiek op voordien door hem zelf gewezen arresten in het kader van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, en derhalve ervaart als een persoonlijke kritiek, wat de vrije beoordeling in de weg staat.
- Het enkele risico dat een rechter wordt bekritiseerd wegens een vorig optreden in dezelfde zaak leidt niet tot de onverenigbaarheid zoals bepaald door artikel 292 Gerechtelijk Wetboek.
- Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, beoordelen de appelrechters met de aangehaalde motivering niet de bewijswaarde van stukken waartoe zij niet eens toegang hebben, maar stellen zij de ontoegankelijkheid van deze stukken vast.
- Het middel, dat berust op een verkeerde lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters niet zonder schending van het wettelijk begrip "opsporing" zoals bepaald in artikel 28bis Wetboek van Strafvordering, op basis van de door hen vastgestelde en minstens niet tegengesproken feiten die in het onderdeel worden opgesomd, konden oordelen dat er vóór 21 juni 2005 geen daden van opsporing werden gedaan zonder controle en toezicht van het openbaar ministerie.
- De appelrechters stellen vast "dat A. A. verklaarde dat de vraag om heroïne te verhandelen van E. S. is gekomen (en dus niet van de undercoveragent en evenmin van de vertrouwenspersoon)". In de context van eisers feitelijke uiteenzetting in conclusie spreken zij aldus niet tegen dat de Belgische gerechtelijke diensten pas op 20 juni 2005 uitgebreide informatie ontvingen van een Britse verbindingsofficier, dat uit het verslag van de nadien ingezette undercover-agent blijkt dat de gecontacteerde vertrouwenspersoon reeds in de loop van de week vóór 20 juni 2005 meerdere betichten op een plaats in België had ontmoet, en dat op verzoek van de onderzoeksrechter de Britse verbindingsofficier wist te vermelden "dat er door de vertrouwenspersoon (geen) actieve handelingen gesteld zijn die in verband kunnen gebracht worden met het tot stand brengen van een drugshandel".
- Het principe van het uitsturen van bilaterale verbindingsofficieren wordt bepaald door meerdere internationaal afgesloten akkoorden, waaronder het Verdrag van 20 december 1988 van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, opgemaakt te Wenen, goedgekeurd bij wet van 6 augustus 1993, en waarvan ook het Verenigd Koninkrijk behoort tot de lijst der gebonden Staten.
- Teneinde de doeltreffendheid van de bestrijding van de drugshandel te bestrijden voorziet artikel 9.1.a) van dit verdrag onder meer in het tot stand brengen van verbindingskanalen tussen de bevoegde instanties en diensten om de veilige en snelle uitwisseling van gegevens aangaande alle aspecten van de drugshandel te vergemakkelijken, en artikel 9.1.e) in de uitwisseling van personeel en andere deskundigen, waaronder begrepen de detachering van verbindingsfunctionarissen.
- Het sturen van verbindingsofficieren heeft vooral tot doel de wederzijdse rechtshandhaving in het algemeen en de politiesamenwerking in het bijzonder te bevorderen en te versnellen. Dit gebeurt meer bepaald door hulpverlening onder de vorm van informatie-uitwisseling met het oog op zowel preventieve als repressieve aanpak van criminaliteit.
- De enkele omstandigheid dat een buitenlands verbindingsofficier aan de Belgische gerechtelijk overheid gegevens meedeelt die bekomen werden van een vertrouwenspersoon, aangaande een in België te plegen of gepleegd feit, behoort tot zijn specifieke opdracht en houdt geen enkel verband met het verrichten van een opsporingsonderzoek in de zin van artikel 28bis Wetboek van Strafvordering.
- Voor het overige vereist het onderdeel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel is volledig afgeleid uit het vergeefs aangevoerde eerste onderdeel dat voormelde handelingen van de verbindingsofficier als opsporingshandelingen op Belgisch grondgebied moeten worden gekwalificeerd.
- Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 82,20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Francis Fischer, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Christian Storck, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en op de openbare terechtzitting van 2 augustus 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060802.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060503.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101102.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div