id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 26, § 2 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt.
149, § 1, eerste lid, en 198bis Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Stedenbouw - Herstelvordering - Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Vordering ingeleid vóór de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Beoordeling door de rechter na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Geen verplicht voorafgaand eensluidend advies - Vordering ingeleid na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Verplicht voorafgaand eensluidend advies - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet Wettelijke bepalingen:
Art. 26, § 2 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt.
149, § 1, eerste lid, en 198bis Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Arbitragehof - Stedenbouw - Herstelvordering - Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Vordering ingeleid vóór de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Beoordeling door de rechter na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Geen verplicht voorafgaand eensluidend advies - Vordering ingeleid na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid - Verplicht voorafgaand eensluidend advies - Bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet Wettelijke bepalingen:
Art. 26, § 2 Decreet Vlaamse Raad - 18-05-1999 - Artt.
149, § 1, eerste lid, en 198bis Tekst van de beslissing Nr. P.06.0543.N
- V H J, beklaagde,
- V L M M, beklaagde,
- D V D P M, beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, ter terechtzitting bijgestaan door mr. Jachin Van Doninck, advocaat bij de balie te Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 maart
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, één middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De eisers voeren aan dat na het vernietigingsarrest nr.14/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof en de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 waarbij het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is goedgekeurd, artikel 149, ,§ 1, Stedenbouwdecreet 1999 voor elke herstelvordering het voorafgaand eensluidend advies van deze instelling vereist, zodat de appelrechters, die eisers verzoek om een dergelijk advies afwijzen op grond van artikel 198bis van hetzelfde decreet, voormelde wetsbepalingen evenals het absoluut gezag van gewijsde van het arrest van het Arbitragehof schenden.
- Sedert het arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 van het Arbitragehof bepaalt artikel 149, ,§ 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 dat de verschillende herstelmaatregelen door de rechtbank worden bevolen op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen, en "indien deze inbreuken dateren van () is voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist."
- Luidens artikel 198bis, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999 treden de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, zoals bedoeld in artikel 149, ,§ 1, en artikel 153, pas in werking nadat de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is opgericht en het huishoudelijke reglement is goedgekeurd. Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de rechter de ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van vóór 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog "kan" voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor Herstelbeleid.
- Artikel 198bis geldt als overgangsbepaling voor de herstelvordering die door het bevoegde bestuur wordt ingediend nog vooraleer de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, bij gebrek aan oprichting en goedkeuring van zijn huishoudelijk reglement, advies kan verlenen. Het beoogt bijgevolg een andere rechtstoestand dan artikel 149, ,§ 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, dat zowel in zijn versie vóór als in zijn versie na het vernietigingsarrest nr. 14/2005 van het Arbitragehof, de herstelvordering beoogt die na de oprichting van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en de goedkeuring van haar huishoudelijk reglement door het bestuur wordt ingediend. Niet het tijdstip van de beoordeling van de herstelvordering door de rechtbank vóór of na de inwerkingtreding van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, maar de datum van indiening van deze herstelvordering door het bestuur vóór of na deze inwerkingtreding vormt het criterium van onderscheid voor de toepassing van hetzij artikel 149, ,§ 1, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, hetzij de overgangsbepaling van artikel 198bis Stedenbouwdecreet
- Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat artikel 198bis Stedenbouwdecreet 1999, gelezen in context van artikel 149, ,§1, Stedenbouwdecreet 1999, na het vernietigingsarrest nr. 14/2005 van het Arbitragehof, de rechter, die vaststelt dat aan de ingestelde herstelvordering geen eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is gehecht, van het inwinnen van dit advies niet vrijstelt maar hem verplicht dit ontbrekend advies vooralsnog in te winnen.
- De vernietiging door het Arbitragehof van de woorden "vóór 1 mei 2000", die alleen betrekking hebben op het tijdstip van de telastleggingen en niet op de datum van het instellen van de herstelvordering, heeft niet tot gevolg dat artikel 149, ,§ 1, Stedenbouwdecreet ook toepasselijk wordt op de herstelvorderingen die werden ingediend vóór de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid.
- Zolang de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet is opgericht en zijn huishoudelijk reglement niet is goedgekeurd, rijst de vraag op welke wijze het bevoegde bestuur het advies van deze Hoge Raad zou kunnen inwinnen vooraleer de herstelvordering in te stellen. Precies om die reden bepaalt artikel 198bis, eerste lid, Stedenbouwdecreet 1999, dat de bepalingen van artikel 149, ,§ 1, Stedenbouwdecreet 1999 met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid tot zolang niet toepasselijk zijn.
- Artikel 198bis, tweede lid, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt dat de rechter de ingediende vorderingen voor inbreuken, die dateren van vóór 1 mei 2000 maar die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog "kan" voorleggen voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. In de context van de vernietiging van de bewoordingen "vóór 1 mei 2000" in artikel 149, ,§ 1, Stedenbouwdecreet door het arrest nr. 14/2005 van het Arbitragehof, geldt deze bevoegdheid van de rechter eveneens voor de ingediende herstelvorderingen voor inbreuken vanaf 1 mei
- Uit die bepalingen volgt evenwel niet dat de rechter de ingediende vorderingen die nog niet voor eensluidend advies werden voorgelegd aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid, alsnog voor eensluidend advies moet voorleggen aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid. Prejudiciële vraag
- Met toepassing van artikel 26, ,§ 2 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof verzoeken de eisers de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003 en samen gelezen met artikel 149, ,§ 1 van datzelfde decreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat eruit volgt dat voor herstelvorderingen die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid maar waarover de rechter pas na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies uitspraak doet, de verplichting van het voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet van toepassing is, terwijl deze verplichting wel geldt voor herstelvorderingen die werden ingeleid na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en deze verplichting krachtens artikel 149, ,§ 1 van datzelfde decreet een algemene draagwijdte heeft?" Gelet op de hiervoor door het Hof gegeven interpretatie, stelt het Hof, met toepassing van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, aan het Arbitragehof de in het dictum weergegeven vraag. Dictum Het Hof, Houdt de uitspraak aan tot het Arbitragehof de onderstaande prejudiciële vraag zal hebben beantwoord : "Schendt, uitgelegd als hierboven, artikel 198bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 11 van het decreet van 4 juni 2003 en samengelezen met artikel 149, ,§ 1 van datzelfde decreet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat eruit volgt dat voor herstelvorderingen die werden ingeleid vóór de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid maar waarover de rechter pas na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies uitspraak doet, de verplichting van het voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid niet van toepassing is, terwijl deze verplichting wel geldt voor herstelvorderingen die werden ingeleid na de inwerkingtreding van de bepalingen met betrekking tot het eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid en deze verplichting krachtens artikel 149, ,§ 1 van datzelfde decreet een algemene draagwijdte heeft?" Houdt de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 5 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060905.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070605.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div