← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.6 Rolnummer: D.05.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-07-03 12:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, bevestigd in artikel 6.1 E.V.R.M., geldt voor alle rechtscolleges, zo ook voor de provinciale raad en voor de raad van beroep van de Orde der geneesheren

(1).
(1)Zie Cass., 7 mei 1999, AR D.98.0011.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990507.9, nr 269. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter Gelding Orde der geneesheren Provinciale raad Raad van beroep Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Algemeen rechtsbeginsel Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter Gelding Orde der geneesheren Provinciale raad Raad van beroep Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Orde der geneesheren Provinciale raad Raad van beroep Algemeen rechtsbeginsel Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter Verdrag Rechten van de Mens Artikel 6.1 Gelding Fiche 4 Het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn wordt miskend wanneer de beslissing mede wordt gewezen door een rechter van wie terecht kan worden gevreesd dat hij niet de waarborgen van onpartijdigheid biedt waarop de rechtzoekende recht heeft
(1).
(1)Cass., 7 mei 1999, AR D.98.0011.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990507.9, nr 269. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter Miskenning Fiches 5 - 6 Het lid van de provinciale raad van de Orde der geneesheren dat aanwezig is bij bepaalde akten van de strafrechtspleging, zoals de ondervraging van de arts, tegen wie een strafrechtelijk onderzoek wordt gevoerd, door de onderzoeksrechter, doet zulks tot vrijwaring van de rechten en de belangen van de patiënten van die arts maar neemt aldus niet deel aan de uitoefening van het strafonderzoek
(1).
(1)Zie Cass., 18 mei 2006, AR D.05.0015.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.8, nr ... (supra) (huiszoeking bij een later tuchtrechtelijk vervolgde advocaat). Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - BEROEPSORDEN Orde der geneesheren Lid van de Provinciale Raad Onderzoeksrechter Ondervraging van een arts Aanwezigheid van dat lid Doeleinde Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Onderzoeksrechter Ondervraging van een arts Orde der geneesheren Lid van de Provinciale Raad Aanwezigheid Doeleinde Fiches 7 - 8 Uit het enkel feit dat een rechterlijke beslissing niet met redenen is omkleed kan geen schending van het recht van verdediging worden afgeleid
(1).
(1)Zie Cass., 13 jan. 1999, AR P.98.1061.F, nr 20. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Afwezigheid van redenen Recht van verdediging Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - ALGEMEEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - ALGEMEEN Rechterlijke beslissing Redenen Afwezigheid Tekst van de beslissing Nr. D.05.0014.N B.E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ORDE DER GENEESHEREN, publiekrechtelijke rechtspersoon, optredend door haar nationale raad, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en ondervoorzitter, met zetel te 1030 Brussel, de Jamblinne de Meuxplein 34-35, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing, op 25 april 2005 gewezen door de nederlandstalige raad van beroep van de Orde der geneesheren. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1. van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en goedgekeurd bij de Belgische Wet van 13 mei 1955; - het algemeen rechtsbeginsel betreffende de onpartijdigheid van de rechter, artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der Geneesheren; - artikel 29 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 tot vaststelling van de regelen betreffende de verkiezing van de leden van de provinciale raden, de raden van beroep en de nationale raad van de Orde der Geneesheren. Aangevochten beslissingen De raad van beroep van de Orde der geneesheren bevestigt de beslissing van 31 maart 2004 van de Provinciale Raad van West-Vlaanderen van de Orde der geneesheren waarbij aan eiser de tuchtstraf opgelegd wordt van schorsing het recht de geneeskunde uit te oefenen gedurende een termijn van 12 maanden. De raad van beroep overweegt dat de provinciale raad zijn bevoegdheden niet overschreden heeft en zich beperkt heeft tot een strikte tuchtrechtelijke omschrijving en evaluatie van de feiten, dat de beslissing van de provinciale raad een juiste en correcte toepassing maakte van de uiteengezette rechtsbeginselen en dat de provinciale raad bij het bepalen van de tuchtsanctie rekening held met de ernst en de zwaarwichtigheid van de bewezen feiten. Aldus bevestigt de raad van beroep de beslissing van de provinciale raad en neemt hij de redenen over die door de provinciale raad werden gegeven. Aan de behandeling van de zaak voor de provinciale raad, alsook aan de beraadslaging werd deelgenomen door dokter A. H.. Dokter H. was tevens aanwezig op de ondervraging door de onderzoeksrechter van de verdachte, dit is de eiser, op 11 mei 1997 in het kader van het strafonderzoek dat tegen de eiser gevoerd werd en dat aanleiding gaf tot de strafrechtelijke veroordeling van de eiser bij arrest van 29 november 2001 van het Hof van Beroep te Gent en vervolgens tot de tuchtrechtelijke veroordeling van de eiser. Grieven De regel volgens dewelke de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, is neergelegd in artikel 6.1. van het EVRM. Deze regel is tevens een algemeen rechtsbeginsel dat op alle rechtscolleges en met name op de raad van beroep van de Orde der geneesheren van toepassing is. Dit algemeen rechtsbeginsel en artikel 6.1. van het EVRM worden miskend wanneer de beslissing wordt gewezen door rechters van wie terecht kan worden gevreesd dat zij niet de nodige waarborgen van onpartijdigheid bieden waarop de rechtzoekende recht heeft. De oordelende rechters dienen niet enkel persoonlijk onpartijdig te zijn, doch zij dienen tevens onpartijdig te zijn in organieke zin. De organisatie van een gerechtelijke procedure kan met name van die aard zijn dat ze voor de betrokken burger een vertrouwensprobleem doet rijzen en dat de rechtzoekende terecht kan vrezen dat er onvoldoende garanties aanwezig zijn voor de organieke onpartijdigheid van het rechtscollege. Te dezen werd aan de behandeling van zijn zaak voor de provinciale raad alsook aan de beraadslaging met stemrecht deelgenomen door dokter A. H., die secretaris was van de provinciale raad. De artikelen 10 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren en 29 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 tot vaststelling van de regelen betreffende de verkiezing van de leden van de provinciale raden, de raden van beroep en de nationale raad van de Orde der geneesheren bepalen dat de secretaris gekozen wordt uit het midden van de provinciale raad. Hieruit volgt dat de secretaris een volwaardig lid is van de provinciale raad en aan de behandeling van de zaak en aan de beraadslaging met stemrecht kan deelnemen. Daarnaast had dokter A. H. deelgenomen aan het strafonderzoek dat aanleiding gaf tot de strafrechtelijke veroordeling van de eiser en die op haar beurt aanleiding gaf tot de tuchtrechtelijke veroordeling van de eiser. Dokter A. H. had in het kader van het strafonderzoek immers deelgenomen aan het verhoor van de verdachte, dit is de eiser, door de onderzoeksrechter op 11 mei 1997. Aldus werd aan de behandeling en de beraadslaging van de zaak deelgenomen door een persoon die tevens betrokken was in het strafonderzoek dat aanvankelijk aanleiding gaf tot de strafrechterlijke veroordeling en vervolgens tot de tuchtrechtelijke veroordeling van de eiser. Zodoende bestaat bij de eiser terecht de vrees dat aan de behandeling en de beraadslaging werd deelgenomen door een persoon die inzake onpartijdigheid niet de waarborgen biedt waarop hij recht heeft nu de vereiste organieke onpartijdigheid te dezen niet werd gewaarborgd. Men kan inderdaad niet tegelijkertijd deelnemen aan het strafonderzoek dat aan de basis ligt van de tuchtrechtelijke vervolging en waarop de tuchtrechtelijke veroordeling in zijn geheel steunt en tegelijkertijd als rechter zetelen in het tuchtrechtsprekend orgaan dat zich over de gegrondheid van de ten laste gelegde feiten moet uitspreken. De provinciale raad heeft derhalve artikel 6.1. van het EVRM en het algemeen rechtsbeginsel inzake de onpartijdigheid van de rechter geschonden, en, voor zoveel als nodig, de artikelen 10 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren en 29 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 tot vaststelling van de regelen betreffende de verkiezing van de leden van de provinciale raden, de raden van beroep en de nationale raad van de Orde der Geneesheren. Nu de raad van beroep de beslissing van de provinciale raad bevestigt en de motieven van de provinciale raad overneemt, is de beslissing van de raad van beroep door dezelfde nietigheid aangetast. Hieruit volgt dat ook de raad van beroep artikel 6.1. van het EVRM en het algemeen rechtsbeginsel inzake de onpartijdigheid van de rechter schendt, én, voor zoveel als nodig, de artikelen 10 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren en 29 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 tot vaststelling van de regelen betreffende de verkiezing van de leden van de provinciale raden, de raden van beroep en de nationale raad van de Orde der geneesheren. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren de tenlasteleggingen
  1. a)en
  2. c)gegrond en veroordelen de eiser voor het geheel van de tenlasteleggingen a),
  3. c)en
  4. d)tot de tuchtstraf van schorsing het recht de geneeskunde uit te oefenen gedurende een termijn van twaalf maanden zonder te antwoorden op het verweer van de eiser dat de feiten geviseerd door de tenlasteleggingen sub
  5. a)en
  6. c)niet regelmatig aanhangig waren. De appelrechters beperken zich ertoe de beslissing van de provinciale raad in zijn geheel te bevestigen. De provinciale raad had in dit verband overwogen dat: "De verdediging roept in dat de herkwalificatie door de raad ter zitting van 27/8/2003 tot gevolg heeft dat de betrokken geneesheer 'in onderzoek' wordt gesteld voor andere feiten, zijnde een in onderzoekstelling waarvoor de raad volgens de verdediging niet bevoegd is. De verdediging meent dan ook dat de 'gevoerde vervolging' voor de geherkwalificeerde feiten onontvankelijk is. Al de oproepingen om voor de raad te verschijnen en verstuurd aan (de eiser), zijnde zowel deze voor als na de herkwalificatie nodigen deze uit om zich te verdedigen wegens 'het stellen van handelingen die de eer of waardigheid van het beroep van geneesheer aantasten en wegens het uitoefenen van de geneeskunde met andere doeleinden dan de bevordering van de gezondheid van de patiënten of van de gemeenschap', welke feiten ter kennis zijn gekomen ten gevolge van of aanleiding gegeven hebben tot 'de persartikelen in Het Volk en Het Nieuwsblad van 15/05/97 en het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 29 november 2001', met vervolgens een opsomming van bepaalde specifieke inbreuken. Het zijn deze specifieke inbreuken die geherkwalificeerd zijn geworden in de zin zoals in het arrest vermeld. (De eiser) heeft zich betreffende deze herkwalificatie van de feiten die dezelfde zijn als degene die beoordeeld werden in het arrest en waaromtrent hij bij brief van de onderzoekscommissie d.d. 10 maart 2003 in onderzoek werd gesteld, kunnen verdedigen. Het rechtsprekend tuchtorgaan terzake de provinciale raad heeft zoals de rechter in strafzaken, wanneer het kennis neemt van een tegen een geneesheer ingestelde tuchtvervolging die op regelmatige wijze aanhangig is gemaakt, de verplichting aan de feiten van de tenlastelegging de exacte kwalificatie te geven. De bewering van de verdediging, dat de raad door de feiten waarvoor zij gevat is te herkwalificeren, de hoedanigheid van uitoefenaar van de vervolging in de zin van 'in onderzoeksteller' cumuleert met de hoedanigheid van rechtsprekend orgaan is dan ook niet terecht evenmin als de door haar ingeroepen onontvankelijkheid". (blz. 7 van de beslissing van de provinciale raad van West-Vlaanderen van de Orde der geneesheren van 31 maart 2004). Grieven De eiser voerde in conclusie aan dat de feiten geviseerd door de tenlasteleggingen
  7. a)en
  8. c)niet regelmatig aanhangig waren bij de provinciale raad en derhalve evenmin bij de raad van beroep. De eiser voerde aan dat hij enkel 'in onderzoek gesteld' was voor de verkoop van anabolica en dat later de provinciale raad de tenlasteleggingen veranderd heeft naar andere materiële feiten ('te koop aanbieden', 'vervoeren' en 'in bezit hebben' van strombaject, sustanon en genotonorm). Gezien deze nieuwe feiten volgens de eiser niet regelmatig aanhangig waren, was de vervolging nietig, aldus nog de eiser. De eiser voerde nog uitdrukkelijk aan dat de provinciale raad weliswaar de bevoegdheid had om de feiten te (her)kwalificeren, doch dat dit niet tot gevolg had dat de initieel ingestelde tuchtrechtelijke vervolging kon worden gewijzigd en gevoerd op grond van volstrekt nieuwe feiten. De eiser voerde meer bepaald aan: "24. Het tuchtonderzoek wordt gevoerd voor feiten van beweerde verkoop van anabolica e.a. (De eiser) wordt ook 'in onderzoek gesteld' voor de verkoop van anabolica, hetgeen aan (de eiser) werd medegedeeld bij formeel schrijven van 10 maart 2003. 25. Door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent werd het arrest van het hof van beroep de dato 29 november 2001 overgemaakt aan de orde van geneesheren. 26. Uit het arrest van het Hof van Beroep te Gent blijkt duidelijk dat de vervolging van (de eiser) niet werd ingesteld voor feiten van verkoop van geneesmiddelen. Onder tenlastelegging A werd (de eiser) vervolgd voor het feit dat hij in strijd met het koninklijk besluit van 12 april 1974 niet zou hebben beschikt over een vergunning om welbepaalde producten onder zich te mogen houden dan wel om te koop aan te bieden. 27. Het hof van beroep stelt uitdrukkelijk vast dat de zgn. (pseudo)koop niet is doorgegaan (tenlastelegging A/1 en B). 28. Het hof van beroep achtte het uitdrukkelijk niet bewezen dat er ter zake sprake zou zijn geweest van enige 'verkoop'. 29. De tuchtrechtelijke vervolging, op grond van het arrest de dato 29 november 2001 van het Hof van Beroep te Gent, voor verboden verkoop van geneesmiddelen (anabolica) is dan ook minstens ongegrond. 30. Ter zitting de dato 27 augustus 2003 heeft de provinciale raad van de Orde van geneesheren nota genomen van deze opmerking van (de eiser) die concludeerde tot minstens de ongegrondheid van de tegen hem ingebrachte tuchtvervolging. De provinciale raad van de Orde van geneesheren heeft alsdan de tenlasteleggingen veranderd naar andere materiële feiten, nl. deze van 'te koop aanbieden', 'vervoeren' en 'in bezit hebben' van strombaject, sustanon en genotonorm. Het betreft fundamenteel andere materiële handelingen dan deze waarvoor (de eiser) tuchtrechtelijk in onderzoek werd gesteld. 31. Het behoort tot het gemeen recht dat de saisine van het onderzoek en de aangestelde onderzoeker, alsook de aan de provinciale raad van de Orde van geneesheren toebedeelde saisine, door de provinciale raad van de orde van geneesheren niet kan worden gewijzigd naar andere feiten. In die zin is de vervolging voor deze nieuwe feiten nietig. Zie vgl. Cass. 12 september 1989, A. C., 1989-90, nummer 26; Cass. 9 januari 1990, A.C., 1989-90, nr. 283. De provinciale raad van de orde van geneesheren ontvangt klachten overeenkomstig artikel 20, ,§1, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967. Dienvolgens wordt de zaak onderzocht door een 'onderzoekscommissie'. Het is die onderzoekscommissie die beslist om een geneesheer al dan niet in onderzoek te stellen en de geneesheer daarvan mededeling te geven. Het is maar na de voltooiing van het onderzoek dat de voorzitter van provinciale raad van de Orde van geneesheren een uitnodiging om te verschijnen verstuurt. Bij de verschijning van de geneesheer, in casu (de eiser), voor de provinciale raad van de Orde van geneesheren behoort het niet tot de bevoegdheid van de provinciale raad van de Orde van geneesheren, noch tot de bevoegdheid van de voorzitter van de raad, om over te gaan tot een 'in onderzoek stellen' voor andere feiten. De provinciale raad van de orde van geneesheren diende zich noodzakelijk te beperken tot het zich uitspreken over de feiten waarvoor (de eiser) in onderzoek is gesteld door de onderzoekscommissie. In casu, doordat de provinciale raad van de orde van geneesheren nieuwe feiten, met name feiten van 'vervoer, in bezit hebben en/of te koop aanbieden van strombaject, sustanon en genotonorm' inbrengt tegen (de eiser), cumuleert de provinciale raad van de orde van geneesheren de hoedanigheid van uitoefenaar van de vervolging (in-onderzoek-steller) met de hoedanigheid van rechtsprekend orgaan, hetgeen strijdt met artikel 6 E.V.R.M. en artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967. Het is enkel aan een regelmatig samengestelde onderzoekscommissie om (de eiser) in onderzoek te stellen en daarover verslag te doen voor de provinciale raad van de orde van geneesheren. De gevoerde vervolging is dan ook onontvankelijk en ontoelaatbaar. 32. Het is juist dat elk rechtsprekend college de juiste kwalificatie dient te geven aan de feiten (zoals de provinciale raad betoogt op pagina 7 van de beslissing de dato 31 maart 2004). Dat was, en is, niet de kern van het middel dat (de eiser) doet gelden. De provinciale raad vermocht zeer zeker te herkwalificeren. Evenwel kan slechts worden geherkwalificeerd binnen de grenzen van de feiten waarvoor (de eiser) in onderzoek werd gesteld. Het exacte feit waarvoor (de eiser) in onderzoek werd gesteld is de 'verkoop van anabolica'. Het betreft een zeer exacte, niet mis te interpreteren, materiële handeling (feit) die (de eiser) wordt verweten en waarvoor hij in onderzoek werd gesteld. Met name betreft het het feit van het wederrechtelijk overdragen van eigendom van anabolica. Dit is een volstrekt ander feit dan het 'in weerga van het K.B. van 12 april 1974 vermengen, vervoeren, te koop aanbieden of het bezitten'. De tenlastelegging alzo geformuleerd is in het geheel niet te vereenzelvigen met het feit van het hebben overgedragen van eigendom. Vrijwillige verschijning is geen wijze van aanhangigmaking voor de provinciale raad. De feiten geviseerd door de tenlastelegging sub A zoals thans omschreven, zijn niet regelmatig aanhangig". (beroepsconclusie eiser, blz. 13-17). "Dezelfde fundamentele opmerking als onder beschuldiging sub
  9. b)dient te worden gemaakt. Er is van 'verkopen' alleszins geen sprake. Zelfs al zou de raad van beroep van de Orde van geneesheren steunen op het arrest van 29 november 2001 van het Hof van Beroep te Gent, dan dient te worden vastgesteld dat dit arrest inderdaad nergens enige 'verkoop' weerhoudt. (De eiser) kan vervolgens alleen maar vaststellen dat 'het te koop aanbieden van verboden middelen' nooit 'dopingspraktijken op welke wijze ook te hebben vergemakkelijkt of mogelijk te hebben gemaakt' kan bewerkstelligen. Geen enkele dopingpraktijk - zo al bewezen - kan worden bewerkstelligd of vergemakkelijkt doordat iets te koop zou zijn aangeboden. Zoals gezegd heeft (de eiser) trouwens nooit iets te koop aangeboden, doch heeft hij hoogstens een 'vraag' aanhoord van een UCA rijkswachter. 66. Het is in die zin dat ook dezelfde opmerkingen gelden zoals geformuleerd onder betichting sub
  10. a)met betrekking tot de wijziging van de beschuldigingen op 27 augustus 2003. Immers, concluant is in onderzoek gesteld voor het 'verkopen' van anabolica. Ook onder tenlastelegging
  11. c)was enkel dat feit weerhouden" (beroepsconclusie van eiser, blz. 27-28). De appelrechters laten na dit omstandig verweer te beantwoorden en schenden dan ook artikel 149 van de Grondwet. In zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat de appelrechters, door de beslissing van de eerste rechter geheel te bevestigen, de motieven van de eerste rechter op dit punt bijtreden, dient te worden vastgesteld dat de eerste rechter evenmin het verweer van de eiser heeft beantwoord dat, hoewel de provinciale raad de feiten wel mocht herkwalificeren, zij de tuchtrechtelijke vervolging niet mocht steunen op volstrekt nieuwe feiten. Gezien de beslissing van de eerste rechter geen antwoord inhoudt op het omstandig, hierboven weergegeven, verweer van de eiser, maakt de loutere bevestiging van de beslissing van de eerste rechter evenmin een antwoord op het verweer van de eiser uit. De appelrechters schenden dan ook artikel 149 van de Grondwet alsook het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn, bevestigd in artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, geldt voor alle rechtscolleges, zo ook voor de provinciale raad van West-Vlaanderen van de Orde der geneesheren en de raad van beroep van de Orde der geneesheren. 2. Dit algemeen rechtsbeginsel wordt miskend wanneer een beslissing mede wordt gewezen door een rechter van wie terecht kan worden gevreesd dat hij niet de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt waarop de rechtzoekende recht heeft. 3. Het middel gaat ervan uit dat het lid van de provinciale Orde dat aanwezig is bij de ondervraging van de eiser door de onderzoeksrechter deelneemt aan het strafonderzoek. 4. Het lid van de provinciale Orde van de geneesheren dat aanwezig is bij bepaalde akten van de strafrechtspleging doet zulks tot vrijwaring van de rechten en de belangen van de patiënten van de arts tegen wie een strafrechtelijk onderzoek wordt gevoerd, maar neemt aldus niet deel aan de uitoefening van het strafonderzoek. 5. Het middel dat uitgaat van het tegendeel faalt naar recht. Tweede middel 6. Uit het enkel feit dat de bestreden beslissing niet met redenen zou zijn omkleed, kan geen schending van het recht van verdediging worden afgeleid. 7. Het middel faalt in zoverre naar recht. 8. De eiser voerde in wezen aan: - bepaalde van de hem uiteindelijk tuchtrechtelijk ten laste gelegde feiten stemmen niet overeen met deze die ten grondslag lagen aan de strafrechtelijke en dienvolgens ook tuchtrechtelijke vervolging; - voor die hem uiteindelijk tuchtrechtelijk ten laste gelegde feiten was geen regelmatige tuchtprocedure aanhangig; - de provinciale raad van West-Vlaanderen van de Orde der geneesheren kon dit niet verhelpen door die feiten te herkwalificeren, nu herkwalificatie enkel mogelijk is voor dezelfde feiten. 9. De raad van beroep van de Orde der geneesheren verwerpt en beantwoordt die aanvoering door herhaaldelijk te overwegen dat de aan eiser uiteindelijk tuchtrechtelijk ten laste gelegde feiten "zelfs na herkwalificatie" wel overeenstemmen met deze die ten grondslag lagen aan de strafrechtelijke en dienvolgens ook tuchtrechtelijke vervolging van de eiser. 10. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 350 euro jegens de eisende partij en op de som van 109,67 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 8 september 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060908.6 Gerelateerde publicatie(
  12. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990507.9 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060518.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.