← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2 Rolnummer: P.06.0416.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 1002 - laatst gezien 2026-07-03 21:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Ook al houdt inzake douane en accijnzen het feit van de overtreding zelf in de regel in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling, en de overtreder dus het wettelijke vermoeden van schuld kan doen omkeren, toch neemt dit wettelijk schuldvermoeden niet weg dat de dader weet moet hebben gehad van het feit van de overtreding

(1).
(1)Zie Cass., 19 nov. 1997, AR P.97.1077.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971119.8, nr 490. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Misdrijf Moreel bestanddeel Fiches 2 - 3 Een mededader moet niet het opzet hebben gehad dat vereist is voor het misdrijf waaraan hij zijn medewerking verleent maar vereist is enkel dat hij een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en het opzet heeft daaraan zijn medewerking te verlenen
(1); die kennis moet het feitelijke voorhanden zijn van alle wettelijke bestanddelen van het misdrijf betreffen.
(1)Cass., 22 juni 2004, AR P.03.1620.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19, nr
  1. Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: MISDRIJF - DEELNEMING Vereisten Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Misdrijf Deelneming Vereisten Fiche 4 Het Hof beoordeelt, zoals elke rechter, zelf of een wetsbepaling artikel 6 E.V.R.M. schendt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Schending door een wetsbepaling Beoordeling door het Hof Fiche 5 Artikel 6.1 E.V.R.M. vereist niet dat bij verzachtende omstandigheden de rechter een straf moet kunnen opleggen die afwijkt van de bij de wet bepaalde straf; die bepaling verbiedt ook niet dat de wet aan de openbare partij de mogelijkheid verleent de beklaagde voor een bepaald misdrijf bij verzachtende omstandigheden een transactie aan te bieden maar de strafrechter verplicht bij ontstentenis van een transactie de beklaagde een straf op te leggen binnen de wettelijke grenzen en modaliteiten die ze bepaalt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Strafzaak Verzachtende omstandigheden Draagwijdte voor de strafrechter en de openbare partij Fiche 6 Uit de artikelen 265, ,§ 3, en 266, ,§ 1, Douane en accijnzenwet volgt onder meer dat de rechtspersoon hoofdelijk en burgerlijk aansprakelijk is voor de geldboete en kosten ten laste van zijn orgaan dat veroordeeld wordt voor een Douane en accijnzenwet-misdrijf en tevens met dat orgaan solidair gehouden is tot het betalen van rechten, taksen en nalatigheidsinteresten die door dit misdrijf ontdoken zijn. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Douane en accijnzenwet Aansprakelijkheid voor geldboete en kosten Artikelen 265, ,§ 3, en 266, ,§ 1 Aansprakelijkheid van een rechtspersoon voor zijn orgaan Tekst van de beslissing Nr. P.06.0416.N
  2. D K C P M, beklaagde,
  3. THOM HENDRICKX nv, met zetel te 2440 Geel, Turnhoutseweg 2, civielrechtelijke aansprakelijke partij, eiseressen, met als raadslieden mr. Bart Spriet en mr. Karolien Van de Moer, advocaten bij de balie te Turnhout, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen van de provincie Limburg, te 3500 Hasselt, Voortstraat 41-43-45, alwaar woonplaats is gekozen, vervolgende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 februari
  4. De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel betreft de strafbaarheid van het aan de eerste eiseres verweten feit. Eerste onderdeel
  6. Uit de overwegingen van het bestreden arrest blijkt dat de eerste eiseres een loods toebehorende aan de tweede eiseres, vennootschap waarvan zij de afgevaardigd bestuurster was, verhuurde aan een persoon die er een aanzienlijke hoeveelheid sigaretten zonder Belgische fiscale bandjes opsloeg. Het bestreden arrest veroordeelt de eerste eiseres voor deelneming aan het voorhanden hebben van pakjes sigaretten niet-bekleed met Belgische fiscale bandjes.
  7. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest uit de enkele materiële overtreding van het accijnzenvoorschrift onterecht de schuld van de eerste eiseres afleidt en onterecht oordeelt dat zij niet naar eis van recht aantoont of geloofwaardig maakt dat zij het slachtoffer is geworden van een onoverwinnelijke dwaling of dat de feiten overmacht opleveren die haar schuld uitsluiten. Volgens het onderdeel miskent dit oordeel het algemene rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, zoals gewaarborgd in artikel 6.2 EVRM, en het hierin vervatte algemene rechtsbeginsel dat de vervolgende partij in strafzaken de bewijslast van al de elementen van het misdrijf draagt, en schendt het arrest de in het middel geciteerde wettelijke bepalingen die huidige strafbaarstelling bevatten. De eiseressen verzoeken, vooraleer over deze grief uitspraak te doen, de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen: "Schenden de artikelen 10, 13 en 17 van de wet van 3 april 1997 en de artikelen 6, 9 en 39 van de wet van 10 juni 1997, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.2 EVRM, in zoverre zij toelaten uit de enkele materiële voltrekking van het strafbaar feit het bewijs van het moreel element van het misdrijf af te leiden, terwijl overeenkomstig de algemene beginselen van strafprocesrecht, in het bijzonder het vermoeden van onschuld en het algemeen beginsel inzake de bewijslast in strafzaken dat de vervolgende partij de bewijslast draagt van al de bestanddelen van het misdrijf, inclusief het moreel bestanddeel, in hoofde van de beklaagde, vervolgd wegens een ander misdrijf dan een douanemisdrijf?"
  8. In de regel houdt inzake douane en accijnzen het feit van de overtreding zelf in dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling. De overtreder kan dus het wettelijke vermoeden van schuld doen omkeren. Dit wettelijke omkeerbare schuldvermoeden neemt niet weg dat de dader weet moet hebben gehad van het feit van de overtreding. Bij het misdrijf dat bestaat in het verzuim een wettelijke verplichting te voldoen, volgt die kennis uit de kennis van de wettelijke verplichting zelf. Bij een ander misdrijf, zoals dit in geding, moet die kennis bij de dader worden aangetoond. Daarentegen moet een mededader niet het opzet hebben gehad dat vereist is voor het misdrijf waaraan hij zijn medewerking verleent. Vereist is enkel dat hij een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en het opzet heeft daaraan zijn medewerking te verlenen. Die kennis moet het feitelijke voorhanden zijn van alle wettelijke bestanddelen van het misdrijf betreffen.
  9. Het bestreden arrest steunt de schuldigverklaring van de eerste eiseres niet enkel op de door het middel bekritiseerde juridische overwegingen betreffende de schuld van een dader aan douane- en accijnzenmisdrijven en de afwezigheid bij de eerste eiseres van overmacht of onoverwinnelijke dwaling, maar op een omstandig onderzoek van de feitelijke omstandigheden van de zaak (arrest blz. 12 en 13). Het bestreden arrest overweegt onder meer dat de schoonvader van de eerste eiseres had vastgesteld dat het ging "om de illegale opslag van een aanzienlijke hoeveelheid sigaretten", "dat in alle redelijkheid niet kan aangenomen worden dat (hij de eerste eiseres), zijn schoondochter en gedelegeerd bestuurder van de (tweede eiseres) niet op de hoogte zou hebben gebracht van deze vaststelling", maar dat zij, "ondanks alle voormelde omstandigheden, alles op zijn beloop heeft gelaten, met klaarblijkelijk profijtgerichte bedoelingen, en derhalve misdrijfscheppend, minstens misdrijfbevorderend heeft gehandeld". Deze overwegingen verantwoorden op zich wettig de schuldigverklaring van de eerste eiseres. Het onderdeel dat niet tegen deze overwegingen is gericht, is niet-ontvankelijk.
  10. Overeenkomstig artikel 26, ,§ 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Arbitragehof moet het Hof aan het Arbitragehof geen prejudiciële vraag stellen betreffende een middel dat niet ontvankelijk is, tenzij die niet-ontvankelijkheid volgt uit normen die het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Er is hier geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering schendt doordat het ten onrechte verwijst naar de artikelen 3 en 6 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, daar waar het misdrijf waarvoor de eiseres wordt veroordeeld, omschreven is door artikel 9 van die wet.
  12. De verplichting bepaald in artikel 149 Grondwet om het vonnis met redenen te omkleden en deze bepaald in artikel 195 Wetboek van Strafvordering om in het vonnis de toegepaste wetsartikelen aan te wijzen, zijn slechts vormvoorschriften.
  13. Artikel 9 van de wet van 10 juni 1997 omschrijft het materiële bestanddeel van het misdrijf niet, maar bevat enkel hier niet ter zake doende bepalingen. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede middel
  14. Het middel betreft de geldboete van tienmaal de ontdoken accijns die aan de eiseres werd opgelegd. Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel stelt dat artikel 13, eerste lid, wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, een bovenmatige strenge geldboete bepaalt van tienmaal de ontdoken accijns en bijzondere accijns die de strafrechter niet kan aanpassen aan het concrete misdrijf. Het onderdeel voert aan dat deze strafbepaling het algemeen beginsel van het persoonlijk karakter van de straf miskent. De eiseressen verzoeken, vooraleer over deze grief uitspraak te doen, de volgende prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen: - "Schenden de artikelen 13, eerste lid van de wet van 3 april 1997 en 39 van de wet van 10 juni 1997, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf, in de mate het de strafrechter verplicht een geldboete van tienmaal de ontdoken rechten op te leggen, terwijl de strafbepalingen van gemeen recht, door te voorzien in een minimum en een maximum, aan de strafrechter de mogelijkheid bieden een straf op te leggen in functie van het concreet aan de dader ten laste gelegde misdrijf en aldus in functie van en overeenstemming met het algemeen beginsel van het persoonlijk karakter van de straf?" - "Schenden de artikelen 13, eerste lid van de wet van 3 april 1997 en 39 van de wet van 10 juni 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf, in de mate het aan de strafrechter geen enkele marge toekent ter beoordeling en individualisering van de erin voorziene geldboete van tienmaal de ontdoken accijnzen, terwijl artikel 13, tweede lid van de wet van 3 april 1997 voorziet in een minimum- en maximumgeldboete, waardoor aan de strafrechter de mogelijkheid wordt geboden om een straf op te leggen in functie van het concreet aan de dader ten laste gelegde douanemisdrijf en aldus in functie van en overeenstemming met het algemene beginsel van het persoonlijk karakter van de straf?"
  16. Het algemene rechtsbeginsel van de persoonlijkheid van de straf houdt in dat niemand kan gestraft worden op grond van een wettelijk onomkeerbaar vermoeden van schuld of voor een misdrijf waaraan hij geen schuld heeft. Dit algemeen rechtsbeginsel is vreemd aan de wettelijke bepaling van de omvang van straf. Het onderdeel dat berust op een verkeerde rechtsopvatting, faalt naar recht.
  17. Overeenkomstig artikel 26, ,§ 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Arbitragehof moet het Hof aan het Arbitragehof geen prejudiciële vraag stellen betreffende een middel dat berust op een verkeerde rechtsopvatting. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert aan dat de omstandigheid dat de rechter hier enkel het bestaan van het misdrijf kan beoordelen en niet de omvang van de straf die aan de dader moet worden opgelegd, het algemene rechtsbeginsel van het eerlijk proces door een onpartijdige rechter, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, schendt. De eiseressen verzoeken, vooraleer over deze grief uitspraak te doen, de volgende prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen: - "Schenden de artikelen 13, eerste lid van de wet van 3 april 1997 en 39 van de wet van 10 juni 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.1 EVRM, in de mate het aan de strafrechter geen enkele marge overlaat ter beoordeling van de erin voorziene geldboete van tien maal de ontdoken accijnzen, terwijl de bepalingen van gemeen recht, door te voorzien in een minimum en maximum of in de toepassing van verzachtende omstandigheden, aan de strafrechter de mogelijkheid bieden om in zekere mate de zwaarte van de straf zelf te bepalen in functie van de concrete omstandigheden van de zaak en in functie van en overeenstemming met de algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel?" - "Schenden de artikelen 13, eerste lid van de wet van 3 april 1997 en 39 van de wet van 10 juni 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6.1 EVRM, in de mate het aan de strafrechter geen enkele marge overlaat ter beoordeling van de erin voorziene geldboete van tienmaal de ontdoken accijnzen, terwijl artikel 13, tweede lid van de wet van 3 april 1997 voorziet in een minimum- en maximumgeldboete, waardoor aan de strafrechter de mogelijkheid wordt geboden om binnen de bepaalde grenzen de zwaarte van de straf zelf te bepalen in functie van de concrete omstandigheden van de zaak en in functie van en overeenstemming met de algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel?" - "Schenden de artikelen 13, eerste lid van de wet van 3 april 1997 en 39 van de wet van 10 juni 1997 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang van artikel 6.1 EVRM, in de mate het aan de strafrechter niet toegelaten is bij toepassing van verzachtende omstandigheden de erin voorziene geldboete van tien maal de ontdoken accijnzen te matigen, terwijl die ruimte wel toegelaten is aan de administratie die krachtens artikel 463 AWDA toegelaten wordt via een transactie verzachtende omstandigheden aan te nemen?"
  19. De wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak heeft de wet van 31 december 1947 betreffende het fiscaal regime van tabak, gewijzigd bij de wetten van 19 maart 1951, 20 februari 1978, 6 juli 1978, 22 december 1989 en 28 juli 1992, opgeheven en vervangen. De wet van 31 december 1947 voorzag in gelijkaardige bestraffingsregels.
  20. Het arrest van het Arbitragehof nr. 16/2001 van 14 februari 2001 heeft in antwoord op prejudiciële vraag over artikel 6, ,§ 5, van de wet van 31 december 1947 betreffende het fiscaal regime van tabak, in samenhang met artikel 220 van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van van 18 juli 1977 (AWDA), overwogen: "B.
  21. Het Hof merkt allereerst op dat artikel 220 van de A.W.D.A. aan de rechter de keuze laat een gevangenisstraf op te leggen die varieert van vier maanden tot een jaar of, in geval van herhaling, van acht maanden tot twee jaar en voor elke verdere herhaling van twee jaar tot vijf jaar. Dat de rechter de straf niet kan verzachten tot onder de gestelde grenzen komt voort uit het feit dat bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling in de bijzondere strafwet, de bepalingen van het Strafwetboek met betrekking tot verzachtende omstandigheden niet kunnen worden toegepast (artikel 100 van het Strafwetboek). B.
  22. Het staat aan de wetgever te oordelen of het aangewezen is de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer een overtreding inzonderheid het algemeen belang schaadt, vooral in een aangelegenheid die, zoals het vervoer of bezit van ongefabriceerde of gefabriceerde tabak dat niet gedekt is door de voorgeschreven documenten, aanleiding geeft tot een aanzienlijke fraude. Die gestrengheid kan eventueel niet alleen de omvang van de geldelijke straf beïnvloeden maar ook de aan de rechter geboden mogelijkheid om de straf tot onder de gestelde grenzen te verminderen wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. B.
  23. De prejudiciële vraag over artikel 6, ,§ 5, van de wet van 31 december 1947 betreffende het fiscaal regime van tabak, gelezen in samenhang met artikel 220 van de AWDA, moet ontkennend worden beantwoord". Het Arbitragehof zegde daarop voor recht: "Artikel 6, ,§ 5, van de wet van 31 december 1947 betreffende het fiscaal regime van tabak, gelezen in samenhang met artikel 220 van de AWDA, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het de rechter geen mogelijkheid laat om een in het concrete geval passende milde of strenge straf op te leggen". In zoverre de grief berust op de in eerste en de tweede prejudiciële vraag geuite veronderstelling, faalt hij naar recht.
  24. Bovendien moet, overeenkomstig artikel 26, ,§ 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Arbitragehof, het Hof geen prejudiciële vraag stellen wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.
  25. In zoverre de grief berust op de in de derde prejudiciële vraag geuite veronderstelling, verwijst hij per vergissing naar artikel 463 AWDA in plaats van artikel 263 AWDA.
  26. Het Hof beoordeelt, zoals elke rechter, zelf of een wetsbepaling artikel 6 EVRM schendt.
  27. Artikel 6.1 EVRM vereist niet dat bij verzachtende omstandigheden de rechter een straf moet kunnen opleggen die afwijkt van de bij de wet bepaalde straf. Artikel 6.1 EVRM verbiedt ook niet dat de wet aan de openbare partij de mogelijkheid verleent de beklaagde voor een bepaald misdrijf bij verzachtende omstandigheden een transactie aan te bieden maar de strafrechter verplicht bij ontstentenis van een transactie de beklaagde een straf op te leggen binnen de wettelijke grenzen en modaliteiten die ze bepaalt. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
  28. Overeenkomstig artikel 26, ,§ 2, tweede lid, 1°, Bijzondere Wet Arbitragehof moet het Hof aan het Arbitragehof geen prejudiciële vraag stellen betreffende een middel dat berust op een verkeerde rechtsopvatting. Derde middel
  29. Het middel betreft de veroordeling van de tweede eiseres als civielrechtelijke aansprakelijke voor de schade, dit is de accijnzen, bijzondere accijnzen, nalatigheidsinteresten en kosten ten laste van haar orgaan, de eerste eiseres.
  30. Het middel voert aan dat de AWDA geen bijzondere wetsbepaling bevat die ter zake in de burgerlijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon voor zijn orgaan voorziet en de veroordeling van de tweede eiseres derhalve de artikelen 1382, 1383 en 1384 Burgerlijk Wetboek schendt.
  31. Artikel 265, ,§ 3, AWDA, toegevoegd bij artikel 45 van de wet van 27 december 1993, inwerkinggetreden op 1 januari 1994, bepaalt: "De natuurlijke personen of rechtspersonen zijn burgerlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen die ingevolge de wetten inzake douane en accijnzen tegen hun gemachtigden of bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars zijn uitgesproken wegens de misdrijven die zij in die hoedanigheid hebben begaan". Artikel 266, ,§ 1, AWDA bepaalt: "Behoudens tegenstrijdige beschikkingen in bijzondere wetten en onverminderd de boeten en verschuldigdverklaringen ten bate van de Schatkist, zijn de overtreders, hun medeplichtigen en de voor het misdrijf aansprakelijke personen solidair gehouden tot betalen van rechten en taksen welke door de fraude aan de Schatkist werden ontrokken, zomede van de eventueel verschuldigde nalatigheidsinteresten". Uit deze wetsbepalingen volgt onder meer dat de rechtspersoon hoofdelijk en burgerlijke aansprakelijk is voor de geldboete en kosten ten laste van zijn orgaan dat veroordeeld wordt voor een AWDA-misdrijf en tevens met dat orgaan solidair gehouden is tot het betalen van rechten, taksen en nalatigheidsinteresten die door dit misdrijf ontdoken zijn. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. Begroot de kosten op 101 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 12 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110112.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.24 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260203.2N.11 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.114 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081 ECLI:BE:HBGNT:2016:ARR.20160531.27 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971119.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040622.19 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080624.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100928.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.