id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.4 Rolnummer: P.06.0718.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 569 - laatst gezien 2026-07-03 07:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer overeenkomstig artikel 7 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele misdrijven (Wet Bescherming Maatschappij) de raadkamer de internering beveelt van de beklaagde, dan wordt het hoger beroep tegen die beslissing geregeld door artikel 8 van die wet; artikel 135 Wetboek van Strafvordering is niet toepasselijk
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Hoger beroep Toepasselijke wetsbepaling Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Bescherming van de maatschappij Internering Hoger beroep Toepasselijke wetsbepaling Fiche 3 De beslissing tot internering schaadt de belangen van een burgerlijke partij niet aangezien op het enkele hoger beroep van die partij de appelrechter opnieuw oordeelt over diens vordering tot schadevergoeding en volledige vergoeding kan toekennen; het behoort evenwel niet tot het belang van een burgerlijke partij op te komen een strafmaatregel of andere maatregel die de rechter niet op vordering van de burgerlijke partij kan opleggen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Burgerlijke partij Vordering tot schadevergoeding Fiches 4 - 6 De onaantastbare beoordeling van de rechter met betrekking tot de vergoeding van de schade bij toepassing van artikel 1386bis Burgerlijk Wetboek houdt niet in dat, wanneer de geïnterneerde geen hoger beroep tegen de veroordeling instelt, de appelrechter op het enkele hoger beroep van de schadelijder de hem toegekende schadevergoeding mag verminderen
(1).
(1)Zie de concl. van het O.M. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vergoeding van schade Uitspraak naar billijkheid Hoger beroep van de schadelijder Gevolg Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Billijkheid (geesteszieken) Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Billijkheid (geesteszieken) Internering Hoger beroep van de schadelijder Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Internering Vergoeding van schade Hoger beroep van de schadelijder Gevolg Fiches 7 - 12 Concl. proc.-gen. De Swaef, Cass., 12 sept. 2006, AR P.06.0718.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Hoger beroep Toepasselijke wetsbepaling Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Bescherming van de maatschappij Internering Hoger beroep Toepasselijke wetsbepaling Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Burgerlijke partij Vordering tot schadevergoeding Omvang BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vergoeding van schade Uitspraak naar billijkheid Hoger beroep van de schadelijder Gevolg AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Billijkheid (geesteszieken) Internering Hoger beroep van de schadelijder Gevolg HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Internering Vergoeding van schade Hoger beroep van de schadelijder Gevolg Nota: P.06.0718.N Conclusie van de Heer procureur-generaal M. De Swaef:
(1)Er werden door de eisers drie cassatieberoepen ingesteld en drie memories neergelegd. De eerste namens alle burgerlijke partijen - eisers in cassatie - en gericht tegen het arrest van de KI van 6 april 2006 dat uitspraak doet over het hoger beroep van de burgerlijke partijen. De tweede en de derde zijn gericht tegen de beide beschikkingen van de raadkamer van 30 december 2005 die hebben geleid tot het bestreden arrest van 6 april 2006 waarbij beide zaken werden samengevoegd. Deze laatste twee cassatieberoepen en de hierop betrekking hebbende memories zijn niet ontvankelijk, daar ze gericht zijn tegen beslissingen die noch eindbeslissingen zijn, noch gewezen werden in laatste aanleg. Er dient derhalve enkel te worden geoordeeld over de eerste memorie waarin vier middelen worden aangevoerd. De eisers komen in cassatie op tegen de beslissingen van de appelrechters waarbij uitspraak wordt gedaan over: a) hun hoger beroep omtrent de strafvordering; b) hun civielrechtelijke vorderingen. In de mate waarin het cassatieberoep van de eisers - burgerlijke partijen - gericht is tegen de beslissing van de KI op strafgebied is het niet ontvankelijk (zie infra).
(2)In het eerste middel wordt schending aangevoerd van artikel 135 Sv.; volgens de eisers in cassatie hebben de burgerlijke partijen ingevolge die bepaling ook recht om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer op strafgebied en waarbij de verweerder werd geïnterneerd. Artikel 135, ,§ 1, Sv. bepaalt inderdaad dat het openbaar ministerie en de burgerlijke partij hoger beroep kunnen instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer. Artikel 8 van de Wet Bescherming Maatschappij maakt daarentegen geen melding van de burgerlijke partij als partij die hoger beroep kan instellen tegen de beschikking van de raadkamer op strafgebied, met name waarbij de internering wordt bevolen; dit betekent dat de burgerlijke partij geen hoger beroep kan instellen tegen de beslissing over de strafvordering
(1). Artikel 135 Sv. betreft niet de raadkamer zetelend als vonnisgerecht
(2)maar als onderzoeksgerecht, dan wanneer de raadkamer die de internering beveelt uitspraak doet als vonnisgerecht. Artikel 135 Sv. kan derhalve geen toepassing vinden in zoverre hoger beroep wordt ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer zetelend als vonnisgerecht en waarbij de internering wordt bevolen; dat hoger beroep wordt geregeld door artikel 8 van de Wet Bescherming Maatschappij. De bepaling van artikel 135 Sv. betreft enkel de aan te wenden rechtsmiddelen in het kader van de regeling van de rechtspleging; dit blijkt ook uit de plaats van dit artikel in het Wetboek van Strafvordering waar het deel uitmaakt van hoofdstuk IX "Verslag van de onderzoeksrechter na voltooiing van de rechtspleging" van Boek I "De gerechtelijke politie en de officieren die ze uitoefenen" en dus niet van Boek II "Het gerecht" dat immers de vonnisgerechten beheerst
(3). Aan de regel van artikel 135, ,§ 1, Sv. waarin is bepaald dat zowel het openbaar ministerie als de burgerlijke partij tegen alle beschikkingen van de raadkamer hoger beroep kunnen instellen ligt enerzijds de gedachte ten grondslag dat de burgerlijke partij op gelijke voet als het openbaar ministerie zou worden behandeld
(4)doch anderzijds ook dat men met de nieuwe redactie van artikel 135, ,§ 1, Sv. geen enkele voorwaarde meer wou stellen naar de vraag of het belang van de strafvordering door de beschikking van de raadkamer in gevaar was gebracht
(5). Men zegt inderdaad dat in dit stadium de belangen van de burgerlijke partij en het openbaar ministerie identiek zijn
(6). Aan de redactiewijziging van artikel 135, ,§ 1, Sv. ligt dan ook geenszins de bedoeling ten grondslag dat artikel ook toepasselijk te verklaren op beslissingen van de raadkamer waarbij de internering wordt bevolen en dus uitspraak wordt gedaan als vonnisgerecht. Wel integendeel: uit de bedoeling die aan de redactiewijziging van art. 135, ,§ 1, Sv. ten grondslag lag, blijkt duidelijk dat die bepaling enkel van toepassing is in het kader van de regeling van de rechtspleging. Het middel kan niet aangenomen worden.
(3)(3.1) In het tweede middel wordt schending aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 26, ,§ 2, derde lid, 2°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De eisers in cassatie hadden de KI gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt het art. 8, 1°, lid van de Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde sexuele misdrijven zoals vervangen bij art. 1 van de Wet van 1 juli 1964, de artt. 10 en 11 van de Grondwet waar enkel het openbaar ministerie en de verdachte of zijn advocaat beroep kunnen aantekenen tegen een beschikking van de Raadkamer waarbij de internering werd bevolen, terwijl de burgerlijke partij of haar advocaat dit beroep niet kunnen aantekenen." De KI besloot geen prejudiciële vraag te stellen omdat er kennelijk geen schending van de Grondwet is. Eisers in cassatie vragen vervolgens dat het Hof thans zelf deze prejudiciële vraag zou voorleggen aan het Arbitragehof. (3.2) In zoverre schending wordt aangevoerd van artikel 26, ,§ 2, derde lid, 2°, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, kan het Hof onderzoeken of de motieven die de appelrechters geven hun beslissing om géén prejudiciële vraag te stellen omdat er kennelijk geen schending van de Grondwet is, naar recht kunnen verantwoorden. Met de motieven van het bestreden arrest op pagina 21 tot 24 verantwoorden de appelrechters hun beslissing om geen prejudiciële vraag te stellen naar recht
(7). In zoverre het middel derhalve schending aanvoert van artikel 26, ,§ 2, derde lid, 2°, van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof, kan het niet worden aangenomen. (3.3) De thans opnieuw opgeworpen prejudiciële vraag dient m.i. niet te worden gesteld door het Hof. Inderdaad, de eisers in cassatie ontwaren een discriminatie tussen het openbaar ministerie en de verdachte enerzijds en de burgerlijke partij anderzijds doordat deze laatste niet het recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de raadkamer waarbij de internering wordt bevolen. Zoals reeds aangeduid, is de beslissing van de raadkamer waarbij de internering wordt bevolen, niet enkel een beslissing die wordt genomen door de raadkamer als vonnisgerecht - de raadkamer oordeelt ten gronde - doch is het tevens een beslissing die de strafvordering betreft. Dat in een dergelijk geval zoals artikel 8 Wet Bescherming Maatschappij dit doet, het hoger beroep niet wordt uitgebreid tot de burgerlijke partij is het gevolg van het feit dat de burgerlijke partij de strafvordering niet uitoefent noch daarin tussenkomst. Het belang van de burgerlijke partij is immers beperkt tot het bekomen van schadevergoeding; dit is een privaat belang; de burgerlijke vordering heeft geen ander doel dan het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte patrimoniale schade en een louter belang bij de bestraffing is derhalve onvoldoende om zijn burgerlijke partijstelling op te steunen
(8). Anders dan het geval is bij het openbaar ministerie of de verdachte, beïnvloedt de beslissing van de raadkamer waarbij de internering wordt bevolen, de burgerlijke vordering niet. De beslissing van de raadkamer tot internering berokkent de burgerlijke partij geen enkel nadeel, nu de burgerlijke partij nog steeds het recht heeft hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer in zoverre het gaat over het burgerlijk belang, het enige belang dat de burgerlijke partij uitoefent of behartigt. Onafgezien van de strafvordering kan de burgerlijke partij immers wél hoger beroep instellen tegen de beschikking van de raadkamer in zoverre de raadkamer - na de internering te hebben bevolen - uitspraak doet over de burgerlijke vordering; anders gezegd, het recht van hoger beroep van de burgerlijke partij strekt zich uit tot de beslissing van de raadkamer die oordeelt over de burgerlijke vordering, hetgeen die raadkamer precies dient te doen wanneer tot internering wordt beslist
(9). Hieruit dient te worden besloten dat de voorgestelde prejudiciële vraag niet dient te worden gesteld, nu de ongelijke behandeling waarover de eisers in cassatie klagen niet voortvloeit uit artikel 8 Wet Bescherming Maatschappij, doch uit het algemeen beginsel dat men slechts hoger beroep kan instellen tegen een beslissing in de mate waarin men daarvoor belang heeft. In het verleden heeft het Hof reeds om dergelijke redenen geweigerd een prejudiciële vraag te stellen
(10). Dit is dus ingevolge die rechtspraak van het Hof een voldoende grond om géén prejudiciële vraag te moeten stellen aan het Arbitragehof. In feite zegt men in zo een geval dat de opgeworpen prejudiciële vraag niet valt onder toepassing van artikel 26 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof
(11). (3.4) Men kan hierbij een parallel trekken met artikel 202, 2° , Sv dat bepaalt dat het recht om hoger beroep in te stellen tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbanken en de correctionele rechtbanken aan de burgerlijke partij behoort, maar alleen wat haar burgerlijke belangen betreft. Ook hier streeft de burgerlijke partij enkel haar privaat belang na en een eventueel hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beslissing op de strafvordering zou dat belang niet kunnen beïnvloeden, noch in negatieve noch in positieve zin. Een partij kan immers slechts hoger beroep instellen met betrekking tot de dispositieven van de bestreden beslissing die haar treffen; derhalve kan een burgerlijke partij geen hoger beroep aantekenen met betrekking tot de strafvordering
(12). Overigens, zelfs na een vrijspraak van de beklaagde, behoudt de burgerlijke partij het recht om hoger beroep in te stellen en kan haar in hoger beroep toch schadevergoeding worden toegekend; in dat geval wordt evenwel géén uitspraak gedaan over de strafvordering en kan uiteraard geen strafsanctie meer worden opgelegd
(13). Een eventueel recht van hoger beroep van de burgerlijke partij tegen de beslissing op de strafvordering - en dus anders dan art. 202, 2°, Sv. bepaalt - brengt de burgerlijke partij niets bij; ze heeft daarvoor geen belang. Het parallellisme met de situatie bedoeld in artikel 8 Wet Bescherming Maatschappij is zonder meer treffend. (3.5) Meteen is ook te begrijpen waarom artikel 135, ,§ 1, Sv. aan de burgerlijke partij daarentegen wél het recht toekent hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer die de rechtspleging regelt en waar in dat geval de raadkamer uitspraak doet als onderzoeksgerecht over de strafvordering. De beslissing van de raadkamer over de regeling van de procedure - beslissing die dus de strafvordering betreft - heeft wél een onmiddellijk gevolg voor de burgerlijke vordering; om die reden is het ook verantwoord om de burgerlijke partij dienaangaande wél een recht van hoger beroep toe te kennen zoals artikel 135, ,§ 1, Sv. dat doet. De burgerlijke partij heeft immers wel degelijk een belang om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer betreffende de regeling van de procedure - bv. een beschikking van buitenvervolgingstelling - omdat de burgerlijke partij op die wijze de mogelijkheid heeft de strafvordering in stand te houden en desgevallend toch nog een beslissing van verwijzing naar de correctionele rechtbank uit te lokken waar dan de burgerlijke vordering kan worden behandeld
(14). (3.6) In haar reeds aangehaalde conclusie, oordeelde toenmalig advocaat-generaal Liekendael dat de burgerlijke partij slechts bij uitzondering een recht mag uitoefenen dat de strafvordering aanbelangt en dit onder twee voorwaarden: 1° dat in het recht van de burgerlijke partij door de wet voorzien wordt; 2° dat het door de burgerlijke partij uitgeoefend wordt in zoverre de privé-belangen van die partij daarbij betrokken zijn
(15). Vervolgens onderzocht E. Liekendael of deze voorwaarden vervuld zijn bij een cassatieberoep - of een hoger beroep - van de burgerlijke partij tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling - of de raadkamer - waarbij de internering wordt bevolen en komt zij tot het besluit dat dit niet het geval is, ook al bestaat er een tegenstrijdig precedent van 22 juli 1981
(16)
(17). Dit laatste arrest blijkt een alleenstaande uitspraak te zijn die terecht geen navolging heeft gekend.
(4)In het derde middel wordt schending aangevoerd van art. 149 van de Grondwet, art. 962 Ger. W. en de artt. 10 en 11 van de Grondwet. Eisers in cassatie voeren aan dat het bestreden arrest op grond van deskundigenrapporten hebben overwogen dat Martiena op het moment van de feiten in een staat van ernstige geestesstoornis verkeerde, doch deze rapporten werden niet tegensprekelijk opgesteld; verder wordt ook aangevoerd dat op tegenargumentatie terzake niet werd geantwoord. Wat de eerste grief betreft, wordt meer bepaald voorgehouden dat tot de tegenspraak die is voorzien in het Gerechtelijk Wetboek behoort dat de opmerkingen die de partijen hebben op het verslag, worden beantwoord. Vooreerst kan er worden op gewezen dat de verplichting van artikel 149 Grondwet niet vereist dat op ieder argument wordt geantwoord; het is voldoende dat een antwoord wordt gegeven op de vraag of op het verweermiddel in het geheel beschouwd
(18). Bovendien is het, anders dan de eiseres in cassatie in hun memorie voorhouden, niet zo dat er door de appelrechters louter werd verwezen naar de argumentatie van de deskundige verslagen. De appelrechters stellen ook vast dat het rapport van de burgerlijke partijen de bevindingen van de deskundigen niet weerlegt, noch in enig opzicht ontkracht dan wel twijfelachtig maakt
(19). Met deze laatste overwegingen en de motieven waarom ze het verslag van de door de onderzoeksrechter aangeduide deskundigen volgen, blijken de appelrechters in alle geval aan de motiveringsverplichting te hebben voldaan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Voor het overige, en met name in de mate waarin wordt aangevoerd dat het contradictoir karakter van het deskundigenonderzoek vereist dat op de opmerkingen van partijen op het verslag wordt geantwoord, is de grief volledig afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde eerste grief van het middel.
(5)In het vierde middel wordt tenslotte aangevoerd dat - in strijd met de beperkende werking van het hoger beroep - de appelrechters, op het uitsluitend hoger beroep van de burgerlijke partij, de door de raadkamer in eerste aanleg toegekende schadevergoeding hebben verminderd. Waar de eerste rechter 10.000 EUR toekende aan L.T., L., M. en T.G. en op het uitsluitend hoger beroep van deze burgerlijke partijen door hen 25.000 EUR werd gevraagd, kent de KI in toepassing van artikel 1386bis B.W. hen slechts 7.000 EUR toe. Het middel is gegrond. Immers, zoals ook het geval is bij een strafprocedure ten gronde voor de vonnisgerechten, kan de appelrechter op het enkele hoger beroep van de burgerlijke partij de toestand van de burgerlijke partij niet verzwaren, d.w.z. door een lager bedrag van schadevergoeding toe te kennen. "Op het enkel hoger beroep van de burgerlijke partij kan de schadevergoeding niet worden verminderd, doch enkel worden behouden of vermeerderd"
(20). Het feit dat in dit geval de beslissing van de appelrechters werd gesteund op art. 1386bis B.W. en niet op art. 1382 B.W. omdat óók blijkt dat op het moment van de feiten de betrokkene zich bevond in een in artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij bedoelde toestand, kan daaraan geen afbreuk doet. Zulks volgt niet enkel uit het beginsel van de beperkende werking van het hoger beroep doch kan ook in verband worden gebracht met het beschikkingsbeginsel. Een toepassing van artikel 1386bis B.W. kan aan deze beginselen geen afbreuk doen. Het zou bovendien verkeerd zijn te oordelen dat artikel 1386bis B.W. steeds in alle gevallen zou moeten worden toegepast door de strafrechter die de internering gelast, ook al lijkt artikel 11, tweede alinea, Wet Bescherming Maatschappij prima facie die indruk te wekken
(21). Daarvan zal immers slechts sprake zijn indien wordt vastgesteld dat de betrokkene zich niet enkel op het moment van de uitspraak - dit is immers het beoordelingsmoment voor de toepassing van de Wet Bescherming Maatschappij - maar ook op het moment van de feiten bevond in een in artikel 1 Wet Bescherming Maatschappij bedoelde toestand; dit laatste moment is relevant voor de toepassing van artikel 1386bis B.W.
(22). Conclusie: vernietiging met verwijzing in zoverre de bestreden beslissing aan de burgerlijke partijen L. T., L., M.en T. G. 7.000 EUR toekent; verwerping voor het overige. ________________________________
(1)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr. 3148
(2)R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2005, nr. 1316
(3)Cfr. conclusie van toenmalig advocaat-generaal Liekendael bij Cass. 11 januari 1983, A.C. 1982-83, p. 610, nr. 273, i.h.b. p. 617
(4)Cfr. R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1268
(5)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1265
(6)R. DECLERCQ, o.c., nr. 650; R.P.D.B., tw. Procédure pénale, Compl. IX, nr. 879. Vergelijk ook: M. DE SWAEF, "Rechtsmiddelen tegen beslissingen van de onderzoeksgerechten bij de regeling van de procedure", in A. DE NAUW, J. D'HAENENS en M. STORME (eds.), Actuele problemen van strafrecht, Antwerpen, Kluwer, 1987, 39: "Het in stand houden van de publieke vordering door de burgerlijke partij is inderdaad onontbeerlijk om haar burgerlijke eis gebeurlijk en te gepasten tijde voor het vonnisgerecht te kunnen ontwikkelen, gezien de voorwaarde van gelijktijdigheid voor de strafgerechten tussen burgerlijke vordering en strafvordering."
(7)Cfr. Cass. 1 december 1999, A.C. 1999, nr. 649
(8)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 291 en de verwijzingen aldaar
(9)zie de artt. 11 en 31 Wet Bescherming maatschappij
(10)Cfr. Cass. 26 juni 1996, A.C. 1996, nr. 261
(11)Cfr. M. TRAEST, Het Hof van Cassatie en de prejudiciële vraagstelling aan het Arbitragehof, Brussel, Larcier, 2005, p. 27, en de verwijzingen aldaar
(12)R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 2237
(13)Cfr. conclusie Liekendael, p. 623
(14)Cfr. R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 1269. Zie ook conclusie Liekendael, p. 614
(15)conclusie Liekendael, p. 615
(16)Cass. 22 juli 1981, R.D.P. 1981, 934
(17)conclusie Liekendael, p. 615
(18)R. DECLERCQ, o.c., nr. 1345
(19)p. 28, in fine
(20)R. DECLERCQ, o.c., nr. 2440; R. VERSTRAETEN, o.c., nr. 2272. Zie ook: Cass. 20 april 1983, A.C. 1982-83, nr. 457; Cass. 6 maart 1984, A.C. 1983-84, nr. 457
(21)Cfr. conclusie Liekendael, p. 618-619
(22)Cass., 1 februari 2000, AR P.98.0545.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000201.12, nr. 84 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0718.N
- T L en haar echtgenoot G L, burgerlijke partijen,
- G P, burgerlijke partij,
- G J, burgerlijke partij,
- G T, burgerlijke partij,
- G M, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Michael Verstraeten, advocaat bij de balie te Gent, tegen M G M A, geïnterneerde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep ingesteld op 10 januari 2006 is gericht tegen de beslissing van de raadkamer van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 30 december 2005 in de zaak AN 30.36.3420-
- Het cassatieberoep ingesteld op 16 januari 2006 is gericht tegen de beslissing van de raadkamer van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 30 december 2005 in de zaak AN 30.69.003420-
- Het cassatieberoep ingesteld op 14 april 2006 is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 april
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers sub 1, 4 en 5 voeren in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens drie middelen aan. Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- De op 10 en 16 januari 2006 ingestelde cassatieberoepen zijn gericht tegen de beslissingen van 30 december 2005 die evenwel geen eindbeslissingen zijn en zijn derhalve niet ontvankelijk. Memories van de eisers sub 1, 4 en 5
- De memories die geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen de beschikkingen van de raadkamer de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 30 december 2005 behoeven geen antwoord. Eerste middel
- Wanneer overeenkomstig artikel 7 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele misdrijven (Wet Bescherming Maatschappij) de raadkamer de internering beveelt van de beklaagde, dan wordt het hoger beroep tegen die beslissing geregeld door artikel 8 van die wet. Artikel 135 Wetboek van Strafvordering is niet toepasselijk. Het middel faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel strekt ertoe een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Het middel gaat ervan uit dat een burgerlijke partij, net zoals het openbaar ministerie en de verdachte, hoger beroep moet kunnen instellen tegen de beslissing waarbij de internering van een verdachte wordt gelast of geweigerd.
- De beslissing tot internering schaadt de belangen van een burgerlijke partij niet aangezien op het enkele hoger beroep van die partij de appelrechter opnieuw oordeelt over diens vordering tot schadevergoeding en volledige vergoeding kan toekennen. Het behoort evenwel niet tot het belang van een burgerlijke partij op te komen tegen een strafmaatregel of andere maatregel die de rechter niet op vordering van de burgerlijke partij kan opleggen. Het middel faalt naar recht.
- Het Hof moet de prejudiciële vraag niet stellen. Derde middel
- Het middel komt in feite op tegen de beoordeling van feiten door de rechters en is derhalve niet ontvankelijk. Vierde middel
- Artikel 1386bis, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt, met betrekking tot de vergoeding van de schade veroorzaakt door abnormalen, gewoontemisdadigers of plegers van bepaalde seksuele misdrijven, dat de rechter hen kan veroordelen tot de gehele vergoeding of tot een gedeelte van de vergoeding waartoe hij zou gehouden zijn, indien hij de controle van zijn daden had. Het tweede lid bepaalt dat de rechter uitspraak doet naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en met de toestand van de partijen.
- Het in de laatst vermelde bepaling bedoelde recht op mildering van de verplichting tot schadevergoeding komt alleen ten goede van de geesteszieke.
- Deze onaantastbare beoordeling houdt evenwel niet in dat, wanneer de voormelde personen geen hoger beroep tegen hun veroordeling instellen, de appelrechter op het enkele hoger beroep van de schadelijder de hem toegekende schadevergoeding mag verminderen.
- De beslissing waarbij de appelrechters op het hoger beroep van de eisers de hen door de eerste rechter toegekende schadevergoeding verminderen is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest enkel in zoverre het uitspraak doet over de omvang van eisers schadevergoedingen. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers in drie vierden van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent, kamer van beschuldigingstelling. Begroot de kosten op 308,85 euro waarvan 278,85 euro verschuldigd is en 30 euro betaald. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 12 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060912.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000201.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div