← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060914.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060914.10 Rolnummer: F.05.0064.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2006-12-04 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-07-03 07:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche De in de belastingverordening bedoelde installaties vallen niet onder de jaarlijkse belasting, verschuldigd door iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die eigenaar is van op het grondgebied van de stad gelegen ruïnes van industriële gebouwen, die al dan niet zichtbaar zijn van op de openbare weg, wanneer zij voor andere activiteiten worden aangewend, zonder dat de activiteiten waarnaar de omschakeling geschiedt, van industriële aard dienen te zijn. Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Industriële ruïnes Tekst van de beslissing Nr. F.05.0064.F STAD LA LOUVIERE, Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, en Mr. Dominique Lambot, advocaat bij de balie te Brussel, tegen JUBILE INVEST, naamloze vennootschap. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 15 april 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen. Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert een middel aan : Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 1, 2, 3 en 4 van de belastingverordening van de stad La Louvière van 14 februari 1995 waarbij de gemeentebelasting op de ruïnes van industriële gebouwen voor de duur van 6 jaar wordt hernieuwd ; - artikel 149 van de Grondwet; - Artikel 159 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Teneinde het beroep van de verweerster ontvankelijk te verklaren, de voorgelegde beslissing te vernietigen en, opnieuw uitspraak doende, het beroep gegrond te verklaren, de litigieuze aanslagen te vernietigen, de ontheffing ervan te bevelen en de eiseres te veroordelen tot terugbetaling van de uit dien hoofde onverschuldigd ontvangen bedragen, verhoogd met de moratoire interest vanaf 19 januari 2002, herinnert het bestreden arrest eraan dat ¿het beroep betrekking heeft op de gemeentebelasting die (de eiseres) op de ruïnes van industriële gebouwen geheven heeft en ten laste van (de verweerster) ten kohiere heeft gebracht voor het aanslagjaar1997 voor de respectieve bedragen van 2.220.000 BEF en 3.580.000 BEF¿, stelt het vast dat ¿(de verweerster) terecht aanvoert dat de beroepen beslissing nietig is wegens inbreuk op de bepalingen van het koninklijk besluit van 17 september 1987 betreffende de procedure voor de bestendige deputatie¿, zodat ¿het aan het Hof van Cassatie staat de voorgelegde beslissing te vernietigen en opnieuw uitspraak te doen¿, en het beslist het volgende : ¿de belastingverordening die op 14 februari 1995 voor de aanslagjaren 1995 tot en met 2000 werd ingevoerd en vervolgens werd opgeheven op 26 januari 1998, heft de litigieuze belasting van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die eigenaar is van op het grondgebied van de stad gelegen ruïnes van industriële gebouwen, ongeacht of ze zichtbaar zijn van op de openbare weg ; artikel 2 van voornoemde verordening preciseert dat de belasting geheven wordt op ¿alle afgedankte en niet voor andere activiteiten aangewende industriële installaties waarvan de exploitatie is stopgezet gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren met ingang van 1 januari volgend op de datum van de stopzetting van de activiteiten' ; gelet op die tekst is een bedrijfsruimte enkel belastbaar indien : - zij een afgedankte en niet voor andere activiteiten aangewende industriële installatie is, - zij niet langer wordt geëxploiteerd, - zij ten minste gedurende drie jaar zonder onderbreking niet werd geëxploiteerd met ingang van 1 januari die volgt (¿) op de datum van stopzetting van de activiteiten ; bijgevolg is de litigieuze belasting onder meer onderworpen aan de voorwaarde dat de activiteiten in de goederen waarop de belasting wordt geheven, zonder onderbreking zijn stopgezet gedurende de jaren 1994, 1995 en 1996 ; die goederen welke eigendom zijn van (de verweerster), bestaan uit twee bedrijfsruimten, gelegen te Haine-Saint-Pierre, 13, rue de la Station (kadastraal bekend onder A 636v 2) en rue des Déportés (kadastraal bekend onder A 629 g6); laatstgenoemd goed heet de ¿site Cabay-Jouret') ; ter rechtvaardiging van de litigieuze belasting beroept de stad zich vooral op de administratieve beslissingen van na het aanslagjaar 1997 ; - een besluit van de Waalse regering van 2 april 1998 betreffende de bedrijfsruimten van gewestelijk belang en de sanering van de bedrijfsruimte ¿Cabay-Jouret', waarbij de afdanking wordt gedecreteerd, - een ministerieel besluit van 25 januari 1999, gewijzigd op 19 april 1999, waarbij de afdanking wordt vastgesteld en tot onteigening wordt besloten ; dat ministerieel besluit stelt vast dat het goed verkeert in een ¿materiële toestand' die in strijd is met de goede inrichting ervan en onverenigbaar is met het architectonische karakter van het gebied en dat het ¿gebouw dat centraal ligt in de bedrijfsruimte' een bestemming heeft behouden na 1988 ; er wordt tevens allusie gemaakt (¿) op de ¿huidige' bestemming van het goed, die onverenigbaar wordt geacht met de algemene bestemming van het gebied en met de stedenbouwkundige plannen voor het gebied 1 Henegouwen ; geen van die overwegingen sluit uit dat de bedrijfsruimte gedurende de referentiejaren wel degelijk werd geëxploiteerd ; uit foto's die in 2000-2002-2003 zijn genomen kan niets van betekenis worden afgeleid ; het besluit van de burgemeester van 21 augustus 2000 waarbij de afbraak wordt bevolen van de op de bedrijfsruimte ¿Cabay-Jouret' gelegen industriële gebouwen en waarbij tevens maatregelen worden getroffen teneinde de uitbreiding van de bodemontreiniging tegen te gaan, is slechts het logisch gevolg van de tenuitvoerlegging van de hierboven vermelde stedenbouwkundige plannen, zonder daarom een doorslaggevend bewijs te zijn in dit geschil ; uit het geheel van die gegevens van het dossier van (de eiseres) kan niet worden afgeleid dat de litigieuze belastingen gerechtvaardigd waren op het ogenblik dat zij voor het daarin bedoelde tijdvak ten kohiere waren gebracht ; uit de door (de verweerster) overgelegde stukken van submap 10 blijkt daarentegen het volgende : - in 1991 waren met de vennootschappen Chemviron en Reasearc-Cottrell huurovereenkomsten gesloten betreffende ¿onroerende goederen voor halfindustrieel gebruik'; die overeenkomsten eindigden van rechtswege respectievelijk in 1996 en in 2000 - op 1 juni 1993 heeft het Belgische Rode Kruis ¿het gewezen administratief gebouw' van de bedrijfsruimte Cabay-Jouret gehuurd met het genot van de omgeving en de toegangswegen tot het geheel van de percelen, teneinde er een asielcentrum met een capaciteit van 200 personen op te richten voor kandidaat-politieke vluchtelingen, - andere gebouwen konden dienen als opslagplaatsen, uitgerust met een rolbrug en een hoogspanningscabine ; het blijkt dat zij tijdelijk werden gebruikt door de naamloze vennootschap Durobor, - In 1993 werd de bedrijfsruimte gelegen in de rue de la Station als atelier verhuurd ten dele aan de bvba sociétés Hannecart en ten dele aan het Institut Sainte-Thérèse ; de in de belastingverordening van 14 februari 1995 gebruikte bewoordingen verwijzen niet naar het begrip ¿afdanking' in de zin van artikel 167 van het WWROSP en impliceren geenszins dat de omschakeling van de bedrijfsruimte aan bepaalde voorwaarden moest voldoen (gesteld al dat (de eiseres) daartoe bevoegd zou zijn) ; die belastingverordening wijst klaar en duidelijk het feit aan dat de heffing van de belasting verantwoordt, de voorwaarde dat afgedankte en niet voor andere activiteiten aangewende industriële installaties, die als ruïnes zijn aangemerkt, gedurende drie jaar zonder onderbreking niet mogen geëxploiteerd zijn, alsook het bedrag van de belasting en de wijze van berekening ; de betrokken bedrijfsruimten voldoen niet aan de voorwaarden, bepaald in de artikelen 1 en 2 van de verordening ; (de eiseres) betoogt bovendien op bladzijde 9 van haar aanvullende en haar samenvattende conclusie dat het niet wordt betwist dat de belastingheffende overheid zich ertoe beperkt heeft belasting te heffen op de ruïnes van industriële gebouwen, met uitsluiting van de gedeelten van de bedrijfsruimte die niet aan die definitie beantwoorden ; enerzijds heeft het door (de verweerster) opgeworpen geschil betreffende de vraag of de belasting verschuldigd is, uiteraard betrekking op de grondslag van die belasting ; anderzijds moet bij de beoordeling van de bewering rekening worden gehouden met een brief van 3 september 2002 van de burgemeester van (de eiseres), waaruit blijkt dat de percelen waarop de belasting niet werd geheven, reeds in 1996 niet langer toebehoorden aan de vennootschap (de verweerster) ; hieruit volgt dat het beroep gegrond is ; het wordt niet betwist dat moratoire interest verschuldigd is op de ten onrechte geïnde bedragen¿. Grieven Eerste onderdeel, Artikel 1 van de door de eiseres op 14 februari 1995 goedgekeurde belastingverordening voert ten voordele van de eiseres voor de aanslagjaren 1995 tot en met 2000 een jaarlijkse belasting in ten laste van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die eigenaar is van op het grondgebied van de eiseres gelegen ruïnes van industriële gebouwen, ongeacht of die zichtbaar zijn van op de openbare weg. Artikel 2 van dezelfde belastingverordening van 14 februari 1995 bepaalt dat de belasting op de ruïnes van industriële gebouwen onderworpen geheven wordt op alle afgedankte en niet voor andere activiteiten aangewende industriële installaties waarvan de exploitatie definitief is stopgezet gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren met ingang van 1 januari volgend op de datum van stopzetting van de activiteiten. Het bedrag van de belasting wordt voor iedere ruïne afzonderlijk vastgesteld (artikel 3 van de belastingverordening) en de belasting bedraagt 10.000 frank per are niet bebouwde oppervlakte en 20.000 frank per are bebouwde oppervlakte (artikel 4 van de belastingverordening). Met andere woorden een bedrijfsruimte is belastbaar indien de volgende voorwaarden tezamen vervuld zijn :

(1)zij vormt een afgedankte en niet voor andere doeleinden aangewende industriële installatie,
(2)zij wordt niet meer als industriële installatie geëxploiteerd en
(3)zij werd gedurende ten minste drie jaar zonder onderbreking niet geëxploiteerd vanaf 1 januari volgend op de datum van de stopzetting van de activiteiten. Wat meer bepaald de tweede voorwaarde betreft kan zowel uit de letter als uit de geest van de belastingverordening worden afgeleid dat alleen de exploitatie van de bedrijfsruimte als industriële installatie en niet gelijk welk soort van exploitatie of activiteit aan de heffing van de belasting in de weg kan staan, Het bestreden arrest beslist dat de heffingsgrondslag ontbreekt op grond dat ¿uit de door (de verweerster) overgelegde stukken van submap 10 het volgende blijkt : -in 1991 waren met de vennootschappen Chemviron en Reasearc-Cottrell huurovereenkomsten gesloten betreffende ¿onroerendegoederen voor halfindustrieel gebruik'; die overeenkomsten eindigden van rechtswege respectievelijk in 1996 en 2000, - op 1 juni 1993 heeft het Belgische Rode Kruis ¿het gewezen administratief gebouw' van de bedrijfsruimte Cabay-Jouret gehuurd met genot van de omgeving en de toegangswegen tot het geheel van de percelen, teneinde er een asielcentrum met een capaciteit van 200 personen op te richten voor kandidaat-politieke vluchtelingen, - andere gebouwen konden dienen als opslagplaatsen, uitgerust met een rolbrug en een hoogspanningscabine ; het blijkt dat zij tijdelijk werden gebruikt door de vennootschap Durobor, - in 1993 werd de bedrijfsruimte, gelegen in de rue de la Station als atelier verhuurd ten dele aan de bvba sociétés Hannecart en ten dele aan het Institut Sainte-Thérèse¿. Een huurovereenkomst levert in beginsel passieve inkomsten op en sluit elke exploitatie als industriële installatie uit, behalve in het te dezen niet-vastgestelde geval dat de bedrijfsruimte door de huurder voor industriële doeleinden wordt gehuurd. Verre van aan te tonen dat de voorwaarden waaronder de belasting verschuldigd was, te dezen niet vervuld waren voor het litigieuze aanslagjaar bewijst het bestaan van in 1991 en 1993 gesloten huurovereenkomsten (die eindigden in 1996 en 2000) dus integendeel dat de bedrijfsruimte na 1991 niet werd geëxploiteerd als industriële installatie na 1991 en, derhalve, niet als zodanig werd geëxploiteerd gedurende de drie jaar die aan 1 januari van het litigieuze aanslagjaar
(1997)zijn voorafgegaan, dat is gedurende de jaren 1994, 1995 en 1996. Dezelfde conclusie geldt voor het mogelijke, maar nie- vastgestelde gebruik (aangezien het bestreden arrest in verband met andere gebouwen enkel vermeldt dat ¿het blijkt dat zij tijdelijk werden gebruikt door de naamloze vennootschap Durobort¿) van de bedrijfsruimte als opslagplaats ; dat gebruik impliceert zeker niet dat een bedrijfsruimte tijdens dezelfde jaren als industriële installatie werd geëxploiteerd. Daaruit volgt dat het bestreden arrest uit de enkele vaststelling dat de verweerster het bewijs leverde van het bestaan van verschillende in 1991 en 1993 gesloten (en in 1996 en 2000 geëindigde) huurovereenkomsten en van de mogelijkheid dat sommige gebouwen als opslagruimte werden gebruikt wat in geen geval kan worden beschouwd als een exploitatie van de bedrijfsruimte als industriële installatie zoals in de belastingverordening wordt vereist, niet wettig heeft kunnen afleiden dat de heffingsgrondslag van de belasting te dezen ontbrak voor het litigieuze aanslagjaar, zodat het bestreden arrest, door het beroep van de verweerster op grond van die overwegingen gegrond te verklaren, de artikelen 1 en 2 van de belastingverordening van 14 februari 1995 alsook artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet schendt, daar het weigert de litigieuze belastingverordening te dezen toe te passen en op die grondslag de ontheffing van de litigieuze belastingen beveelt. Tweede onderdeel Een bedrijfsruimte kan niettemin worden bestempeld als een afgedankte en niet voor andere doeleinden aangewende industriële installatie waarvan de exploitatie als industriële installatie definitief is stopgezet gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren in de zin van artikel 2 van de belastingverordening van 14 februari 1995, zelfs als in sommige gebouwen of in bepaalde ruimten die deel uitmaken van die bedrijfsruimte de een of andere activiteit doorgaat. Krachtens artikel 3 van de belastingverordening wordt het bedrag van de belasting in dat geval voor iedere ruïne afzonderlijk vastgesteld en bedraagt de belasting overeenkomstig artikel 4 van de belastingverordening 10.000 Belgische frank per are niet bebouwde oppervlakte en 20.000 Belgische frank per are bebouwde oppervlakte. Met andere woorden, de gedeelten van de bedrijfsruimte die niet voldoen aan de voorwaarden voor de heffing van de belasting, zijn voor de berekening daarvan uitgesloten. Het zou overigens te gemakkelijk zijn de toepassing van de belastingverordening te omzeilen en de belasting op de ruïnes van industriële gebouwen te ontwijken door de een of andere weinig belangrijke activiteit in een bedrijfsruimte die hoofdzakelijk de kenmerken van een ruïne van een industrieel gebouw vertoont. In haar appelconclusie wees de eiseres erop dat ¿de verschillende huurovereenkomsten geen aanleiding kunnen geven tot belastingvrijstelling en evenmin kunnen worden beschouwd als gevallen waarin de belaste bedrijfsruimten voor andere activiteiten worden aangewend¿; (¿) met andere woorden, het bestaan van die huurovereenkomsten impliceert geenszins dat de betrokken bedrijfsruimten niet als ruïnes van industriële gebouwen in de zin van de belastingverordening dienen te worden bestempeld ; het bestaan van die overeenkomsten heeft overigens het Gewest evenmin belet de betrokken bedrijfsruimten als ¿afgedankt' te beschouwen ; binnen de afgedankte bedrijfsruimte mogen immers gebouwen of gedeelten van gebouwen staan die nog verder worden gebruikt voor de een of andere economische activiteit ; (¿) voor het overige preciseert (de verweerster) in haar beroep nog dat ¿op het ogenblik van de aanslag de procedures waren ingesteld tegen de weigering van activiteiten', wat wel degelijk aantoont dat in de betrokken bedrijfsruimten geen activiteiten plaatsvonden en deze dus niet werden geëxploiteerd en dat er derhalve wel degelijk grond was tot heffing van de belasting ; (¿) naar luid van artikel 3 van de belastingverordening wordt het bedrag van de belasting voor iedere ruïne afzonderlijk vastgesteld en worden de bedragen van de belasting vastgesteld in artikel 4 van genoemde verordening ; (¿) het wordt niet betwist dat de belastingheffende overheid zich ertoe heeft beperkt belasting te heffen op de ruïnes van industriële gebouwen met uitsluiting van de gedeelten van de bedrijfsruimte die niet aan die definitie beantwoorden¿; In haar conclusie betoogde de eiseres dus dat een bedrijfsruimte als een ruïne van een industrieel gebouw kan worden aangemerkt - en dus aan de belasting kan worden onderworpen - zelfs als bepaalde gedeelten van de betrokken bedrijfsruimte, die uiteraard van de berekening van de belasting zijn uitgesloten, niet voldeden aan de voorwaarden voor de heffing van de belasting, zoals die in artikel 2 van de belastingverordening zijn bepaald. Daaruit volgt dat het bestreden arrest, door het beroep van de verweerster gegrond te verklaren op grond dat ¿(de eiseres) bovendien op bladzijde 9 van haar aanvullende en haar samenvattende conclusie betoogt dat het niet wordt betwist dat de belastingheffende overheid zich ertoe beperkt heeft belasting te heffen op de ruïnes van industriële gebouwen met uitsluiting van de gedeelten van de bedrijfsruimte die niet aan die definitie beantwoorden¿, maar dat ¿enerzijds, het door (de verweerster) opgeworpen geschil betreffende de vraag of de belasting verschuldigd is uiteraard betrekking heeft op de grondslag van die belasting¿ en dat ¿anderzijds, bij de beoordeling van de bewering rekening moet worden gehouden met een brief van 3 september 2002 van de burgemeester van (de eiseres) waaruit blijkt dat de percelen waarop de belasting niet werd geheven, reeds in 1996 niet langer toebehoorden aan de vennootschap (de verweerster), in geen van zijn overwegingen antwoordt op de in het middel uiteengezette argumenten van de eiseres, zodat het niet regelmatig met redenen is omkleed en artikel 149 van de Grondwet schendt. Het verwart tevens de heffingsgrondslag van de belasting met de wijze van berekening ervan en schendt aldus de artikelen 2, 3 en 4 van de belastingverordening van 14 februari 1995 alsook, bijgevolg, artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, het op de in het middel bekritiseerde gronden weigert die belastingverordening toe te passen in zoverre een bedrijfsruimte als een ruïne van een industrieel gebouw kan worden bestempeld - en aan de belasting kan worden onderworpen - zelfs als bepaalde gedeelten van de betrokken bedrijfsruimte die krachtens de artikelen 3 en 4 van de belastingverordening, van de berekening van de belasting uitgesloten zijn, niet voldoen aan de voorwaarden voor de heffing van de belasting zoals die bepaald zijn in artikel 2 van de belastingverordening die de heffingsgrondslag ervan vaststelt. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Artikel 1 van de door de gemeenteraad van de eiseres op 14 februari 1995 goedgekeurde belastingverordening op de ruïnes van industriële gebouwen bepaalt dat een jaarlijkse belasting wordt geheven van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die eigenaar is van op het grondgebied van de stad gelegen ruïnes van industriële gebouwen, ongeacht of ze zichtbaar zijn van op de openbare weg. Krachtens artikel 2 van die verordening wordt die belasting geheven op alle afgedankte en niet voor andere doeleinden aangewende industriële installaties waarvan de exploitatie is stopgezet gedurende ten minste drie opeenvolgende jaren met ingang van 1 januari volgend op de datum van stopzetting van de activiteiten. Uit die bepalingen volgt dat de aldaar bedoelde installaties niet worden belast wanneer zij voor andere activiteiten worden aangewend, zonder dat de omschakeling dient te geschieden naar activiteiten van industriële aard. Daar het arrest vaststelt dat de litigieuze bedrijfsruimten zijn omgeschakeld naar verschillende activiteiten, beslist het wettig dat die bedrijfsruimten ¿niet voldoen aan de in de artikelen 1 en 2 van de verordening bepaalde voorwaarden¿. Dit onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel In strijd met wat dit onderdeel stelt, voerde de eiseres in haar conclusie niet aan dat een bedrijfsruimte kan worden bestempeld als een ruïne van een industrieel gebouw, zelfs als bepaalde gedeelten ervan niet voldoen aan de voorwaarden voor de heffing van de belasting, maar dat de belastingheffende overheid zich ertoe beperkt heeft belasting te heffen op een ruïne van een industrieel gebouw, met uitsluiting van de gedeelten van de bedrijfsruimte die er geen waren. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Didier Batselé, Daniel Plas, Christine Matray en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060914.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.