,vierdel Fiche 2 Het recht op herziening van de pachtprijs van een lopende pacht waarvan het bedrag hoger is dan het bij de wet bepaald maximum is dwingend en strekt tot bescherming van de pachter. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Begrip. Aard van wetgeving Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Begrip. Aard van wetgeving Pachtprijs die het wettelijk maximum overschrijdt Recht op herziening Aard Doel Wettelijke bepalingen:
,eerstel Fiche 3 De pachter kan geen afstand doen van zijn recht op terugbetaling van een pachtprijs die het bij de wet bepaalde maximum overschrijdt dan nadat hij deze prijs heeft betaald; uit het enkele feit van de betaling, zij het met kennis van de relatieve nietigheid, kan geen afstand van dit recht worden afgeleid
,vierdel Fiche 4 De pachter kan geen afstand doen van zijn recht op herziening van een pachtprijs die het bij de wet bepaalde maximum overschrijdt dan nadat hij deze prijs heeft betaald; uit het enkele feit van de betaling, zij het met kennis van de relatieve nietigheid, kan geen afstand van dit recht worden afgeleid. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Verplichtingen van partijen Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Verplichtingen van partijen Pachtprijs die het wettelijk maximum overschrijdt Recht op herziening van de pachtprijs Afstand Wettelijke bepalingen:
- P; VANHOESTENBERGHE - 2007, 238-248 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0171.N VAN OOSTROM & KURVER, landbouwvennootschap, met zetel te 3960 Bree, Peerdebaan 21, bus 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen P.J., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 4 oktober 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. MIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 2 en 5 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, opgenomen onder artikel III van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, zoals van toepassing sinds de wijziging door de wet van 7 november 1988; - de artikelen 821 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek, en voor zoveel als nodig 1044 en 1045 Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Aangevochten beslissingen De eiseres komt op tegen de bestreden beslissing, in zoverre de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren na eiseres' beperkt hoger beroep als ongegrond te hebben afgewezen en de verweersters eisuitbreiding te hebben ingewilligd, eiseres' vordering om de jaarlijkse pachtprijs te horen vaststellen op het wettelijk maximum van 5.799 euro, ongegrond verklaart, haar vordering tot terugbetaling van de pachtgelden die dit bedrag overschreden dienvolgens afwijst, en de vordering van verweerster om eiseres te horen veroordelen tot betaling van de achterstallige pachtgelden ten bedrage van 24.232 euro gegrond verklaart. De appelrechters stoelen hun beslissing op volgende gronden: "In tegenstelling tot de eerste rechter oordeelt deze rechtbank (...) dat de wet tot beperking van de pachtprijzen wel degelijk van toepassing is. Het voorgaande brengt met zich dat er principieel enkel rekening kan worden gehouden met het kadastraal inkomen voor de grond bij de bepaling van de wettelijke pachtprijs daarvan. (...) De gevolgen van het dwingende karakter van deze wet. Partijen stellen terecht dat de voornoemde wet de openbare orde niet raakt, doch slechts van dwingend recht is (Cass., 13 januari 1977, Arr. Cass., 1977, 542). Niets belet partijen - zoals in casu - ervan af te wijken maar steeds met het gevaar dat achteraf een partij op deze afwijkende overeenkomst terugkomt. Weliswaar kan de beschermde partij afstand doen van de relatieve nietigheid door vrijwillig te betalen en voor zover deze betaling met kennis van de relatieve nietigheid gebeurt. Een pachter die door zijn betaling een contract uitvoert, waarvan een beding (in casu de pachtprijs) relatief nietig is, dekt de relatieve nietigheid als de betaling enerzijds vrijwillig gebeurt en anderzijds met kennis van de relatieve nietigheid (Stassijns E., Pacht, APR, Story-Scientia, 1997, 122, met verwijzing naar Cass., 14 april 1967, Arr. Cass., 1967, 987). Voornoemde cassatierechtspraak dateert van na de wet tot beperking van de pachtprijzen daterend van 26 juli 1952, vervangen door de wet van 4 november 1969 en gewijzigd door de wet van 7 november 1988 en wordt nog steeds geciteerd in voornoemde nog vrij recente toonaangevende rechtsleer inzake de pachtwetgeving. Met de eerste rechter is ook deze rechtbank van oordeel dat men zich thans de vraag kan stellen of er nog wel veel pachters zijn die niet op de hoogte zijn van de geldende wettelijke bepalingen. De pachters zijn immers almaar meer ontwikkeld en mondiger geworden. Er zijn diverse publicaties van landbouw-organisaties op de markt voorhanden. Meer nog, in casu was de pachter een professionele landbouwvennootschap die gedurende quasi tien jaar de overeengekomen pachtprijs vrijwillig en zonder enig voorbehoud heeft betaald. Deze vennootschap werd in België opgericht, met zetel te Bree en inschrijving te Hasselt hetgeen ook reeds wijst op een werkterrein in België. Minstens één oprichter, met name Hendricus Kurver is - blijkens de bewoordingen van de notariële oprichtingsakte zelf - beroepsmatig als fruitteler actief. Omwille van dezelfde argumentatie als de eerste rechter is ook deze rechtbank ervan overtuigd dat deze betalingen met kennis van de relatieve nietigheid hebben plaatsgevonden waardoor de eiseres (...) geacht wordt afstand te hebben gedaan van de relatieve nietigheid van de overeenkomst die partijen bijgevolg integraal tot wet strekt. De eerste rechter heeft de vorderingen van (de eiseres) ertoe strekkende de jaarlijkse pachtprijs te begroten op 5.799 euro terecht afgewezen alsook de vordering tot terugbetaling van 59.000 euro wegens teveel betaalde pachtgelden gedurende de laatste vijf jaren. (...) De tegenvordering inzake achterstallige pachtgelden. Na onderzoek oordeelt deze rechtbank dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de eiseres (...) nog achterstallige pachtgelden verschuldigd is aan verweerster (...) tot 30 november 2003 en dit in uitvoering van de overeenkomst die partijen tot wet strekt. De eerste rechter begrootte de pachtachterstand tot en met september 2003 op een bedrag van 21.381 euro in hoofdsom waartoe de eiseres (...) terecht werd veroordeeld. De huidige eisuitbreiding - zoals aangepast in een pleitnota die door de verweerster (...) werd neergelegd ter zitting van 6 september 2003 - is derhalve gegrond voor het bedrag van 24.232 euro verminderd met 21.381 euro hetzij voor een bijkomend bedrag van 2.851 euro in hoofdsom, meer de gerechtelijke intresten, zoals hierna verduidelijkt in het beschikkend gedeelte. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd mits de hiervoor aangehaalde deels andersluidende motivering" (p. 4-5 van het bestreden vonnis). Aldus verwijzen de appelrechters in dit verband ook naar "dezelfde argumentatie" van de vrederechter, die zich in het beroepen vonnis op de volgende motieven had gebaseerd: "(...) (I)ndien de wet op de pachtprijzenbeperking in deze van toepassing zou zijn, dient nog vastgesteld dat deze wet niet van openbare orde is, doch slechts van dwingend recht zodat niets de partijen belette ervan af te wijken (Cass., 13.01.1977, Pas., 1977, I, 523). In casu zijn partijen duidelijk overeengekomen dat de pachtprijs hoger zou liggen dan de wettelijk voorziene pachtprijs. Bovendien heeft (de eiseres) gedurende bijna 10 jaar vrijwillig de overeengekomen pachtprijs betaald. Wanneer de pachter, als beschermde partij, vrijwillig betaalt en deze betaling gebeurt met kennis van de relatieve nietigheid van de overeenkomst, wordt hij geacht afstand te doen van de relatieve nietigheid (Cass., 14.04.1967, R.W., 1967-68, 393). Nu (de eiseres) in deze alleszins vrijwillig betaalde, dient nagegaan te worden of hij dit deed met kennis van de relatieve nietigheid, zodat hij geacht kan worden afstand te hebben gedaan van de relatieve nietigheid van de overeenkomst. De rechtbank aanvaardt dat (de eiseres) als landbouwvennootschap en dus ontegensprekelijk bekend met de pachtwetgeving met kennis van zaken en van de relatieve nietigheid handelde. Er wordt in de overeenkomst tussen partijen uitdrukkelijk verwezen naar de pachtwet, zodat (de eiseres) niet kan stellen daarvan geen kennis te hebben gehad. Bovendien was de wet op de beperking van de pachtprijzen op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst in 1992 reeds meer dan 20 jaar van kracht en werd er in de publicaties van de landbouw- en andere organisaties, alsook in de media reeds zo vaak en uitvoerig over bericht, zodat het uitgesloten is dat (de eiseres) niet op de hoogte zou zijn geweest van de relatieve nietigheid van de door h(aar) gesloten overeenkomst voor wat de pachtprijs betreft. De tijd dat landbouwers als minder ontwikkeld en onmondig werden beschouwd behoort tot een ver verleden en is zeker niet meer van toepassing op de hedendaagse agrariërs, laat staan landbouwvennootschappen. Bijgevolg wordt (de eiseres) geacht afstand te hebben gedaan van de relatieve nietigheid van de overeenkomst. Bijgevolg strekt de overeenkomst partijen tot wet (art. 1134 B.W.) en is de hoofdeis op deze punten ongegrond" (p. 7-8 van het beroepen vonnis van de vrederechter d.d. 18 september 2003), Grieven Eerste onderdeel Een rechterlijke beslissing is niet regelmatig met redenen omkleed en schendt bijgevolg artikel 149 van de Grondwet, wanneer de rechter niet antwoordt op een relevante grief die door een procespartij in een regelmatig neergelegde conclusie werd aangevoerd tot staving van haar eis of haar verweer. Te dezen voerde de eiseres in hoger beroep aan dat de wettelijke beperking van de pachtprijzen weliswaar van dwingend recht was, doch dat dit te dezen niet relevant was nu de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen en inzonderheid artikel 5 van die wet de pachter zonder meer machtigt om de wettelijke pachtprijs te horen vaststellen en om de terugbetaling te vorderen van de vervallen en betaalde pachtgelden van de voorbije vijf pachtjaren die het wettelijk vastgestelde bedrag overschrijden. Dienaangaande verwees de eiseres in haar verzoekschrift tot hoger beroep uitdrukkelijk naar artikel 5 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, dat de pachter toelaat de herziening van de pachtprijs te vragen alsook de terugbetaling te vorderen van de reeds betaalde pachtgelden die het wettelijk maximum overschrijden (tweede blad van het verzoekschrift tot hoger beroep), terwijl zij in haar appelconclusie meer in het bijzonder het volgende aanvoerde. "De ingeroepen wet op de pachtprijsbeperking is natuurlijk niet van openbare orde maar wel van dwingend recht zoals bijna alle bepalingen van de pachtwet. Maar dit is nu niet meer terzake vermits de wet zelf de pachter machtigt om de wettelijke pacht te vorderen en terugbetaling te vragen over 5 verlopen pachtjaren. Wanneer beide partijen akkoord zouden zijn, en ook akkoord zouden blijven, om een hogere pachtprijs te betalen, dan is er natuurlijk géén probleem en zou de huidige procedure niet gevoerd worden. In casu - zoals in alle vorderingen tot toepassing van (de wet van) 4/11/1969 - zijn partijen vanzelfsprekend aanvankelijk overeengekomen dat de pachtprijs hoger zou liggen dan de wettelijk voorziene pachtprijs. Het feit dat (de eiseres) 10 jaar lang vrijwillig betaalde heeft niet het minste belang. De eigenaar mag tevreden zijn wanneer huidige procedure niet vroeger werd gevoerd. De eerste rechter hecht blijkbaar veel belang aan 'de kennis van de relatieve nietigheid' van de overeenkomst. En hij verwijst naar de cassatierechtspraak van 14/4/1967 (...). Dit kan echter géén argument zijn. Eerst en vooral is deze rechtspraak in dit opzicht volledig voorbijgestreefd vermits (de eiseres) zich beroept op de wet van 4/11/1969 die zonder enig voorbehoud en zonder enige voorwaarde de mogelijkheid geeft aan de pachter om de wettelijke pacht te laten begroten. Het is zelfs zo dat in 1967 de pachtwet niet van dwingend recht was. Het aangehaalde arrest geeft bovendien interpretaties aan artikel 5 van de toen bestaande wet en heeft betrekking op een totaal ander geval in totaal andere omstandigheden en in toepassing van een andere wet" (achtste en negende blad van de namens de eiseres neergelegde (eerste) "besluiten in beroep"). De eiseres beriep zich aldus uitdrukkelijk op artikel 5 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, door erop te wijzen dat deze bepaling hoe dan ook toelaat om de herziening van de pachtprijs te vorderen alsook om de terugbetaling te vorderen van de in de voorbije vijf jaren vervallen en betaalde pachtgelden die het wettelijk maximum overschrijden. De appelrechters geven, hetzij door eigen motieven of door de verwijzing naar de motieven van het beroepen vonnis, geen antwoord op deze grief, en beperken zich tot de vaststelling dat de eiseres moet worden geacht afstand te hebben gedaan van de relatieve nietigheid van de pachtovereenkomst, nl. wat de overeengekomen pachtprijs betreft. Door geen antwoord te verstrekken op de voormelde grief van de eiseres m.b.t. de uitdrukkelijke wettekst van artikel 5 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, is de bestreden beslissing niet regelmatig met redenen omkleed en schenden de appelrechters bijgevolg artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel Overeenkomstig het vierde lid van artikel 5 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, moeten de pachtprijzen worden terugbetaald aan de pachter, op diens verzoek, voor zover zij het wettelijk vastgestelde bedrag overschrijden en in zoverre het gaat om reeds vervallen en betaalde pachtgelden van de vijf jaren die aan het verzoek tot terugbetaling voorafgaan. Deze bepaling, die van dwingend recht is, kan uit haar aard slechts van toepassing zijn op pachtgelden die door de pachter aan de verpachter werden betaald. Te dezen oordelen de appèlrechters, mede door te verwijzen naar de desbetreffende motieven in het beroepen vonnis, dat de eiseres, door als professionele landbouwvennootschap gedurende ongeveer tien jaar de overeengekomen pachtprijs vrijwillig en zonder enig voorbehoud te hebben betaald met kennis van de relatieve nietigheid van deze contractueel vastgelegde pachtprijs, moet worden geacht afstand te hebben gedaan van deze relatieve nietigheid van de overeenkomst, die de partijen, aldus de rechtbank, bijgevolg integraal tot wet strekt. Uit deze vaststellingen van de appelrechters kan evenwel niet wettig worden afgeleid dat de eiseres afstand zou hebben gedaan van het recht op terugvordering, zoals bepaald in artikel 5, vierde lid, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen. Deze laatste bepaling maakt het recht op terugbetaling immers niet afhankelijk van de voorwaarde dat de pachtgelden die worden teruggevorderd, betaald zouden zijn zonder kennis van de relatieve nietigheid van de contractueel overeengekomen pachtprijs. Bovendien kan een afstand van recht niet zomaar worden vermoed, doch kan een dergelijke afstand integendeel slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. In dit verband kan een contractpartij slechts regelmatig afstand doen van het recht om zich te beroepen op een bepaling van dwingend recht, vanaf het ogenblik dat zij over dit recht beschikt, wat te dezen impliceert dat de pachter slechts afstand kan doen van zijn recht op terugvordering overeenkomstig artikel 5, vierde lid, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, nadat hij de bewuste pachtgelden heeft betaald en niet vóór of naar aanleiding van de betaling van deze pachtgelden. Uit de loutere vaststelling dat de eiseres gedurende jaren de contractueel vastgelegde pachtprijs heeft betaald waarvan zij volgens de appelrechters wist dat deze in strijd was met de krachtens de wet op dwingende wijze geplafonneerde pachtprijs, kan dan ook niet wettig worden afgeleid dat de eiseres afstand zou hebben gedaan van het wettelijke recht op terugvordering van de te hoge pachtgelden bij toepassing van artikel 5, vierde lid, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen. Door aan de pachter uitdrukkelijk het recht toe te kennen op terugbetaling van de pachtprijzen van de voorbije vijf jaren in zoverre zij het wettelijke bedrag overschrijden, maakt de wet het voor de pachter immers slechts mogelijk om op een wettige wijze afstand te doen van dit recht op terugbetaling nadat hij de betalingen, al dan niet in de wetenschap dat ze onverschuldigd waren, heeft verricht: nu de vordering tot terugbetaling van reeds betaalde onwettige pachtprijzen krachtens een uitdrukkelijke, dwingende wettelijke bepaling een recht van de pachter inhoudt, kan onmogelijk op een wettige wijze worden geoordeeld dat de pachter afstand zou hebben gedaan van dit recht door gedurende jaren de contractueel vastgelegde pachtprijs te hebben betaald met kennis van de relatieve nietigheid ervan. Door de vordering van de eiseres tot terugbetaling van de pachtgelden af te wijzen op grond van de overweging dat eiseres geacht moet worden afstand te hebben gedaan van de relatieve nietigheid van de overeenkomst, schenden de appelrechters enerzijds dan ook artikel 5, inzonderheid het vierde lid, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, opgenomen onder artikel III van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, zoals van toepassing sinds de wijziging door de wet van 7 november 1988, en anderzijds de artikelen 821 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Door voorts te oordelen dat de overeenkomst nopens de pachtprijs, hoewel in strijd met de dwingende wettelijke bepalingen omtrent de beperking van de pachtprijzen, "partijen integraal tot wet strekt", schenden de appelrechters voorts artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, dat immers slechts bindende kracht toekent aan overeenkomsten die "wettig" zijn aangegaan, alsook artikel 2 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, opgenomen onder artikel III van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, zoals van toepassing sinds de wijziging door de wet van 7 november 1988. Derde onderdeel De eiseres vorderde te dezen niet alleen dat de jaarlijkse pachtprijs zou worden vastgesteld op het wettelijk maximum van 5.799 euro ter ondersteuning van haar vordering tot terugbetaling van de pachtgelden die dit bedrag overschreden, doch ook tot staving van haar verweer tegen de door de verweerster ingestelde tegenvordering tot betaling van de nog niet betaalde pachtgelden, alsook tot staving van haar standpunt dat de - tijdens de procedure voor de vrederechter - nog te vervallen pachtgelden dienden te worden beperkt tot het wettelijke maximum. De verweerster stelde in dit verband in de procedure voor de vrederechter dat de eiseres sinds 1 juli 2002 geen pachtgelden meer betaalde en dienvolgens vijf kwartalen aan pachtgelden verschuldigd was, en vorderde dienaangaande de tot op dat ogenblik verschuldigde pachtgelden, door haar berekend op 21.381 euro (nl. de tegenwaarde in euro van 5 x 172.500 BEF). Deze tegenvordering werd door de vrederechter in het beroepen vonnis gegrond verklaard. In hoger beroep vorderde verweerster ook nog de betaling van de pachtgelden die waren vervallen na het beroepen vonnis, nl. voor de maanden oktober en november 2003, voor een bedrag van 2.851 euro (nl. de tegenwaarde in euro van 2/3de van 172.500 BEF). Ook dit bedrag werd in het bestreden vonnis toegekend. De eiseres stelde in dit verband evenwel dat voor de pachtprijzen, vervallen na het inleiden van de zaak voor de vrederechter, de pachtprijs diende te worden vastgesteld op het te dezen toepasselijke wettelijke maximum, hetzij 5.799 euro op jaarbasis. Na te hebben geoordeeld dat de eiseres de "nog achterstallige pachtgelden verschuldigd is aan de verweerster (...) tot 30 november 2003 en dit in uitvoering van de overeenkomst die partijen tot wet strekt", bevestigen de appelrechters de door de vrederechter uitgesproken veroordeling van de eiseres tot betaling van 21.381 euro, en veroordelen zij haar bijkomend om ook het voormelde bedrag van 2.851 euro ten titel van pachtachterstal te betalen aan de verweerster. De appelrechters weigeren aldus in te gaan op de vordering van de eiseres om m.b.t. de door haar te betalen en na het inleiden van de procedure voor de vrederechter grotendeels nog te vervallen pachtgelden rekening te houden met de wettelijk vastgelegde maximale pachtprijs van 5.799 euro, op grond van de bedenking dat de eiseres, door gedurende jaren de contractueel vastgelegde pachtprijs te betalen waarvan zij volgens de appelrechters wist dat deze in strijd was met de krachtens de wet op dwingende wijze geplafonneerde pachtprijs, moet worden geacht afstand te hebben gedaan van de relatieve nietigheid van de overeenkomst wat de bepaling van de pachtprijs betreft, zodat de overeenkomst, aldus de rechtbank, partijen "integraal tot wet strekt". Overeenkomstig het eerste lid van artikel 5 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, dat van dwingend recht is, mag de pachter evenwel de herziening vragen van de prijs van een lopende pacht op de bij de artikelen 2, 3 en 4 van die wet bepaalde grondslag. Uit de loutere vaststelling dat de eiseres gedurende jaren de contractueel vastgelegde pachtprijs heeft betaald waarvan zij volgens de appelrechters wist dat deze in strijd was met de krachtens de wet op dwingende wijze geplafonneerde pachtprijs - waaruit de appelrechters in eerste instantie afleiden dat de eiseres afstand zou hebben gedaan van het wettelijke recht op terugvordering van de reeds betaalde pachtgelden (cf. het tweede onderdeel van het middel) - kan dan ook niet wettig worden afgeleid dat de eiseres afstand zou hebben gedaan van haar recht om ook in de toekomst de herziening te vragen van de pachtprijs overeenkomstig het eerste lid van artikel 5 van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen. Dienvolgens schenden de appelrechters enerzijds de artikelen 2 en 5, inzonderheid het eerste lid, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, opgenomen onder artikel III van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, zoals van toepassing sinds de wijziging door de wet van 7 november 1988, en anderzijds de artikelen 821 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek, en voor zoveel als nodig artikelen 1044 en 1045 van het voornoemd wetboek, evenals het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt dient te worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Door voorts te oordelen dat de overeenkomst nopens de pachtprijs, niettegenstaande het bestaan van de dwingende rechtsregel dat de pachter principieel het recht heeft om een herziening van de pachtprijs te vragen, "partijen integraal tot wet strekt" en de eiseres dienvolgens geen herziening van de pachtprijs kan vorderen, schenden de appelrechters voorts artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, dat immers geen afbreuk doet aan dwingende wettelijke bepalingen die aan een contractpartij het recht verlenen om een wijziging van een contractueel beding, te dezen de herziening van de pachtprijs, te vorderen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel 1. Krachtens artikel 5, vierde lid, van de wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, opgenomen onder artikel III van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, moeten de pachtprijzen, voor zover zij het ingevolge deze wet bepaalde maximum overschrijden, aan de pachter, op zijn verzoek, worden terugbetaald, zij het dat deze teruggave slechts van toepassing is op de vervallen en betaalde pachtgelden van de vijf jaren die aan het verzoek voorafgaan. 2. Het recht op terugbetaling is dwingend en strekt tot bescherming van de pachter. De pachter kan van dit recht geen afstand doen dan nadat hij de in strijd met voormelde wet overeengekomen pachtprijs heeft betaald. Uit het enkele feit van de betaling zelf van de relatief nietige pachtprijs, zij het met kennis van de relatieve nietigheid, kan geen afstand van het recht op terugbetaling worden afgeleid. 3. De eiseres vordert eensdeels de beperking van de met de verweerster in strijd met voormelde wet overeengekomen pachtprijs tot het wettelijke maximum en anderdeels, met toepassing van voormelde wetsbepaling, de terugbetaling van de gedurende de vijf voorafgaande jaren teveel betaalde pachtgelden. De appelrechters oordelen dat de eiseres, door gedurende jaren een relatief nietige pachtprijs te betalen met kennis van deze nietigheid, van haar recht op terugbetaling afstand heeft gedaan. Door op die grond de vordering van de eiseres af te wijzen, schenden de appelrechters voormelde wetsbepaling. 4. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Derde onderdeel 5. Krachtens artikel 5, eerste lid, van de voormelde wet van 4 november 1969 tot beperking van de pachtprijzen, kan elk van de partijen de herziening vragen van de prijs van een lopende pacht op de bij de artikelen 2, 3 en 4 bepaalde grondslag. Het tweede lid van voormeld artikel vervolgt dat, wanneer de pachter de herziening vraagt van de prijs van een lopende pacht waarvan het bedrag hoger is dan het aldus bepaalde maximum, de pacht dan niet nietig is maar de pachtprijs wordt teruggebracht tot het overeenkomstig die artikelen bepaalde bedrag. 6. Het recht op herziening van de pachtprijs is dwingend en strekt tot bescherming van de pachter. De pachter kan van dit recht geen afstand doen dan nadat hij de in strijd met voormelde wet overeengekomen pachtprijs heeft betaald. Uit het enkele feit van de betaling zelf van de relatief nietige pachtprijs, zij het met kennis van de relatieve nietigheid, kan geen afstand van het recht op herziening van de pachtprijs worden afgeleid. 7. Met toepassing van voormelde wetsbepaling vordert de eiseres de beperking van de met de verweerster in strijd met voormelde wet overeengekomen pachtprijs tot het wettelijke maximum. Bovendien beroept de eiseres zich op haar recht op herziening van de pachtprijs als verweer tegen de door de verweerster in eerste aanleg ingestelde en in hoger beroep uitgebreide tegenvordering die strekt tot betaling van de nog niet betaalde pachtgelden. De appelrechters oordelen dat de eiseres door gedurende jaren een relatief nietige pachtprijs te betalen met kennis van deze nietigheid, van haar recht op terugbetaling afstand heeft gedaan en bijgevolg gehouden is tot uitvoering van de pachtovereenkomst die de partijen integraal tot wet strekt. Door op die grond de vordering van de eiseres af te wijzen en de uitgebreide tegenvordering van de verweerster in te willigen, schenden de appelrechters voormelde wetsbepaling. 8. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum, Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Dirk Debruyne, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221114.3F.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240129.3F.2 ECLI:BE:CTBRL:2012:ARR.20120628.19 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030321.12 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040621.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.