← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.3 Rolnummer: C.05.0273.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Familierecht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 389 - laatst gezien 2026-07-03 07:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Alleen de vrederechter is bevoegd om, na de ontbinding van het huwelijk door een in kracht van gewijsde getreden vonnis dat de echtscheiding uitspreekt op vordering van een van de echtgenoten, kennis te nemen van een vordering tot het verkrijgen van een provisionele uitkering overeenkomstig artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek of de afschaffing of wijziging van een reeds voordien toegekende provisionele uitkering als voorlopige maatregel, ook al is de vordering tot echtscheiding van de andere echtgenoot hangende

(1).
(1)P. SENAEVE, "De aanpassing van de wet tot hervorming van de echtscheidingsprocedures", E.J., 1997, p. 70, nr 14; J. GERLO, "Echtscheiding - voorlopige maatregelen" in Commentaar personen- en familierecht, Antwerpen, Kluwer, 2000 art. 1280, Ger.W.-13, nrs 9 en 12; K. UYTTERHOEVEN, "Bevoegdheid en rechtspleging inzake onderhoudsgelden", in Onderhoudsgelden, P. SENAEVE, Acco, 2001, nrs 308-
  1. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrederechter Echtscheidingsprocedure Wederzijdse vorderingen tot echtscheiding Provisionele uitkering Vordering ingesteld na de ontbinding van het huwelijk Bestaan van een andere hangende vordering tot echtscheiding Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.591,7°,e Thesaurus CAS: VREDERECHTER Vrije woorden: VREDERECHTER Bevoegdheid Echtscheidingsprocedure Wederzijdse vorderingen tot echtscheiding Provisionele uitkering Vordering ingesteld na de ontbinding van het huwelijk Bestaan van een andere hangende vordering tot echtscheiding Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.591,7°,e Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Voorlopige maatregelen Vrije woorden: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - ECHTSCHEIDINGSPROCEDURE - Voorlopige maatregelen Wederzijdse vorderingen tot echtscheiding Provisionele uitkering Vordering ingesteld na de ontbinding van het huwelijk Bestaan van een andere hangende vordering tot echtscheiding Bevoegdheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.591,7°,e Tekst van de beslissing Nr. C.05.0273.N G.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B.K., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen twee vonnissen, op 23 mei 2003 en 24 september 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan tegen het vonnis van 23 mei
  2. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 19, 556, 569, 591, 7°, 616, 1068 en 1070 van het Gerechtelijk Wetboek; artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden tussenvonnis dd. 23 mei 2003: "Wijzende in graad van beroep en op tegenspraak; (...) Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk Verklaart het incidenteel hoger beroep nu reeds in de volgende mate gegrond. Vernietigt het eerste vonnis in de mate de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde om van de oorspronkelijke hoofdvordering kennis te nemen. En opnieuw recht doende; Zegt voor recht dat de eerste rechter bevoegd was om van de oorspronkelijke hoofdvordering kennis te nemen. Trekt dienvolgens de zaak aan zich (...)", na vastgesteld te hebben op p.3: "Bij vonnis dd. 04.01.1999 van de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, werd de echtscheiding tussen partijen op tegeneis uitgesproken ten nadele van (de eiser), terwijl de hoofdvordering tot echtscheiding toelaatbaar werd verklaard, doch vooraleer ten gronde te oordelen werd (de eiser) gemachtigd zijn vordering te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen. Bij ditzelfde vonnis werd (de verweerster) een provisioneel onderhoudsgeld toegekend op grond van artikel 301 B.W. ten belope van 46.000 BEF per maand, geïndexeerd; De echtscheiding tussen partijen werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Brugge op 19 maart
  3. De hoofdvordering in echtscheiding werd niet verder benaarstigd en is nog steeds hangende", op grond van de motieven op p. 5 -7: "Er dient eerst te worden geoordeeld over de gegrondheid van het incidenteel hoger beroep, meer bepaald in de mate dat de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde om over de hoofdvordering (met betrekking tot de afschaffing/vermindering van het provisioneel onderhoudsgeld voor verweerster, persoonlijk). Er dient immers een onderscheid gemaakt te worden tussen de procedure strekkende tot aanpassing van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen en de procedure tot afschaffing/vermindering van de provisionele onderhoudsbijdrage ex art. 301 B.W. (...) Wat betreft de vordering tot afschaffing/vermindering van het provisioneel onderhoudsgeld voor (de verweerster), dient te worden vastgesteld dat (de verweerster) in de procedure a quo de bevoegdheid van de vrederechter om van deze vordering kennis te nemen impliciet heeft betwist. Door (de verweerster) werd in haar besluiten voor de eerste rechter de bevoegdheid van de vrederechter weliswaar betwist (besluiten dd. 19.04.2001- p.2), doch in het dispositief van haar besluiten vordert zij de afwijzing van de vordering als onontvankelijk. De eerste rechter was wel degelijk bevoegd om van het geschil nopens de provisionele onderhoudsbijdrage kennis te nemen en heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard. Ten onrechte verwijst de eerste rechter naar art. 591, 7°, Ger. W. om zijn bevoegdheid af te wijzen. Art. 591, 7°, Ger. W. kent aan de vrederechter een bijzondere bevoegdheid toe inzake onderhoudsvorderingen. Ongeacht het bedrag van de vordering neemt de vrederechter in beginsel kennis van alle betwistingen inzake onderhoudsgelden: toekenning, wijziging of opheffing van onderhoudsuitkeringen. Ook de vorderingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen behoren tot zijn bevoegdheid. Slechts twee categorieën van geschillen worden uitdrukkelijk uitgesloten van de ruime bevoegdheid van de vrederechter. Zij worden limitatief opgesomd in art. 591, 7°, Ger. W. Het betreft met name de geschillen op grond van art. 336 B.W. en de geschillen in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Het is deze laatste beperking die aanleiding geeft tot betwisting inzake de precieze afbakening van de temporele bevoegdheid van de vrederechter in het bijzondere geval dat na de ontbinding van het huwelijk nog een echtscheidingseis hangende is. Met de wet van 20 mei 1997 heeft de wetgever een einde gesteld aan de rechtsonzekerheid die hierover was ontstaan. Voortaan wordt in het 1e en 8e lid van art. 1280 Ger. W. bepaald dat de bevoegdheid van de voorzitter eindigt op het ogenblik dat het huwelijk ontbonden wordt. Art. 1280, 1e en 8e lid, is aangevuld met de woorden tot aan de ontbinding van het huwelijk, hetgeen eenvoudig betekent dat - in de verhouding tussen de echtgenoten - van zodra het echtscheidingsvonnis kracht van gewijsde bekomen heeft, het huwelijk ingevolge de echtscheiding ontbonden is en de bevoegdheid van de voorzitter ophoudt. Vanaf dat ogenblik wordt de vrederechter opnieuw bevoegd om uitspraak te doen over de onderhoudsbijdrage voor de kinderen en de provisionele onderhoudsuitkering tussen de ex-echtgenoten. Het loutere feit dat de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig art. 568, 1e lid, Ger. W. eveneens kennis kan nemen van een vordering tot uitkering van levensonderhoud doet geen afbreuk aan de bijzondere bevoegdheid van de vrederechter. Deze materiële bevoegdheid is overigens van openbare orde (...) en mag bijgevolg in elke stand van het geding worden opgeworpen (art. 854 Ger. W.) en moet door de rechter steeds ambtshalve worden onderzocht. In voorkomend geval moet ambtshalve een exceptie van onbevoegdheid worden opgeworpen, waarna de zaak wordt verwezen naar de arrondissementsrechtbank (art. 640 Ger. W.). In casu heeft zich voor de eerste rechter een bevoegdheidsincident voorgedaan. (De verweerster) heeft weliswaar de onbevoegdheid opgeworpen, doch niet aangeduid welke rechter volgens haar wel bevoegd is (art. 855 Ger. W.). Door geen der partijen werd de verwijzing naar de arrondissementsrechtbank gevorderd. (De eiser) heeft ondanks de opgeworpen exceptie volhard in zijn keuze zodat de eerste rechter terecht zelf zijn bevoegdheid heeft onderzocht. De zaak kan in dat geval immers niet worden verzonden naar de arrondissementsrechtbank en de rechter kan die niet bevelen, zelfs niet wanneer de openbare orde in het gedrang zou komen. De eerste rechter heeft zich evenwel ten onrechte onbevoegd verklaard zoals uit het bovenstaande blijkt. Bovendien had de eerste rechter gelet op het feit dat hij zich onbevoegd verklaarde de zaak moeten verwijzen naar de volgens hem bevoegde rechter (art. 660 Ger. W.), hetgeen evenmin gebeurde. De eerste rechter heeft zich ten onrechte onbevoegd verklaard zodat deze rechtbank als appèlgerecht de zaak aan zich dient te trekken. Het incidenteel hoger beroep is op dit punt gegrond. Het eerste vonnis wordt vernietigd in de mate dat de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde om van de hoofdvordering kennis te nemen". Grieven Eerste onderdeel De vrederechter is krachtens artikel 591, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd om kennis te nemen "van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud met uitsluiting evenwel van geschillen (...) in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest". In geval over de echtscheidingsvordering, als er maar één wordt ingesteld, of beide wederzijdse echtscheidingsvorderingen van de echtelieden tegen mekaar, uitspraak is gedaan bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing is de vrederechter derhalve bevoegd. Dit is niet het geval wanneer over één van de beide wederzijds ingestelde echtscheidingsvorderingen nog geen dergelijke beslissing werd genomen. In casu werd over de echtscheidingsvordering van de eiser op grond van bepaalde feiten nog geen dergelijke beslissing genomen, vermits bij vonnis van 4 januari 1999 van de tweede kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de eiser toegelaten werd zijn vordering te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen. In dat geval kan verweerster op grond van de artikelen 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek en 301 van het Burgerlijk Wetboek slechts een provisionele uitkering worden toegekend op onderhoudsgeld na echtscheiding, dewelke niet definitief is en waarvan het lot afhangt van de schuldvraag in hoofde van de de verweerster verbonden aan de nog niet beslechte echtscheidingsvordering van de eiser tegen de verweerster. Dergelijke provisionele uitkering werd toegekend aan de verweerster bij voormeld vonnis van 4 januari 1999, zoals het bestreden tussenvonnis heeft vastgesteld. De vordering met betrekking tot de toekenning, wijziging of afschaffing van voormelde provisionele uitkering is dan ook een geschil in verband met de nog hangende rechtsvordering tot echtscheiding van de eiser, waarvoor de bevoegdheid van de vrederechter is uitgesloten. De materiële bevoegdheid in eerste aanleg van de vrederechter, respectievelijk bevoegde rechtbank volgens artikel 569, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, belangt de openbare orde aan en kan dus voor het eerst in graad van cassatie worden aangevoerd. Hieruit volgt dat, vermits de Vrederechter van het 2e kanton te Brugge niet bevoegd is om uitspraak te doen over een vordering met betrekking tot een provisionele uitkering tot onderhoud, - weze het de toekenning, wijziging of afschaffing ervan - (schending van de artikelen 556, 569, inzonderheid, 1° en 597, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek), die verband houdt met de nog hangende rechtsvordering tot echtscheiding van eiser (schending van de artikelen 19 en 591, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek en 301 van het Burgerlijk Wetboek), de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, in strijd met de mening van de appelrechters, evenzeer de bevoegdheid ontbeerde om als beroepsrechter uitspraak te doen over dergelijke vordering (schending van de artikelen 556, 569, 1°, en 597, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek), vastgesteld hebbend (p.3) dat bij vonnis van 4 januari 1999 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de verweerster een provisioneel onderhoudsgeld toegekend werd op grond van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek en dat de hoofdvordering in echtscheiding van de eiser nog steeds hangende is (schending van de artikelen 19 en 591, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek en 301 van het Burgerlijk Wetboek), maar krachtens artikel 1070 van het Gerechtelijk Wetboek had moeten vaststellen dat de vrederechter niet bevoegd was om van het geschil kennis te nemen om vervolgens zelf, alleen in gevolge de toepassing van voormelde bepaling, ten gronde uitspraak te doen in eerste aanleg (schending van de artikelen 569, 1°, 616 en 1070 van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel De rechter kan, krachtens artikel 19, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, alvorens recht te doen een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of de toestand van de partijen voorlopig te regelen. Een echtgeno(o)t(e), die de echtscheiding heeft verkregen, vanaf de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de bekomen echtscheiding op zijn/haar vordering, maar vooraleer over de vordering in echtscheiding van zijn partner uitspraak is gedaan, kan een provisionele uitkering op onderhoudsgeld na echtscheiding worden toegekend op grond van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, die vermits het huwelijk ontbonden is overeenkomstig hetzelfde artikel wordt begroot. De toekenning van dergelijke provisionele uitkering geschiedt tot voorlopige regeling van de toestand van partijen, op grond van voormeld artikel 19, lid
  4. Het komt op grond van dezelfde bepaling slechts aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is toe de door hem besliste voorlopige regeling te wijzigen. Immers, de beslissing alvorens recht te doen put de rechtsmacht van die rechter niet uit zoals blijkt uit artikel 19, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, behoudens de uitoefening van enig rechtsmiddel. De appelrechters hebben op p. 3 vastgesteld dat bij vonnis van 4 januari 1999 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge de eiser gemachtigd werd zijn vordering in echtscheiding te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen en dat deze vordering nog steeds hangende is bij voormelde rechtbank. Hieruit volgt dat het bestreden tussenvonnis onwettig de zaak aan zich trekt (schending van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek) en de appelrechters zich onwettig bevoegd verklaren om van de vordering tot wijziging van de provisionele uitkering na echtscheiding uitspraak te doen, vaststellende dat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, zetelend in eerste aanleg, zijn rechtsmacht om uitspraak te doen over de vordering van de verweerster tot het verkrijgen van een uitkering na echtscheiding, nog niet volledig had uitgeoefend, maar de toestand van partijen slechts voorlopig geregeld had, wat verhindert dat de appèlrechters te dezen kennis vermochten te nemen van een vordering tot wijziging van die voorlopige toestand, omdat het enkel aan de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in eerste aanleg, toekomt die voorlopig bepaalde toestand te wijzigen (schending van artikel 19, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek) en zij, zetelend als beroepsrechters in laatste aanleg op het hoger beroep tegen een vonnis van de vrederechter, die rechtsmacht ontberen (schending van artikel 19, eerste lid, en 616 van het Gerechtelijk Wetboek). De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan tegen het vonnis van 24 september
  5. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek; artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek; het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel, zoals neergelegd o.m. in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden eindvonnis dd. 24 september 2004 "Verklaart het incidenteel beroep ongegrond en wijst dienvolgens de vordering tot retroactieve afschaffing van het onderhoudsgeld voor (de verweerster) vanaf 1 december 1997 af als ongegrond en wijst eveneens de in subsidiaire orde gestelde vordering tot vermindering van de onderhoudsbijdrage voor (de verweerster) vanaf 1 december 1997 tot 867,63 euro op basis van miskenning van art. 301, ,§4, tot 19 december 2000 om het vanaf deze datum volledig af te schaffen af als ongegrond. Veroordeelt (de eiser) tot de kosten van beide rechtsgedingen welke aan de zijde van (de eiser) begroot worden op: (...)", op grond van de motieven op p. 7-8: "(De eiser) toont niet aan dat er sterk gewijzigde omstandigheden waren die een drastische vermindering laat staan een afschaffing van de persoonlijke onderhoudsbijdrage rechtvaardigen. Er is geen serieuze inkomensstijging in hoofde van (de verweerster) aangetoond. Zij heeft fluctuerende inkomsten uit haar kinesitherapiepraktijk doch zonder dat er besloten kan worden dat deze voor de periode 2000 tot 2004 een pak hoger liggen dan deze in het jaar
  6. Het feit dat de vader van (de verweerster) tussenkomt bij de aflossing van de leningslast maakt geen sterk gewijzigde omstandigheid uit. De leninglast op zich is niet verminderd. De hulp van ouders kan geen reden tot afschaffing of vermindering van een persoonlijk onderhoudsbijdrage zijn". Grieven De verweerster stelde in haar synthesebesluiten gedateerd op 21 november 2003, op p. 6 onder B.3.: "Om herhaling te vermijden vermits (de eiser) in zijn laatste besluiten maar dezelfde beweringen aanvoert, verwijst (de verweerster) eerbiedig naar haar vorige besluiten voor de Vrederechter dd. 19.04.01, (...) nopens (..) - de tussenkomst van de vader van (de verweerster) ter hulp van (de verweerster)", alwaar de verweerster op p. 3 aanvoerde: "Het eigendom was maximaal gehypotheceerd na aankoop en verbouwingen. De aflossing bedroeg 61.774 BEF per maand op een lening van 6.500.000 BEF (stuk 4). (...) Ten einde het beoogde doel aan te houden (behoud van de woning voor de kinderen poging tot herleiden tot minimum van het trauma van de echtscheiding en voor het beroep van (de verweerster) kwam haar vader tussen bij middel van een aflossing van 2.000.000 BEF in november
  7. De lening kon worden herleid tot 4.000.000 BEF terugbetaalbaar met maandelijkse aflossing van 37.682 BEF over 12 jaar (stuk 6) en onder de vorm van een woonkredietovereenkomst met hypothecaire volmacht en schuldsaldoverzekering". De verweerster aldus zelf als feitenbestand aanvoerde dat de leninglast verminderde van een maandelijkse aflossing van 61.774 BEF naar 37.682 BEF. Niet de bodemrechter bepaalt het feitenbestand, maar wel de partijen, in uitvoering van de rol die hen toekomt krachtens het beschikkingsbeginsel. Hieruit volgt dat het bestreden eindvonnis onwettig beslist "Het feit dat de vader van (de verweerster) tussenkomt bij de aflossing van de leningslast maakt geen sterk gewijzigde omstandigheid uit. De leninglast op zich is niet verminderd", wanneer uit het door partijen en door de verweerster bevestigde feitenbestand blijkt dat de leningslast verminderde van een maandelijkse aflossing van 61.774 BEF naar 37.682 BEF (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel, zoals neergelegd o.m. in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek), zonder welke miskenning het afwijzen van de vordering van de eiser niet wettig verantwoord is in de mate de erkende vermindering van de leningslast een ingrijpende wijziging van de toestand van uitkeringsgerechtigde kan uitmaken (schending van artikel 301, ,§3, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet; de artikelen 301, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; artikel 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden eindvonnis dd. 24 september 2004 "Verklaart het incidenteel beroep ongegrond en wijst dienvolgens de vordering tot retroactieve afschaffing van het onderhoudsgeld voor (de verweerster) vanaf 1 december 1997 af als ongegrond en wijst eveneens de in subsidiaire orde gestelde vordering - tot vermindering van de onderhoudsbijdrage voor (de verweerster) vanaf 1 december 1997 tot 867,63 euro op basis van miskenning van art. 301, ,§4, tot 19 december 2000 om het vanaf deze datum volledig af te schaffen - af als ongegrond. Veroordeelt (de eiser) tot de kosten van beide rechtsgedingen welke aan de zijde van (de eiser) begroot worden op: (...)". op grond van de motieven op p. 8: "(De eiser) zelf beweert dat hij in vergelijking met 1996 tal van meeruitgaven en lasten heeft onder andere wegens zijn tweede huwelijk. Hij blijft echter in gebreke een drastische lastenverhoging aan te tonen. Zijn tweede echtgenote is trouwens eveneens werkzaam. Er wordt door hem evenmin aangetoond dat zijn inkomsten sterk gedaald zouden zijn ten opzichte van het jaar
  8. De rechtbank merkt hierbij op dat het (de eiser) vrij staat om zich zo te organiseren op de wijze dat dit hem het meest fiscaal voordeel opbrengt doch de rechtbank is niet gehouden om deze fiscale realiteit als de reële weergave van de werkelijk door (de eiser) genoten inkomsten te beschouwen. De door (de eiser) voorgelegde loonfiches zijn niet indicatief voor de werkelijke inkomsten - en vermogenssituatie van (de eiser). (De eiser) geniet onbetwistbaar naast dit loon nog over een aantal extra-legale voordelen, gelet op de uiterlijke tekenen van welstand die niet in overeenstemming zijn te brengen met het door hem aangegeven inkomen". Grieven Krachtens artikel 301, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek mag het bedrag van de uitkering in geen geval hoger zijn dan één derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot. Die inkomsten zijn de netto-inkomsten, d.w.z. na aftrek van de sociale en fiscale lasten van de betrokken echtgenoot en van hem alleen, met uitsluiting van de inkomsten van zijn nieuwe partner. Dezelfde limiet geldt ook voor de provisionele uitkering die op grond van artikel 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek en het voormeld artikel 301 wordt toegekend in afwachting van de beslechting van de vordering in echtscheiding van de echtgenoot, die voorlopig als de schuldige wordt aanzien. In regelmatig genomen besluiten, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 27 oktober 2003 voerde de eiser op p.6 aan: "11.8 de beperking tot 1/3 van het inkomen van (de eiser) conform art. 31 & 4 (lees: 301, ,§4) B.W. (De verweerster) gaat de ingesteldheid van (de eiser) waarbij hij zich in het belang van de kinderen 'uitkleedde' misbruiken om te beweren dat de onderhoudsbijdrage het 1/3 van zijn inkomsten niet te boven zou gaan. Dit gaat uiteraard niet op en toen (de eiser) één en ander vernam was het volkomen terecht dat hij de betaalde onderhoudsbijdrage ging betwisten. (De eiser) bewijst aan de hand van bewijskrachtige stukken dat zijn inkomen op heden 1896,71 euro per maand bedraagt en hij bewijst tevens de inkomsten over 1995 en 2000 zodat duidelijk mag blijken welk zijn reëel inkomen is. Het whisfull thinking van (de verweerster) dat (de eiser) een inkomen zou hebben van 135.000 BEF per maand wordt ten zeerste betwist en wordt niet bewezen. (De eiser) legt de loonstaten voor en in tegenstelling tot wat (de verweerster) beweert was (de eiser) niet de enige zaakvoerder tot aan het overlijden van zijn vader vorig jaar, die actief deelvennoot was en ook bepaalde wat er mocht en niet. Het was trouwens de vader die de vennootschap met geldinjecties diende te redden van de faling. Nu (de eiser) alleen is om te beslissen en zodoende zijn inkomen tot het beweerde imaginair bedrag van 135.000 BEF per maand op te trekken zou binnen de kortste keren leiden tot faling. Het bedrijf diende uit te breiden om te kunnen overleven en diende daartoe niet alleen te lenen doch ook eigen geldinjecties te doen. Dat was dan ook de aanleiding tot een negatieve balans en openstaande RSZ schulden. Zodat (de eiser) werd opgeroepen door de depistagedienst. Wil (de verweerster) misschien het faillissement zodat er niets meer kan betaald worden. (De eiser) werkt inderdaad als een gek voor een beperkt inkomen gezien dit in de vennootschapsstructuur een noodzaak is wil hij overleven. Van een vrij bepalen van zijn inkomsten is er dan ook geen sprake. Het onderhoudsgeld kan dan ook maximaal 1/3 van 1.896,76 E bedragen, hetzij 632,24 euro per maand". Hieruit volgt dat het bestreden eindvonnis met de overweging "dat het (de eiser) vrij staat om zich zo te organiseren op de wijze dat dit hem het meest fiscaal voordeel opbrengt, doch de rechtbank is niet gehouden om deze fiscale realiteit als de reële weergave van de werkelijk door (de eiser) genoten inkomsten te beschouwen" op dit omstandig verweer niet heeft geantwoord wat betreft de begrenzing tot 1/3 en dus niet naar genoegen van recht gemotiveerd is (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet) en de appelrechters, die nagelaten hebben de feitelijke gegevens aan te duiden op grond waarvan zij het bewezen bevinden dat er uiterlijke tekenen van welstand zijn die niet in overeenstemming zijn te brengen met het door de eiser aangegeven inkomen, niet enkel de bewijsregel van de feitelijke vermoedens miskennen, nu een dergelijk vermoeden enkel kan gesteund worden op een vastgesteld bekend feit (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek), maar tevens te kort komen aan de motiveringsplicht door de gegevens niet te hebben vastgesteld ter bepaling van het inkomen van de eiser op grond waarvan het Hof kan nagaan of de maximumgrens van 1/3 al dan niet is overschreden (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, artikel 301, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek en 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek) en op dubbelzinnige wijze in het ongewisse laten of zij voor het bepalen van dat inkomen rekening hebben gehouden met de inkomsten van de tweede echtgenote die eveneens werkzaam is, hetgeen evenwel is uitgesloten voor de toepassing van voormelde drempel van 1/3 (schending van artikel 301, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 19, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek) of niet, in welk geval de beslissing wettig is op dit punt. (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). III. BESLISSING VAN HET HOF Cassatieberoep tegen het tussenvonnis van 23 mei 2003 Eerste onderdeel Krachtens artikel 591, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, neemt de vrederechter, ongeacht het bedrag van de vordering, kennis van alle geschillen betreffende uitkeringen tot onderhoud, met uitsluiting evenwel van geschillen op grond van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek en van die in verband met een rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed waarover geen einduitspraak is geveld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Krachtens artikel 1280, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997, neemt de voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt, rechtsprekend in kort geding kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op het levensonderhoud in iedere stand van het geding, tot de ontbinding van het huwelijk op verzoek van de partijen of van een van de partijen of van de procureur des Konings. Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat in het geval dat de beide echtgenoten wederzijdse vorderingen tot echtscheiding hebben ingesteld en de echtscheiding op vordering van één van hen is uitgesproken en het vonnis in kracht van gewijsde is getreden, terwijl de vordering van de andere echtgenoot hangende blijft, alleen de vrederechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot het verkrijgen van een provisionele uitkering overeenkomstig artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek of de wijziging of afschaffing van een reeds voordien toegekende provisionele uitkering. Het onderdeel voert aan dat, bij wederzijdse echtscheidingsvorderingen, de vrederechter onbevoegd is om over dergelijke vorderingen te oordelen nadat het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden, zolang er nog een vordering tot echtscheiding hangende is. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht. Voor het overige voert het onderdeel geen zelfstandige grieven aan, maar is het volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onbevoegdheid van de vrederechter om van de door de eiser gevorderde afschaffing van de aan de eiseres toegekende provisionele uitkering kennis te nemen. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de vrederechter na de ontbinding van het huwelijk bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot afschaffing of wijziging een reeds toegekende provisionele uitkering overeenkomstig artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek als voorlopige maatregel ook al is er een andere rechtsvordering tot echtscheiding hangende. Het onderdeel faalt naar recht. Cassatieberoep tegen het eindvonnis van 24 september 2004 Eerste middel De appelrechters stellen vast dat de verweerster de vordering tot afschaffing van het provisioneel onderhoudsgeld betwist, gezien "de aflossing voor de woning nog steeds hetzelfde bedrag bedraagt" en dat "de steun van derden geen reden voor eiser is om zijn verbintenissen niet meer na te komen". De appelrechters oordelen in feite of het door de verweerster aangevoerde feit van de aflossing van 2.000.000 BEF op de lening door de vader van de verweerster en de hulp van de ouders een sterk gewijzigde omstandigheid uitmaken die de afschaffing of vermindering van de provisionele uitkering aan de verweerster verantwoordt. Door die beoordeling miskennen de appelrechters het beschikkingsbeginsel niet en schenden zij de artikelen 1138 en 19 van het Gerechtelijk Wetboek en 301, ,§3, van het Burgerlijk Wetboek niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel De uitkeringsplichtige die afschaffing of vermindering van de uitkering of van de provisionele uitkering vordert wegens gewijzigde omstandigheden en daarbij aanvoert dat die uitkering het door artikel 301, ,§4, van het Burgerlijk Wetboek bepaalde één derde van zijn inkomsten te boven gaat, draagt daarvan de bewijslast. De appelrechters oordelen dat: de eiser de aangevoerde drastische meeruitgaven en lasten van onder andere zijn tweede huwelijk niet aantoont; zijn echtgenote trouwens ook werkt; de eiser evenmin aantoont dat zijn inkomsten sterk gedaald zijn ten opzichte van 1996; zij niet gehouden zijn de fiscale weergave als reële weergave van de werkelijk door de eiser genoten inkomsten te beschouwen; de door de eiser overgelegde loonfiches niet indicatief zijn voor zijn werkelijke inkomsten en vermogenssituatie en dat de eiser naast dit loon onbetwistbaar nog een aantal extra-legale voordelen geniet; de uiterlijke tekenen van welstand niet in overeenstemming zijn te brengen met de door hem aangegeven inkomsten. Met die redenen verwerpen de appelrechters de door de eiser aangevoerde gewijzigde omstandigheden. De appelrechters die niet dienden te oordelen over de rechtmatigheid van de provisionele uitkering waarvan de eiser de afschaffing of vermindering vorderde, verwerpen en beantwoorden aldus het bedoelde verweer en verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 544,67 euro jegens de eisende partij en op de som van 167,47 euro jegens de verwerende partij Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Dirk Debruyne, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2007:ARR.20071105.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.