id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.4 Rolnummer: C.05.0304.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 775 - laatst gezien 2026-07-03 19:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In burgerlijke zaken kan een partij hoger beroep instellen indien haar belang wordt geschaad door de beroepen beslissing; een dergelijk belang is voorhanden wanneer het hoger beroep strekt tot de rechtzetting van een vergissing door een partij begaan in eerste aanleg
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. en de daar vermelde verwijzingen. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Beslissing conform de conclusie van een partij Hoger beroep van die partij Belang Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.17,18en Fiche 2 Concl. adv.-gen. m.o. CORNELIS, 15 sept. 2006, AR C.05.0304.N, A.C. 2006, nr ... Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Beslissing conform de conclusie van een partij Hoger beroep van die partij Belang Nota: C.05.0304.N Advocaat-generaal met opdracht P. Cornelis heeft in substantie gezegd: Verweerster heeft een schuldvordering ingediend in het raam van het faillissement van de N.V. SAVEKOUL. Eisers hebben, in hun hoedanigheid van curatoren, voor de rechtbank van koophandel te Tongeren geconcludeerd tot de opname van de schuldvordering voor bepaalde bedragen, respectievelijk in het bevoorrecht passief en in het gewoon passief. Het vonnis van de eerste rechter heeft overeenkomstig de conclusie van eisers over deze bedragen uitspraak gedaan. Na verificatie werd door eisers vastgesteld dat ze een vergissing hadden gemaakt in de samenstelling van de bevoorrechte schuldvordering in die zin dat een onderpand voor een gedeelte ontbrak. Eisers stelden hoger beroep tegen het vonnis in. Het bestreden arrest verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang, omdat het vonnis op alle punten conform was met hun conclusies. Bovendien oordeelt het hof van beroep dat het bestaan van een administratieve vergissing door een partij begaan, voor die partij geen grief kan uitmaken. Het hoger beroep kan wel dienstig zijn om een vergissing van een partij recht te zetten maar kan niet uitsluitend ingesteld worden om een partij toe te laten haar vergissing te herstellen. Het eerste onderdeel heeft betrekking op het begrip belang om hoger beroep in te stellen, dat door het hof van Beroep wordt gehanteerd. Waar het hof van beroep oordeelt, dat de partij geen belang heeft bij het instellen van een hoger beroep wanneer een vonnis werd gewezen dat op alle punten conform is aan haar conclusie en dat een rechtsmiddel niet kan worden ingesteld uitsluitend om vergissingen van de procespartijen recht te zetten, daar waar deze vergissingen onvermijdelijk een weerslag zullen hebben op de beslissing die door de eerste rechter werd gewezen voeren eisers aan dat het hof van beroep het opzet van het door de wetgever ingestelde rechtsmiddel van hoger beroep, inzonderheid haar hervormingsfunctie miskent. K. Broeckx in "Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding"heeft op een doordringende manier de hervormingsfunctie van het hoger beroep geanalyseerd en de verschillende theorieën voorgesteld
(1). Volgens de eerste, traditionele opvatting heeft dit rechtsmiddel een controlefunctie op de inhoudelijke juistheid van het bestreden vonnis. "Deze traditionele opvatting, die het hoger beroep beschouwt als een loutere weerspiegeling van de procedure in eerste aanleg, steunt op het thans voorbijgestreefde beginsel van de onveranderlijkheid van het geschil. Dit principe houdt in dat de grenzen van het geschil worden bepaald door de eis die gesteld wordt in de inleidende akte en vindt haar oorsprong in de 'litis contestatio' van het Romeinse recht, waarbij partijen een gerechtelijk contract sloten om een gerezen geschil aan de rechter voor te leggen"
(2). In deze optiek houdt de dubbele aanleg in dat hetzelfde, onveranderlijke geschil, waarover de rechter in eerste aanleg te oordelen had, voor een tweede beoordeling aan de appèlrechter wordt voorgelegd. De redenering van het bestreden arrest lijkt me in deze lijn te gaan. Naast deze opvatting wordt thans algemeen aangenomen dat het hoger beroep een voortzetting is van het geding in eerste aanleg. Het strekt niet zozeer, zegt K. Broeckx, tot controle van "de inhoudelijke juistheid van de aangevochten beslissing, maar beoogt eerder de beoordeling en optimale oplossing van het geschil dat aan de eerste rechter werd voorgelegd, rekening houdend met de evolutie van dit geschil sedert de uitspraak van de aangevochten beslissing." ... "In deze opvatting dient het hoger beroep niet alleen tot herstel van fouten van de eerste rechter, maar ook tot herstel van eigen verzuimen van de procespartijen en tot aanvulling van wat zij in eerste aanleg hebben aangevoerd"
(3). Partijen die een vergissing in hun verweer hebben begaan moeten een belang hebben om hoger beroep te mogen instellen. Dit belang kan zowel procesrechtelijk als materieelrechtelijk zijn. Er is geen eensgezindheid over de vraag of een louter materieelrechtelijk belang volstaat, dan wel of ook een procesrechtelijk belang vereist is. De rechtspraak van Uw Hof is genuanceerd op dit punt. Reeds in een arrest van 27 maart 1890 hebt U gezegd dat het hoger beroep in niet allen ingesteld kan worden om fouten van de eerste rechter te herstellen maar ook om vergissingen en verzuimen te verhelpen die de partijen zelf hebben kunnen begaan in de verdediging van hun belangen
(4). Bij Uw arrest van 17 oktober 1946
(5)hebt U beslist dat, indien in principe een partij niet ontvankelijk is, bij gebrek aan belang om hoofdzakelijk of incidenteel hoger beroep in te stellen tegen een vonnis dat overeenkomstig haar conclusie is gewezen, er anders kan worden geoordeeld wanneer haar hoger beroep strekt tot het herstellen van een vergissing in feite of in rechte door haar in de verdediging van haar zaak voor de eerste rechter begaan. Uw arrest van 13 maart 1997
(6)zegt evenwel dat het hoger beroep van een partij tegen een beslissing van de eerste rechter die conform de conclusie is die zijzelf voor hem had genomen, zonder belang en bijgevolg niet ontvankelijk is. Er is geen tegenstrijdigheid tussen dit arrest en het vorige, daar het in casu niet om een vergissing van de partij ging. In sociale zaken hebt U meermaals beslist dat inzake arbeidsongevallenvergoeding een hoger beroep ontvankelijk was, ook wanneer het beroepen vonnis conform is met de conclusie van appellant, onder andere bij Uw arresten van 16 juni 1986
(7)en van 23 april 1990
(8). In onderhavige deze zaak heeft Uw Hof de gelegenheid zijn uitspraak te preciseren over de functie van het hoger beroep en het begrip belang van de appellant. Ik meen dat in een moderne procedure, het idee dat het rechtsmiddel van hoger beroep een optimale oplossing beoogt van het geschil dat aan de eerste rechter werd voorgelegd moet primeren. In deze optiek is het middel in zijn eerste onderdeel gegrond. Het tweede onderdeel verwijt de appèlrechters te hebben geoordeeld dat eisers geen grief tegen het aangevochten vonnis hadden ingeroepen. Art. 1057, 7° Ger. W. bepaalt dat de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, de grieven moet vermelden. "De grieven zijn, volgens K. Broeckx, de bezwaren die de appellant heeft tegen de aangevochten beslissing, de redenen waarom hij zich door het vonnis gegriefd acht, niet de stel1ingen die hij voor de eerste rechter heeft ontwikkeld"
(9). Dit begrip is verbonden aan het begrip belang
(10). De appellant moet aangeven welke grieven hij tegen het bestreden vonnis heeft om de controlefunctie van het hoger beroep en het onderzoek naar het procesrechtelijk en materieelrechtelijk belang mogelijk te maken. Eiser heeft wel de redenen van zijn hoger beroep aangegeven maar deze vormden geen grief, zegt het Hof van beroep. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel kunnen vergissingen of een verzuim van de appellant wel een grief uitmaken. Het middel lijkt dan ook gegrond in dit onderdeel. Ik concludeer tot de vernietiging met verwijzing. ________________
(1)K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, p. 53- 80. Zie ook: G. de LEVAL, Eléments de procédure civile, Brussel, De Boeck & Larcier, 2005, p. 299-300, nr. 208; A. KOHL, L'appel en droit rivé, Brussel, Swinnen, 1990, p. 15-16, nr. 2; E. LIEKENDAEL, noot bij Cass. 20 november 1980, A. C. 1979-80, 321.
(2)K. BROECKX, Id., p. 53, nr. 89
(3).Ibid., p. 55 en 56, nr. 94 en 95
(4)Cass. 3 april 1890, Pas. 1890, I, 141.
(5)Cass. 17 oktober 1946, Pas. 1946, I, 365.
(6)Cass. 13 maart 1997, A.R. nr. C.96.0176.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970313.8, 143.
(7)Cass. 16 juni 1986, A.R., nr. 5135, 645.
(8)Cass. 23 april 1990, A.R., nr. 8759, 492.
(9)K. BROECKX, Id. p. 72, nr. 129
(10)(A. DECROËS, "Recevabilité de l'appel: qualité et intérêt", noot onder Cass. 24 april 2003, R.C.J.B. 2004, p. 375 en v.). Tekst van de beslissing Nr. C.05.0304.N J. EN J. S., in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de NV Savelkoul, eisers, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen NEKO, naamloze vennootschap, met zetel te 3530 Houthalen-Helchteren, Centrum-Zuid 3059, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 17, 18, 20, 21, 1050 en 1057, eerste lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 18 november 2004 besluit het Hof van Beroep te Antwerpen tot de onontvankelijkheid van eisers' hoger beroep op volgende gronden: "Om hoger beroep in te stellen moet de partij een belang hebben, belang dat niet moet ontleed worden in het licht van de artikelen 17 en 18 van het Ger. W., doch als voorwaarde tot toelaatbaarheid van een rechtsmiddel een specifiek en autonoom karakter heeft en ook gebonden is aan de controlefunctie van het hoger beroep. Dergelijk specifiek belang heeft enkel de partij die in enig opzicht in het ongelijk werd gesteld door het bestreden vonnis waarbij in beginsel enkel het dispositief telt of de partij aan wie door de motieven schade werd berokkend of wier materieelrechtelijke toestand baat heeft bij een andere motivering. In casu werd op grond van de motieven ingeroepen door de curatoren een vonnis gewezen dat op alle punten conform was aan hun conclusies. Appellanten roepen geen grief in tegen het aangevochten vonnis en het bestaan van een administratieve vergissing door hen begaan en na het bestreden vonnis ontdekt is geen bezwaar tegen de gewezen beslissing. Naast de controlefunctie van het hoger beroep kan dit rechtsmiddel eens ingesteld ook dienstig zijn om vergissingen van de procespartijen te herstellen maar het kan niet ingesteld worden uitsluitend om dergelijke vergissingen recht te zetten. Het hoger beroep is derhalve niet ontvankelijk". Grieven Eerste onderdeel Een rechtsmiddel is ieder middel, dat door de wet wordt toegekend aan de partijen of aan derden tot het verkrijgen van een nieuwe beslissing in een geschil waarin een rechter uitspraak heeft gedaan. Het hoger beroep is aldus het gewoon rechtsmiddel dat de wet ter beschikking stelt van de rechtzoekende om een vonnis in eerste aanleg, waarbij hij partij was en waardoor hij zich geschaad acht, voor een hogere rechter aan te vechten teneinde de hervorming of vernietiging van die beslissing te bekomen. Het hoger beroep heeft zodoende niet alleen een controlefunctie, maar ook een hervormingsfunctie en werd ingesteld, niet alleen om vergissingen van de eerste rechter te herstellen, maar ook om te verhelpen aan de tekortkomingen of vergissingen die partijen zelf zouden hebben begaan in het kader hun verweer, hetzij omdat zij bepaalde rechtsgronden niet hebben aangevoerd, hetzij omdat zij verkeerdelijk bepaalde feiten als vaststaand aanvaardden. Om op ontvankelijke wijze dergelijk rechtsmiddel te kunnen instellen is enkel vereist dat de partij door de beslissing van de eerste rechter is gegriefd, hetgeen veronderstelt dat zij door die beslissing in haar materieelrechtelijke belangen van de appellant is geschaad. Een partij heeft een materieelrechtelijk belang bij het hoger beroep wanneer haar vordering geheel of ten dele werd afgewezen of wanneer zij in eerste aanleg veroordeeld is, ongeacht haar processuele houding voor de eerste rechter. Een partij zal dan ook op toelaatbare wijze hoger beroep kunnen instellen zodra blijkt dat de beroepen beslissing haar materieelrechtelijke belangen schaadt, zelfs zo die beslissing conform haar besluiten werd gewezen, wanneer dit beroep ertoe strekt een materiële vergissing, die zij zelf in feite of in rechte heeft begaan in haar verdediging voor de eerste rechter en die aan haar veroordeling ten grondslag ligt, recht te zetten. Te dezen voerden de eisers in hun beroepsakte aan dat zij voor de eerste rechter wellicht meenden dat er een onderpand bestond voor de facturen van onderaanneming op de werven Agglo en ALZ, respectievelijk voor 10.087,25 en 91.932,13 euro of samen 102.019,38 euro, reden waarom zij toestemden met de opname in het bevoorrecht passief, maar dat zij na de uitspraak van voornoemd vonnis dienden vast te stellen dat de betaling die zij vanwege de firma Agglo ontvingen enkel betrekking had op regiewerken, door de gefailleerde uitgevoerd in de periode tussen 1 september 2002 en 13 december 2002 voor een totaal bedrag van 38.840,74 en 3.705,04 euro. Concreet betekende dit dat er door Agglo na datum van faillissement geen betaling meer tussenkwam met betrekking tot de aannemingswerken, waarvoor verweerder als onderaannemer prestaties verrichtte en dat er dus ook geen onderpand voor deze vordering bestond. De eisers verzochten het hof van beroep dan ook het vonnis van de eerste rechter te vernietigen en, opnieuw recht doende, de schuldvordering, ingediend onder nummer 166, slechts toe te laten tot het bevoorrecht passief voor 91.382,13 euro op de betalingen ontvangen na datum van het faillissement voor werken uitgevoerd vóór het faillissement, namelijk op de werf ALZ, in samenloop met andere onderaannemers, en tot het gewoon passief voor 21.567,60 euro. Besluit Waar het hof van beroep oordeelt dat de partij geen belang heeft bij het instellen van een hoger beroep wanneer een vonnis werd gewezen dat op alle punten conform is aan haar conclusie en dat een rechtsmiddel niet kan worden ingesteld uitsluitend om vergissingen van de procespartijen recht te zetten, daar waar deze vergissingen onvermijdelijk een weerslag zullen hebben op de beslissing die door de eerste rechter werd gewezen, negeert het hof van beroep het opzet van het door de wetgever ingestelde rechtsmiddel van hoger beroep, inzonderheid haar hervormingsfunctie (schending van de artikelen 20, 21, 1050 en 1057, eerste lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek). Waar het hof van beroep, impliciet doch zeker, stelt dat een partij enkel beschikt over het vereiste belang om hoger beroep in te stellen wanneer de gewezen beslissing niet uitsluitend aan een vergissing van harentwege is te wijten, voegt het bovendien aan de wet een voorwaarde toe die deze niet bevat (schending van de artikelen 17, 18, 1050, 1057, eerste lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Op straffe van nietigheid dient de akte van hoger beroep de grieven te vermelden. Grieven in de zin van artikel 1057, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek zijn bezwaren die de appellant tegen de aangevochten beslissing heeft. Het zijn de redenen waarom hij zich gegriefd voelt door de beslissing van de eerste rechter en waarom hij meent dat de beslissing moet worden hervormd. Uit de wettekst volgt geenszins dat de grieven, die een partij tegen de beslissing van de eerste rechter kan aanvoeren, enkel zouden kunnen bestaan in de beweerde onjuiste beoordeling door de eerste rechter van de feiten of van het recht, met uitsluiting van de door de partij zelf begane materiële of administratieve vergissingen, die aan de oorsprong van de bekritiseerde beslissing zouden liggen. De wet vereist enkel dat zij de redenen opgeeft waarom zij de beslissing van de eerste rechter bekritiseerbaar acht. Trouwens, de aanvoering door een partij dat zij voor de eerste rechter een vergissing beging in het kader van haar verweer doordat zij ten onrechte bepaalde feiten als vaststaand of als bewezen weerhield, impliceert onrechtstreeks dat ook de eerste rechter, het weze onbewuste, diezelfde vergissing zal hebben begaan. Besluit Waar het hof van beroep de aanvoering door de partij van een administratieve vergissing uitsluit als grief, althans wanneer geen andere grieven worden aangevoerd, daar waar enerzijds de wet geen enkele precisering bevat aangaande de aard van de aangevoerde grief, anderzijds de administratieve vergissing aangaande de feiten, begaan door de partij, tegelijk een onjuiste feitelijke beoordeling door de rechter impliceert, verantwoordt het hof van beroep zijn beslissing tot onontvankelijkverklaring van eisers' hoger beroep niet naar recht (schending van artikel 1057, eerste lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. In burgerlijke zaken kan een partij hoger beroep instellen indien haar belang wordt geschaad door de beroepen beslissing. Een dergelijk belang is voorhanden wanneer het hoger beroep strekt tot de rechtzetting van een vergissing door een partij begaan in eerste aanleg. 2. De appelrechters stellen vast dat: - de door de eisers beroepen beslissing overeenstemt met de conclusie die zij voor de eerste rechter hebben genomen; - deze conclusie strekte tot opname van de schuldvordering van de verweerster, eensdeels, in het gewone passief van het faillissement ten bedrage van 11.480,35 euro en, anderdeels, in het bevoorrecht passief ten bedrage van 102.019,38 euro; - de eisers niettemin hoger beroep instellen nu de aldus bedoelde opname steunt op een vergissing. Zij oordelen dat de eisers geen belang hebben bij hun hoger beroep. 3. Door op die gronden het hoger beroep van de eisers niet ontvankelijk te verklaren miskennen de appelrechters het belang van de eisers om hoger beroep in te stellen en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht. 4. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Dirk Debruyne, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 15 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060915.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2011:ARR.20110919.7 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221207.2F.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221209.1N.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970313.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221207.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div