id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.1 Rolnummer: C.04.0363.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 185 - laatst gezien 2026-07-03 07:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche De beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die het verzoek afwijst van de onderhoudsplichtigen om afstand te doen van het verhaal wegens de door hen aangevoerde billijkheidsredenen, dient uitdrukkelijk te worden gemotiveerd, dit wil zeggen op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Thesaurus CAS: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Vrije woorden: MAATSCHAPPELIJK WELZIJN (OPENBARE CENTRA VOOR) Verhaalrecht Onderhoudsplichtigen Verplicht karakter Uitzonderingen Billijkheidsredenen Afwijzing Gemotiveerde beslissing Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Art.100bis,§2 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0363.N
- B. R., en zijn echtgenote,
- D. L. K., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN TE ANTWERPEN, met burelen te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 30, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 17 augustus 2006 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift vier middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Ontvankelijkheid van het derde onderdeel
- Over de door de verweerder opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel: het onderdeel is nieuw, daar de eiser zich voor de feitenrechter niet beriep op de artikelen 1, 3 en 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers voor de feitenrechter hebben aangevoerd dat verweerders beslissing tot afwijzing van de beoogde vrijstelling niet naar behoren werd gemotiveerd.
- De verplichting tot uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is geregeld door de wet van 29 juli 1991 die van dwingend recht is.
- Het onderdeel, dat is afgeleid uit de schending van deze dwingende wetsbepalingen, is niet nieuw.
- De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Het derde onderdeel zelf
- Krachtens artikel 98, ,§2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, worden de kosten van de maatschappelijke dienstverlening krachtens een eigen recht door het centrum verhaald op de onderhoudsplichtigen van de begunstigde tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp.
- Overeenkomstig artikel 100bis, ,§ 2, van dezelfde wet, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien van het verhaal bedoeld in artikel 98, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld.
- Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
- Op grond van de voornoemde wet van 29 juli 1991, dient de beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die het verzoek van de onderhoudsplichtigen om afstand te doen van het verhaal wegens de door hen aangevoerde billijkheidsredenen afwijst, uitdrukkelijk te worden gemotiveerd, dit wil zeggen dat deze beslissing op afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen dient te vermelden die er aan ten grondslag liggen.
- Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat: - de verweerder, op grond van artikel 98, ,§2, van de voornoemde organieke wet van 8 juli 1976, terugbetaling van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening vorderde van de eisers, in hun hoedanigheid van onderhoudsplichtigen van de begunstigde van de maatschappelijke dienstverlening; - de eisers zich beriepen op "morele redenen" teneinde vrijstelling van tussenkomst in de kosten te bekomen, maar de verweerder weigerde de gevraagde vrijstelling te verlenen; - de eisers voor de appelrechters aanvoerden dat de vordering van verweerder ongegrond was, onder meer om reden dat de beslissing tot afwijzing van de beoogde vrijstelling niet naar behoren werd gemotiveerd.
- Het arrest oordeelt dat "(de eisers) zich tevens geheel onterecht beroepen op het gebrek aan of onvoldoende motivering van de beslissingen tot afwijzing van hun verzoeken; dat immers overeenkomstig de bepalingen van voornoemd art. 100bis, ,§2, enkel een beslissing tot vrijstelling dient te worden gemotiveerd, daar de plicht tot terugvordering door de wet is voorgeschreven, en zodoende geen motivering behoeft".
- Het arrest schendt, door aldus te oordelen, de in het onderdeel aangewezen bepalingen van de wet van 29 juli 1991 en verantwoordt mitsdien zijn beslissing dat verweerders vordering gegrond is, niet naar recht.
- Het onderdeel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van achttien september tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div