← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.2 Rolnummer: S.05.0020.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 352 - laatst gezien 2026-07-03 07:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De jaarlijkse betaalde premies of bonussen kunnen onder bepaalde voorwaarden als veranderlijke wedde worden beschouwd

(1)
(2).
(1)Cass., 22 sept. 1980, A.C., 1980-81, nr 51; Cass., 1 juni 1987, AR 5633, A.C., 1986-87, nr 591.
(2)Vóór de invoering van de koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 tot invoeging van een zesde alinea in art. 39 van het K.B. van 30 maart 1967, met uitwerking op 1 december 1998. Thesaurus CAS: JAARLIJKSE VAKANTIE UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Jaarlijkse vakantie - Algemeen Vrije woorden: JAARLIJKSE VAKANTIE Vakantiegeld Bedienden Veranderlijke wedde Premies Artikel 39, K.B. 30 maart 1967 Vóór toevoeging zesde alinea K.B. 1 maart 1999 en K.B. 28 april 1999 Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - Art.39,eerste Fiche 2 Loon moet als veranderlijk worden beschouwd wanneer de toekenning ervan als loon, dit is als tegenprestatie van de in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeid, afhankelijk is van criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maken; wanneer de toekenning van het loonvoordeel vaststaat, maar alleen het bedrag ervan wisselend is, betreft het geen veranderlijk loon
(1).
(1)Vóór de invoering van de koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 tot invoeging van een zesde alinea in art. 39 van het K.B. van 30 maart 1967, met uitwerking op 1 december
  1. Thesaurus CAS: JAARLIJKSE VAKANTIE Vrije woorden: JAARLIJKSE VAKANTIE Vakantiegeld Bedienden Veranderlijk loon Begrip Draagwijdte Beperking Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - Art.39,eerste Annotaties Publicaties: J.T.T. - X; Noot. - 2007, 140-142 R.W. - W.RAES; Variaties op het loonbegrip in de jaarlijkse vakantiewetgeving volgens het Hof van cassatie. - 2007-2008, 272-275 Or. - Alexia HOSTE; Vakantiegeld variabilis horribilis. - 2007, 115-121 Tekst van de beslissing Nr. S.05.0020.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PH. VAN DEN STOCK - ANC. ETS. BRASSERIE BELLE-VUE, naamloze vennootschap, thans genoemd BRASSERIE BELLE-VUE - BROUWERIJ BELLE-VUE, met zetel te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, Bergensesteenweg 144, die in de fusie is gegaan met de NV INTERBREW BELGIUM, overnemende vennootschap, met zetel te 1070 Anderlecht, Industrielaan 21, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 27 mei 2004 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Beoordeling Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1, ,§1, eerste lid, 14 en 23 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - de artikelen 2, ,§1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, 38, ,§1, en 39 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, artikel 39 vóór zijn wijziging bij wet van 26 maart 1999; - artikel 1 van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers; - artikel 19, ,§1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in zijn versie van nà de wetswijziging bij koninklijk besluit van 30 maart 1982 en vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 27 januari 1997; - de artikelen 1 en 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, artikel 39 vóór de toevoeging van een zesde alinea bij koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 1 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 28 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers; - artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek en van het erin vervatte algemeen rechtsbeginsel dat de wet niet terugwerkt; - artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 149 van de Grondwet. Bestreden beslissing Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank in de mate dat dit de vordering van de eiser ontvankelijk doch ongegrond heeft verklaard. De beslissing werd door het arbeidshof gemotiveerd onder verwijzing naar haar arrest van 27 februari 2003, geveld in de zaak met A.R. nr. 42.775, waarvan het de motieven reproduceert: "Wat de grond van de zaak betreft verwijst het (arbeids)hof naar haar arrest van 27 februari 2003 met A.R. nr. 42.755 en waarin het volgende wordt gesteld: 'Artikel 39, lid 1, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers bepaalde: de bedienden wier wedde geheel veranderlijk is (provisies, premiën, percenten, kortingen, enz...) hebben per vakantiedag, recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der bruto bezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan, of in voorkomend geval gedurende het gedeelte van die twaalf maanden dat zij in dienst geweest zijn, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking'. 'Bij arrest van 22 september oordeelde het Hof van Cassatie dat een eindejaarspremie voor de berekening van het vakantiegeld niet als veranderlijk loon kan worden aangemerkt om de enkele reden dat het bedrag van de premie elk jaar verschilt (Cass., 22 september 1980, R.W. 1980-1981, 1665); 'Bij arrest van 1 juni 1987 oordeelde het Hof van Cassatie dat een in percenten vastgesteld aandeel in de winst dat aan de bediende als tegenprestatie van arbeid wordt toegekend veranderlijk loon is in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 ook wanneer het slechts eens per jaar wordt betaald; 'Bij koninklijk besluit van 1 maart 1999 (B.S. 12 mei 1999) werd een alinea toegevoegd i.v.m. de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan andere criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maken. Dit koninklijk besluit werd stilzwijgend retroactief opgeheven door het koninklijk besluit van 28 april 1999 (B.S. 12 mei 1999) en bepaalt: 'worden eveneens in aanmerking genomen als een veranderlijke wedde in de zin van het eerste lid, de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies'. 'Artikel 2 van voormeld koninklijk besluit bepaalt dat dit besluit uitwerking heeft met ingang van 1 december
  2. 'De preambule luidt als volgt: 'Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat in het verleden enige verwarring kon ontstaan omdat er in de rechtspraak uiteenlopende opvattingen bestaan omtrent de vraag of het vakantiegeld tijdens de uitvoering van de overeenkomst verschuldigd is op de jaarlijks of aan het eind van het boekjaar uitbetaalde gratificaties, zoals bonussen of premies wegens verdienste, en omdat de wetgeving terzake onvoldoende is; dat de toestand voor de toekomst moet worden verhelderd; dat artikel 1 van dit koninklijk besluit niet beoogt het verleden weer op losse schroeven te zetten; dat dit besluit aansluit op advies nr. 1259 dat door de sociale partners in de Nationale Arbeidsraad werd geformuleerd ; dat derhalve moet worden gepreciseerd dat het begrip veranderlijke wedde in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 voortaan moet worden begrepen in de zin die nader is bepaald in artikel 1 van dit koninklijk besluit' 'Het (arbeids)hof is van mening dat op grond van de uitdrukkelijke voorziening in het koninklijk besluit van de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit en van de vermelding in de aanhef dat `voortaan' het begrip veranderlijke wedde in deze zin moet worden begrepen, het de bedoeling was om de variabele premies die een grotere periodiciteit hebben dan een maand, toegekend aan een bediende met een vaste wedde slechts vanaf 1 december 1998 in de berekening van het vakantiegeld te doen opnemen en dat voormelde koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 geen interpretatieve koninklijke besluiten zijn'". (p.5, vijfde alinea t.e.m. p.6, vierde alinea). Het arbeidshof besluit dat: "De loonbasis voor de berekening van het vakantiegeld werd pas met ingang van 1 december 1998 verruimd" (p.6, vijfde alinea). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet dient elk vonnis of arrest met redenen te zijn omkleed. Deze motiveringsverplichting houdt in dat de rechter op grond van een eigen redengeving het beschikkend gedeelte van zijn beslissing moet verantwoorden. Wanneer de appelrechters tot staving van hun beslissing enkel verwijzen naar de motieven van een door hen eerder gewezen arrest, geveld in een andere zaak, dan voldoen zij niet aan hun motiveringsplicht, zelfs niet wanneer dit arrest woordelijk wordt aangehaald in hun beslissing. Door het louter, onder aanhalingstekens, reproduceren van de tekst van die vorige beslissing, eigenen de appelrechters zich deze redengeving immers niet toe en ontbreekt bijgevolg een zelfstandige redengeving. De appelrechters die, zonder meer, hun oordeel laten steunen op hun vroegere rechtspraak doen bovendien, met miskenning van artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek, uitspraak bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. Hieruit volgt dat het arbeidshof, in zoverre het voor de beoordeling ten gronde louter en alleen verwijst naar zijn arrest dd. 27 februari 2003 met A.R. nr. 42.775, zijn beslissing niet regelmatig met redenen heeft omkleed (schending van artikel 149 G.W.) en zodoende aan het geciteerde arrest de draagwijdte heeft toegekend van een algemene en als regel geldende beschikking (schending van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek). Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 betaalt de werkgever aan de bediende met een vaste wedde die vakantie neemt de normale bezoldiging in overeenkomst met de vakantiedagen en per maand in de loop van het vakantiedienstjaar gepresteerde of daarmee gelijkgestelde dienst, een toeslag berekend op de brutowedde der maand waarin de vakantie ingaat. De bedienden wier wedde geheel veranderlijk is (provisies, premies, percenten, kortingen, enz.), hebben, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, per vakantiedag recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan, eventueel verhoogd met een fictief loon voor gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Artikel 39, vijfde lid, van het genoemde koninklijk besluit bepaalt dat voor de bedienden wier wedde gedeeltelijk veranderlijk is, artikel 38 moet worden toegepast voor het vast gedeelte van het loon, terwijl de vorige leden van artikel 39 toepassing vinden voor de berekening van het vakantiegeld verschuldigd op het veranderlijk gedeelte van het loon. Premies die een grotere periodiciteit hebben dan een maand en dus geen deel uitmaken van de normale maandelijkse bezoldiging kunnen niet beschouwd worden als een "vast loon" in de zin van artikel 38 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 zodat op deze premies alleen vakantiegeld kan zijn verschuldigd in de mate dat deze premies de kwalificatie van "veranderlijk loon" kunnen dragen. Van een "veranderlijk loon" in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 (vóór de toevoeging van een zesde alinea bij koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999) is sprake wanneer een voordeel met variabel karakter aan een bediende wordt toegekend als tegenprestatie voor verrichte arbeid. Voor de toepassing van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, in voormelde versie, wordt een voordeel toegekend als tegenprestatie van de verrichte arbeid wanneer dit voordeel rechtstreeks in verband kan worden gebracht met de omvang van de prestaties die de bediende heeft geleverd of met de winst en bedrijfsresultaten die mede door zijn inzet werden gerealiseerd. Er moet m.a.w. een rechtstreekse correlatie bestaan tussen de toekenning van de variabele premie en de omvang van de inspanningen geleverd door de bediende. Zo vormt een in percenten vastgesteld aandeel in de winst dat aan de bediende wordt toegekend als tegenprestatie voor verrichte arbeid een veranderlijk loon in de zin van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart
  3. Bij koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999, werd aan artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, met ingang van 1 december 1998, een zesde alinea toegevoegd, luidend dat "worden eveneens in aanmerking genomen als een veranderlijke wedde in de zin van het eerste lid, de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van de betaling van deze premies" (artikel 39, zesde lid). Naast een verruiming van de notie "veranderlijke wedde" tot alle premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan "ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt", houdt het zesde lid van artikel 39 tevens de bevestiging in dat van een "veranderlijke wedde" sprake is wanneer de toekenning van een variabele premie in verband staat met de omvang van de arbeidsprestaties of bedrijfsresultaten, zoals reeds het geval was in de lezing van artikel 39, eerste lid, vóór de toevoeging van een zesde alinea door de koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april
  4. De stelling van het bestreden arrest dat beide koninklijke besluiten niet interpretatief zijn, gaat derhalve op in zoverre "voortaan" ook de premie waarvan de toekenning gekoppeld is aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, als veranderlijk loon kan worden opgevat, doch niet in zoverre beide koninklijke besluiten de gangbare lezing door het Hof van artikel 39, eerste lid, bekrachtigen. Niet naar recht verantwoord is bijgevolg de beslissing van het arbeidshof dat "Op grond van de uitdrukkelijk voorziening in het koninklijk besluit (van 28 april 1999) van de datum van de inwerkingtreding van (dit) koninklijk besluit en van de vermelding in de aanhef dat 'voortaan' het begrip veranderlijke wedde in deze zin moet worden begrepen, het de bedoeling was om de variabele premies die een grotere periodiciteit hebben dan een maand, toegekend aan een bediende met een vaste wedde slechts vanaf 1 december 1998 in de berekening van het vakantiegeld te doen opnemen en dat voormelde koninklijke besluiten van 1 maart 1999 en 28 april 1999 geen interpretatieve koninklijke besluiten zijn", en dat "de loonbasis voor de berekening van het vakantiegeld (...) pas met ingang van 1 december 1998 (werd) verruimd". Hieruit volgt dat het bestreden arrest, voor zover het op grond van een zelfstandige redengeving heeft beslist (zie het eerste onderdeel), niet wettig heeft kunnen oordelen dat verweerster geen vakantiegeld is verschuldigd op de bonuspremies die verweerster gedurende de periode van 1993 tot en met 1996 in januari aan haar werknemers heeft betaald zonder na te gaan of er geen verband bestaat tussen deze premies en de omvang van de arbeidsprestaties van voornoemde werknemers (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen, uitgezonderd de artikelen 149 van de Grondwet en 6 van het Gerechtelijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  5. Het arrest geeft het standpunt van de eiser weer dat de veranderlijke premies zowel vóór als na 1 december 1998 in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het vakantiegeld.
  6. Het arrest oordeelt dat de loonbasis voor de berekening van het vakantiegeld pas met ingang van 1 december 1998 werd verruimd en verwijst tot staving van dit oordeel naar een precedent, waarvan het de redengeving weergeeft.
  7. Het arrest neemt met dit oordeel een standpunt in tegengesteld aan eiser en omkleedt zodoende zijn beslissing regelmatig met redenen.
  8. Het arrest geeft door voormeld oordeel een uitlegging van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, en verwijst tot steun van zijn uitlegging naar een precedent.
  9. Zodoende geeft het aan dat precedent geen algemene en als regel geldende draagwijdte.
  10. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Krachtens artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967, hebben de bedienden wier wedde geheel veranderlijk is, per vakantiedag recht op een vakantiegeld dat gelijk is aan het dagelijks gemiddelde der brutobezoldigingen die verdiend werden gedurende elk der twaalf maanden die de maand waarin de vakantie genomen wordt voorafgaan, eventueel verhoogd met een fictief loon voor gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking.
  12. Krachtens het vijfde lid van dit artikel, worden voor de bedienden wier wedde slechts voor een gedeelte veranderlijk is, voor het vast gedeelte de bepalingen van artikel 38 van hetzelfde besluit toegepast en voor het veranderlijk gedeelte de bepalingen van de vorige leden van artikel 39, onder voorbehoud van andere beschikkingen die bij collectieve overeenkomst worden getroffen.
  13. Bij koninklijk besluit van 1 maart 1999, vervangen bij koninklijk besluit van 28 april 1999, is aan voormeld artikel 39 een zesde lid toegevoegd waarin verduidelijkt wordt dat als veranderlijke wedde in de zin van artikel 39, eerste lid, ook in aanmerking genomen worden: de veranderlijke premies waarvan de toekenning gekoppeld is aan een beoordeling van de prestaties van de bediende, aan zijn productiviteit, aan het resultaat van de onderneming of van een afdeling ervan of aan ieder criterium dat de betaling ervan onzeker en wisselend maakt, ongeacht de periodiciteit of het ogenblik van deze premies.
  14. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december
  15. In de aanhef van het koninklijk besluit van 28 april 1999 wordt er op gewezen dat het de bedoeling is de toestand "voor de toekomst" te verhelderen, dat het koninklijk besluit "niet beoogt het verleden weer op losse schroeven te zetten" en dat "het begrip veranderlijke wedde in de zin van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 voortaan moet worden begrepen in de zin die nader is bepaald in artikel 1 van dit koninklijk besluit".
  16. Op grond van deze toelichting kan niet worden besloten dat voor de periode voor 1 december 1998 geen vakantiegeld verschuldigd is op jaarlijks toegekende bonussen of premies. Het koninklijk besluit van 28 april 1999 wilde immers alleen maar voor de toekomst de onzekerheid wegnemen door uitdrukkelijk te bepalen dat de periodiciteit van de premie geen rol speelt.
  17. Dienvolgens kunnen ook voor de periode voor 1 december 1998 de jaarlijkse betaalde premies of bonussen onder bepaalde voorwaarden als veranderlijk in de zin van artikel 39, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 juni 1967 worden beschouwd.
  18. Voor de toepassing van artikel 39 van het koninklijk besluit van 30 juni 1967 moet loon als veranderlijk worden beschouwd wanneer de toekenning ervan als loon, dit is als tegenprestatie van de in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeid, afhankelijk is van criteria die de betaling ervan onzeker en wisselend maken. Wanneer de toekenning van het loonvoordeel vaststaat, maar alleen het bedrag ervan wisselend is, betreft het geen veranderlijk loon.
  19. Anders dan het onderdeel aanvoert, is voor de toepassing van artikel 39 en voor het begrip veranderlijk loon niet noodzakelijk vereist dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de toekenning van het voordeel en de omvang van de inspanningen geleverd door de bediende.
  20. Het onderdeel, dat aanvoert dat de appelrechters niet wettig hebben kunnen oordelen dat geen vakantiegeld verschuldigd is op de bonuspremies die de verweerster in de periode van 1993 tot en met 1996 in januari aan haar werknemers heeft betaald, zonder na te gaan of er geen verband bestaat tussen deze premies en de omvang van de arbeidsprestaties van de werknemers, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting.
  21. Het onderdeel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd negentien euro negenenzestig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd en twee euro vijfenzestig cent jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van achttien september tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.2 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080211.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.