← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.3 Rolnummer: S.05.0068.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-07-03 22:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter miskent het wettelijk begrip "Gerechtelijke ontbinding" en schendt artikel 1184, B.W. en artikel 32, aanhef en 3° van de Arbeidsovereenkomstenwet door aan de dagvaarding tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten laste van de werkgever het gevolg te verlenen van een onmiddellijke verbreking van de Arbeidsovereenkomst

(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de verwerping van de voorziening. Eisers kritieken steunen op een onjuiste, minstens onvolledige lezing van het bestreden arrest. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Andere wijzen van beëindiging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Andere wijzen van beëindiging Ontbinding in rechte Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - Art.32,aanhef Tekst van de beslissing Nr. S.05.0068.N S. B, eiser, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen INTERNATIONAL BUSINESS MACHINES OF BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1130 Haren, Bourgetlaan 42, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 december 2004 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. FEITEN Het arrest stelt vast dat: - de eiser bij de rechtsvoorganger van de verweerster in dienst is getreden op 1 juli 1990; - de eiser verschillende functies uitoefende en opklom tot graad 17; - om organisatorische redenen die niet ter betwisting staan de functie van de eiser, waarin hij laatst was aangesteld, kwam te vervallen; - aan de eiser twee nieuwe functies werden voorgesteld die hij bij brieven van 24 juli 2000, 28 juli 2000 en 3 augustus 2000 weigerde omdat ze naar zijn mening een sterke degradatie betekenden. Het opdringen van een van die taken zou hij als een impliciet ontslag door de verweerster beschouwen; - de verweerster op 4 augustus 2000 antwoordde dat de weigering van de eiser om de aangeboden functie te aanvaarden als een beslissing de arbeidsovereen-komst niet meer verder te zetten, zou beschouwd worden, tenzij de eiser op zijn standpunt zou terugkomen voor zijn terugkeer uit vakantie op 1 september 2001; - de eiser bij brief van 7 augustus 2000 schijnbaar van mening veranderde en verklaarde de West job binnen EMEA te zullen uitvoeren zonder enige nadelige erkentenis en onder alle voorbehoud en in het bijzonder onder het voorbehoud van de beslissing van de rechtbank aangaande de vraag of deze nieuwe betrekking al dan niet een degradatie betekent en de eiser ook aankondigde dat hij zou dagvaarden bij terugkeer uit vakantie; - de eiser op 29 augustus 2000 de verweerster voor de arbeidsrechtbank dagvaardt waarbij hij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten laste van de verweerster vordert overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek met veroordeling van de verweerster tot het betalen van een schadevergoeding van 45.000.000 BEF; - de verweerster met brief van 1 september 2000 de verbreking van de overeenkomst door de eiser vaststelt omdat laatstgenoemde met zijn dagvaarding van 29 augustus 2000 zijn wil te kennen heeft gegeven om de arbeidsrelatie en de arbeidsovereenkomst te beëindigen. III. CASSATIEMIDDEL Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1184, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 32, 37 en 81 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten, hierna kortweg Arbeidsovereenkomstenwet genoemd. Aangevochten beslissingen Na, door het als zijnde herhaald beschouwen van de uiteenzetting van de feiten in het vonnis a quo en het deels ook aanhalen ervan in eigen motieven, te hebben vastgesteld dat: - de door de rechtsvoorgangster van verweerster, zijnde de naamloze vennootschap Lotus Development Belgium, hierna kortweg aangeduid met Lotus, aan eiser op 1 januari 2000 toegewezen functie kwam te vervallen ingevolge reorganisatie; - in juli 2000 door Lotus aan eiser de nieuwe functie van "regionaal directeur regio West, Noord-Amerika", met daarbij de titel van vice-voorzitter werd voorgesteld, een functie die door hem niet werd aanvaard hoofdzakelijk wegens familiale redenen; - Lotus, bij schrijven van 27 juli 2000, aan eiser de eveneens nieuwe functie van "senior directeur regio West (Frankrijk & België)" heeft aangeboden, met als bijkomende verantwoordelijkheid "berichtgeving en samenwerking"; - eiser in zijn antwoord van 28 juli 2000 liet weten dat hij noch de ene en evenmin de andere functie kon aanvaarden en voorstelde zijn nog overblijvende verlofdagen op te nemen in afwachting dat intussen een minnelijke regeling zou worden gevonden; - eiser in een bericht van 3 augustus 2000 liet weten dat, bij gebreke aan een aanvaardbaar voorstel tegen het einde van de maand augustus, hij zonder verdere verwittiging aan de arbeidsrechtbank zou vragen zijn arbeidsovereenkomst te ontbinden en dat hij in alle geval intussen beschikbaar zou zijn voor de vennootschap en alle gegeven instructies zou opvolgen; - Lotus daarop antwoordde, bij bericht van 4 augustus 2000, dat de voorheen voorgestelde functie te nemen of te laten was en dat de niet-vervulling ervan door eiser bij terugkeer uit vakantie op 1 september 2000 zou worden aanzien als een ontslag van zijnentwege; - eiser, bij antwoord van 7 augustus 2000, liet weten dat hij de "West Job in EMEA" onder alle voorbehoud zou uitoefenen en dit in afwachting van de door de arbeidsrechtbank te vellen beslissing en hij alsdan ook aankondigde te zullen dagvaarden bij zijn terugkeer uit vakantie; - eiser, bij bericht van 21 augustus 2000, heeft bevestigd deel te willen nemen aan een bespreking om zijn nieuwe functie als "regionaal directeur West" uit te oefenen; - eiser, bij bericht van 25 augustus 2000, aan Lotus de ontwerptekst van dagvaarding liet geworden die zijn raadslieden hadden voorbereid teneinde de arbeidsrechtbank toe te laten zich uit te spreken over de door hem, overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, gevorderde ontbinding van de arbeidsovereenkomst, dagvaarding die werd betekend aan Lotus op 29 augustus 2000; - Lotus, bij brief van 1 september 2000, is overgegaan tot verbreking van de arbeidsovereenkomst; en te hebben aangenomen "dat de door (Lotus) voorgestelde functiewijziging (naar deze van senior directeur regio West, met bijkomende verantwoordelijkheid berichtgeving en samenwerking) geen essentiële bestanddelen van de arbeidsvoorwaarden ernstig wijzigt", beslist het bestreden arrest dat Lotus "in haar schrijven van 1 september 2000 (...) terecht (stelt) dat (eiser) met zijn dagvaarding van 29 augustus 2000 zijn wil heeft te kennen gegeven om de arbeidsrelatie en de arbeidsovereenkomst te beëindigen" en veroordeelt het hem dientengevolge, bij hervorming van het vonnis a quo, tot betaling aan Lotus van een "opzegvergoeding (gelijk aan) één maand loon": Deze beslissing is gegrond op de motieven "dat (eiser) met brieven van 24 juli 2000, 28 juli 2000 en 3 augustus 2000 uitdrukkelijk stelde dat hij de gewijzigde functie niet aanvaardde en aan (Lotus) herhaaldelijk en duidelijk meedeelde dat hij de eenzijdige functiewijziging als een impliciet ontslag beschouwt in hoofde van (Lotus); dat hij daarna op 8 (men leze 7) augustus 2000 schijnbaar van mening verandert en zegt dat hij de gewijzigde functie aanvaardt doch onder het voorbehoud van de beslissing van de rechtbank of de functiewijziging een degradatie betekent; het (arbeids)hof stelt vast dat (eiser) in feite op 8 (men leze 7) augustus 2000 niet van mening is veranderd en de eenzijdige functiewijziging wel degelijk nog steeds als een impliciet ontslag beschouwt, reden waarom hij op 29 augustus 2000 ook de ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor de arbeidsrechter vordert daar '(Lotus) hem verplicht een functie uit te oefenen die voor (eiser) een degradatie inhoudt t.o.v. de positie, verantwoordelijkheden, voordelen en perspectieven die hem voorheen waren toebedeeld en toegezegd' (aldus de dagvaarding van 29 augustus 2000 in ontbinding); deze dagvaarding bewijst onomstotelijk dat (eiser) de hem door (Lotus) opgelegde functiewijziging (nog steeds) als een impliciet ontslag beschouwt, zoals hij haar ook voordien reeds herhaaldelijk ter kennis bracht. Het feit dat hij gerechtelijke ontbinding wegens wanprestatie vordert is een juridische nuance die de werkelijke motieven van deze dagvaarding niet uitschakelt. (Eiser) vordert ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten laste van (Lotus) en bijhorende schadevergoeding wegens ernstige eenzijdige wijziging van essentiële arbeidsvoorwaarden door (Lotus). Het (arbeids)hof kan niet anders dan vaststellen dat (eiser) op 8 (men leze 7) augustus 2000 nog steeds meende dat zijn werkgever eenzijdig essentiële bestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst ernstig heeft gewijzigd, doch dit standpunt niet officieel wilde of durfde in te nemen, hoewel een partij die het slachtoffer wordt van een eenzijdige wijziging dit binnen een korte bedenktijd dient te doen (..). Met de dagvaarding van 29 augustus 2000 drukt (eiser) volgens het hof wél zijn duidelijk standpunt uit. Zijn vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst lastens (Lotus) wegens impliciet ontslag is volgens het (arbeids)hof de duidelijke uiting van zijn wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Dit vordert hij immers. In de concrete omstandigheden van deze zaak beschouwt het hof deze dagvaarding dan ook als de kennisgeving van de werknemer aan de werkgever dat hij de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwt omdat de werkgever eenzijdig een belangrijke wijziging heeft aangebracht in essentiële bestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst". Grieven Eerste onderdeel In de dagvaarding in ontbinding van 29 augustus 2000 stelde eiser "dat (hij) (...) benaderd werd met suggesties voor het opnemen van een nieuwe functie (...); dat (Lotus) en (eiser) in juli 2000 ernstig de mogelijkheid hebben onderzocht van een kandidatuur van deze laatste voor de functie van (regionaal directeur, regio West, Noord Amerika), waarbij hem de titel van vice (voorzitter) - een nieuwe promotie met bijhorende voordelen - in het vooruitzicht werd gesteld; dat (eiser) uiteindelijk midden juli 2000 mondeling aan de Heer F. de (in essentie privé-) redenen heeft uiteengezet, die hem ertoe hebben gebracht om deze kandidatuur niet in aanmerking te nemen; (...); dat hij bij deze gelegenheid nogmaals heeft bevestigd dat en, uitgelegd waarom, hij de eerder gesuggereerde functie van directeur voor de regio West niet aanvaardbaar acht; dat (Lotus) vervolgens bij schrijven van 19 juli 2000 (eiser) heeft gevraagd om de beide voorgestelde functies (kandidaturen) nogmaals grondig in overweging te willen nemen, daarbij aanstippend dat inmiddels van de kant van (Lotus) andere mogelijkheden binnen de groep verder onderzocht zouden worden; dat (eiser) per schrijven van 24 juli 2000 heeft herhaald waarom geen van beide voormelde functies voor hem aanvaardbaar voorkomen; dat (Lotus) hierop per mail van 27 juli 2000 aan (eiser) het aanbod heeft geformuleerd om een functie met de titel (senior directeur, regio West (Frankrijk en België) aan te nemen, hieraan - en dit is veelzeggend - nog een aanvullende, niet nader gepreciseerde verantwoordelijkheid (...) toevoegend voor het management van de (bedrijfseenheid berichtgeving en samenwerking); dat (eiser) zoals gezegd reeds eerder (...) in talloze uitvoerige besprekingen had kunnen uitleggen waarom hij dergelijk aanbod zonder meer als een degradatie aanziet, die volgens hem - zelfs in het kader van een herstructurering - onmogelijk aan een werknemer kan opgelegd worden ; dat hij dan ook bijzonder verrast was alsnog ditzelfde aanbod - zij het enigszins vermomd om het op een promotie te doen lijken - te ontvangen; dat (eiser) bijgevolg per kerende (...) heeft bevestigd dat hij gezegd aanbod niet aanvaardbaar achtte, en tegelijkertijd heeft voorgesteld een lange vakantieperiode in te lassen in de hoop dat inmiddels een oplossing zou kunnen gevonden worden (...); dat (Lotus) echter bij schrijven van 4 augustus 2000 heeft duidelijk gemaakt dat de per 27 juli voorgestelde functie te nemen of te laten is, en dat de niet-vervulling ervan bij de terugkeer uit vakantie van (eiser), zou worden beschouwd als overeenstemmend met een ontslag vanwege deze laatste; dat (eiser) in die omstandigheden besloten heeft om (
  1. i)de aldus voorgestelde functie correct doch onder alle voorbehoud uit te voeren, en (
  2. ii)om de wanprestatie van (Lotus) aan uw rechtbank voor te leggen; dat (eiser), in dezelfde geest van een correcte uitvoering van de besproken functie, voorgesteld heeft om zijn vakantie in te korten en alvast de nodige voorbereidende schikkingen heeft getroffen om op 21 augustus 2000 op efficiënte wijze van start te kunnen gaan; dat (Lotus) (eiser) echter gehouden heeft aan de eerst vooropgestelde datum van terugkeer, zijnde 1 september 2000 (...); dat (Lotus), door (eiser) daadwerkelijk te verplichten een functie uit te oefenen, die om diverse haar bekende redenen (redenen die gedaagde er overigens toe hadden geleid (eiser) een meer aanvaardbaar alternatief in de Verenigde Staten aan te bieden) voor (eiser) een degradatie inhoudt ten opzichte van de positie, verantwoordelijkheden, voordelen en perspectieven die hem voorheen waren toebedeeld en toegezegd, een ernstige wanprestatie heeft begaan die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het nadeel van (Lotus) wettigt in de zin van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek; dat (eiser) de rechtbank benevens de ontbinding van deze overeenkomst vordert om (Lotus) te veroordelen om aan (eiser) een schadevergoeding te betalen". Met die overwegingen heeft eiser aangegeven dat hij, van zodra de door Lotus voorgenomen door te voeren functiewijziging van senior directeur regio West in haren hoofde een definitieve beslissing was ingevolge de door haar op 27 juli 2000 aan eiser gedane mededeling dat deze functie te nemen of te laten was, heeft besloten die naar zijn mening bestaande wanprestatie in hoofde van Lotus ter beoordeling voor te leggen aan de rechtbank door het instellen van een vordering tot ontbinding. Indien moet worden beschouwd dat het bestreden arrest op grond van de bewoordingen van de dagvaarding van 29 augustus 2000 heeft beslist dat eiser door het aan Lotus laten betekenen van voormelde dagvaarding haar duidelijk zijn wil ter kennis heeft gebracht dat de arbeidsrelatie en arbeidsovereenkomst was beëindigd, geeft het aan die dagvaarding een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het derhalve de bewijskracht van de dagvaarding van 29 augustus 2000 (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Zoals blijkt uit artikelen 32, 3°, 37, ,§1, eerste lid, en 81, ,§2, van de Arbeidsovereen-komstenwet van 3 juli 1978, kan een partij bij een arbeidsovereenkomst deze beëindigen door aan de andere partij op ondubbelzinnige wijze ter kennis te brengen dat zij de overeenkomst beschouwt als zijnde beëindigd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer één partij aan de andere ten onrechte ter kennis brengt dat laatstgenoemde de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd door eenzijdig een belangrijke wijziging aan te brengen aan een essentiële voorwaarde ervan. Overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, ook van toepassing zijnde in arbeidszaken ingevolge de aanhef van artikel 32 van de Arbeidsovereenkomstenwet waarin is gesteld "behoudens de algemene wijzen waarop de verbintenissen teniet gaan", kan elke partij bij een wederkerige overeenkomst echter ook de ontbinding in rechte vorderen van dergelijke overeenkomst ingeval de andere partij, naar het oordeel van de eerste partij, haar verbintenissen niet nakomt. Het komt alsdan de rechter, waarvan één partij de tussenkomst vraagt, toe uitspraak te doen en desgevallend, voor zover de ingeroepen tekortkoming ernstig genoeg is, de gevorderde ontbinding uit te spreken. In eerstgemelde hypothese oordeelt een partij zelf dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd en brengt zij haar oordeel ter kennis van de andere partij. In de tweede hypothese vraagt een partij aan de rechter uit te maken of een bepaalde tekortkoming van de andere partij voldoende ernstig is om, in bevestigend geval, de ontbinding te horen uitspreken. Als eiser beschouwt die partij vanzelfsprekend dat de ingeroepen tekortkoming voldoende ernstig is om de gevorderde ontbinding te rechtvaardigen, zoniet zou zij de vordering niet instellen. Dit neemt evenwel niet weg dat de eisende partij precies door te dagvaarden in ontbinding zelf niet het standpunt uitdrukt dat de overeenkomst is beëindigd maar integendeel aan de rechter vraagt de ontbinding uit te spreken indien naar zijn oordeel een voldoende ernstige tekortkoming bestaat. Het dagvaarden in ontbinding van een overeenkomst houdt aldus niet in dat door één partij op ondubbelzinnige wijze aan de andere partij ter kennis wordt gebracht dat eerstgenoemde de overeenkomst beschouwt als zijnde beëindigd. Inzake stelt het bestreden arrest vast dat eiser met zijn dagvaarding van 29 augustus 2000, omwille van de eenzijdige functiewijziging doorgevoerd door Lotus, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten laste van laatstgenoemde vordert, alsmede bijhorende schadevergoeding. Door desalniettemin aan te nemen dat eiser door het aan Lotus laten betekenen van voormelde dagvaarding van 29 augustus 2000 haar duidelijk zijn wil ter kennis heeft gebracht dat de arbeidsrelatie en arbeidsovereenkomst was beëindigd, schendt het bestreden arrest de artikelen 1184, inzonderheid tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en 32, aanhef, van de Arbeidsovereenkomstenwet en meer bepaald het in eerstgemelde bepaling vervatte begrip "gerechtelijke ontbinding", alsmede de artikelen 32, inzonderheid 3°, 37, inzonderheid ,§1, eerste lid, en 81, inzonderheid ,§2, van de Arbeidsovereenkomstenwet. Derde onderdeel Zoals blijkt uit artikelen 32, 3°, 37, ,§1, eerste lid, en 81, ,§2, van de Arbeidsovereen-komstenwet van 3 juli 1978, kan een partij bij een arbeidsovereenkomst deze beëindigen door aan de andere partij op ondubbelzinnige wijze ter kennis te brengen dat zij de overeenkomst beschouwt als zijnde beëindigd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer één partij aan de andere ten onrechte ter kennis brengt dat laatstgenoemde de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd door eenzijdig een belangrijke wijziging aan te brengen aan een essentiële voorwaarde ervan. Overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, ook van toepassing zijnde in arbeidszaken ingevolge de aanhef van artikel 32 van de Arbeidsovereenkomstenwet waarin is gesteld "behoudens de algemene wijzen waarop de verbintenissen teniet gaan", kan elke partij bij een wederkerige overeenkomst echter ook de ontbinding in rechte vorderen van dergelijke overeenkomst ingeval de andere partij, naar het oordeel van de eerste partij, haar verbintenissen niet nakomt. Het komt alsdan de rechter, waarvan één partij de tussenkomst vraagt, toe uitspraak te doen en desgevallend, voor zover de ingeroepen tekortkoming ernstig genoeg is, de gevorderde ontbinding uit te spreken. In eerstgemelde hypothese oordeelt een partij zelf dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd en brengt zij haar oordeel ter kennis van de andere partij. In de tweede hypothese vraagt een partij aan de rechter uit te maken of een bepaalde tekortkoming van de andere partij voldoende ernstig is om, in bevestigend geval, de ontbinding te horen uitspreken. Als eiser beschouwt die partij vanzelfsprekend dat de ingeroepen tekortkoming voldoende ernstig is om de gevorderde ontbinding te rechtvaardigen, zoniet zou zij de vordering niet instellen. Dit neemt evenwel niet weg dat de eisende partij precies door te dagvaarden in ontbinding zelf niet het standpunt uitdrukt dat de overeenkomst is beëindigd maar integendeel aan de rechter vraagt de ontbinding uit te spreken indien naar zijn oordeel een voldoende ernstige tekortkoming bestaat. In deze heeft het bestreden arrest in eigen motieven, alsmede door herhaling van de feitelijke uiteenzetting van het vonnis a quo vastgesteld dat eiser enerzijds op 7 augustus 2000 liet weten dat hij de West Job zou uitoefenen onder alle voorbehoud en in het bijzonder onder voorbehoud van de door de arbeidsrechtbank te vellen beslissing en hij alsdan ook aankondigde te zullen dagvaarden bij zijn terugkeer uit vakantie en hij anderzijds, niettegenstaande hij eigenlijk de mening was toegedaan dat zijn werkgever eenzijdig essentiële bestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst ernstig had gewijzigd, dat standpunt op 8 (men leze 7) augustus 2000 niet wilde of durfde in te nemen. Deze vaststellingen houden niet in dat eiser zelf zou hebben beslist dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd, noch dat hij dat ter kennis zou hebben gebracht van Lotus. Wel integendeel blijkt daaruit dat hij dat standpunt niet innam en de beoordeling overliet aan de rechtbank. in de mate dat moet worden beschouwd dat het bestreden arrest de dagvaarding in ontbinding van 29 augustus 2000 omwille van de hiervoor vastgestelde houding van eiser weerhoudt als zijnde het op ondubbelzinnige wijze ter kennis van Lotus brengen van zijn wil van het beëindigd zijn van de bestaande arbeidsovereenkomst, schendt het de artikelen 32, inzonderheid 3°, 37, inzonderheid ,§1, eerste lid, en 81, inzonderheid ,§2, van de Arbeidsovereenkomstenwet, alsmede de artikelen 1184, inzonderheid het tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en 32, aanhef, van de Arbeidsovereenkomstenwet en meer bepaald het in gemeld artikel 1184 vervatte begrip "gerechtelijke ontbinding". Vierde onderdeel Uit de door eiser aan Lotus gestuurde geschriften van 24 juli, 28 juli en 3 augustus 2000 kan worden afgeleid dat hij de Regio West Job niet aanvaardbaar achtte omdat het een degradatie was. Daarnaast stelde eiser in zijn schrijven van 24 juli 2000 te zijn teleurgesteld en beledigd door de praktijken van Lotus, die niet in overeenstemming zijn met het plaatselijke arbeidsrecht, alsmede dat hij in al zijn verdere stappen dienovereenkomstig zou handelen. Zijn schrijven van 28 juli 2000 aan Lotus besloot hij door te stellen dat, indien geen minnelijke regeling kon worden gevonden, partijen zouden afhankelijk zijn van het oordeel van een neutrale derde partij. Op 3 augustus 2000 meldde hij aan Lotus uiteindelijk dat, bij gebreke aan een aanvaardbaar voorstel tegen het einde van de maand augustus, hij zonder verdere verwittiging aan de arbeidsrechtbank zou vragen zijn arbeidsovereenkomst te ontbinden en hij in alle geval beschikbaar zou zijn voor de vennootschap en de gegeven instructies zou opvolgen. In geen van voormelde stukken stelt eiser aldus dat hij beschouwt dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd ingevolge impliciet ontslag vanwege Lotus. Hij geeft alleen aan de door Lotus eerst voorgenomen en later doorgevoerde functiewijziging niet te kunnen aanvaarden en aan een neutrale derde, zijnde de rechtbank te zullen vragen te oordelen over de (on)rechtmatigheid daarvan in het kader van een vordering tot ontbinding. Hij stelt verder in alle geval beschikbaar te zijn voor Lotus en de door haar te geven instructies te zullen opvolgen. In de mate dat moet worden beschouwd dat het bestreden arrest de dagvaarding in ontbinding van 29 augustus 2000 weerhoudt als zijnde het door eiser op ondubbelzinnige wijze ter kennis van Lotus brengen van het beëindigd zijn van de bestaande arbeidsovereenkomst omdat eiser in voormelde geschriftenvan 24 juli, 28 juli en 3 augustus 2000 aan Lotus reeds herhaaldelijk en op duidelijke wijze heeft meegedeeld dat hij de eenzijdige functiewijziging beschouwt als een impliciet ontslag, geeft het bestreden arrest aan die geschriften een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt het hun bewijskracht (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Vijfde onderdeel Het bewijs van het door eiser herhaaldelijk en duidelijk meedelen aan Lotus dat hij de eenzijdige functiewijziging als een impliciet ontslag beschouwt in haren hoofde kan worden geleverd door vermoedens, zoals bedoeld in de artikelen 1349 en 1353 van het Gerechtelijk Wetboek. Opdat de rechter daarbij het begrip "vermoeden" in de zin van die wetsbepalingen niet zou schenden moet hij uit de door hem als zijnde bewezen vastgestelde feiten het bestaan kunnen afleiden van een niet bewezen feit. In het bijzonder mag hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolg trekken die daarmee geen verband houdt. Indien het bestreden arrest het door eiser aan Lotus herhaaldelijk en duidelijk meedelen dat hij de eenzijdige functiewijziging beschouwt als een impliciet ontslag in haren hoofde niet afleidt uit de geschriften van 24 juli, 28 juli en 3 augustus 2000, dan kan het onmogelijk tot dergelijk besluit komen op grond van enig ander in het middel, dan wel anderszins in het bestreden arrest vastgesteld feitelijk gegeven. Door desalniettemin toch tot voormeld besluit te komen dat eiser aan Lotus herhaaldelijk en duidelijk meedeelde dat hij de eenzijdige functiewijziging beschouwt als een impliciet ontslag in haren hoofde, besluit dat niet als gevolg kan worden getrokken uit enig door het bestreden arrest vastgesteld feitelijk gegeven, en daarom de dagvaarding in ontbinding van 29 augustus 2000 te weerhouden als zijnde het door eiser op ondubbelzinnige wijze ter kennis van Lotus brengen van het beëindigd zijn van de bestaande arbeidsovereenkomst, schendt het bestreden arrest de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en miskent het meer bepaald het daarin vervatte begrip "vermoeden". IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel 1. De verweerster werpt op dat het middel niet-ontvankelijk is omdat de artikelen 39, ,§1, en 82, ,§,§2 tot 5, van de Arbeidsovereenkomstenwet niet als geschonden worden aangewezen. 2. Het middel betreft de wijze van beëindiging van de tussen de partijen gesloten bediendenovereenkomst. De aangewezen wetsbepalingen volstaan om tot cassatie te leiden. 3. De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel dient te worden verworpen. Tweede onderdeel 4. Krachtens artikel 32, aanhef en 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet nemen de verbintenissen voortspruitende uit de door de Arbeidsovereenkomsten-wet geregelde overeenkomsten een einde, behoudens de algemene wijzen waarop de verbintenissen teniet gaan, door de wil van de partijen, wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd werd gesloten of ingeval een dringende reden tot beëindiging voorhanden is. De vaststelling door een partij dat de andere partij de arbeidsovereenkomst verbroken heeft door essentiële bestanddelen van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen, betreft een toepassing van voormeld artikel 32, aanhef en 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet. 5. Artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek regelt een van de algemene wijzen waarop de verbintenissen teniet gaan en houdt in dat een partij in een wederkerige overeenkomst de rechter kan verzoeken de overeenkomst te ontbinden wegens wanprestatie van de andere partij. 6. Het arrest oordeelt dat: - de eiser op 8 augustus 2000 nog steeds meende dat zijn werkgever eenzijdig essentiële bestanddelen van zijn arbeidsovereenkomst ernstig heeft gewijzigd, maar dit standpunt niet officieel wilde of durfde in te nemen; - de eiser met de dagvaarding van 29 augustus 2000, waarin hij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vordert wegens impliciet ontslag, wel duidelijk zijn standpunt heeft uitgedrukt; - deze dagvaarding een kennisgeving is van de werknemer dat hij de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwt omdat de werkgever eenzijdig een belangrijke wijziging heeft aangebracht in essentiële bestanddelen van zijn overeenkomst; - de eiser ten onrechte impliciet ontslag verwijt aan de verweerster zodat hijzelf met deze dagvaarding de arbeidsovereenkomst onregelmatig beëindigde. 7. Door aan de dagvaarding van de eiser tot ontbinding van de arbeidsovereen-komst ten laste van de verweerster op grond van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek het gevolg te verlenen van een onmiddellijke verbreking van de arbeidsovereenkomst miskent het arrest het wettelijk begrip "gerechtelijke ontbinding" en schendt het voormeld artikel 1184 en artikel 32, aanhef en 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet. 8. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven 9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de afgifte van het formulier C4, over de gevorderde opzeggingsvergoeding, vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van achttien september tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060918.3 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071210.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.