← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060919.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060919.6 Rolnummer: P.06.0298.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 582 - laatst gezien 2026-07-04 06:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche De Latijnse woorden "quod" en "non", zijn opgenomen in de algemeen gebruikte woordenboeken van de Nederlandse Taal en het gebruik ervan door de rechter in één van zijn overwegingen schendt de Taalwet Gerechtszaken niet, in zoverre de bekritiseerde overweging verstaanbaar en zinnig is met of zonder de toevoeging van de uitdrukking "quod non" en het voor de lezer ook onmiddellijk duidelijk is dat deze toevoeging, wat ze ook moge betekenen, geen afbreuk kan doen aan de in het Nederlands gestelde voorafgaande overweging. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - Vonnissen en arresten. Nietigheden - Strafzaken Vrije woorden: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - Vonnissen en arresten. Nietigheden - Strafzaken Gebruik in de beslissing van de Latijnse uitdrukking "quod non" Wettelijke bepalingen: Wet - 15-06-1935 - Art.24 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0298.N

  1. L M G, beklaagde,
  2. H H M, beklaagde, met als raadsman mr. Alexis Hallemans, advocaat bij de balie te Brussel, eisers, tegen K S, advocaat, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement H H bvba, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 januari
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  4. In de mate dat de cassatieberoepen van de eisers opkomen tegen hun vrijspraak van de telastlegging D, zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de beide eisers
  5. Het middel is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van de eisers tot verbetering van het zittingsblad van 16 maart 2004 en het verstekarrest van 9 november 2004 en van hun verzoek tot het houden van een getuigenverhoor betreffende de zitting van 16 maart
  6. Het middel vraagt een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel van de beide eisers
  7. Het bestreden arrest overweegt: "De mogelijkheid van aanwezigheid in de zittingszaal van een mter. C. op 16 maart 2004 houdt nog niet in dat deze advocaat op deze datum officieel zou verschenen zijn voor enige partij, wat alsdan had kunnen geakteerd worden in het zittingsblad van die datum, quod non".
  8. Het middel van de beide eisers stelt dat de woorden "quod non" niet tot de Nederlandse woordenschat behoren en hun gebruik de artikelen 24 en 24bis Wet Talen Gerechtszaken schendt, zodat het bestreden arrest nietig is.
  9. De Latijnse woorden "quod" en "non" zijn opgenomen in de algemeen gebruikte woordenboeken van de Nederlandse Taal. Het gebruik ervan schendt de Wet Talen Gerechtszaken niet. Dit neemt niet weg dat de uitdrukking "quod non" niet door iedereen zal worden verstaan. De bekritiseerde overweging is evenwel verstaanbaar en zinnig met of zonder de toevoeging "quod non". Het is voor de lezer ook onmiddellijk duidelijk dat deze toevoeging, wat ze ook moge betekenen, geen afbreuk kan doen aan de in het Nederlands gestelde voorafgaande overweging. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiseres
  10. Het bestreden arrest oordeelt in feite en derhalve onaantastbaar dat niet kan worden uitgemaakt dat de eiseres op 9 december 1990 bij het opstellen door de curator van een aanvullende inventaris van de goederen, geen Nederlands zou hebben gesproken. Het middel is niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiseres
  11. Het middel voert, wat betreft het verhoor van de eiseres op 25 augustus 2000, schending aan van artikel 31, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, in zijn versie na de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, omdat een gerechtelijk inspecteur de eiseres in het Engels heeft verhoord, terwijl deze inspecteur het Engels onvoldoende beheerste en nergens uit het dossier blijkt dat hij het diploma van beëdigd vertaler bezat.
  12. Artikel 31, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken verplicht slechts beroep te doen op een beëdigd vertaler wanneer hij die het verhoor afneemt, de gebruikte taal niet kent.
  13. Het bestreden arrest oordeelt onaantastbaar dat de inspecteur de Engelse taal kende. Het middel dat tegen dit oordeel opkomt, is niet ontvankelijk. Vijfde middel van de eiseres
  14. Anders dan het middel aanvoert, beantwoordt het bestreden arrest het verweer van de eiseres betreffende de schending van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering. Het middel mist feitelijke grondslag. Zesde middel van de eiseres
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM omdat nergens uit het proces-verbaal van vooronderzoek blijkt dat de eiseres kennis kreeg van de haar ten laste gelegde feiten, de dagvaarding haar die feiten niet bekend maakte in een taal die zij verstaat en zelfs op de terechtzittingen van het hof van beroep van 7 maart en 26 april 2005 de aanwezige tolk Nederlands-Hongaars niet de gelegenheid kreeg om de haar ten laste gelegde feiten te vertalen en ook niet op het zittingsblad werd geacteerd dat zij in een taal welke zij verstaat, daarvan op de hoogte werd gebracht.
  16. De zittingsbladen dienden de bedoelde vermelding niet te bevatten. Voor het overige oordeelt het bestreden arrest op grond van feitelijke gegevens onaantastbaar dat de eiseres in een taal die zij verstaat en in bijzonderheid op de hoogte was gesteld van de aard en de reden van de tegen haar ingebrachte beschuldigingen. Het middel kan niet worden aangenomen. Zevende middel van eiseres
  17. Het middel berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de rechter in hoger beroep een schending van de artikelen 14.5 IVBPR en 6.3.c EVRM door de rechter in eerste aanleg niet kan herstellen. Het middel faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten. Begroot de kosten op 110,42 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 19 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van de griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060919.6 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070316.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090220.14 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.