id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art.442bis
,§1 Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - ALGEMEEN Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - ALGEMEEN Inkomstenbelastingen Rechten, tenuitvoerlegging en voorrechten van de schatkist Handelsvennootschappen Vereffening Overdracht van een geheel van goederen of een handelszaak Toepassing van artikel 442bis, ,§ 1, W.I.B.
(1992)Wettelijke bepalingen:
Art.442bis
,§1 Thesaurus CAS: BESLAG - ALGEMEEN Vrije woorden: BESLAG - ALGEMEEN Inkomstenbelastingen Rechten, tenuitvoerlegging en voorrechten van de schatkist Handelsvennootschappen Vereffening Overdracht van een geheel van goederen of een handelszaak Toepassing van artikel 442bis, ,§ 1, W.I.B.
(1992)Beslag Wettelijke bepalingen:
Art.442bis,§1 Annotaties Publicaties: T.Not.
- Dirk MICHIELS; De rechten van de fiscus in samenloopsituatie - 2007, 279-287 TVR - Floris PARREIN, De niet-tegenstelbaarheid aan de fiscus van de overdracht van een handelsfonds bij vereffening. - 2007, 41-50 R.A.G.B. - Mark DELANOTE; De reikwijdte van artikel 442 bis WIB 1992 in het kader van een overdracht tijdens een vereffeningsprocedure. - 2007, 1207-1214 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0511.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Leuven, 4de kantoor, wiens kantoor gevestigd is te 3300 Tienen, Goossensevest 10, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V.B.C., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de NV Veradec Construct in vereffening (voorheen NV Abibat), verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. FEITEN De feiten kunnen op grond van het bestreden arrest als volgt worden samengevat. De NV Veradec Construct is op 25 mei 1999 in vereffening gesteld nadat zij een akkoord had aangevraagd en een voorlopige opschorting had verkregen op 27 januari 1999. Op 11 juni 1999 sloot de NV Veradec Construct met de BVBA Bouw, Woon en Werk een overeenkomst tot overdracht van haar handelszaak. De overnameprijs bedroeg 19 miljoen BEF (thans 470.997,70 euro) en werd, op een klein bedrag na, geheel voldaan door de overname van de financiële schulden bij de bank BBL. Aan de eiser werd in toepassing van artikel 442bis van het WIB
(1992)kennis gegeven van deze overeenkomst. Die kennisgeving gebeurde per brief van 25 juni 1999 en werd gedaan door de overnemer van de handelszaak. De verweerder, de vereffenaar van de NV Veradec Construct, heeft op 26 juli 1999 verzet aangetekend tegen het beslag op roerende goederen dat op 22 juli 1999 door de eiser werd gelegd. Hij vorderde de nietigverklaring van het beslag om reden dat het de gelijkheid van de schuldeisers in de vereffening zou schenden. Het beslag gebeurde in uitvoering van een dwangbevel dat op 16 juli 1999 was uitgevaardigd. Met het dwangbevel werden ten laste van de NV Veradec Construct belastingen ingevorderd voor het aanslagjaar 1998 en dit voor een totaal bedrag in hoofdsom van 5.867.599 BEF (thans 145.453,98 euro). Het betrof ook onder meer bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de periode van 27 januari 1999 tot 25 mei 1999. III. CASSATIEMIDDEL Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 442bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)(W.I.B. 1992), zoals gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, en voor zoveel als nodig de uitvoeringsmaatregelen van deze tekst, zijnde de artikelen 164 en 165 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)(K.B/W.I.B. 1992), zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 mei 1997; - de artikelen 1582 en 1583 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 184 van de Vennootschapswet opgenomen in Boek 1, titel IX, van het Wetboek van Koophandel, zoals van kracht voor het in werking treden van de wet van 7 mei 1999, en 190, ,§1, van het door laatst vermelde wet ingevoerd Wetboek der Vennootschappen. Aangevochten beslissingen Het arrest: "Ontvangt het hoger beroep, en willigt het in als volgt: Hervormt het bestreden vonnis van 28 januari 2000, behoudens waar het verzet wordt ontvangen en de kosten worden begroot; Opnieuw beslissend voor het overige; Zegt dat het verzet van (de eiser) als volgt gegrond is; Hervormt het op verzet bestreden vonnis van 28 september 1999, behoudens waar het de vordering ontvangt; Zegt dat het uitvoerend beslag op roerende goederen van 22 juli 1999, rechtsgeldig werd gelegd tot beloop van 32.517,14 euro, voorheen 1.311.738 Belgische frank, te vermeerderen met uitvoeringskosten en de kosten van de akte. Verklaart de vordering tot opheffing van het beslag gegrond voor de sommen die het bedrag overtreffen waarvoor het beslag geldig werd verklaard; Verwerpt de vergoedingseis van (de verweerder);" En verdeelt de kosten. De motivering van deze uitspraak omvat de volgende overwegingen. In de beoordeling van het geschil omvat het arrest eerst (nr.10-11-12) een samenvatting van de voorafgaande feiten en van de stelling van de eiser. Na aanhaling van de tekst van het artikel 442bis W.I.B.
(1992), waarop eisers stelling gesteund is, en samenvatting van de inhoud van deze regeling (nr. 13-14-15), bespreekt het arrest een stelling van verweerster, volgens welke dit artikel 442bis geen uitwerking zou behoren te krijgen in geval van vereffening van een rechtspersoon. Deze stelling wordt verworpen minstens voor het geval, zoals in casu, waarin de vereffenaar niet als gerechtelijke mandataris handelt (nr. 16-17). Verder wordt onder nr. 18 van het arrest terecht overwogen: "Bij toepassing van het vermelde onder de randnummers 13 en 14 werd in het voorliggende geval de overdracht van het handelsfonds door de vereffenaar eerst met ingang van 1 augustus 1999 tegenwerpbaar aan (de eiser). Het gevolg hiervan is dat, wat (de eiser) betreft, die algemeenheid van goederen tot het vermogen van de vennootschap in vereffening bleef behoren tot en met 31 juli
- ln beginsel kon (de eiser) dan ook beslag laten leggen op de goederen die tot deze algemeenheid behoorden". Nochtans wordt daarna geoordeeld: "
- Hieruit volgt meteen dat (de eiser) zich niet op de geciteerde wetsbepaling kan beroepen om te stellen dat hij beslag liet leggen op goederen die inmiddels niet meer tot de vereffening behoorden, ten einde de desbetreffende middelen te ontzenuwen. Immers, (eiser) kan niet tegelijk voorhouden dat de overdracht hem niet kon worden tegengeworpen, om te bekomen dat de algemeenheid van goederen wat hem betreft nog niet tot het vermogen van de overnemer behoort enerzijds, maar dat diezelfde goederen niet meer tot het te vereffenen vermogen behoorden anderzijds.
- Bij toepassing van artikel 442bis WIB
(1992)liet (de eiser) zodoende beslag leggen op goederen die wat hem betreft nog tot de vereffening behoorden. Aldus zijn ook wat hem betreft de regels toepasselijk die de samenloop van schuldeisers betreffen in het geval een rechtspersoon wordt vereffend.
- De in dit verband vigerende regels kunnen, voor zover ze in het voorliggende geval relevant zijn, als volgt worden geformuleerd. De rechten van de schuldeisers worden definitief vastgesteld op het ogenblik van het vereffeningsbesluit. De beslissing tot invereffeningstelling brengt met zich dat er samenloop ontstaat tussen de schuldeisers, die bij de verdeling van het vermogen gelijk moeten worden behandeld. De schuldeisers die kunnen bogen op een bijzonder voorrecht of een zakelijke zekerheid ontsnappen aan de gelijkheidsregel. De invereffeningstaat brengt niet per se mee dat een lopende maatregel van tenuitvoerlegging wordt opgeschort, noch dat een nieuwe individuele maatregel van tenuitvoerlegging onmogelijk wordt ... Het komt desgevallend een medeschuldeiser of de vereffenaar toe de beslagrechter desbetreffend te adiëren; De invereffeningstaat belet individuele maatregelen van tenuitvoerlegging waardoor de rechten van de andere schuldeisers worden geschaad ....
- In het voorliggende geval werd de betwiste beslagmaatregel getroffen nadat de invereffeningstelling werd beslist. Verder blijkt de vereffening deficitair zodat de niet bevoorrechte schuldeisers in ieder geval slechts een dividend zullen ontvangen. Het lijdt dan ook geen twijfel dat de beslagmaatregel, die beoogt te bewerkstelligen dat het beginsel van de gelijkheid wordt doorbroken, de andere schuldeisers schaadt.
- Zodoende, behoudens indien artikel 442bis, ,§1, WIB
(1992)aldus kan worden beschouwd dat het (de eiser) bescherming verleent als een bijzonder bevoorrecht schuldeiser, kan de getroffen beslagmaatregel niet worden toegelaten. De genoemde wetsbepaling creëert geen volgrecht op de overgedragen algemeenheid van de goederen, en de toepassing ervan resulteert niet in een in hoofde van de overdrager afgescheiden vermogensbestanddeel, waarop enkel de fiscus zich kan verhalen. Ze bewerkstelligt enkel dat de fiscus gedurende een korte tijdspanne de overgenomen algemeenheid van goederen kan uitsluiten uit het onderpand van de schuldeisers van de overnemer. Indien tijdens die periode de goederen worden in beslag genomen en geveild, blijft de opbrengst ervan in het vermogen van de overdrager. 24. De uitwerking van bevoorrechting kan enkel worden toegelaten in de gevallen waarin een voorrecht als zodanig wordt ingesteld... Bij gemis aan uitdrukkelijke toekenning van een voorrecht aan de fiscus in verband met de toepassing van artikel 442bis, ,§1, WIB
(1992), dient te worden besloten dat (de eiser) zich ter staving van zijn beslagmaatregel ook niet kan beroepen op enig voorrecht. Het beslag, dat de gelijkheid van de schuldeisers miskent, kan dan ook niet worden toegelaten". In de verdere overwegingen (
- a)wordt in het arrest vastgesteld dat de bestreden beslaglegging, in toepassing van artikel 44 van de wet op het gerechtelijk akkoord, wel als boedelschuld aan te nemen is voor de bedrijfsvoorheffing verschuldigd sedert de toekenning van het stelsel van voorlopige opschorting van betaling (nrs. 25-32); (
- b)worden andere bijkomende aanspraken van verweerder afgewezen. Dit leidt tot een verdeling van de kosten. Grieven Naar luid van artikel 442bis, eerste lid, W.I.B.
(1992), en voor zover niet voldaan wordt aan het derde lid van dat artikel, is de overdracht van een algemeenheid aan de ontvanger der belastingen niet tegenstelbaar dan na verloop van de maand die volgt op die waarin aan de ontvanger op de voorgeschreven wijze van die overdracht kennis is gegeven. Dat het terzake gaat om het overdragen van een algemeenheid zoals in de tekst beoogd, wordt niet betwist. De toepassing van die wetsbepaling betekent, en dit is wel hetgeen de wetgever gewild heeft, dat de ontvanger tijdens deze periode nog maatregelen moet kunnen treffen om belastingschulden van de overlater in te vorderen door middel van uitvoeringsmaatregelen op de overgedragen goederen. De wet maakt geen onderscheid naargelang de overlater een natuurlijke persoon of een vennootschap zou zijn, noch of de vennootschap al dan niet ontbonden en in vereffening is. De ratio legis, zoals correct onder nr. 14 van het arrest samengevat, bestaat immers zowel in het ene als in het andere van die gevallen; de poging om de overgedragen goederen aan de uitvoeringsmaatregelen van de ontvanger te doen ontsnappen kan zowel in ontbonden vennootschappen als in voortgezette exploitaties bestaan. Terecht wordt derhalve, onder nrs. 16 tot en met 18 van het arrest, geoordeeld dat dit stelsel ook tegenstelbaar is aan de vereffenaar van een ontbonden vennootschap, onder voorbehoud voor het geval waarin het gaat over een curator of andere gerechtelijk aangestelde mandataris, welk geval in casu niet ter sprake komt. De toepassing van deze wetsbepaling betekent evenwel niet dat de overdracht als onbestaande moet gehouden worden tussen de overdrager en de overnemer. De in de wet omschreven niet-tegenstelbaarheid mag niet gelijkgesteld worden met een nietigheid. Tussen partijen blijft de overdracht bestaan. De wettelijke maatregel treft de overnemer, doordat hij in het bezit van de overgedragen goederen gestoord wordt. Wat de overdrager betreft zijn de vervreemde goederen definitief uit zijn vermogen verwijderd, en vervangen door de bekomen prijs. Een bepaling van niet-tegenstelbaarheid moet immers gezien worden onder twee opzichten. De partij aan wie de wet dit recht verleent kan de betrokken overdracht negeren; voor de andere partijen blijft ze bestaan. Door de overdracht behoren de overgedragen goederen inderdaad niet meer tot het te vereffenen vermogen. De overdracht blijft bestaan. Haar niet-tegenstelbaarheid leidt tot een maatregel van invordering door de fiscale schuldeiser, die in feite de overnemer treft, maar brengt, op zich, geen wijziging in de rechtsverhouding tussen de overnemer en de overlater. Het is dan ook ten onrechte dat in het arrest, onder nr. 19 na ontleding van de in de wet omschreven niet-tegenstelbaarheid, geoordeeld wordt: "Hieruit volgt dat (de eiser) zich niet op de geciteerde wetsbepaling kan beroepen om te stellen dat hij beslag liet gelden op goederen die inmiddels niet meer tot de vereffening behoorden, ten einde de desbetreffende middelen te ontzenuwen". De conclusie die onder nr. 20 van het arrest, uit de onjuiste beoordeling van nr. 19 wordt afgeleid, is dus onjuist. De goederen waarop de eiser beslag heeft laten leggen behoren, wat hem betreft, niet meer tot de vereffening. Om deze reden kunnen de regels betreffende de gelijke behandeling van de schuldeisers die in samenloop komen in een vereffening, bijgevolg niet in aanmerking komen. De vereffenaar heeft deze goederen vervreemd, hij bekomt de overeengekomen tegenprestatie. De invordering die tegen de overnemer gevoerd wordt raakt sensu stricto de overlater niet. Tegen de beoordeling van het arrest zou men integendeel moeten stellen dat de vereffenaar niet de activa van het te vereffenen bedrijf aan een overnemer kan afstaan, en tegelijk aanspraak maken op deze activa in het te vereffenen vermogen. Het arrest miskent de draagwijdte van de door hem gerealiseerde overdracht. Blijft ten slotte op te merken dat de administratie met de toepassing van artikel 442bis geen aanspraak maakt op enig bijzonder voorrecht, zodat de desbetreffende overweging in het arrest geen voorwerp heeft. Aanvullend wordt ook opgemerkt dat de problemen van het pand en de rechten van de pandhebbende schuldeiser in het arrest niet worden aangeraakt. Besluit Door het uitvoerend beslag op roerende goederen van 22 juli 1999 ongeldig te verklaren voor het bedrag dat 32.517,14 euro, voorheen 1.311.738 BEF overtreft, nietig te verklaren en het daarop door verweerder ingesteld verzet in te willigen, schendt het arrest in hoofdorde artikel 442bis, W.I.B.
(1992). Bijkomend schendt deze uitspraak ook de wetsbepaling betreffende de verkoop, vermits het de rechtsgevolgen van de door verweerster gesloten overdracht van het handelsfonds van de te vereffenen vennootschap miskent (schending van de artikelen 1582 en 1583 van het Burgerlijk Wetboek) en maakt het een onjuiste toepassing van de wetsbepalingen betreffende de vereffening van vennootschappen (schending van 184 van de Vennootschapswet zoals van kracht voor het invoeren van het Wetboek van Vennootschappen door de wet van 7 mei 1999, en voor zoveel als nodig van artikel 190, ,§1, van laatstvermeld wetboek). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De ontbinding van een vennootschap, waardoor deze in vereffening treedt, doet een toestand van samenloop onder de schuldeisers ontstaan. Zodra een vennootschap in vereffening wordt gesteld, worden bijgevolg de wederzijdse rechten van de schuldeisers wier schuldvordering ontstaan is vóór de vereffening op onherroepelijke wijze vastgesteld. Vanaf dat ogenblik staat het in artikel 184 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen vervatte beginsel van gelijkheid onder de schuldeisers eraan in de weg dat andere schuldeisers dan die waarvan de schuldvordering door een bijzonder voorrecht of een zakelijke zekerheid is gewaarborgd, individueel daden van uitvoering of van bewaring stellen waardoor de rechten van de andere schuldeisers kunnen worden geschaad.
- Krachtens artikel 442bis, ,§1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is de overdracht in eigendom of in vruchtgebruik van een geheel van goederen, samengesteld uit onder meer elementen die het behoud van de clientèle mogelijk maken, die voor de uitoefening van een vrij beroep, ambt of post of een industrieel, handels- of landbouwbedrijf worden aangewend, evenals de vestiging van een vruchtgebruik op dezelfde goederen, niet tegenstelbaar aan de ontvangers van de belastingen dan na verloop van de maand die volgt op die waarin een met het origineel eensluidend afschrift van de akte tot overdracht of vestiging ter kennis is gebracht van de ontvanger van de woonplaats of van de maatschappelijke zetel van de overdrager. Artikel 442bis, ,§1, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)is ook toepasselijk indien een in die wetsbepaling bedoeld geheel van goederen of een handelszaak wordt overgedragen door de vereffenaar van de belastingplichtige vennootschap.
- Omdat de overdracht tijdelijk niet aan de ontvangers kan worden tegengeworpen kunnen deze laatste ook de overgedragen goederen in beslag nemen voor de invordering van de door de overdrager verschuldigde belastingen.
- Dit beslag kan er evenwel niet toe leiden dat, bij samenloop, de ontvanger als algemeen bevoorrechte schuldeiser, op de door een vereffenaar overgedragen handelszaak die wat de ontvanger betreft nog steeds deel uitmaakt van het vermogen van de schuldenaar, uitsluitende rechten zou kunnen uitoefenen op die handelszaak of op haar tegenwaarde. Er anders over oordelen zou de gelijkheid van de schuldeisers in het gedrang brengen.
- De appelrechters stellen vast dat: - de vereffening deficitair is en dat de niet bevoorrechte schuldeisers in elk geval slechts een dividend zullen ontvangen; - de beslagmaatregel, die beoogt te bewerkstelligen dat het beginsel van de gelijkheid wordt doorbroken, de andere schuldeisers, inzonderheid de pandhoudende schuldeisers schaadt.
- Zij oordelen dat het beslag dat de gelijkheid van de schuldeisers miskent, niet kan worden toegelaten.
- De appelrechters verantwoorden aldus hun beslissing naar recht.
- Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 152,53 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Edward Forrier, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 22 september 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060922.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091015.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div