id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.4 Rolnummer: P.06.0373.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-07-03 07:32 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de zaak op tegenspraak is behandeld brengt de niet-naleving van de termijn van dagvaarding slechts de nietigheid van de veroordeling mee als het recht van verdediging is miskend
(2)Het arrest is gewezen op strijdige conclusie van het openbaar ministerie. Dit dient te worden begrepen zoals hierna uitgelegd. De memorie tot staving van de voorziening, zoals neergelegd voor eiser, was ondertekend loco met een onleesbare handtekening en zonder vermelding van de hoedanigheid. Dit betekent dat die memorie, op het ogenblik dat ze werd neergelegd, niet ontvankelijk was. Aldus had het openbaar ministerie in zijn conclusie de middelen van eiser niet ontmoet. Een door het O.M. opgeworpen ambtshalve middel werd door het Hof niet aanvaard. Eiser werd door de feitenrechter veroordeeld tot een geldboete van EUR 50,00 verhoogd met 45 opdeciemen of een vervangend rijverbod van 8 dagen, waarvan de tenuitvoerlegging gedurende 3 jaar werd uitgesteld voor een gedeelte van EUR 25,00 verhoogd met 45 opdeciemen. De appelrechters verzuimden echter een vervangend rijverbod op te leggen voor het gedeelte waarvoor uitstel werd verleend. Het O.M. was de mening toegedaan dat deze schending van artikel 8, ,§ 1, eerste lid, Probatiewet en van artikel 69bis, Wegverkeerswet, die tot gevolg had dat het verleende uitstel onwettig was, leidde tot een beslissing die eiser kon schaden. Alhoewel niet in debat blijft nog de vraag, in het licht van het bepaalde in artikel 41, Wegverkeerswet, in welke mate de appelrechters uitstel hadden kunnen verlenen. Thesaurus CAS: DAGVAARDING UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Dagvaardingstermijn Vrije woorden: DAGVAARDING Strafzaken Strafvordering Termijn van dagvaarding Niet-naleving van de termijn Veroordeling op tegenspraak Geldigheid Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Strafvordering Termijn van dagvaarding Niet-naleving van de termijn Veroordeling op tegenspraak Geldigheid Annotaties Publicaties: R.W. - A.VANDEPLAS; De termijn van dagvaarding in strafzaken. - 2007-2008, 1585-1587 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0373.N G C L B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frank Delporte, advocaat bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Brugge van 3 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert aan dat de appelrechters de telastlegging niet mochten heromschrijven omdat het "duidelijk om andere feiten gaat" en de eiser niet vrijwillig is verschenen voor deze nieuwe wetsomschrijving.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of het feit dat hij anders omschrijft en waarvoor hij de beklaagde veroordeelt, hetzelfde is als het feit dat aan de vervolging ten grondslag ligt. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbare oordeel van de rechter, is het niet ontvankelijk. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de instemming van de beklaagde met de nieuwe omschrijving vereist is, faalt het naar recht. Derde middel
- Het middel voert aan dat de eiser laattijdig werd gedagvaard zodat de dagvaarding nietig moest worden verklaard.
- Artikel 146, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dat krachtens artikel 174, tweede lid, Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de rechtspleging in hoger beroep, bepaalt dat een termijn van ten minste tien dagen, die in voorkomend geval verlengd wordt wegens de afstand, tussen de dagvaarding en de verschijning moet gelaten worden, op straffe van nietigheid van de veroordeling die bij verstek tegen de gedaagde mocht worden uitgesproken. Wanneer, zoals ten deze, de zaak op tegenspraak is behandeld, brengt de niet-naleving van die termijn van dagvaarding slechts de nietigheid van de veroordeling mee als het recht van verdediging is miskend.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser zich over de grond van de zaak heeft verdedigd zonder een miskenning van zijn recht van verdediging aan te voeren. Hij kan zulks niet voor het eerst in cassatie doen. Het middel is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert aan dat de eiser aanvankelijk voor een territoriaal onbevoegde rechtbank werd gedaagd en pas laattijdig voor de bevoegde rechtbank.
- Uit het antwoord op het derde middel blijkt dat de eiser zich over de grond van de zaak heeft verdedigd zonder een miskenning van zijn recht van verdediging wegens de laattijdigheid van de dagvaarding aan te voeren. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Vierde middel
- De appelrechters verklaren de eiser schuldig aan de feiten van de telastlegging, zoals heromschreven. Aldus stellen zij vast, bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, dat alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf verenigd zijn en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel
- Het bestreden vonnis legt de bedoelde stukken niet uit zodat het de bewijskracht ervan niet miskent. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het middel geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 53,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 26 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div