← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7 Rolnummer: P.06.0604.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 799 - laatst gezien 2026-07-03 19:20 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij het misdrijf van sluikinvoer, dat geen onachtzaamheidmisdrijf of onopzettelijk misdrijf is, moet bewezen worden dat de beklaagde wetens en willens de goederen heeft ingevoerd waarvan geen aangifte werd gedaan; wat de mededader betreft is tenminste vereist en volstaat het dat bewezen wordt dat hij wetens en willens enige door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf heeft verleend. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: DOUANE EN ACCIJNZEN Douanemisdrijven Sluikinvoer Moreel bestanddeel Aard Mededaderschap Vereiste Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Art.220 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Douane en accijnzen Douanemisdrijven Sluikinvoer Moreel bestanddeel Aard Mededaderschap Vereiste Wettelijke bepalingen: Wet - 18-07-1977 - Art.220 Fiche 3 De redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis wordt in de regel beoordeeld naar de loop van het ganse proces en niet enkel naar de verstreken tijd tussen bepaalde onderzoeksdaden onderling of tussen het afsluiten van het vooronderzoek en de aanhangigmaking van de zaak bij de rechter

(1).
(1)R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr 1384 e.v. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Redelijke termijn Beoordeling Fiches 4 - 6 Het staat de rechter in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis is overschreden; het Hof gaat enkel na of de rechter uit de vaststellingen die hij verricht geen gevolgtrekking afleidt die deze niet kunnen verantwoorden
(1)
(2).
(1)R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2003, nr 1384 e.v.
(2)Cass., 5 mei 1987, AR 1059, nr 517; Cass., 12 april 2000, AR P.00.0136.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16, nr 247; Cass., 8 februari 2005, AR P.04.1317.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4, nr 77. Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Strafzaken Strafvordering Verdrag Rechten van de Mens Redelijke termijn Vonnisgerecht Beoordeling Marginale toetsing Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Redelijke termijn Vonnisgerecht Beoordeling Toezicht van het Hof Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: STRAFVORDERING Verdrag Rechten van de Mens Redelijke termijn Vonnisgerecht Beoordeling Toezicht van het Hof Tekst van de beslissing Nr. P.06.0604.N D H P J, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met als raadsman mr. Hans van Bavel, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen te Antwerpen met kantoor te 2030 Antwerpen, Kattendijkdok-Oostkaai 22, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 maart 2006. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het bestreden arrest veroordeelt de eiseres om zich als mededaderes "schuldig gemaakt (
  1. te)hebben aan de sluikinvoer van sigaretten van het merk Regal, niet voorzien van Belgische fiscale kentekens (...)". 2. Het onderdeel voert aan dat het bestreden arrest de schuld van de eiseres afleidt uit de loutere vaststelling dat zij niet geloofwaardig maakt het slachtoffer te zijn geworden van een schulduitsluitingsgrond, terwijl het haar ten laste gelegde misdrijf vereist dat het misdrijf "wetens en willens" moet zijn gepleegd. 3. Sluikinvoer is inderdaad geen onachtzaamheidsmisdrijf of onopzettelijk misdrijf. Bij dit misdrijf moet integendeel bewezen worden dat de beklaagde "wetens en willens" de goederen heeft ingevoerd waarvan geen aangifte werd gedaan. Wat de mededader betreft is ten minste vereist en volstaat het dat bewezen wordt dat hij wetens en willens enige door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf heeft verleend. De door de eiseres bekritiseerde algemene overwegingen van het bestreden arrest betreffende het bewijs inzake douanemisdrijven van de schuld door de wetsovertreding zijn hier dan ook onjuist. 4. Het blijkt evenwel uit de overige redenen van het bestreden arrest, die het onderdeel niet bekritiseert, dat het in werkelijkheid de eiseres als mededader schuldig acht op grond van de feitelijke gegevens die het bespreekt. Het arrest overweegt in dit verband: "Dat uit het geheel van voormelde gegevens en vaststellingen buiten elke redelijke twijfel vaststaat dat (de eiseres) haar rechtstreekse en onontbeerlijke medewerking heeft verleend aan het plegen van de haar ten laste gelegde feiten van sluikinvoer; dat zij op het tijdstip waarop zij haar deelnemingshandelingen stelde, wist, minstens redelijkerwijze had moeten weten dat haar handelen kaderde in een fraudegebeuren". Deze overwegingen verantwoorden op zich wettig de schuldigverklaring van de eiseres. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel is gericht tegen de hier overbodige redenen van het bestreden arrest betreffende het bewijs van schuld voor een douanemisdrijf. Daar het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, is het niet ontvankelijk. Tweede middel 6. Het bestreden arrest oordeelt dat de redelijke termijn voor de afdoening van het tegen de eiseres ingestelde strafproces niet is overschreden. Het overweegt in dit verband: "Dat, gelet op wat voorafgaat, niet blijkt dat het dossier gedurende een onverantwoord lange periode onaangeroerd is gebleven; dat de procedure, zowel in haar geheel als naar de afzonderlijke fasen binnen de procedure, alle omstandigheden in acht genomen, regelmatig en relatief snel is verlopen; dat de bewijslevering in essentie niet werd aangetast door de duur van de procedure en de rechten van de verdediging niet werden geschonden". 7. Het middel voert aan dat het arrest geen verantwoording geeft, in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, voor het verstrijken van lange periodes tussen de verschillende onderzoeksdaden en de vaststelling voor het vonnisgerecht. Het middel stelt vervolgens in essentie dat uit de vaststellingen van het bestreden arrest integendeel blijkt dat de redelijke termijn wel is overschreden. 8. De redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis wordt in de regel beoordeeld naar de loop van het hele proces en niet naar de enkel verstreken tijd tussen bepaalde onderzoeksdaden onderling of tussen het afsluiten van het vooronderzoek en de aanhangigmaking van de zaak bij de rechter. Het staat de rechter in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, in feite te oordelen of de redelijke termijn tussen de beschuldiging en het vonnis is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de vaststellingen die hij verricht, geen gevolgtrekking afleidt die deze niet kunnen verantwoorden. 9. Het bestreden arrest leidt uit zijn vaststellingen geen gevolgtrekking af die deze niet kunnen verantwoorden. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel 10. Het bestreden arrest vermeldt de feitelijke gegevens waarop het zijn oordeel omtrent de schuld van de eiseres steunt. Het besluit met de overweging: "Dat ook de overige door de (eiseres) in beroepsconclusie aangevoerde argumenten niet van aard zijn afbreuk te doen aan voormelde besluitvormingen". 11. Het middel voert aan dat het bestreden arrest de motiveringsplicht schendt omdat het niet antwoordt op de door de eiseres ontwikkelde argumentatie betreffende het gebrek aan bewijswaarde van een stuk uit een niet-afgesloten Nederlands strafonderzoek waarvan bovendien bepaalde stukken zwart werden gekleurd omdat ze betrekking hadden op nog lopende zaken en vertrouwelijke informatie bevatten, zodat zij moet worden vrijgesproken. 12. Met de hoger vermelde motivering beantwoordt het arrest evenwel het verweer van de eiseres ook betreffende het gebrek aan bewijswaarde van het stuk afkomstig uit een Nederlands onderzoek. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek van beslissing op de strafvordering 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing over de strafvordering is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 97,88 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 26 september 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121113.1 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130206.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180504.4 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211103.2F.2 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221019.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230315.2F.23 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241007.3F.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000412.16 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100105.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.