← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.10 Rolnummer: C.04.0203.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 426 - laatst gezien 2026-07-04 03:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit het systeem van het C.M.R.-Verdrag vloeit voort dat zowel de afzender als de geadresseerde gerechtigd zijn om op grond van artikel 17 een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Handelshuur - Overdracht en onderhuur Vrije woorden: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wegvervoer Internationaal vervoer C.M.R.-Verdrag Vervoerder Aansprakelijkheid Vorderingsgerechtigden Fiche 2 De afzender, die op grond van de overeenkomst vorderingsgerechtigd is voor het verlies of de beschadiging van de lading of voor vertraging in de aflevering, dient hiertoe niet het bestaan van de schade in het eigen vermogen te bewijzen, behoudens ingeval de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wegvervoer Internationaal vervoer C.M.R.-Verdrag Vervoerder Aansprakelijkheid Vorderingsrecht van de afzender Annotaties Publicaties: R.D.C./T.B.H. - M.GODFROID; Enkele aspecten van .... - 2007, 712-717 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0203.N G. M. DE ROOY & ZONEN INTERNATIONAAL TRANSPORTBEDRIJF BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 3930 Hamont-Achel, Orchideënlaan 55, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Philippe Gérard, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PHILIPS INNOVATIVE APPLICATIONS, naamloze vennootschap, met zetel te 1070 Brussel, Tweestationsstraat 80, verweerster, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 12, 13 en 17 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna "C.M.R.-Verdrag"), goedgekeurd bij wet van 4 september 1962; - de artikelen 1119, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150, 1151, 1152, 1153 en 1165 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appelrechters veroordelen de eiseres, grotendeels met bevestiging van het vonnis a quo, tot betaling aan de verweerster van een bedrag van 6.555,72 euro, te vermeerderen met een rente van 5 pct. vanaf 12 november 1997 tot de dag der volledige betaling en van twee derden van de kosten in eerste aanleg en de kosten in hoger beroep. Daarbij verwerpen de appelrechters onder meer het verweer van eiseres dat erin bestond aan te voeren dat de vordering van de verweerster als ongegrond diende te worden afgewezen, om reden dat de verweerster slechts aanspraak kan maken op enige schadevergoeding voor zover ze aantoonde werkelijk schade te hebben geleden en zij in casu niet aantoonde effectief schade te hebben geleden, op grond van onder meer de volgende motieven: "Dat (de eiseres) evenwel beweert dat de vordering van (de verweerster) (afzender) als ongegrond dient te worden afgewezen, om reden dat de geïntimeerde slechts aanspraak kan maken op enige schadevergoeding voor zover zij aantoont daadwerkelijk schade te hebben geleden en zij in casu niet aantoont effectief schade te hebben geleden; dat zij beweert dat de werkelijke schadelijder de vennootschap naar vreemd recht GmbH \sterreichische Philips & Horny Industries is en niet de geïntimeerde (de verweerster), aanvoerende: - dat uit de voorgelegde Abtretungsverklarung onomstotelijk blijkt dat de vennootschap naar vreemd recht GmbH \sterreichische Philips & Horny Industries als werkelijk gelaedeerde partij al haar rechten (ten aanzien van de vervoerder) had overgedragen aan de vennootschap naar vreemd recht A.I.G. Europe S.A. Direktion für sterreich, Rengasse 6 - 8 te 1010 Wenen; - dat evenwel noch de vennootschap naar vreemd recht GmbH \sterreichische Philips & Horny Industries, noch de vennootschap naar vreemd recht A.I.G. Europe S.A. in de procedure voor de eerste rechter betrokken waren; - dat (de verweerster) niet betwist dat in casu niet zij doch de vennootschap naar vreemd recht \sterreichische Philips & Horny Industries (partij die overigens niet in de procedure aanwezig was) de werkelijke schadelijder is; Dat (de verweerster) ten stelligste betwist dat zij geen schade heeft geleden; dat zij met name beweert dat zij wel degelijk schade heeft geleden om redenen - dat zij, in het kader van de verkoop, door toedoen van de vervoerder, niet aan haar leveringsplicht heeft kunnen voldoen; - dat ingevolge de diefstal, te weinig toestellen bij de bestemmeling konden worden afgeleverd; - dat zij voor dit tekort aan goederen, door de bestemmeling niet betaald is geworden of slechts betaald is geworden, nadat zij op eigen kosten een nazending diende te organiseren; Dat in casu de vraag aan de orde is of degene die formeel gelegitimeerd is ter uitoefening van zijn claimrecht verplicht is aan te tonen dat hij de schade in eigen vermogen heeft geleden; dient hij met andere woorden eveneens materieel gelegitimeerd te zijn ?; dienen recht en belang parallel te lopen ?; Dat van zodra men deze eis stelt men genoodzaakt is het bestaan van een dergelijk belang uit de onderliggende overeenkomst, derhalve buiten de vervoerovereenkomst, te distilleren; Dat het stellen van het belangvereiste als een algemene voorwaarde voor de uitoefening van het claimrecht dient te worden afgewezen; Dat de uitoefening van uit de vervoerovereenkomst voortspruitende rechten niet van buiten die overeenkomst gelegen factoren afhankelijk dient te zijn; dat op deze wijze immers de uitoefening van een uit de vervoerovereenkomst voortvloeiend recht van de onderliggende rechtsverhouding tussen afzender en geadresseerde, waaraan de vervoerder vreemd is, afhankelijk wordt gemaakt; Dat abstractie dient te worden gemaakt van de onderliggende rechtsverhouding; dat zulks met zich meebrengt dat de vervoerder zonder risico aan degene, die gerechtigd is de vordering tegen hem in te stellen, kan betalen; dat hij zich niet behoeft te verdiepen in de aan de hem vreemd zijnde rechtsverhouding tussen afzender en geadresseerde; Dat de aanvaarding van deze mogelijkheid dat degene die een vordering instelt zonder zelfs schade in eigen vermogen te hebben geleden derhalve de behoefte aan het belang - of risico - criterium uitsluit; dat de C.M.R.-rechtspraak in verschillende landen, waaronder België, deze stelling aankleeft; dat in België de hoogste rechter onomwonden heeft gekozen voor een abstractie van de onderliggende overeenkomst, en ondermeer werd beslist dat b.v. de geadresseerde na aflevering der goederen van de vervoerder schadevergoeding kan vorderen, zonder dat hij daartoe hoefde aan te tonen dat hij zelf schade had geleden (Zie Hof van Cassatie van 13/06/1980, EVR 1980, blz. 851 en Hof van Beroep Brussel van 30/10/1975, EVR 1976, blz. 238); Dat het evenmin terzake is of de afzender al dan niet schade in eigen vermogen heeft geleden (s' Gravenhage 08/11/1994 S. &S. 1995, nr. 88, en O.G.H. Wien, 28/06/1988, TranspR, 1989, blz. 222); Dat, hoewel kan worden gesteld dat de uitoefening van het vorderingsrecht in beginsel niet van externe factoren afhankelijk dient te worden gesteld, er evenwel situaties denkbaar zijn waarin men, voor de vraag gesteld wie het claimrecht kan uitoefenen, wordt genoodzaakt bij de onderliggende rechtsverhouding te rade te gaan; Dat dit het geval is wanneer de partijen tegelijkertijd op grond van hun onderlinge rechtsverhouding menen hun claimrecht te kunnen realiseren en derhalve de vervoerder van weerszijden aanspreken; dat men in dit geval aangewezen is op het belang - criterium; Dat de vordering tot schadevergoeding, zoals hierboven reeds gezegd, in principe niet gebonden is aan de vraag naar de eigendom en het risico van de goederen; dat het alleen is wanneer de vervoerder door de afzender en de bestemmeling samen aansprakelijk worden gesteld, dat de eis slechts gegrond is voor degene die aan de hand van de contractuele verhoudingen schade lijdt; Dat derhalve, gelet op het feit dat in casu alleen (de verweerster) (afzender) de vordering stelt het belangcriterium niet speelt en de omstandigheid of (de verweerster) de daadwerkelijke schadelijder is in casu niet relevant is". Grieven Eerste onderdeel Krachtens artikel 17.1 van het C.M.R.-Verdrag en onder de voorwaarden bepaald in artikel 17 en volgende van het C.M.R.-Verdrag, is de vervoerder aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor de vertraging in de aflevering. Krachtens artikel 12.1 van het C.M.R.-Verdrag heeft de afzender het recht over de goederen te beschikken, in het bijzonder door van de vervoerder te vorderen dat hij het vervoer ophoudt, de plaats bestemd voor de aflevering der goederen wijzigt of de goederen aflevert aan een andere geadresseerde dan in de vrachtbrief is aangegeven. Krachtens artikel 12.

  1. vervalt dit recht wanneer het tweede exemplaar van de vrachtbrief aan de geadresseerde is overhandigd of wanneer deze gebruik maakt van het recht bedoeld in artikel 13, eerste lid van het verdrag, terwijl krachtens artikel 12.3 van het C.M.R.-Verdrag het beschikkingsrecht reeds vanaf het opmaken van de vrachtbrief aan de geadresseerde toekomt wanneer een vermelding in die zin door de afzender op de vrachtbrief is gesteld. Krachtens artikel 13.1 van het C.M.R.-Verdrag heeft na aankomst van de goederen op de plaats bestemd voor de aflevering, de geadresseerde het recht van de vervoerder te vorderen dat het tweede exemplaar van de vrachtbrief aan hem wordt overhandigd en de goederen aan hem worden afgeleverd, een en ander tegen ontvangstbewijs. Wanneer verlies van de goederen is vastgesteld of de goederen aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 19, niet zijn aangekomen, is de geadresseerde gerechtigd om op eigen naam tegenover de vervoerder gebruik te maken van de rechten, die uit de vervoerovereenkomst voortspruiten. Uit deze noch enige andere bepalingen van het C.M.R.-Verdrag volgt dat wanneer de afzender na de aflevering van de goederen een vordering instelt tegen de vervoerder op grond van artikel 17 van het C.M.R.-Verdrag, diens vordering, indien alleen hij de vordering instelt en niet de geadresseerde samen met hem, gegrond kan worden verklaard zonder dat moet worden vastgesteld dat de afzender de schade heeft geleden waarvan hij de vergoeding vordert op grond van de vervoersovereenkomst; in geen van de geciteerde noch enige andere bepalingen van het C.M.R.-Verdrag wordt bepaald dat de rechthebbende die tegen de vervoerder de vordering instelt bedoeld in artikel 17 van het verdrag, niet moet aantonen dat hij schade heeft geleden en dus de werkelijke schadelijder is; de afzender moet aantonen schade te hebben geleden, opdat zijn vordering op grond van artikel 17 van het verdrag gegrond zou kunnen worden verklaard en dit, ongeacht of de vervoerder al dan niet tegelijk door de afzender en de geadresseerde aansprakelijk wordt gesteld. Door te beslissen dat het alleen is wanneer de vervoerder door de afzender en de geadresseerde samen aansprakelijk wordt gesteld, dat de eis gegrond is in hoofde van degene die aan de hand van de contractuele verhoudingen schade lijdt en dat, gelet op het feit dat in casu alleen de verweerster (afzender) de vordering stelt, de omstandigheid of verweerster de daadwerkelijke schadelijder in casu niet relevant is, hebben de appelrechters de artikelen 12, 13 en 17 van het C.M.R.-Verdrag geschonden. Tweede onderdeel Dit onderdeel wordt aangevoerd in de hypothese dat de vraag of de rechthebbende van de vordering bedoeld in artikel 17 C.M.R.-Verdrag schade dient te hebben geleden, niet door het C.M.R.-Verdrag zou worden geregeld. Overeenkomstig artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek bestaat de aan de schuldeiser verschuldigde contractuele schadevergoeding, in het algemeen, in het verlies dat de schuldeiser heeft geleden en de winst die de schuldeiser heeft moeten derven, behoudens de wettelijke beperkingen; uit dit artikel alsmede de artikelen 1146, 1147, 1148, 1150, 1151, 1152 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat een schuldeiser slechts aanspraak kan maken op vergoeding van de schade die hij lijdt; indien er zich schade voordoet doch niet in het vermogen van de schuldeiser, lijdt de schuldeiser zelf geen schade en heeft hij geen recht op schadevergoeding; teneinde de vordering tot schadevergoeding gegrond te kunnen verklaren, dient de rechter derhalve na te gaan, in het bijzonder indien de schuldenaar terzake een betwisting aanvoert, of de schuldeiser schade heeft geleden en of hij de werkelijke schadelijder is, en dit, onafhankelijk van de vraag of er al dan niet twee verschillende eisers in het geding vergoeding van dezelfde schade vorderen. Door te weigeren bij de beoordeling van de gegrondheid van de contractuele vordering tot schadevergoeding van de verweerster op grond van de vervoersovereenkomst te onderzoeken of de verweerster schade heeft geleden en te overwegen dat enkel indien de vordering wordt ingesteld door zowel de afzender als de geadresseerde samen, de gegrondheid van de eis afhangt van de vraag wie schade lijdt aan de hand van de contractuele verhoudingen, hebben de appelrechters de artikelen 1146, 1147, 1148, 1150, 1151, 152 en 1153 van het Burgerlijk Wetboek geschonden en voor zoveel als nodig de andere bepalingen vermeld in de aanhef van het middel. Derde onderdeel De relativiteit van de overeenkomsten, uitgedrukt in artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek, verbiedt de rechter niet bij de vaststelling en de begroting van de schade rekening te houden met het bestaan van een overeenkomst tussen één van de contractanten en een derde alsmede met de gevolgen van die overeenkomst. Bij de beoordeling van de door de vervoerder opgeworpen betwisting of de afzender, die op grond van de vervoerovereenkomst een contractuele vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld, daadwerkelijk schade heeft geleden, kan de rechter derhalve niet zonder meer weigeren de gevolgen te onderzoeken van overeenkomsten gesloten tussen de afzender en een derde, zoals de geadresseerde. Door te beslissen dat de uitoefening van de uit de vervoerovereenkomst voortspruitende rechten niet van buiten die overeenkomst gelegen factoren afhankelijk dient te zijn, dat op deze wijze immers de uitoefening van een uit de vervoerovereenkomst voortvloeiend recht van de onderliggende rechtsverhouding tussen afzender en geadresseerde, waaraan de vervoerder vreemd is, afhankelijk wordt gemaakt en dat abstractie dient te worden gemaakt van de onderliggende rechtsverhouding, alsmede dat zulks met zich meebrengt dat de vervoerder zonder risico aan degene, die gerechtigd is de vordering tegen hem in te stellen, kan betalen, dat hij zich niet behoeft te verdiepen in de aan de hem vreemd zijnde rechtsverhouding tussen afzender en geadresseerde, hebben de appelrechters op onwettige wijze geweigerd rekening te houden met het bestaan en de gevolgen van overeenkomsten gesloten door de verweerster met derden en derhalve een verkeerde draagwijdte gegeven aan de regel der relativiteit der overeenkomsten (schending van de artikelen 1165 en 1119 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Luidens artikel 17, lid 1, van het C.M.R.-Verdrag, is de vervoerder aansprakelijk voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke ontstaan tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor de vertraging in de aflevering. Uit het systeem van het C.M.R.-Verdrag vloeit voort dat zowel de afzender als de geadresseerde gerechtigd zijn om op grond van artikel 17 een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder. De afzender is op grond van de overeenkomst vorderingsgerechtigd voor het verlies of de beschadiging van de lading of voor vertraging in de aflevering. Hij dient hiertoe niet het bestaan van de schade in het eigen vermogen te bewijzen, behoudens ingeval de vervoerder door zowel de afzender als de geadresseerde wordt aangesproken.
  3. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de afzender in elk geval enkel vorderingsgerechtigd is op voorwaarde dat hij het bewijs levert van persoonlijke schade, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel gaat ervan uit dat het vorderingsrecht van de verweerster geen steun vindt in het C.M.R.-Verdrag.
  5. Gelet op het antwoord op het eerste onderdeel, kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  6. De appelrechters oordelen niet dat artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek eraan in de weg staat dat wordt rekening gehouden met een door de verweerster met derden gesloten overeenkomst, maar dat een dergelijk onderzoek overbodig is aangezien de verweerster op grond van de bepalingen van het C.M.R.-Verdrag gelegitimeerd is om als vorderingsgerechtigde op te treden.
  7. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 669,25 euro jegens de eisende partij en op de som van 130,41 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 29 september 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20150130.4 ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070219.9 ECLI:BE:HBGNT:2008:ARR.20080310.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.