id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.11 Rolnummer: P.06.0843.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 940 - laatst gezien 2026-07-04 01:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 416, Sv. is van toepassing op alle beslissingen die de rechtsmacht van de strafrechter hetzij over de strafvordering, hetzij over de burgerlijke vordering niet uitputten
(1).
(1)Zie procureur-generaal DE SWAEF "Cassatieberoep van nu en straks: enkele denkrichtingen voor de toekomst", Openingsrede, Jaarverslag van het Hof van cassatie, 2005, nr 24. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Fiches 2 - 3 Gelet op het autonoom karakter van de wrakingsprocedure is een beslissing inzake wraking van een rechter in een strafzaak geen voorbereidende beslissing of een beslissing van onderzoek in de zin van artikel 416, Sv.; het cassatieberoep tegen zulke beslissing kan vóór de eindbeslissing over de strafvordering worden ingesteld
(1).
(1)Zie concl. O.M. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: WRAKING Strafzaken Vordering tot wraking van een strafrechter Autonoom karakter van de procedure Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Arrest dat uitspraak doet over een vordering tot wraking van een strafrechter Ontvankelijkheid Fiche 4 Een hoge graad van vijandschap kan worden afgeleid uit een geheel van omstandigheden waaruit blijkt dat een strafrechter door zijn houding jegens één van de partijen of jegens de advocaat die haar vertegenwoordigt of haar bijstaat, de sereniteit van de behandeling van de zaak in gevaar heeft gebracht of brengt
(1).
(1)Cass., 23 december 2002, AR C.02.0615.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.10, nr
- Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: WRAKING Reden Hoge graad van vijandschap Tussen rechter en partij Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.828,12° Fiche 5 Een beslissing van het hof van beroep dat in een bepaalde zaak oordeelt dat een welbepaalde rechter, ten opzichte van de advocaten die de verzoeker tot wraking vertegenwoordigen of bijstaan, een houding heeft aangenomen die doet vrezen voor een serene behandeling van deze zaak, heeft niet tot gevolg dat dit oordeel kan worden doorgetrokken naar andere zaken en een wraking van die rechter van zodra hij dient te oordelen in een zaak waarin diezelfde advocaten optreden. Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: WRAKING Reden Hoge graad van vijandschap Tussen rechter en advocaat Wraking van een rechter in een bepaalde zaak Andere zaak Dezelfde advocaat Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.828,12° Fiches 6 - 10 Concl. adv.-gen. m.o. CORNELIS, Cass., 29 sept. 2006, AR P.06.0843.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Voorbarig cassatieberoep (geen eindbeslissing) Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: WRAKING Strafzaken Vordering tot wraking van een strafrechter Autonoom karakter van de procedure Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Arrest dat uitspraak doet over een vordering tot wraking van een strafrechter Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: WRAKING Reden Hoge graad van vijandschap Tussen rechter en partij WRAKING Reden Hoge graad van vijandschap Tussen rechter en advocaat Wraking van een rechter in een bepaalde zaak Andere zaak Dezelfde advocaat Nota: P.06.0843.N Advocaat-generaal met opdracht P. Cornelis heeft in substantie gezegd:
- Procedure Het verzoek tot wraking werd ingediend in het kader van correctionele vervolgingen tegen D. J.-M. die bijgestaan werd door advocaten M. en V.S. De zaak was door de 19de kamer van de rechtbank van 1ste aanleg te Gent vastgesteld, samengesteld uit ondervoorzitter V.d.B. en rechters L. en V.W. Op de zitting van 5 december 2005 werd de zaak op 2 januari 2006 uitgesteld op verzoek van Mr. M., gelet op het feit dat het hof van beroep te Gent nog geen uitspraak had gedaan op een verzoek tot wraking van ondervoorzitter V.d.B. in een andere zaak, waar een andere verdachte door dezelfde advocaten M. en V.S. werd verdedigd. Op 15 december 2005 velde het hof van beroep zijn arrest in de eerste wrakingszaak. Ondervoorzitter V.d.B. was gewraakt op grond van een ernstige animositeit tussen hem en beide advocaten. Op de zitting van 2 januari 2006 in onderhavige zaak verzocht Mr. M. een nieuw uitstel om haar toe te laten een verzoekschrift tot wraking tegen de drie leden van de zetel neer te leggen. Het verzoek werd op 3 februari 2006 neergelegd en steunt op het bestaan van een gevoel van vijandigheid tussen de rechters en de raadsman van verdachte, nl. Mr. C.M. De akte van wraking werd aan de rechters medegedeeld, die weigerden zich van de zaak te onthouden en hun verklaring aflegden, zoals voorgeschreven bij art. 836 Ger. W. De procureur-generaal concludeerde tot de ongegrondheid van het verzoek. Het bestreden arrest verklaarde de vordering gegrond, t.a.v. ondervoorzitter V.d.B. Rechter L. was ondertussen tot raadsheer in het hof van beroep te Brussel benoemd, zodat de vordering, wat hem betreft, zonder voorwerp werd verklaard. De vordering tegen rechter V.W. werd ongegrond verklaard.
- Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Gelet op de rechtspraak van Uw Hof, stelt zich de vraag van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het is bij Uw arrest van 18 november 1997
(1), dat Uw Hof zich op de meest omstandige manier heeft uitgesproken over de wraking van een strafrechter. U oordeelde toen dat de artikelen 828 tot 847 van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk zijn in strafzaken in de mate dat de toepassing ervan niet onverenigbaar is met wetsbepalingen of rechtsbeginselen die het strafprocesrecht beheersen. Dit is het gevolg van de ontstentenis van enige regeling van de wrakingsprocedure in strafzaken. Hoewel de procedure een strafrechtelijk karakter heeft, dienen de regels inzake vormen en termijnen van het Ger. W. in het stadium van het strafgeding van toepassing te zijn. Wat het cassatieberoep betreft, dienen, omwille van het strafrechtelijk karakter van de procedure, de bestaande regels van het Wetboek van Strafvordering, nl. de artikelen 416 en 417 toegepast te worden. Dit heeft tot gevolg dat het cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over een verzoek tot wraking eerst kan worden ingesteld na de eindbeslissing over de strafvordering, en dat het instellen van een cassatieberoep dient te geschieden in de vorm bepaald bij art. 417 W. Sv., ook wanneer het arrest omtrent de wraking is door een burgerlijke kamer van het hof van beroep gewezen. Dit arrest van 18 november 1997 is conform met de vaste rechtspraak van Uw Hof, die blijkt uit talrijke gepubliceerde arresten, en trouwens recentelijk bevestigd door Uw arresten van 8 december 1998
(2), 27 februari 2002
(3), 18 september 2002
(4), en 19 mei 2004
(5). Het huidige stelsel werd door adv.-gen. Bresseleers in zijn conclusie voor voormelde arrest van 18 november 1997 gekwalificeerd als een "hybride constructie die, ik citeer, eenvoud mist om aantrekkelijk te zijn maar noodzakelijk voorvloeit uit de consequentie toepassing van de geldende wetsbepalingen en algemene beginselen." Adv.-gen. Bresseleers spreekt van een autonome karakter van de wrakingsprocedure. "Aangezien cassatieberoep tegen een beslissing over de wraking slechts mogelijk is na de eindbeslissing op de strafvordering, valt alsdan het autonoom karakter weg, en vereist een doelmatig procesverloop dat het cassatieberoep dan aan de regels van het strafprocesrecht onderworpen is." Het arrest van Uw Hof gaat verder dan het openbaar ministerie en zegt dat het vonnis van wraking een autonome beslissing is, zolang er geen uitspraak is gedaan over de strafvordering. Deze autonomie gaat echter voor het Hof niet zover dat de beslissing als een eindvonnis beschouwd zou moeten zijn, in de zin van artikel 416, eerste lid W. Sv. Het arrest blijft trouw aan de vroegere rechtspraak van het Hof volgens welke het cassatieberoep enkel na de eindbeslissing over de strafvordering ontvankelijk is, mits tegen deze eindbeslissing ook cassatieberoep werd ingesteld. Bij de procedures van wraking in burgerlijke zaken zijn de beslissingen onmiddellijk voor cassatie vatbaar: het gaat inderdaad om beslissingen die voor het eindvonnis definitief uitspraak doen over een tussengeschil. Het openbaar ministerie bij Uw Hof heeft reeds het verschil tussen de burgerlijke en strafrechtelijke procedures en de complexiteit van de regels beklemtoond. Adv.-gen. Dubrulle schreef in zijn conclusie voor Uw arrest van 8 december 1998: "Il est pourtant permis de s'interroger sur la finalité et sur la sécurité juridique d'une telle dualité de solutions et également sur la dualité admise par la Cour, au sein d'une même matière pénale, la procédure civile devant les juges de la récusation se transformant en procédure pénale à partir du pourvoi en cassation." Men kan zich ook afvragen of zulk verschil nog verantwoord is, in het licht van de evolutie van de wetgeving en van de rechtspraak gedurende de laatste jaren die tot een toenadering strekt tussen de burgerlijke en de strafrechtelijke procedure en waarvan men een voorbeeld in Uw arrest van 22 juni ll. inzake de verwijzing van een rechtbank naar een andere kan vinden. Kan men beschouwen dat de burgerlijke en de strafrechtelijke procedures zo verschillend van aard zijn dat men in strafzaken het hele verloop van de rechtspleging moet afwachten vooraleer men een definitief antwoord krijgt op een geschil omtrent de onpartijdigheid van de rechter. Ingeval dit geschil zich bij het begin van de procedure voordoet, kan men het risico nog nemen het strafgeding verder te laten verlopen, op het gevaar af het eventueel te zien vernietigen, soms met moeilijk herstelbare gevolgen? Is uiteindelijk de onpartijdigheid van de rechter geen voorwaarde die zo inherent aan het rechterlijke ambt is dat een geschil ter zake onmiddellijk volledig onderzocht moet worden, en dat dit geschil een afzonderlijk geheel vormt, tot in de laatste instantie? Dit is de vraag die ik aan het Hof stel, dat een stap verder in de richting van de autonomie van de wrakingsprocedure zou kunnen doen. Zulke autonomie zou met zich meebrengen dat een beslissing, die uitspraak doet op een wraking van een strafrechter een eindbeslissing is in de zin van art. 416, eerste lid W. Sv. Gelet op de schorsende kracht van het cassatieberoep in strafzaken zou de wetgever, ingeval van een nieuwe rechtspraak van Uw Hof, regels moeten voorzien om een snelle behandeling van de cassatieprocedure te verzekeren. Om op dit punt te besluiten, conc1udeer ik dat het cassatieberoep van de procureur-generaal te Gent rege1matig naar de vorm en ontvankelijk is. 3. Beoordeling van de middelen Wat het onderzoek van de middelen betreft, meen ik dat het derde onderdeel van het tweede middel gegrond is. Men kan inderdaad niet afleiden uit een beslissing van wraking, volgens welke het gedrag of de houding van een bepaalde rechter ten aanzien van een bepaalde advocaat doet vrezen voor een serene behandeling van een zaak dat dit het geval za1 zijn in andere zaken, met dezelfde rechter en dezelfde advocaat. Andere elementen, eigen aan elke zaak moeten in aanmerking om een nieuwe wraking te verantwoorden. De redengeving van het hof van beroep lijkt me hier onvoldoende. Het arrest verwijst naar de vroegere beslissing van wraking en naar een hevige, scherpe discussie tussen ondervoorzitter V.d.B. en advocaat M., zonder dat verzoeker een bewijs brengt van dit element. Zodoende werd de beslissing van het arrest niet wettig verantwoord. Ik concludeer tot cassatie met verwijzing. _________________
(1)Cass.,18 november 1997, A.R. P.96.1364.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.3, nr. 485 met concl.
(2)Cass., 8 december 1998, A.R.P.98.1312.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981208.10, nr. 512 met concl.
(3)Cass., 27 februari 2002, A.R. P.01.1775.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020227.8, nr.141.
(4)Cass., 18 september 2002, A.R. P.02.0874.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12, nr. 459.
(5)Cass., 19 mei 2004, A.R. P.04.0548.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040519.32, nr.
- Tekst van de beslissing Nr. P.06.0843.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen D.J.M., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 mei 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Op 8 juni 2006, heeft de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, krachtens artikel 133, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek, de verwijzing bevolen van huidig cassatieberoep naar de eerste kamer van het Hof, Nederlandse afdeling. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 764, zevende lid, 837, eerste lid, en 838, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De behandeling van het verzoek tot wraking door het Hof van Beroep te Gent, 1ste kamer, werd vastgesteld op de zitting van 2 maart
- Op die zitting werd, buiten de aanwezigheid van het openbaar ministerie en met akkoord van meester M., zonder enige reden, de zaak uitgesteld naar de zitting van 9 maart
- Op 9 maart 2006 werd de zaak behandeld en in beraad genomen en voor arrest gesteld op 23 maart
- De procureur-generaal verzocht op 13 maart 2006, de heropening van het debat. Grieven Eerste onderdeel Artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek stelt: "over de wraking wordt binnen acht dagen in laatste aanleg uitspraak gedaan door het Hof van Beroep, op de conclusie van het openbaar ministerie, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen om hun opmerkingen te horen". De termijn van acht dagen binnen dewelke uitspraak moet worden gedaan over de wraking neemt een aanvang vanaf de datum van de terechtzitting waarop de zaak voor behandeling is gesteld, nadat de partijen behoorlijk zijn opgeroepen. (Cass. 17 september 2002, AR P.02.386.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020917.11 en P.02.602.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020917.11 en P.02.0066.N Pas. 2002, nr. 454, met conclusie advocaat-generaal P. Duinslaeger) Ten aanzien van een verzoek tot wraking van een rechter in strafzaken, is de regeling van de termijn binnen dewelke over de wraking uitspraak moet worden gedaan van openbare orde en substantieel. (Cass. 18 november 1997, met de conclusie van advocaat-generaal G. Bresseleers, R.W. 1998-99, 82) In casu werd de zaak voor behandeling gesteld op de zitting van 2 maart 2006 en zonder aanwijsbare reden, buiten aanwezigheid van het openbaar ministerie en met toestemming van verzoeker tot wraking, uitgesteld naar de zitting van 9 maart 2006 en vervolgens voor uitspraak gesteld op 23 maart
- Op het ogenblik dat de procureur-generaal om heropening van de debatten verzocht, nl. 13 maart 2006, was de termijn van 8 dagen opgenomen in artikel 838, tweede lid, reeds ruimschoots overschreden. Uiteindelijk werd over het wrakingsverzoek na heropening der debatten bij tussenarrest van 6 april 2006, pas uitspraak gedaan bij arrest van 4 mei
- Het arrest van 4 mei 2006 is dan ook nietig. Tweede onderdeel Artikel 764, 7°, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de vorderingen tot wraking op straffe van nietigheid aan het openbaar ministerie worden meegedeeld. Nu op de zitting van 2 maart 2006 de zaak buiten aanwezigheid van het openbaar ministerie werd uitgesteld, werd niet voldaan aan het voorschrift van artikel 764, 7°, Gerechtelijk Wetboek, en is het gewezen arrest nietig. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 3, 5, 6, 780, 3°, 828, 12°, 831, 835 en 839, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 149 van de Grondwet; - artikel 258 van het Strafwetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van verbod uitspraak te doen over niet gevorderde zaken; - het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter. Aangevochten beslissingen In het bestreden arrest wordt het verzoek tot wraking van J.V.D.B. gegrond verklaard op grond van de overweging dat logischerwijze mocht worden verwacht dat ondervoorzitter J.V.D.B.zich op de zitting van 2 januari 2006 zou onthouden, gelet op het tussengekomen arrest en het uitstellen van de zaak in afwachting van het tussen te komen arrest, wat evenwel niet gebeurde wat een scherpe discussie tot gevolg had tussen ondervoorzitter J.V.D.B.en advocaat C. M.. Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 835 Gerechtelijk Wetboek wordt op straffe van nietigheid de vordering tot wraking die de middelen bevat, ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte. In het verzoekschrift tot wraking op basis van artikel 828, 12°, Gerechtelijk Wetboek, worden geen incidenten op de zitting van 2 januari 2006, vermeld waaruit een hoge graad van vijandschap zou moeten blijken. In het bestreden arrest wordt de vordering tot wraking dan ook gegrond verklaard op basis van een middel dat niet werd vermeld in het verzoekschrift tot wraking en waarop de rechters wiens wraking wordt gevorderd niet konden antwoorden. Bovendien werden op het proces-verbaal van de zitting van 2 januari 2006, dat bij het verzoekschrift tot wraking was gevoegd tot staving ervan, geen incidenten geakteerd tussen meester M., die op die zitting in de plaats van meester V.S. optrad, en ondervoorzitter J.V.D.B. . Uit al het hogervermelde dient te worden besloten dat de volledige rechtspleging nietig is. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 839 Gerechtelijk Wetboek, kan de rechtbank de wraking verwerpen op eenvoudige verklaring van de rechter dan wel een getuigenbewijs bevelen, indien de wrakende partij geen bewijs door geschrifte of geen begin van bewijs levert van de wrakingsgronden. De wrakende partij leverde het in artikel 839 Gerechtelijk Wetboek genoemde bewijs niet en de gewraakte magistraten stellen in hun verklaring van 8 februari 2006 duidelijk dat er in hunnen hoofde geen enkele vorm van vijandigheid of animositeit ten aanzien van partij D., noch ten aanzien zijn raadsman bestaat. Het hof diende bijgevolg de wraking op gewone verklaring van de betrokken magistraten te verwerpen of ten minste te motiveren, om welke reden de verklaring van de gewraakte magistraten niet geloofwaardig is. Derde onderdeel Artikel 831 Gerechtelijk Wetboek verplicht iedere rechter die weet dat er tegen hem een wrakingsgrond bestaat, zich van de zaak te onthouden. De gewraakte magistraten waren van mening op de zitting van 2 januari 2006 dat er tegen hen geen wrakingsgrond bestond en hebben zich dan ook terecht niet verschoond, zoniet zouden zij zich schuldig maken aan rechtsweigering. Door in het bestreden arrest de gegrondheid van de vordering tot wraking te motiveren met: "logischerwijze mocht worden verwacht dat ondervoorzitter J.V.D.B. zich op de zitting van 2 januari 2006 zou onthouden ..." stelt het arrest eigenlijk, dat het feit dat de gewraakte rechters van oordeel waren dat er tegen hen geen wrakingsgrond bestond en de vaststelling dat meester M. met die zienswijze niet akkoord kon gaan, het bewijs vormt van een hoge graad van vijandigheid in de zin van artikel 828, 12°, Ger. W. De door de wet vereiste "hoge vijandigheid" kan niet afgeleid worden uit het feit dat rechters het standpunt van verzoeker met betrekking tot de aanwezigheid van een wrakingsgrond niet zijn bijgevallen. De rechter beslist zelf in eer en geweten, en op onaantastbare wijze of er in zijnen hoofde een reden tot wraking aanwezig is. Het bestreden arrest omkleedt dan ook niet regelmatig met redenen, noch verantwoordt het naar recht waarom uit deze twee gegevens een hoge graad van vijandschap moet worden afgeleid. Vierde onderdeel Artikel 6 Gerechtelijk Wetboek verbiedt de rechters in zaken die aan hun oordeel zijn onderworpen, uitspraak te doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. Dat door in het bestreden arrest te stellen dat logischerwijze mocht worden verwacht dat ondervoorzitter J.V.D.B. zich op 2 januari 2006 zou onthouden, gelet op het pas tussengekomen arrest, het hof zijn arrest vrijwel uitsluitend motiveert op zijn arrest van 15 december 2005, zijn uitspraak zelf niet motiveert, noch zegt waarom met het arrest van 2 januari 2006 rekening moet worden gehouden en tevens aan de gewraakte rechters het recht ontneemt in eer en geweten te oordelen of zij zich overeenkomstig artikel 831 Gerechtelijk Wetboek, vrijwillig dienen te onderhouden. Het hof omkleedt zijn arrest niet regelmatig met redenen en verantwoordt het niet regelmatig naar recht en verleent aan het arrest van 15 december 2005 het karakter van een algemene en als regel geldende beschikking. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 780, 3°, en 772 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter. Bij tussenarrest van 27 april 2006 werden de debatten heropend op verzoek van het openbaar ministerie. Dit tussenarrest betekent dat het hof, het door het openbaar ministerie neergelegd nieuw stuk nl. de mail van 20 december 2005, van overwegend belang vindt en dat dit stuk dus van wezenlijke, fundamentele, beslissende aard is voor de oplossing van het betrokken geschil. In het eindarrest wordt niet gemotiveerd waarom met dit stuk totaal geen rekening wordt gehouden - het wordt zelfs niet vermeld - alhoewel uit dit stuk blijkt dat de wrakingsprocedure werd misbruikt ten einde ondervoorzitter J.V.D.B. te weren in een zeer belangrijk dossier, dat in de loop van 2006 door de correctionele rechtbank zal worden behandeld. Het bestreden arrest komt dan ook tekort aan zijn verplichting tot motivering. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Krachtens artikel 416, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat een beroep in cassatie tegen voorbereidende arresten en arresten van onderzoek of tegen in laatste aanleg gewezen vonnissen van dezelfde soort eerst open na het eindarrest of het eindvonnis. Vermeld artikel 416 is van toepassing op alle beslissingen die de rechtsmacht van de strafrechter hetzij over de strafvordering, hetzij over de burgerlijke vordering niet uitputten.
- De wrakingsprocedure heeft een autonoom karakter. De beslissing inzake wraking is geen verbereidende beslissing of een beslissing van onderzoek in de zin van artikel
- Het cassatieberoep tegen een arrest dat uitspraak doet over een verzoek van wraking van een rechter in een strafzaak kan derhalve worden ingesteld v&§972;&§972;r de eindbeslissing over de strafvordering.
- Het cassatieberoep dat is gericht tegen de beslissing tot wraking van het Hof van Beroep te Gent van 4 mei 2006 en is ingesteld voor de eindbeslissing over de strafvordering, is ontvankelijk. Tweede middel Derde onderdeel
- Artikel 828, 12°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere rechter kan worden gewraakt indien er tussen hem en een van de partijen een hoge graad van vijandschap bestaat. Deze bepaling is krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing in strafzaken in de mate dat de toepassing ervan niet onverenigbaar is met wetsbepalingen of rechtsbeginselen die het strafprocesrecht beheersen.
- Een hoge graad van vijandschap kan worden afgeleid uit een geheel van omstandigheden waaruit blijkt dat de rechter door zijn houding jegens één van de partijen of jegens de advocaat die haar vertegenwoordigt of haar bijstaat, de sereniteit van de behandeling van de zaak in gevaar heeft gebracht of brengt.
- Een beslissing van het hof van beroep dat in een bepaalde zaak oordeelt dat een welbepaalde rechter, ten opzichte van de advocaten die de verzoeker tot wraking vertegenwoordigen of bijstaan, een houding heeft aangenomen die doet vrezen voor een serene behandeling van deze zaak, heeft niet tot gevolg dat dit oordeel kan worden doorgetrokken naar andere zaken en een wraking van die rechter van zodra hij dient te oordelen in een zaak waarin diezelfde advocaten optreden.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt: - in huidige zaak werd de wraking gevraagd onder meer van ondervoorzitter J.V.D.B. wegens het bestaan van of het gevoel van het bestaan van een hoge graad van vijandigheid tussen hem en de advocaat van verzoeker, Mr. C. M.; - de gewraakte magistraten stellen in hun verklaring overeenkomstig artikel 836, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat er in hunnen hoofde geen enkele vorm van vijandigheid of animositeit bestaat ten aanzien van verzoeker, noch ten aanzien van zijn raadsman; - het Hof van Beroep te Gent, in de zaak nr. 2005/AR/2807, bij arrest van 15 december 2005, oordeelde dat ondervoorzitter J. V.d.B. ten opzichte van de advocaten W. V.S. en C. M., een houding heeft aangenomen die doet vrezen voor een serene behandeling van de zaak J.B. Dit arrest baseert zijn oordeel op de reden van het vonnis van 4 oktober 2004 waarin J. V. d. B. deelnam, dat "de rechtbank zich niet van de indruk (kan) ontdoen dat de wendingen die het dossier louter krijgt (in de vorm van gewijzigde verklaringen of intrekking van verklaringen) geïnspireerd zijn door het overleg tussen bepaalde beklaagden en hun raadslieden (...). De initiële verklaring komt derhalve als de betrouwbaarste voor"; - het bestreden arrest oordeelt dat, gelet op het arrest van het hof van beroep van 15 december 2005, er kon worden verwacht "dat ondervoorzitter V. d. B. zich op 2 januari 2006 in de zaak van verzoeker zou onthouden, gelet op dit pas tussengekomen arrest (...) en het uitstellen van de zaak in afwachting van het tussen te komen arrest"; - het bestreden arrest oordeelt verder dat dit evenwel niet gebeurde, wat een hevige, scherpe discussie tot gevolg had tussen ondervoorzitter J.V.D.B.en advocaat C. M., deels in openbare zitting, deels in raadkamer; - de verzoeker tot wraking voerde geen enkel schriftelijk bewijs of begin van bewijs aan om dit feit te staven.
- Het hof van beroep kon uit de door de aangenomen omstandigheden van het pre-processueel verloop die vreemd zijn aan de zaak van de verweerder niet afleiden dat dit pre-processueel verloop van aard was om de serene behandeling van de zaak van verzoeker door ondervoorzitter J. V.d.B. mogelijks in het gedrang te brengen en het recht van de verdediging te schaden.
- Het onderdeel is gegrond. Dictum, Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. De kosten zijn begroot op de som van nul euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 29 september 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.11 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.3 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020917.11 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070904.7 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130306.3 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130514.8 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151014.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160406.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180103.1 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180321.13 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220518.2F.7 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230322.2F.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981208.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020227.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020918.12 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.10 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040519.32 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120410.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121023.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190213.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190605.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div