← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art.1384

,eerst Fiche 2 Het abnormale kenmerk moet geen intrinsiek kenmerk betreffen of een blijvend element dat inherent is aan de zaak en zich voordoet buiten ieder toedoen van een derde

(1).
(1)Zie Cass., 28 jan. 2005, AR C.02.0272.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.7, nr 55, alsook Cass., 2 maart 1995, AR C.94.0313.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950302.19, nr 130; Cass., 18 okt. 2001, AR C.98.0551.N en 17 jan. 2003, AR C.02.0012.N, met noot S. MOSSELMANS, "Het gebrek van de 'samengestelde' zaak", T.B.B.R., 2004, 84-90. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Gebrek van de zaak Wettelijke bepalingen:

Art.1384

,eerst Fiche 3 Het is niet voldoende om een zaak als gebrekkig te beschouwen dat aan de zaak iets werd toegevoegd waardoor schade ontstaat; vereist is dat de zaak in haar geheel een abnormaal kenmerk vertoont

(1).
(1)Cass., 17 jan. 2003, AR C.02.0012.N, met noot S. MOSSELMANS, l.c. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Gebrek van de zaak Wettelijke bepalingen:

Art.1384

,eerst Fiche 4 De feitenrechter oordeelt onaantastbaar in feite of de zaak een gebrek vertoont en of hetgeen toegevoegd wordt, deel uitmaakt van dit geheel. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Gebrek van de zaak Beoordeling Wettelijke bepalingen:

Art.1384,eerst Tekst van de beslissing Nr.

C.04.0427.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kabinet te 1000 Brussel, Graaf de Ferrarisgebouw, Koning Albert II-laan 20, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. V.S.,
  2. V.E.,
  3. ARGENTA ASSURANTIES, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 49-53, verweerster, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het tussen te komen arrest,
  4. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsmaatschappij, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Liefdadigheidsstraat 33, bus 1, verweerder, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het tussen te komen arrest, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. Nr. C.05.0192.N ARGENTA ASSURANTIES, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 49-53, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  5. GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, onderlinge verzekeringsvereniging, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Noode, Liefdadigheidsstraat 33, bus 1, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
  6. V.E.,
  7. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, met kabinet te 1000 Brussel, Graaf de Ferrarisgebouw, Koning Albert II-laan 20, verweerders,
  8. V.S., tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis, op 23 oktober 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN In de zaak C.04.0427.N De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond, veroordeelt hem met bevestiging van het vonnis a quo, tot betaling van 1.021,52 euro, meer intresten, aan de eerste verweerster en van 26.604 euro, meer intresten, aan de derde verweerster, verwijst de eiser in de kosten van eerste aanleg aan de zijde van de eerste en de derde verweersters en de vierde verweerder, en in de kosten in hoger beroep van alle de verweerders ten belope van 2/3, en dit op volgende gronden: "
  9. Feitelijke gegevens en voorgaanden: De auto VW Polo van (de eerste verweerster) - verzekerd bij (de derde verweerster) - werd op 16 februari 1997 overdag op de N49 te Assenede beschadigd door een stuk gietijzer dat zich op die weg bevond en dat werd opgeworpen door het links inhalende voertuig bestuurd door (de tweede verweerder). Het stuk gietijzer kwam in de voorruit van de VW Polo terecht waardoor de inzittende van die auto, B.R., ernstig gewond werd. De bestuurder R. verklaarde o.a.: '(...) Ik reed op de rechtse rijstrook en er was tamelijk druk verkeer. Ik werd ingehaald door verscheidene wagens. Op zeker ogenblik werd ik ingehaald door een stationwagen, deze raakte met de rechtse wielen een groot voorwerp dat op de linkse rijstrook lag. Dit voorwerp werd in de richting van mijn wagen gekatapulteerd, ging dwars door de voorruit en trof mijn vader vlak in het gezicht, meer bepaald op het voorhoofd.(...) Ik wens te verklaren dat op het ogenblik van het ongeval voor mij op de rechtse rijstrook geen verkeer was. Ik werd door twee voertuigen links ingehaald, deze hadden een tussenafstand van ongeveer 15 meter. Ik heb het voorwerp gezien tussen het eerste en tweede voertuig, ik heb niet gezien of dit voorwerp van het eerste voertuig is losgekomen, of dat het eerste voertuig er gewoon is overgereden of ernaast heeft gereden. Het tweede voertuig heeft het voorwerp geraakt met het rechtervoorwiel, waarna het voorwerp in mijn ruit werd gekatapulteerd. Ik meen achteraf bezien, dat het tweede voertuig volgens mij het voorwerp had kunnen ontwijken, de bestuurder heeft na het ongeval wel tegen mij gezegd dat hij dacht dat het aarde was welke op de rijbaan lag'. (De tweede verweerder) verklaarde o.a.: '(...) Er was tamelijk druk verkeer, ik reed op de linkse rijstrook te samen met nog een paar wagens voor en achter mij. Ik reed ongeveer 100 km/u Op een 20-tal meter voor mij reed een wagen. Op zeker moment zag ik vanonder de wagen voor mij een voorwerp op de linkse rijstrook te voorschijn komen. Ik kon echter niet de minste reactie uitvoeren en raakte het voorwerp met het rechtse voorwiel. Ik zag dan in mijn spiegel dat het voorwerp werd weg gekatapulteerd in de richting van een wagen op de rechtse rijstrook die ik zopas had ingehaald. Onmiddellijk begaf ik me naar de rechtse rijstrook wegens lekke band. Gezien ik het voorwerp pas opmerkte toen mijn voorrijder dit gepasseerd was had ik helemaal niet meer de tijd om dit voorwerp te ontwijken'. Uit de geseponeerde strafbundel en de erbij gevoegde schets blijkt wat volgt: - de rijbaan op de N49 is op de plaats van het ongeval verdeeld in 2 x 2 rijstroken, van elkaar gescheiden door een middenberm en voorzien van een betonnen stootband; - rechts van de rijbaan is er een gelijkgrondse asfaltberm; - betrof het een roestig, ruw, gietijzeren voorwerp in de vorm van een piramide met afgeplatte top; - dat voorwerp was 8 cm hoog en had een basis van ongeveer 17 op 14 cm.; - het voertuig van (de eerste verweerster) werd vooraan beschadigd (voorruit vernield en in het midden doorboord). De door het Parket aangestelde deskundige R. D. kwam in zijn deskundig verslag o. a. tot volgende besluiten: '(...) (de tweede verweerder) reed op de linker rijstrook aan een snelheid van 100 km/u, in een file met vlot verkeer. De buitenkant van de rechter voorband van de Mondeo (de tweede verweerder) reed over een blok gietijzer (6 kg). Deze blok werd schuin naar rechts achter en iets naar boven gericht geprojecteerd naar de rechtere rijstrook. De bestuurder R. reed op de rechtere rijstrook, iets achter de links voorrijdende Mondeo (de tweede verweerder). Het geprojecteerde gietijzeren blok kwam in de voorruit van de Polo/R. terecht. De voorruit werd doorboord en het blok gietijzer kwam terecht op het hoofd van de rechts vooraanzittende passagier R. B., welke hierbij zwaar gekwetst werd. Bestuurder (de tweede verweerder) en bestuurder R. konden het ongeval niet vermijden. Gezien de filevorming met wel vlot verkeer, kon bestuurder (de tweede verweerder) onmogelijk vooraf het blok gietijzer liggend op zijn rijstrook waarnemen. Het blok schroot gietijzer moet afgevallen zijn van een vrachtwagen welke schroot vervoerde, mogelijk van of naar het bedrijf Sidmar, dichtbij gelegen. De vrachtwagen bleef onbekend.'
  10. Verdere procedure de grieven: (...) (De eiser) roept de volgende grieven in: De loutere aanwezigheid van een stuk gietijzer op het wegdek is geen kenmerk ervan, dit terwijl een gebrek veronderstelt dat het kenmerkende, het karakteristieke van een bepaalde zaak wordt geraakt. Het stuk gietijzer maakte geen deel uit van de weg en tastte deze dan ook niet aan in de structuur. De beide voorwerpen zijn altijd afzonderlijke entiteiten geweest zonder ooit één structuur te vormen. Het vereiste dat een gebrek een kenmerk moet zijn van een zaak, doet geen afbreuk aan de cassatierechtspraak dat een gebrek niet noodzakelijk inherent of intrinsiek moet zijn omdat het Hof van Cassatie daarmee alleen duidelijk maakt dat een gebrek ook een externe oorzaak kan hebben. Het vereiste van, het bewijs van een kenmerk is onverkort blijven bestaan.
  11. Beoordeling: C..) 4.
  12. Beoordeling van de grieven: 4.3.
  13. M.b.t. het principaal hoger beroep: 4.3.1.
  14. De aansprakelijkheid van (de eiser) op grond van artikel 1384, eerste lid B.W. impliceert dat moet vaststaan dat het wegdek behept was door een gebrek waardoor (de eerste verweerster) een schade heeft geleden. Een zaak is gebrekkig indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. 4.3.1.
  15. (De eiser) werpt terecht op dat de eerste rechter ter beoordeling van het abnormaal zijn van het gevaar verkeerdelijk als referentiecriterium verwijst naar de normaal voorzichtige en redelijke overheid in dezelfde omstandigheden geplaatst. De vraag stelt zich concreet of de aanwezigheid van het stuk gietijzer op het wegdek een abnormale gesteldheid van dat wegdek impliceerde, waardoor het niet meer beantwoordde aan het bepaalde model waaraan het is te toetsen. Met (zijn) stelling dat de loutere aanwezigheid van een stuk gietijzer op het wegdek geen kenmerk ervan is dit terwijl ook volgens de meest recente cassatierechtspraak het vereiste van het bewijs van een kenmerk onverkort is blijven bestaan, begeeft (de eiser) zich in een spel van woorden. Met het 'kenmerk' wordt immers net die eigenschap of dat element bedoeld waardoor een zaak zich onderscheidt van gelijke zaken. Met andere woorden wordt daarmee gedoeld op het gebrek zelf. Met het woord 'kenmerk' wordt helemaal niet vereist dat - in deze concrete zaak - het stuk gietijzer deel zou moeten uitmaken van de weg en daardoor het kenmerkende, het karakteristieke van de weg zou raken. Een door een gebrek aangetaste zaak kan een samengesteld geheel zijn, zonder dat het afwijkende kenmerk een intrinsiek kenmerk van die zaak moet zijn. Concreet: het kenmerk of de eigenschap waardoor het wegdek niet meer beantwoordde aan het model waaraan het is te toetsen, was de aanwezigheid van een groot stuk gietijzer. Een modaal wegdek is immers vrij van dergelijke grote stukken gietijzer. Dit stuk gietijzer (zoals omschreven in het feitenrelaas) was immers in die mate groot dat het wegdek een abnormaal kenmerk vertoonde waardoor uiteraard schade kon worden veroorzaakt. De rechtbank besluit dat het wegdek door de aanwezigheid van een stuk gietijzer zoals hoger omschreven, behept was door een gebrek in de zin van artikel 1384, eerste lid B.W." (vonnis pp. 2-4, sub 1, p. 8, sub 3, tweede alinea, pp. 12-13, sub 4.3.1.). Grieven Een zaak is gebrekkig in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. De omstandigheid dat het abnormale kenmerk geen intrinsiek kenmerk moet betreffen of een blijvend element dat inherent is aan de zaak en zich voordoet buiten ieder toedoen van een derde, belet niet dat de structuur van de zaak moet zijn aangetast waardoor de zaak een abnormaal kenmerk vertoont. Het is niet voldoende om een zaak als gebrekkig te beschouwen, dat aan een zaak iets wordt toegevoegd waardoor schade ontstaat: de zaak in haar geheel dient een abnormaal kenmerk te vertonen. De bodemrechter moet in feite oordelen of de zaak een gebrek vertoont en of hetgeen toegevoegd wordt deel uitmaakt van dit geheel. Te dezen blijkt uit de vaststellingen en overwegingen van het bestreden vonnis dat de appelrechters het stuk gietijzer beschouwen als een abnormaal kenmerk, en dus een gebrek, van "het wegdek" waarop het zich bevond, zonder te vereisen "(dat) het stuk gietijzer deel zou moeten uitmaken van de weg en daardoor het kenmerkende, het karakteristieke van de weg zou raken". Het bestreden vonnis weerhoudt aldus louter de aanwezigheid van het stuk gietijzer op het wegdek als een (abnormaal) kenmerk, en dus een gebrek, van het wegdek "waardoor uiteraard schade kon worden veroorzaakt". Nu een vreemd voorwerp - zoals te dezen het stuk gietijzer - evenwel geen "kenmerk" vormt van de zaak - te dezen het wegdek - waarop het zich bevindt, en door zijn enkele aanwezigheid "de structuur" van die zaak niet aantast, kon het bestreden vonnis, teneinde een gebrek van "het wegdek" te weerhouden, niet wettig, op grond van de enkele vaststelling dat het stuk gietijzer zich op het wegdek bevond, en zonder in feite, rekening houdende met de concrete omstandigheden van de zaak, aan te nemen dat het stuk gietijzer deel uitmaakte van het wegdek en de structuur ervan aantastte, oordelen: - dat het gietijzeren voorwerp en het wegdek "een samengesteld geheel" vormden; - dat het gietijzeren voorwerp een "kenmerk of eigenschap" was van "het wegdek"; - en dat "het wegdek" aangetast was door een gebrek "door de aanwezigheid van een stuk gietijzer" (schending van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Het bestreden vonnis kon evenmin wettig de aanwezigheid van het gietijzeren voorwerp op het wegdek als een "abnormaal kenmerk" van "het wegdek" beschouwen "waardoor uiteraard schade kon worden veroorzaakt", op grond van de overwegingen dat "een modaal wegdek vrij is van dergelijke grote stukken gietijzer" en dat "dit stuk gietijzer (...) in die mate groot (was) dat het wegdek een abnormaal kenmerk vertoonde", nu alleszins de enkele omstandigheid dat iets, het gietijzeren voorwerp, wordt toegevoegd aan een zaak, het wegdek, waardoor schade kan ontstaan, of de enkele vaststelling dat de aanwezigheid van het gietijzeren voorwerp abnormaal is, niet inhoudt dat de gesteldheid van de zaak, het wegdek, abnormaal is noch dat de zaak, het wegdek, schade kon veroorzaken (schending van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). In de zaak C.05.0192.N De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 80, ,§1, 2°, van de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals van kracht na de wijziging bij artikel 8, ,§1, van het koninklijk besluit van 8 januari 1993 en na de hernummering bij artikel 30 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 van artikel 50, ,§1, eerste lid, 2°, en tweede lid, van de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, thans opgeheven bij artikel 12 van de Wet van 22 augustus 2002 houdende diverse bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen; - de artikelen 17, ,§2 en 19, ,§1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals vervangen respectievelijk bij de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 6 mei 1991, Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren in het bestreden vonnis van 23 oktober 2003 het incidenteel hoger beroep van de eiseres tegen tweede verweerder ongegrond, en wijzen, met bevestiging van het beroepen vonnis dat op 7 mei 2002 door de Politierechtbank te Gent werd gewezen, de vordering tot schadeloosstelling van de eiseres tegen de tweede verweerder af, onder meer op grond van volgende overwegingen: "(De tweede verweerder) bevond zich in een toestand van overmacht: hij werd plots geconfronteerd met een gietijzeren voorwerp op het wegdek zonder dat hij - onafhankelijk van zijn wil - nog de gelegenheid had een passende uitwijking te doen. Dat hij dat voorwerp enkel nog met de buitenkant van een band raakte zou gebeurlijk nog kunnen wijzen op een reflexbeweging. Overigens reageert elke mens anders op een hindernis en zou het mislukken van een nooduitwijking niet als foutief kunnen worden aangemerkt. De rechtbank aanvaardt ook dat de voormelde hindernis zo snel en onverwacht opdaagde en op een zo korte afstand dat elke normaal voorzichtige en oplettende bestuurder deze niet had kunnen vermijden" (bestreden vonnis p. 15). Voorts verklaren de appelrechters het incidenteel hoger beroep van de eiseres tegen de eerste verweerster ongegrond, en wijzen zij, met bevestiging van het beroepen vonnis van 7 mei 2002 van de Politierechtbank te Gent, de vordering tot vergoeding van de eiseres tegen de eerste verweerster af, op grond van volgende overwegingen: "Wat betreft de vordering tegen (de eerste verweerster) dient er in eerste instantie op te worden gewezen dat het bewijs niet voorligt dat het stuk gietijzer afkomstig is van een onbekend gebleven voertuig. Die hypothese is een loutere gissing van de gerechtsdeskundige. Het stuk gietijzer kan daar evengoed door een onbekende gegooid zijn,... Elke benadeelde kan van (de eerste verweerster) vergoeding verkrijgen van de lichamelijke en materiële schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt, wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte vrijuit gaat. Het toevallig feit moet worden beoordeeld aan de zijde van de bestuurder van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt. (Cass. 30.10.1995, Pas. 1995, 1, 1095). De rechtbank oordeelde al dat (de tweede verweerder) vrijuit gaat. Van een onbekend gebleven voertuig dat het ongeval kan hebben veroorzaakt ligt geen bewijs voor (zie al hoger). Van een toevallig feit waardoor de bestuurder van dat voertuig dat het ongeval veroorzaakte vrijuit gaat zou hoe dan ook geen sprake zijn. Indien het stuk gietijzer van een onbekend gebleven voertuig afkomstig was, wat op zich ook al niet bewezen is, zou sprake geweest zijn van een gebrek van dat voertuig ofwel een fout van de bestuurder ervan die door een fout of gebrek aan voorzorg verloor. Er is geen sprake van een toevallig feit, zodat (de tweede verweerder) niet gehouden is tot vergoeding. De eerste rechter oordeelde dus terecht" (bestreden vonnis p. 15-16). Grieven Uit de samenlezing van artikel 80, ,§1, 2°, van de Wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en de artikelen 17, ,§2, en 19, ,§1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende de inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 49 en 50 van de Wet van 9 juli 1975 volgt dat elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de vergoeding kan bekomen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt, wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij om reden van een "toevallig feit", waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat, hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd. Het "toevallig feit", bedoeld in voormelde bepalingen, is een omstandigheid of een gebeurtenis die, voor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, een geval van overmacht is, zodat ze hem niet kan worden toegerekend. Het "toevallig feit" moet worden beoordeeld aan de zijde van de bestuurder van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt. Te dezen blijkt uit de door het vonnis vastgestelde feiten dat het ongeval werd veroorzaakt doordat een stuk gietijzer dat zich op de weg bevond, werd opgeworpen door het voertuig, bestuurd door tweede verweerder, en dat terechtkwam in de voorruit van de wagen van verweerster in bindendverklaring, waardoor de heer B.R., inzittende van die wagen, ernstig werd verwond. Het opwerpen van een stuk gietijzer op het wegdek, dat, volgens de vaststellingen van de feitenrechters, voor de tweede verweerder een toestand van overmacht uitmaakte die hem niet kan worden toegerekend, beantwoordt geheel aan het wettelijk begrip "toevallig feit". Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, meer bepaald uit de "hernemende en aanvullende beroepsconclusie" die de eiseres had ingediend, blijkt dat de eiseres in algemene termen had laten gelden dat ingeval de vordering tegen zowel de tweede verweerder als de derde verweerster zou worden afgewezen, "er alleszins sprake is van een toevallig feit" en dat "(de eerste verweerster) (dient) veroordeeld te worden tot vergoeding van de door (de eiseres) geleden schade" (bladzijde 6, onderaan). Zodoende had de eiseres het toevallig feit niet alleen ingeroepen aan de zijde van een onbekend gebleven voertuig, doch ook, in het algemeen, aan de zijde van de bestuurder van het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt. Na te hebben vastgesteld dat het ongeval veroorzaakt werd door het voertuig bestuurd door de tweede verweerder, oordelen de appelrechters dat de tweede verweerder vrijuit gaat (p. 16, alinea 1, zin 3) nu zij vaststellen "dat (de tweede verweerder) zich bevond in een toestand van overmacht: hij werd plots geconfronteerd met het gietijzeren voorwerp op het wegdek zonder dat hij - onafhankelijk van zijn wil - nog de gelegenheid had een passende uitwijking te doen" (p. 15, alinea 2, eerste zin). Ze aanvaarden dan ook "dat de voormelde hindernis zo snel en onverwacht opdaagde en op een zo korte afstand dat elke normaal voorzichtige en oplettende bestuurder deze niet had kunnen vermijden" (p. 15, alinea 2, laatste zin). Nochtans wijzen de appelrechters de vordering tegen de eerste verweerster af op grond van de vaststelling "dat het bewijs niet voorligt dat het stuk gietijzer afkomstig is van een onbekend gebleven voertuig. Die hypothese is een loutere gissing van de gerechtsdeskundige. Het stuk gietijzer kan daar evengoed door een onbekende gegooid zijn..." (p. 15, alinea 3). De appelrechters gaan er zodoende van uit dat het "toevallig feit" enkel aan de zijde van een ongekend voertuig moet worden beoordeeld en niet aan de zijde van het voertuig bestuurd door de tweede verweerder, dat het ongeval had veroorzaakt (p. 16, alinea 1). Op grond van voormelde vaststellingen konden de appelrechters dan ook niet zonder miskenning van het wettelijk begrip "toevallig feit" en van de wettelijke regels inzake de vergoedingsplicht van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds beslissen "dat er geen sprake is van een toevallig feit, zodat (de eerste verweerster) niet gehouden is tot vergoeding" (schending van alle in het middel aangewezen wettelijke bepalingen). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  16. Voeging De cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis. De zaken worden gevoegd.
  17. Middel inzake C.04.0427.N
  18. Een zaak is gebrekkig in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Eensdeels moet het abnormale kenmerk geen intrinsiek kenmerk betreffen of een blijvend element dat inherent is aan de zaak en zich voordoet buiten ieder toedoen van een derde. Anderdeels is het niet voldoende om een zaak als gebrekkig te beschouwen dat aan de zaak iets wordt toegevoegd waardoor schade ontstaat. Vereist is dat de zaak in haar geheel een abnormaal kenmerk vertoont.
  19. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar in feite of de zaak een gebrek vertoont en of hetgeen toegevoegd wordt, deel uitmaakt van dit geheel.
  20. De appelrechters stellen vast dat: - het voertuig van de eerste verweerster werd beschadigd door een stuk gietijzer dat zich op de weg bevond en dat werd opgeworpen door het inhalende voertuig, bestuurd door de tweede verweerder; - het stuk gietijzer aldus in de voorruit van het voertuig van de eerste verweerster terechtkwam, waardoor de inzittende passagier ernstig verwond werd. De appelrechters oordelen dat: - de aansprakelijkheid van de eiser op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek impliceert dat moet vaststaan dat het wegdek behept was met een gebrek, dit is een abnormaal kenmerk dat de schade veroorzaakte; - met het woord "kenmerk" helemaal niet wordt vereist dat, in deze concrete zaak, het stuk gietijzer deel zou moeten uitmaken van de weg en daardoor het kenmerkende, karakteristieke van de weg zou raken; - een door een gebrek aangetaste zaak een samengesteld geheel kan zijn, zonder dat het afwijkende kenmerk een intrinsiek kenmerk van die zaak moet zijn; - het kenmerk waardoor het wegdek niet meer beantwoordde aan het model waaraan het is te toetsen, de aanwezigheid was van een groot stuk gietijzer; - dit stuk gietijzer immers in die mate groot was dat het wegdek een abnormaal kenmerk vertoonde waardoor uiteraard schade kon worden veroorzaakt.
  21. Zodoende oordelen de appelrechters op feitelijke gronden dat het wegdek en het stuk gietijzer een geheel uitmaakte dat gebrekkig was.
  22. Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.
  23. Het middel kan niet worden aangenomen.
  24. Middel inzake C.05.0192.N
  25. Het middel gaat er van uit dat de appelrechters hebben vastgesteld "dat het ongeval werd veroorzaakt door het voertuig bestuurd door de tweede verweerder".
  26. De appelrechters stellen dit niet vast.
  27. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Voegt de zaken C.04.0427.N en C.05.0195.N. Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser inzake C.04.0427.N in de kosten van die zaak. Veroordeelt de eiseres inzake C.05.0192.N in de kosten van die zaak. De kosten in de zaak C.04.0427.N zijn begroot op de som van 984,50 euro jegens de eisende partij en op de som van 141,74 euro jegens de verwerende partijen. De kosten in de zaak C.05.0192.N zijn begroot op de som van 862,75 euro jegens de eisende partij en op de som van 144,35 euro jegens de verwerende partijen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 29 september 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080507.13 ECLI:BE:CAMON:2015:ARR.20151022.2 ECLI:BE:CAMON:2015:ARR.20151217.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161007.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950302.19 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050425.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090102.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091030.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211007.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.