id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061002.2 Rolnummer: C.05.0439.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-03 07:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche Thesaurus CAS: AMBTENAAR - ALGEMEEN Vrije woorden: AMBTENAAR Tekst van de beslissing Nr. C.05.0439.N S.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITS-VERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 Sint-Pieters-Woluwe, Tervurenlaan 211, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 1 maart 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 30 augustus 2006 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 43, ,§6, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 22 juli 1993; - de artikelen 1, zoals van toepassing vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 19 mei 1995, 9, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 29 december 1990, 11 en 18, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 29 december 1990, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg; - artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 15 maart 1993; - de artikelen 1, 2, 3, 4, 6 en 7, van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalige adjuncten in de centrale diensten; - de artikelen 1, ,§1, I, 10°, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij koninklijk besluit van 5 september 2002, 2, 3, ,§1, eerste lid, en 10, 5 en 6, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut. Aangevochten beslissing Bij het bestreden arrest van 1 maart 2005 verklaart het Hof van Beroep te Brussel, het arrest van 25 mei 2004 verder uitwerkend, verweerders hoger beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissingen in de mate dat zij werden aangevochten, behoudens daar waar de gerechtskosten werden begroot, verklaart eisers vordering ongegrond en wijst hem ervan af en veroordeelt hem tot de kosten van beide aanleggen, na te hebben overwogen: "Het koninklijk besluit van 8 januari 1973 van vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut (HS., 23 februari 1973; err., Belgisch Staatsblad van 22 maart 1973) bepaalt in artikel 1, ,§1, 1, 10°, dat het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers onderworpen is aan het statuut bij dit besluit geregeld. Artikel 3, ,§1, 1°, stelt het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel toepasselijk op het personeel van deze instellingen. Artikel 5, eerste lid van dit laatste koninklijk besluit bepaalt dat de ambtenaren van niveau 1 door de Koning worden benoemd. Artikel 43, ,§6, wijkt niet af van de bevoegdheidsregels voor de benoemingen bij het toevoegen van een tweetalig adjunct aan een eentalige chef, en S. toont niet aan dat het statuut van de ambtenaren van het Fonds een andere regeling voorziet die ondanks artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 toepassing zou dienen te krijgen. De bij koninklijk besluit van 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de beroeps-ziekten zijn (waren) niet toepasselijk op het Fonds, zodat het arrest van de Raad van State van 30 maart 1998 uitspraak deed over een aanstelling die volgens andere regels en bevoegdheden diende te gebeuren, en dus niet naar 'analogie' kan gevolgd worden. V. D. G. werd wel degelijk bij koninklijk besluit van 1 december 1988 bekleed met de graad van adjunct-administrateur-generaal en aangewezen als tweetalig adjunct, en dit was niet louter een 'bekrachtiging' van een eerdere beslissing van de beheerscomité zoals S. voorhoudt. De briefwisseling waarop S. zich beroept houdt geenszins een erkenning van verantwoordelijkheid in, noch een impliciete erkenning dat de benoeming door het beheerscomité moest gebeuren. Een leidinggevend ambtenaar kan overigens de regels die gelden voor een benoeming, aanstelling of aanwijzing niet wijzigen. Niet het Fonds, doch de Koning diende tot de benoeming over te gaan. Het Fonds heeft bij monde van zijn administrateur-generaal de ministers van Sociale zaken en van het Openbaar Ambt in kennis gesteld van de concrete situatie van de taalkaders in de instelling en aldus de ministers in kennis gesteld van de omstandigheden die eventueel een initiatief tot benoeming of aanwijzing door deze ministers noodzakelijk maakten. Uit niets blijkt dat er nalatigheid was van het Fonds, of zijn organen, die een benoeming in de weg zou hebben gestaan, terwijl het niet zelf tot de aanwijzing kon overgaan. De aansprakelijkheid volgend uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek veronderstelt een eigen fout van de debiteur van de plicht tot schadeloosstelling, of een fout van degene waarvoor men moet instaan (artikel 1384, tweede, derde en vierde lid van het Burgerlijk Wetboek). Een vrijwaringsvordering houdt in dat degene die een derde ter vrijwaring roept, zelf gehouden is ten aanzien van de eiser. Dit is te dezen niet het geval. S. bewijst geen fout van het Fonds of iemand waarvoor het moest instaan die in causaal verband staat met de schade waarvan S. herstel vordert. Het hoger beroep is gegrond. De kosten van de procedure dienen ten laste gelegd te worden van de partij die in het ongelijk is gesteld: artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek". Grieven Eerste onderdeel Luidens artikel 1, ,§1, I, 10°, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij koninklijk besluit van 5 september 2002, was voornoemd koninklijk besluit onder meer van toepassing op het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers. In artikel 2 wordt gepreciseerd dat voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder "instelling" elk van de instellingen bedoeld in artikel 1 en onder "benoemende overheid" de overheid aan wie de bevoegdheid tot benoemen uitdrukkelijk verleend is door de wet of door het organiek reglement; is die overheid niet aangewezen door de wet of door het organiek reglement. Dan wordt die bevoegdheid uitgeoefend door de minister onder wie de instelling ressorteert. Artikel 3, ,§1, eerste lid, van voornoemd besluit bepaalt dat, onverminderd de door de wet vastgestelde statuutbepalingen, de volgende besluiten, zoals zij gewijzigd zijn, toepassing vinden op de ambtenaren van de instellingen, onder voorbehoud van de in dit besluit neergelegde nadere regelen: 1°, koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. In artikel 5 van voornoemd koninklijk besluit wordt gepreciseerd dat voor de toepassing op de ambtenaren de regelen vermeld in artikel 3, ,§1, aangepast worden zoals wordt bepaald in de artikelen 6 tot 51 van dit besluit. Artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 bepaalt aldus uitdrukkelijk onder de hoofding "nadere regelen voor toepassing van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel" dat artikel 5 niet van toepassing is op de ambtenaren van de instellingen. Bedoeld wordt artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 oktober
- Bij voornoemd artikel wordt dan ook de toepasselijkheid van artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, naar luid waarvan rijksambtenaren van niveau 1 door de Koning worden benoemd, op de ambtenaren van de instellingen, bedoeld in artikel 1, ,§1, I, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973, uitgesloten. Terzake gelden derhalve de specifieke regels die van toepassing zijn op het personeel van de kwestieuze instelling van openbaar nut, inzonderheid de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg. Besluit Uit het voorgaande volgt dat het hof van beroep bij het bestreden arrest niet wettig kon besluiten tot de toepasselijkheid van artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 15 maart 1993 (schending van de artikelen 1, ,§1, I, 10°, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij koninklijk besluit van 5 september 2002, 2, 3, ,§1, eerste lid, en 1 °, 5 en 6, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut en 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, zoals van toepassing vóór zijn wijziging bij koninklijk besluit van 15 maart 1993). Tweede onderdeel
- Artikel 43, ,§6, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bepaalt dat, wanneer de chef van een afdeling eentalig is hem met het oog op de eenheid in de rechtspraak een tweetalig adjunct wordt toegevoegd. De adjunct mag niet tot dezelfde rol behoren. Hij wordt vooraf met dezelfde of de onmiddellijk lagere rang bekleed. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalige adjuncten in de centrale diensten wordt voorts gepreciseerd dat in de centrale diensten de bij artikel 43, ,§6, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, bedoelde chef van de afdeling alleen de hoge ambtenaar is die, ten aanzien van de overheid waaronder hij ressorteert, rechtstreeks verantwoordelijk is voor de eenheid in de administratieve rechtspraak. Indien de tweetaligheid van de chef niet bewezen is aan de hand van de bij artikel 43, ,§3, derde lid, van bovenvermelde wetten voorgeschreven bewijzen, wordt hem een tweetalig adjunct toegevoegd, onder de bij dit besluit gestelde voorwaarden en na oproep tot de kandidaten. Uit voorgaande bepalingen volgt dat de aanwijzing van een tweetalig taaladjunct in centrale diensten, zoals destijds het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers, een verplichting is wanneer de chef van de afdeling eentalig is. Aan die verplichting moet bovendien op permanente wijze worden voldaan.
- Uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalige adjuncten in de centrale diensten blijkt dat wanneer hij niet titularis is van de graad, die in de afdeling onmiddellijk lager ligt dan die van de chef, de adjunct met die graad wordt bekleed. Deze wordt bepaald zonder rekening te houden met de gelijkstellingen die geschieden op grond van artikel 43, ,§3, vierde lid, van de gecoördineerde wetten. Wanneer hij titularis is van een graad die overeenstemt met de graad die onmiddellijk lager ligt dan die van de chef, wordt de adjunct met dezelfde graad als die van de chef bekleed. Het artikel vervolgt dat de adjunct, op wie het eerste lid is toegepast, dezelfde graad bekleedt als die van de chef wanneer hij aangewezen wordt om in het kader een betrekking in te nemen die overeenkomt met de graad die onmiddellijk lager ligt dan die van de chef en verder de functie van tweetalig adjunct blijft waarnemen. Luidens artikel 4, tweede lid, geschiedt de bij artikel 3 van dit besluit bepaalde graadverlening in overtal, terwijl in het vierde lid wordt gepreciseerd dat de in overtal met een hogere graad beklede ambtenaar in die toestand blijft tot dat hij overeenkomstig de bepalingen die de statutaire hiërarchie regelen, geroepen is om een met zijn graad overeenkomende organieke betrekking in te nemen, onverminderd de toepassing van artikel 3, derde lid. Ondertussen blokkeert hij in het kader de betrekking, die hij, zo hij niet met een hogere graad was bekleed, inneemt of zou ingenomen hebben. Ten opzichte van de bevorderingen, de veranderingen in graad en de overplaatsing in het organiek kader, blijft zijn toestand die welke normaal verbonden is aan de met de geblokkeerde betrekking overeenkomende graad. In deze bepalingen wordt nergens gepreciseerd dat deze benoeming door de Koning zou dienen te geschieden.
- Uit artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut volgt, zoals aangehaald in het eerste onderdeel, dat artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, naar luid waarvan de Koning de ambtenaren van niveau 1 benoemt, niet van toepassing is. Desbetreffend golden bijgevolg de regels, zoals uitgewerkt in de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg. Naar luid van artikel 9 van voornoemde wet, die blijkens artikel 1 van toepassing was op het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers, benoemt de Koning de persoon die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn eventuele adjunct. Artikel 18 van voornoemde wet preciseert voorts dat met uitzondering van de persoon belast met het dagelijks beheer en eventueel van zijn adjunct, het personeel door het beheerscomité wordt benoemd, bevorderd en ontslagen, overeenkomstig de regelen van het statuut van het personeel. Behoudens de hierboven aangehaalde personen werden alle andere personeelsleden benoemd door het beheerscomité.
- Uit artikel 11 van voornoemde wet van 25 april 1963 volgt dat met de adjunct, waarvan sprake in artikel 9, wordt bedoeld de adjunct van de met het dagelijks beheer belaste persoon die deze bijstaat voor de uitvoering van alle hem opgedragen taken. Hij woont eveneens de vergaderingen van het beheerscomité bij. Ingeval de met het dagelijks beheer belaste persoon verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door zijn adjunct of, bij diens ontstentenis, door een personeelslid van de instelling, dat door het beheerscomité aangewezen wordt. Van de functie van adjunct, waarvan sprake in voornoemde wet, moet worden onderscheiden de taaladjunct, waarvan sprake in artikel 43, ,§6, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Blijkens artikel 6 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 staat de adjunct, zoals bedoeld in artikel 43, ,§6, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, de chef terzijde bij de afdoening van de zaken behandeld in de taal die laatstgenoemde niet kent. Hij neemt kennis van alle andere zaken, waarin de eenheid van rechtspraak in het gedrang kan komen. Artikel 7 preciseert voorts dat de betrekkingen tussen de chef en de ambtenaren wier taal hij niet kent, geschieden door bemiddeling van de adjunct. Anders dan de adjunct van de met het dagelijks beheer belaste persoon, waarvan sprake in de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, staat de taaladjunct, die bovendien blijkens artikel 4 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalige adjuncten in overtal wordt benoemd, de met het dagelijks beheer belaste persoon niet bij voor de uitvoering van alle hem opgedragen taken of oefent hij diens bevoegdheden niet uit bij diens verhindering, doch bestaat zijn opdracht in het verlenen van bijstand bij de afhandeling van de zaken in de andere taal en de kennisneming van alle zaken waarin de eenheid van de rechtspraak in het gedrang kan komen. Bij gebreke van afwijkende bepaling terzake in de wet van 25 april 1963 kwam het zodoende aan het beheerscomité van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers toe om een taaladjunct te benoemen. Besluit Het hof van beroep kon bijgevolg niet wettig besluiten dat in de gegeven omstandigheden niet het Fonds, doch de Koning tot de benoeming van de taaladjunct diende over te gaan (schending van de artikelen 43, ,§6, van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 22 juli 1993, 1, zoals van toepassing vóór de wijziging bij koninklijk besluit van 19 mei 1995, 9, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 29 december 1990, 11 en 18, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 29 december 1990, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, 1, ,§1, I, 10°, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij koninklijk besluit van 5 september 2002, 2, 3, ,§1, eerste lid, en 1°, 5 en 6, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, 1, 2, 3, 4, 6 en 7, van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalige adjuncten in de centrale diensten). Derhalve kon het hof van beroep niet wettig het bestaan van iedere fout in hoofde van de rechtsvoorganger van de verweerder uitsluiten (schending van artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Gronden van niet-ontvankelijkheid
- De verweerder werpt als eerste grond van niet-ontvankelijkheid op dat het onderdeel de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 43, ,§6, van de Taalwet in bestuurszaken, noch de bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg als geschonden aanwijst.
- Het onderdeel bekritiseert het bestreden arrest niet omdat het de aansprakelijkheidsregels of de regels inzake taalwetgeving of het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg schendt, maar wel in zoverre dit besluit tot de toepassing van artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
- Deze grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De verweerder werpt als tweede grond van niet-ontvankelijkheid op dat het onderdeel geen schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel houdende de verplichting voor de rechter om, onder eerbiediging van het recht van verdediging, op de regelmatig aan zijn oordeel voorgedragen feiten, zonder het voorwerp, noch de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregel toe te passen op grond waarvan hij op de vordering zal ingaan of ze zal afwijzen.
- Het onderdeel verwijt het hof van beroep niet zijn taak niet te zijn nagekomen door op de voorgelegde feitelijke situatie niet de toepasselijke rechtsregels toe te passen, maar vecht slechts de wettigheid aan van de bestreden beslissing.
- Deze grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Het onderdeel zelf
- Krachtens artikel 1, ,§1, I, 10°, van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, zoals te dezen van toepassing, zijn de ambtenaren van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers onderworpen aan dit besluit. Krachtens artikel 2 dient voor de toepassing van dit besluit te worden verstaan onder "instelling" elk van de instellingen bedoeld in artikel 1 en onder "benoemende overheid" de overheid aan wie de bevoegdheid tot benoemen uitdrukkelijk verleend is door de wet of door het organiek reglement en, bij afwezigheid van dergelijke aanwijzing, de minister onder wie de instelling ressorteert. Artikel 3, ,§1, eerste lid, bepaalt dat, onverminderd de door de wet vastgestelde statuutbepalingen, de volgende besluiten, zoals zij gewijzigd zijn, toepassing vinden op de ambtenaren van de instellingen, onder voorbehoud van de in dit besluit neergelegde nadere regelen: 1° koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 bepaalt dat voor de toepassing op de ambtenaren de regelen vermeld in artikel 3, ,§1, aangepast worden zoals wordt bepaald in de artikelen 6 tot 51 van dit besluit. Onder hoofdstuk II "Nadere regelen voor de toepassing van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937" bepaalt artikel 6 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 dat artikel 5 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 naar luid waarvan rijksambtenaren van niveau 1 door de Koning worden benoemd, niet van toepassing is op de ambtenaren van de instellingen.
- De appelrechters konden aldus niet zonder schending van de aangewezen bepalingen besluiten tot de toepasselijkheid van artikel 5, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober
- Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van twee oktober tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061002.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div