id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061002.3 Rolnummer: C.04.0596.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 280 - laatst gezien 2026-07-03 07:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche De dringende reden ter verantwoording van de afzetting zonder opzegging van een ziekenhuisgeneesheer, moet in de kennisgeving derwijze worden omschreven dat de ontslagen ziekenhuisgeneesheer op de hoogte wordt gebracht van de feiten die hem ten laste worden gelegd en dat de rechter het ernstige karakter van de aangevoerde reden kan beoordelen en kan nagaan of de voor hem ingeroepen redenen dezelfde zijn als die welke medegedeeld werden aan de ontslagen geneesheer; de kennisgeving mag evenwel worden aangevuld met verwijzing naar andere gegevens, voor zover het geheel de mogelijkheid biedt met zekerheid en nauwkeurigheid de motieven die aanleiding gaven tot het ontslag te beoordelen
(1).
(1)Cass., 27 feb. 1987, A.C., 1978, 757, eerste zaak; Cass., 24 maart 1980, A.C., 1979-80,
- Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE Vrije woorden: GENEESKUNDE - UITOEFENING VAN DE GENEESKUNDE Ziekenhuisgeneesheer Afzetting zonder opzegging Dringende reden Kennisgeving Omschrijving Andere gegevens Wettelijke bepalingen: Wet - 07-08-1987 - Art.125,4de,5 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0596.N C. P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen ALGEMEEN ZIEKENHUIS GROENINGE, vereniging zonder winstoogmerk, met zetel te 8500 Kortrijk, Reepkaai 4, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 24 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 30 augustus 2006 verwezen naar de derde kamer. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet, - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk wetboek, - artikel 125 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, - artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen. Bestreden beslissing Het Hof van Beroep te Gent, eerste kamer, verklaart in het bestreden arrest van 24 juni 2004 het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, doet de bestreden beslissing teniet en opnieuw wijzende verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt de eiser tot betaling van de kosten in beide aanleggen. Na te hebben vastgesteld dat de eiser op 1 augustus 1975 als anesthesist was benoemd bij de verweerster en op 6 december 2000 werd ontslagen wegens dringende reden overeenkomstig artikel 125 van de Ziekenhuiswet van 7 augustus 1987, stelt het hof van beroep onder meer vast (arrest p. 3, nr. 4): "De ontslagbrief van 6 december 2000 is wellicht niet erg logisch opgebouwd, doch bij correcte lezing kan men niet anders dan tot het besluit komen dat (de eiser) om twee redenen werd ontslagen. Ten eerste wegens het medisch disfunctioneren van (de eiser) op 25 november 2000, medegedeeld op 5 december 2000 aan de voorzitter van de raad van beheer bij schrijven van 4 december
- De andere feiten, opgesomd in de ontslagbrief in verband met (...) het medisch disfunctioneren worden louter vermeld om aan te tonen dat er in het verleden reeds diverse klachten waren geweest, men reeds veel geduld en begrip had gehad. Het opnieuw disfunctioneren van (de eiser) op 25 november 2000, ondanks vroegere waarschuwingen, een reeds ondergane schorsing, was dan ook de eerste dringende reden. De feiten worden voldoende beschreven in de ontslagbrief. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar het schrijven van dokter L.W., schrijven dat tijdens het onderhoud met (de eiser) op 6 december 2000 aan hem werd overgelegd ter lezing. Net als het schrijven van P. G. ((...) Campus St. Maarten) eveneens van 4 december
- Als tweede dringende reden wordt vermeld het zomaar afwezig blijven op woensdag 29 november 2000, donderdag 30 november 2000 en vrijdag 1 december 2000, juist op het ogenblik dat er een cruciale wijziging op de functie anesthesie plaatsvond, gezien een collega anesthesist van de campus St. Maarten op een andere campus de anesthesie diende te gaan doen, wat (de eiser) wist. De vaststelling dat hij op 28 november 2000 overmatig wijn had gedronken op een symposium en op 30 november 2000 omstreeks 7 u 20 in de kliniek werd gezien, maakt de afwezigheid des te meer onaanvaardbaar. Door de afwezigheid van (de eiser) liep het operatieschema op twee campussen in de war. Bepaalde geplande operaties konden niet doorgaan". Wat deze feiten betreft, oordeelt het hof (van beroep) (arrest, p. 5, nr. 6, laatste alinea): "De door (de verweerster) opgegeven redenen zijn dus wel degelijk bewezen". En vervolgens stelt het hof (van beroep) (arrest pp. 6 e.v., nrs. 7, 7.
- en 7.2.): "
- Rest de vraag of de feiten, die werden opgegeven en ook bewezen zijn, een ontslag om dringende redenen wettigen. Het hof (van beroep) is van oordeel dat deze vraag positief dient beantwoord te worden. ln casu heeft (de eiser) zich schuldig gemaakt aan twee zwaarwichtige feiten, die elke verdere samenwerking tussen partijen onmiddellijk en definitief onmogelijk maakten. 7.
- Medisch disfunctioneren De feiten, die gebeurd zijn op 25 november 2000 en door dr. P.G., van de campus Sint Maarten, bij schrijven van 4 december 2000 gemeld werden aan de voorzitter van de beheerraad, zijn ernstige feiten. Het gaat om klachten, gemeld naar aanleiding van een door (de eiser) uitgevoerde anesthesie (zie stukken 2.
- en 2.
- dossier (verweerster)). De minnelijke expertise zegt duidelijk: 'Er is een oorzakelijk verband tussen het therapeutisch ongeval, bij de epidurale anesthesie op 25 november 2000 en de ernstige neurogene uitval in het linker onderste lidmaat'. Er wordt verder besloten tot een : T. O. 100 pct. van 1 februari 2001 tot 9 augustus 2001 Gemiddeld 70 pct. van 10 augustus 2001 tot 2 oktober 2002 Consolidatiedatum 3 oktober 2002 Graad van blijvende invaliditeit 30 pct. Graad van blijvende arbeidsongeschiktheid 30 pct. - een orthopedisch apparaat voor linker onderbeen en voet met veer en aangepast schoeisel links (te vernieuwen) - een paar onderbeensteunkousen (te vernieuwen) - een wandelstok (niet vernieuwbaar) - een rolstoel (niet vernieuwbaar) voor langere afstanden. De persoon in kwestie was op het ogenblik van het gebeuren 51 jaar. Dit medisch disfunctioneren is in casu des te zwaarder, nu (de eiser) in het verleden reeds herhaalde malen was gewaarschuwd en er hem in 1998 gezegd werd dat, indien er sprake zou zijn van een opnieuw disfunctioneren, er onmiddellijk ontslag zou volgen. ln 1998 werd (de eiser) reeds tijdelijk geschorst voor een analoog voorval (vier maanden) -zie stukken 1.3., 1.4., 1.5, en 2.
- dossier (verweerster). (De eiser) wordt dan ook niet gevolgd waar hij zijn eigen falen wil verdoezelen en alles wil afdoen als natrappen. Gelet op de nieuwe ernstige klacht (brief P. G. en L. W.) is (de verweerster) terecht en correct sanctionerend opgetreden. Dit opnieuw ernstig disfunctioneren maakt een dringende reden uit, die onmiddellijk ontslag wettigt. De vaststelling dat (de eiser) nu goed functioneert in het U.Z. Gent maakt het bovenvermelde niet ongedaan. 7.
- Afwezigheid gedurende drie dagen Als anesthesist-intensivist zonder meer drie dagen afwezig blijven wanneer men dienst heeft is beneden alles. 7.
- Het hof (van beroep) is dan ook van oordeel dat de twee redenen, vermeld onder de punten 7.
- en 7.
- een dringende reden vormen voor onmiddellijk ontslag, mede gelet op reeds vroeger genomen beslissingen en gedane ingebrekestellingen. (De eiser) heeft door zijn handelswijze elke verdere samenwerking onmogelijk gemaakt". Het hof van beroep besluit dan ook (arrest p. 9, nr. 9): "
- Uit dit alles volgt dat (de eiser) conform de wettelijke bepalingen en terecht werd ontslagen wegens dringende reden. Zijn oorspronkelijke vordering is dan ook ongegrond". Grieven Overeenkomstig artikel 125, vierde lid, van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen mag afzetting om een dringende reden niet zonder advies van de Medische Raad, bedoeld in artikel 120, worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan, sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de beheerder, bedoeld in artikel 11, die er zich op beroept. Luidens het vijfde lid van dezelfde wetsbepaling kan alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag, worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder dat het advies van de Medische Raad werd ingewonnen. De kennisgeving van de dringende reden geschiedt overeenkomstig het zesde, zevende en achtste lid, van dezelfde wetsbepaling op straffe van nietigheid hetzij bij ter post aangetekende brief, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, hetzij door afgifte van het geschrift aan de betrokken ziekenhuisgeneesheer die het duplicaat van het bericht voor ontvangst tekent. De beheerder die een dringende reden inroept moet, luidens het laatste lid van artikel 125, het bewijs ervan leveren evenals van het feit dat hij de termijnen voorzien in het vierde en vijfde lid nageleefd heeft. Het hof van beroep stelde te dezen vast dat de verweerster kennis kreeg van de feiten op 5 december 2000 en dat zij tot ontslag overging, met kennisgeving van de dringende reden, door overhandiging van het schrijven van 6 december 2000 aan de eiser, die tekende voor ontvangst. Slechts de in deze brief vermelde reden tot afzetting kan worden in acht genomen bij de beoordeling van de regelmatigheid van de afzetting. De dringende reden ter verantwoording van de afzetting zonder opzegging moet zodanig worden uitgedrukt dat daardoor, enerzijds, de ontslagen ziekenhuisgeneesheer op de hoogte gebracht wordt van de hem verweten feiten en, anderzijds, de rechter het ernstig karakter kan beoordelen van de redenen aangevoerd in de brief en kan nagaan of ze dezelfde zijn als die welke voor hem worden ingeroepen. De ontslagbrief van 6 december 2000 die aan de eiser werd afgegeven, luidde: "Geachte dokter, De Raad van Beheer van OLV-van Groeninghe heeft in zijn bijzondere vergadering van 6 december 2000 om 12h, nadat de voorzitter kennis heeft genomen van de brief van dokter L.W. van 4 december 2000, beslist om, overeenkomstig de Ziekenhuiswet (artikel 125,18°) en de algemene regeling (artikel III.9), ingevolge dringende reden uw overeenkomst met het ziekenhuis te verbreken met ingang van 7 december 2000 op 07h30, omdat de voortzetting van de overeenkomst gedurende de normaal voorziene opzeggingstermijn onmogelijk is omwille van de veiligheid van de patiënten. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd: - in 1995 werden door dokter P.D. diverse patiëntenklachten gemeld, - in 1996 is er een incident geweest op de dienst spoedgevallen dat werd gevolgd door een beslissing van de raad van beheer (16 september 1996) waarbij een schriftelijke vermaning werd gegeven. - in 1998 is er opnieuw sprake van klachten van ziekenhuisartsen. Dientengevolge besliste de raad van beheer op 9 december 1998 een schorsing (...) van 4 maanden op te leggen ingaande op 9 december 1999 en eindigend op 9 april
- De anesthesisten, chirurgen, en het verplegend personeel van het operatiekwartier van campus St. Maarten stellen unaniem dat de veiligheid van de U toegetrouwde patiënten permanent in gevaar is. In november 2000 werden opnieuw klachten gemeld naar aanleiding van een rachi-anesthesie tijdens een geplande anesthesiologische ingreep, en dit naar analogie met de klachten van
- Na de periode van de schorsing heeft u de gelegenheid gekregen om Uw professionele activiteiten te hernemen en werd U opnieuw ten volle opgenomen in de groep anesthesie. Aanvankelijk verliep dit zonder noemenswaardige incidenten, doch vanaf medio 2000 begon u opnieuw te disfunctioneren. Dit uitte zich als volgt: - tijdens diverse heelkundige ingrepen werd vastgesteld dat U sommige handelingen niet aankon (bv. sommige selectieve bronchiale intubaties, arteriële puncties, ...). In plaats van de daarbij de hulp in ter roepen van collegae, volhardde U obstinaat en wou u de ingrepen persé autonoom verderzetten met nadelige gevolgen voor de patiënten en voor het optimaal functioneren van het operatiekwartier, collega's chirurgen en personeel. - ten aanzien van de patiënten handelde U onzorgvuldig en nonchalant: - Wanneer u werkzaam was op de dienst intensieve zorgen, en het verpleegkundig personeel Uw hulp inriep antwoordde u dat ze 'maar hun plan moesten trekken'. Dit gebeurde laatst op 1 november
- - Wanneer binnen de groep anesthesie van campus St. Maarten werd afgesproken om bepaalde technieken toe te passen die het comfort van de patiënt konden verbeteren (bv. caudaal blok bij kinderen), weigerde U deze toe te passen. Op dinsdag 28 november 2000 was U aanwezig op een symposium in de Kulak. Daar werd door verschillende zienenhuisartsen vastgesteld dat U overmatig wijn dronk. Op woensdag 29 november 2000 liet U telefonisch weten aan dokter M.D. dat U niet in de mogelijkheid was Uw professionele activiteiten aan te vangen, dit terwijl U vooraf wist dat Uw collega P. diezelfde dag voor het eerst in een andere campus, met name campus St. Niklaas, moest bijspringen voor het verrichten van anesthesie. Collega R.t belde dokter P. op in campus St. Niklaas met de vraag zo spoedig mogelijk terug te komen naar campus St. Maarten omdat aldaar de dringende aanwezigheid van een anesthesist op de dienst radiologie noodzakelijk was. Dokter P. was ten zeerste verwonderd dat U niet aanwezig was. Indien Uw afwezigheid om gegronde redenen kan verklaard worden, had U haar hiervan moeten op de hoogte brengen teneinde ervoor te zorgen dat de continuïteit van zorgen zou verzekerd zijn. Op donderdag 30 november 2000 bent U niet komen opdagen in het ziekenhuis om Uw professionele activiteiten aan te vangen, dit niettegenstaande U om 7h20 door verschillende personeelsleden bent gezien in het ziekenhuis. Op vrijdagmorgen 1 december 2000 hebt U contact gehad met Dhr. R.Z. om te informeren naar Uw vergoeding als diensthoofd intensieve zorgen. Zondagmorgen 3 december 2000 telefoneerde U op 8h30 naar dokter P. met de melding dat U "opnieuw in Kortrijk was en dat U opnieuw de continuïteit zou helpen verzekeren vanaf maandag 4 december 2000". Op 4 december 2000 heeft U zichzelf opgegeven om de anesthesie te doen bij de operaties van dokter P.D. . Op deze datum was U van wacht. U diende dan ook, overeenkomstig de afspraken binnen de dienst anesthesie het langste en zwaarste operatieprogramma te volgen, in casu het operatieprogramma van dokter F.G. . Daarmee bracht U opnieuw, voor de zoveelste maal het programma van Uw collega's in het gedrang. Net vóór de vergadering van de raad van beheer van 6 december 2000, overhandigde U aan directeur J.C. een attest van dokter L.I. van 29 november 2000, waarbij wordt geattesteerd dat U onbekwaam werd bevonden om arbeid te verrichten wegens ziekte. Terwijl U blijkbaar in het bezit was van dit attest, hebt U nagelaten dit attest te overhandigen aan hoofdgeneesheer, directie of collega. Op dit attest staat vermeld dat U werkonbekwaam was tot en met 1 december
- Teneinde de continuïteit van de dienst te verzekeren kon U dit meedelen op 29 november 2000, hetgeen niet is gebeurd. Dit bracht opnieuw de goede werking van de dienst in het gedrang. Op maandag 04 december 2000 vroeg U aan dokter D. of U de 3 dagen ongewettigd afwezigheid kon opnemen als verlof. Toen dokter D. U hierop negatief antwoord verschafte, vroeg U: 'moet ik een briefje binnen te brengen?', wat erop wijst dat het attest geantidateerd is. Rekening houdend met Uw vroeger herhaald disfunctioneren beslist de raad van beheer, nadat U werd gehoord om Uw reactie te geven op het schrijven van dokter L. W. van 4 december 2000, de overeenkomst te verbreken vanaf 7 december 2000 op 7h
- Dit betekent dus dat U Uw functie als anesthesist - intensivist niet verder meer mag uitoefenen in het ziekenhuis OLV-van Groeninghe. De continuïteit van de diensten anesthesie en IZ zal verzekerd worden door de groep anesthesie. De raad van beheer heeft tevens beslist de procedure tot openstelling van een vacature voor de aanwerving van een anesthesist op te starten. Het hof van beroep oordeelde (arrest p. 3, punt 4) dat "bij correcte lezing men niet anders dan tot het besluit (kan) komen dat (de eiser) om twee redenen dringend werd ontslagen. Ten eerste wegens het medisch disfunctioneren van (de eiser) op 25 november 2000, medegedeeld op 5 december 2000 aan de voorzitter van de raad van beheer bij schrijven van 4 december
- Als tweede dringende reden wordt vermeld het zomaar afwezig blijven op woensdag 29 november 2000, donderdag 30 november 2000 en vrijdag 1 december 2000, juist op het ogenblik dat er een cruciale wijziging op de functie anesthesie plaatsvond, gezien een collega anesthesist van de campus St. Maarten op een andere campus de anesthesie diende te gaan doen, wat (de eiser) wist. Het hof van beroep bespreekt deze twee redenen tot afzetting respectievelijk onder randnummers 7.
- (medisch disfunctioneren) en 7.
- (afwezigheid gedurende drie dagen) van het arrest. Het hof van beroep oordeelt dat "de twee redenen, vermeld onder de punten 7.
- en 7.
- een dringende reden vormen voor onmiddellijk ontslag, mede gelet op reeds vroeger genomen beslissingen en gedane ingebrekestellingen. (De eiser) heeft door zijn handelswijze elke verdere samenwerking onmogelijk gemaakt". "Aldus levert de gezamenlijke beoordeling van de twee tekortkomingen de dringende reden tot afzetting op, die bovendien overigens slechts ontstaat ingevolge de "reeds vroeger genomen beslissingen en gedane ingebrekestellingen". Met betrekking tot de, volgens het hof van beroep, eerste aan de eiser verweten tekortkoming, te weten het zogenaamd "medisch disfunctioneren", maakte de ontslagbrief gewag van: - de brief van dokter L.W. van 4 december 2000; - de melding van patiëntenklachten door dokter D. in 1995; - een incident op de dienst spoedgevallen in 1996 dat leidde tot een schriftelijke vermaning; - klachten van ziekenhuisartsen in 1998, die leidden tot een schorsing van 4 maanden; - onbekwaamheid, onzorgvuldigheid en nonchalance vanaf medio 2000; - klachten inzake een rachi-anesthesie in november
- Gelet op artikel 125, vierde lid, van de Ziekenhuiswet van 7 augustus 1987 kon, bij ontstentenis van advies van de Medische Raad, het ontslag slechts tussenkomen om redenen die op het ogenblik van het ontslag ten hoogste drie werkdagen bekend waren aan de beheerder van het ziekenhuis zodat de meeste van de hierboven vermelde feiten niet meer als dusdanig konden worden ingeroepen als "dringende reden" tot ontslag. Ook het hof van beroep heeft de ontslagbrief aldus opgevat waar het met betrekking tot de omschrijving van de dringende reden stelde (arrest p. 3, punt 4) : "Ten eerste wegens het medisch disfunctioneren van (de eiser) op 25 november 2000, medegedeeld op 5 december 2000 aan de voorzitter van de raad van beheer bij schrijven van 4 december
- De andere feiten, opgesomd in de ontslagbrief in verband met (...) het medisch disfunctioneren worden louter vermeld om aan te tonen dat er in het verleden reeds diverse klachten waren geweest, men reeds veel geduld en begrip had gehad. Het opnieuw disfunctioneren van (de eiser) op 25 november 2000, ondanks vroegere waarschuwingen, een reeds ondergane schorsing, was dan ook de eerste dringende reden". Met betrekking tot deze "eerste feiten" vervolgt het hof van beroep: "De feiten worden voldoende beschreven in de ontslagbrief. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar het schrijven van dokter L.W., schrijven dat tijdens het onderhoud met (de eiser) op 6 december 2000 aan hem werd overgelegd ter lezing. Net als het schrijven van P.G. (... Campus St. Maarten) eveneens van 4 december 2000". Waar het hof van beroep aldus verwijst naar de brief van (...) P.G, moet worden vastgesteld dat deze zelfs niet wordt vermeld in de ontslagbrief. Waar het hof van beroep verwijst naar de brief van dokter W., moet worden vastgesteld dat deze weliswaar vermeld wordt in de ontslagbrief, doch zonder enige precisering nopens de inhoud ervan. Het hof van beroep stelt overigens zelf dat de eiser met de inhoud ervan (pas) werd geconfronteerd tijdens het onderhoud van 6 december
- Het hof (van beroep) stelt overigens dat "uit de overgelegde stukken (voldoende blijkt) dat (de eiser) op 25 november 2000 een anesthesie slecht uitvoerde met ernstige gevolgen voor de patiënt" (arrest p. 5, punt 6, onderlijning toegevoegd). In dat verband voerde de eiser in zijn syntheseberoepsbesluiten (p. 5, punt III.C.1) aan: "(...) In hoofdorde wenst concluant op te merken dat (de verweerster) in (haar) aangetekend schijven enkel (verwees) naar de brief van Dr. L.W. Noch tijdens het horen van concluant noch middels de ontslagbrief van concluant had deze kennis van de (concrete) inhoud van deze brief (terwijl (de verweerster) zich wel de moeite troost om feiten van jaren voordien uitvoerig te beschijven) dewelke klaarblijkelijk betrekking had op het medisch disfunctioneren van cliënt alsook de oorzaken hiervan. De ontslagbrief moet de feiten beschrijven die constitutief zijn voor de dringende reden. Het is van groot belang dat deze voldoende duidelijk worden geformuleerd. Vaak wordt een ontslag om dringende reden als onrechtmatig beoordeeld, louter omdat de kennisgeving onvoldoende nauwkeurig was. Het is pas middels de besluiten en stukken van (de verweerster) dat concluant de inhoud van de brief van L.W. kent". Dit verweer werd nog herhaald op pagina's 12 en 13 (punt 16.6.2.2.1.), waar gesteld wordt: "Vooreerst wenst concluant te wijzen op het feit dat in zijn ontslagbrief er enkel (...) verwezen wordt naar een brief van Dr. L.W. zonder evenwel vast te (stellen wat de inhoud van deze brief was. Dit is zonder meer bevreemdend aangezien (de verweerster) beweerde fouten - die jaren geleden zouden hebben plaatsgevonden - in hoofde van (de eiser) wel uitvoerig beschrijft. Om reden dat het medisch disfunctioneren - als bedoeld in het schrijven van Dr. L. W. - niet omschreven wordt, wordt een afbreuk gedaan aan de vereiste dat de feiten die ten grondslag van het ontslag liggen op voldoende duidelijke wijze wordt omschreven Dit was geenszins het geval. Het feit dat (de verweerster) middels haar besluiten in eerste aanleg en haar beroepsbesluiten deze brief quasi integraal opneemt kan uiteraard geen rechtzetting betekenen. De rechter mag alleen kennis nemen van de feiten die in het schrijven worden geëxpliciteerd. Elementen die niet in de ontslagbrief voorkomen, kunnen niet als dringende reden worden aangehouden". Overeenkomstig artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet dienen de rechterlijke beslissingen regelmatig met redenen te worden omkleed, wat onder meer inhoudt dat de rechter dient te antwoorden op alle relevante, regelmatig aan hem voorgelegde grieven en middelen van verweer. Het hof van beroep laat na, met betrekking tot de eerste tekortkoming die als onderdeel van de dringende reden tot afzetting lastens de eiser bewezen werd verklaard, te antwoorden op het door de eiser regelmatig aangevoerde en pertinent verweermiddel luidens hetwelk de ontslagbrief geen enkele precisering bevat nopens eisers "medisch disfunctioneren" op 25 november
- Het hof van beroep schendt derhalve artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. Gelet op de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk wetboek genieten geschreven akten bewijskracht in die mate dat aan deze akten geen betekenis of draagwijdte kan worden toegekend die totaal onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Waar het hof van beroep, met betrekking tot de bedoelde eerste tekortkoming, oordeelt dat "de feiten voldoende (worden) beschreven in de ontslagbrief" (arrest p. 3, nr. 4, dertiende en veertiende regel), miskent het hof van beroep de bewijskracht van de brief van 6 december 2000, uitgaande van de verweerster en gericht aan de eiser (vormend stuk 3 van de stukken die door de eiser aan het hof van beroep werden overgelegd), nu deze brief geen enkele precisering bevat nopens een eventuele tekortkoming op 25 november
- Het hof van beroep schendt derhalve de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. In de mate dat de ontslagbrief van 6 december 2000 geen melding maakt van een brief van dokter G. en louter melding maakt van het bestaan van een brief van dokter W. van 4 december 2000, zonder de inhoud ervan weer te geven of samen te vatten, kon dus niet worden teruggegrepen naar de in deze brieven eventueel opgenomen tekortkomingen of verwijten ter staving van de afzetting wegens dringende reden. Door dit wel te doen, en inzonderheid ter omschrijving van het verweten "medisch disfunctioneren", te verwijzen naar de brieven van dokters W. en G. en naar een minnelijke expertise, die niet nader werden omschreven, samengevat of toegelicht in de ontslagbrief van 6 december 2000, kon het hof niet wettig oordelen dat de dringende reden ter kennis werd gebracht op de door de wet voorgeschreven wijze en eisers vordering in schadevergoeding niet wettig afwijzen en schendt het hof van beroep dienvolgens artikel 125, inzonderheid leden 4,5,6,7, 8 en 9 van de bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987 gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Enig middel
- De eiser voerde voor de appelrechters aan dat het medisch disfunctioneren als bedoeld in de brief van dokter L.W. niet in de ontslagbrief werd omschreven, zodat niet voldaan werd aan het vereiste dat de feiten die ten grondslag liggen van het ontslag op voldoende duidelijke wijze worden omschreven.
- Het arrest verwerpt en beantwoordt dit verweer met de redenen dat het opnieuw disfunctioneren van de eiser op 25 november 2000, ondanks vroegere waarschuwingen, en een reeds ondergane schorsing, de eerste aangevoerde dringende reden was, dat de feiten voldoende worden beschreven in de ontslagbrief en dat er uitdrukkelijk wordt verwezen naar het schrijven van dokter L.W., dat tijdens het onderhoud op 6 december 2000 aan de eiser werd overgelegd ter lezing.
- Het middel, in zoverre het de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet, mist feitelijke grondslag.
- De ontslagbrief verwijst naar de brief van dokter Luc W. van 4 december 2000, maakt gewag van klachten in november 2000 naar aanleiding van een "rachi-anesthesie tijdens een geplande anesthesiologische ingreep" en voert een opnieuw disfunctioneren na voorgaanden als anesthesist aan.
- Door te oordelen dat de ontslagbrief mede met de verwijzing naar de brief van dokter W. een medisch disfunctioneren op 25 november 2000 als dringende reden tot onmiddellijk ontslag aanvoert, geeft het arrest een uitlegging van de ontslagbrief die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.
- Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
- Overeenkomstig artikel 125, vierde lid, van de Ziekenhuiswet, mag de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer om een dringende reden niet zonder het advies van de Medische Raad worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan, sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de beheerder die er zich op beroept. Volgens het vijfde lid van dezelfde wetsbepaling, kan alleen de dringende reden, waarvan kennis is gegeven binnen drie werkdagen na het ontslag, worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder dat het advies van de Medische Raad werd ingewonnen. De kennisgeving van de dringende reden, overeenkomstig het zesde, zevende en achtste lid van dezelfde wetsbepaling, geschiedt op straffe van nietigheid, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, hetzij door afgifte van het geschrift aan de betrokken ziekenhuisgeneesheer die het duplicaat van dit geschrift voor ontvangst tekent. Krachtens het negende lid van dezelfde wetsbepaling, dient bovendien de beheerder die een dringende reden inroept, hiervan het bewijs te leveren en moet hij bewijzen dat hij de termijnen voorzien in het vierde en vijfde lid geëerbiedigd heeft.
- De dringende reden moet in de kennisgeving derwijze worden omschreven dat de ontslagen ziekenhuisgeneesheer op de hoogte wordt gebracht van de feiten die hem worden ten laste gelegd en dat de rechter het ernstige karakter van de aangevoerde reden kan beoordelen en kan nagaan of de voor hem ingeroepen redenen dezelfde zijn als die welke meegedeeld werden aan de ontslagen ziekenhuisgeneesheer. De kennisgeving mag evenwel worden aangevuld met verwijzing naar andere gegevens, voor zover het geheel de mogelijkheid biedt met zekerheid en nauwkeurigheid de motieven die aanleiding gaven tot het ontslag te beoordelen.
- Het arrest stelt vast dat: - de verweerster pas kennis kreeg van de feiten op 5 december 2000, daar zij op deze datum een brief kreeg van dokter W. en van dokter G., - deze brieven, die beide dateren van 4 december 2000, betrekking hebben op het medisch disfunctioneren van de eiser, - de verweerster op 6 december 2000 onmiddellijk een Raad van Beheer samenriep, waar de feiten, die zij op 5 december vernomen had, meer bepaald het medisch disfunctioneren op 25 november 2000 en het afwezig zijn zonder reden, werden besproken en getoetst aan het standpunt van de eiser, - nog diezelfde dag de ontslagbrief volgde, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het schrijven van dokter W., schrijven dat tijdens het onderhoud met de eiser op 6 december 2000 hem werd voorgelegd ter lezing.
- Gelet op de verwijzing in de ontslagbrief naar het schrijven van dokter W., waarvan, blijkens de vaststellingen van het arrest, de inhoud werd ter kennis gebracht van de eiser tijdens het onderhoud dat zijn ontslag voorafging, vermocht het arrest, zonder miskenning van artikel 125 van de Ziekenhuiswet, te oordelen dat de feiten met betrekking tot het medisch disfunctioneren van de eiser op 25 november 2000 in de ontslagbrief voldoende werden beschreven en dat de dringende reden ter kennis werd gebracht op de door de wet voorgeschreven wijze.
- Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van achthonderd vijfenzestig euro zeventien cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenveertig euro vijfendertig cent jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van twee oktober tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061002.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div