id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061003.2 Rolnummer: P.06.0337.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2006-11-02 Raadplegingen: 461 - laatst gezien 2026-07-03 18:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De verplichting om een bedrag te betalen bij wijze van bijdrage tot financiering van het Slachtofferfonds, die de rechter moet opleggen bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf heeft een eigen aard en is geen straf zodat die bijdrage moet worden opgelegd zoals bepaald op de dag van de veroordeling en ongeacht de datum waarop het bestrafte misdrijf werd gepleegd
(1).
(1)Cass., 29 nov. 2005, AR P.05.0714.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051129.1, nr
- Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Vrije woorden: Bijdrage tot financiering van het Slachtofferfonds - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 01-08-1985 - Art. 29 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Bijdrage tot financiering van het Slachtofferfonds - Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 01-08-1985 - Art. 29 Tekst van de beslissing Nr. P.06.0337.N V D V T F F, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Igor Rogiers, advocaat bij de balie te Dendermonde, ter zitting bijgestaan door mr. Sylvia Sroka, advocaat bij de balie te Brussel, voor mr. Igor Rogiers. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Gent, van 10 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het middel voert aan dat het strafdossier nergens vermeldt met welk radartoestel of automatisch werkend toestel de snelheid zou zijn gemeten zodat de gedane vaststellingen niet de bijzondere bewijskracht, waarin artikel 62 Wegverkeerswet voorziet, genieten.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres het bedoelde verweer voor de feitenrechter heeft gevoerd. Het onderdeel dat de openbare orde niet aanbelangt noch op dwingend recht betrekking heeft, is nieuw en mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert een schending aan van artikel 62 Wegverkeerswet en van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 17 oktober 1997 betreffende de goedkeuring en homologatie van de automatisch werkende toestellen gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten, om reden dat: - de appelrechters oordelen dat het radartoestel volkomen correct de snelheid vaststelt terwijl de toestellen behept zijn met een foutmarge; - de appelrechters aan de vaststellingen een bewijswaarde geven die ze niet hebben; - de appelrechters oordelen dat het feit dat de agent een opleiding heeft genoten, volstaat om te besluiten tot een perfecte meting.
- De eerste grief verplicht het Hof tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, en is mitsdien niet ontvankelijk.
- De tweede grief preciseert niet hoe en waardoor het bestreden vonnis "aan de vaststellingen een (bewijs)waarde geeft die ze niet toekomen". De grief is wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De derde grief gaat uit van een onvolledige lezing van het bestreden vonnis. De appelrechters steunen hun oordeel dat er te dezen geen aanleiding is tot een correctie van de gemeten snelheid, immers niet uitsluitend op het feit dat de agent een opleiding heeft genoten. De grief mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert aan dat de bijdrage tot financiering van het bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna "Slachtofferfonds") een straf is zodat wegens het principe van de niet-retroactivitieit van de zwaardere strafwet de appelrechters de eiseres slechts konden veroordelen tot de bijdrage van 10 euro, zoals bepaald op het ogenblik van de feiten, en niet tot de hogere bijdrage van 25 euro, zoals inmiddels bepaald bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2005 tot wijziging van het artikel 29, tweede lid van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.
- De verplichting om een bedrag te betalen bij wijze van bijdrage tot financiering van het Slachtofferfonds, die de rechter moet opleggen bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf, heeft een eigen aard en is geen straf. De bijdrage moet worden opgelegd ongeacht de datum waarop de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd.
- Volgens artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen is het bedrag van de door de rechter bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf verplicht uit te spreken bijdrage aan het Slachtofferfonds, onderworpen aan de verhoging in de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten. Artikel 36 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid heeft de opdeciemen waarmee de bijdrage dient te worden verhoogd, bepaald op
- Het feit dat de bijdrage verhoogd wordt met opdeciemen doet aan de eigen aard van de bijdrage geen afbreuk.
- Uit het feit dat deze bijdrage geen straf is, volgt dat artikel 2 Strafwetboek, noch artikel 7 EVRM op die bijdrage toepasselijk is, zodat ze moet worden opgelegd zoals bepaald op de dag van de veroordeling, ongeacht de datum waarop het bestrafte misdrijf werd gepleegd, en moet worden verhoogd met de opdeciemen die op die dag van kracht zijn, dit is te dezen met 45 deciemen ingevolge artikel 36 van voornoemde wet van 7 februari
- Het middel faalt naar recht. Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof
- De eiseres verzoekt in ondergeschikte orde het Hof de volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen: "Schendt artikel 29, tweede lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, de artikelen 10, 11, 14, van de Grondwet en artikel 7 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in zoverre het de Koning (uitvoerende macht) machtigt om de bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders onbeperkt te verhogen?"
- De vraag gaat uit van de onjuiste juridische onderstelling dat de bijdrage tot financiering van het Slachtofferfonds een straf is zodat er geen aanleiding is deze vraag te stellen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. Begroot de kosten op 75,93 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 3 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061003.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051129.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div