id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.3 Rolnummer: C.05.0266.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 191 - laatst gezien 2026-07-03 07:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 1, w, 2, 1° en 4,1°,
(1)1. Artikel 2, 1°, van Verordening (EG) 1400/2002 Com. van 31 juli 2002, betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, bepaalt dat overeenkomstig artikel 81, lid 3, van het Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening, artikel 81, lid 1, hierbij buiten toepassing wordt verklaard voor verticale overeenkomsten die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen nieuwe motorvoertuigen, reserveonderdelen voor motorvoertuigen of herstellings- of onderhoudsdiensten voor motorvoertuigen kunnen kopen, verkopen of doorverkopen. Artikel 4, 1°, b), iii) van die Verordening bepaalt in verband met de hardekernbeperkingen: "De vrijstelling is niet van toepassing op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben: (...)
- b)de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie de distributeur of de hersteller de contractgoederen of diensten mag verkopen; de vrijstelling geldt echter wel voor: (...) iii) de beperking van de verkoop van nieuwe motorvoertuigen en reserveonderdelen aan niet-erkende distributeurs door de leden van een selectief distributiestelsel op markten waar selectieve distributie wordt toegepast, onverminderd het bepaalde onder i)". Volgens artikel 1, w), van de Verordening dient onder "eindgebruiker" te worden verstaan, onder meer leasingbedrijven tenzij in de gebruikte leasingovereenkomsten voorzien is in een eigendomsoverdracht of een optie om het voertuig aan te kopen vóór het verstrijken van de overeenkomst. 2. Uit die bepalingen volgt niet kennelijk dat de leveranciers het recht hebben aan een dealer op te leggen dat hij niet mag verkopen aan een leasingmaatschappij tenzij deze zich ertoe verbindt een minimale termijn van zes maanden verhuring te eisen van de lessor. 3. De appelrechters leggen Verordening 1400/2002 in die zin uit dat in het algemeen bedingen dat van de leasingmaatschappij een minimale termijn van zes maanden verhuring moet worden geëist, niet met de termen van Verordening 1400/2002 bestaanbaar blijkt en oordelen dat op het eerste gezicht aldus moet worden besloten dat de tekortkoming aan deze verbintenis uit artikel V 2° van de concessieovereenkomst, geen grond tot ontbinding kon opleveren. Op grond hiervan oordelen zij dat in de gegeven omstandigheden de bescherming die aan de verweerster voorlopig moet worden verleend tegen de op het eerste gezicht onterechte toepassing van de contractuele bedingen tussen partijen vereist dat de uitwerking hiervan wordt geneutraliseerd, in afwachting van een beslissing door een bodemrechter. Zulks vereist, volgens de appelrechters, dat de eiseressen hun verbintenissen voorlopig verder uitvoeren. 4. De uitlegging die zij geven aan de Verordening is niet kennelijk onredelijk. 5. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste en tweede onderdeel 6. Beide onderdelen zijn gericht tegen het oordeel van de appelrechters dat op het eerste gezicht moet worden aangenomen dat het beding uit artikel XVIII van de concessieovereenkomst op zichzelf niet bestaanbaar is met artikel 3, 6°,
- g)van Verordening 1400/2002. 7. De appelrechters steunen hun beoordeling dat de verbintenissen uit de overeenkomst voorlopig moesten worden uitgevoerd niet alleen op de in het eerste en tweede onderdeel bekritiseerde redenen, maar ook op de zelfstandige beoordeling die tevergeefs is aangevochten in het derde onderdeel dat er op het eerste gezicht geen gegronde reden was om de overeenkomst te beëindigen. 8. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het arrest blijft overeind door de zelfstandige redenen die in het derde onderdeel vergeefs zijn aangevochten. 9. De onderdelen zijn niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 557,01 euro jegens de eisende partijen en op de som van 295,45 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 6 oktober 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div