← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.3 Rolnummer: C.05.0266.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 191 - laatst gezien 2026-07-03 07:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 1, w, 2, 1° en 4,1°,

  1. b)iii) van de Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector volgt niet kennelijk dat de leveranciers het recht hebben aan een dealer op te leggen dat hij niet mag verkopen aan een leasingmaatschappij tenzij deze zich ertoe verbindt een minimale termijn van zes maanden verhuring te eisen van de lessor. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Motorvoertuigensector Verticale overeenkomsten Dealer Verplichting Verkoop Leasingmaatschappij Geoorloofdheid Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - INTERNATIONAAL RECHT Vrije woorden: OVEREENKOMST - INTERNATIONAAL RECHT Motorvoertuigensector Verticale overeenkomsten Dealer Verplichting Verkoop Leasingmaatschappij Geoorloofdheid Tekst van de beslissing Nr. C.05.0266.N 1. CITROËN BELUX, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Ijzerplein 7, 2. P.S.A. FINANCE BELUX, naamloze vennootschap, met zetel te 1180 Ukkel, Sterstraat 99, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen CITY MOTORS GROEP, naamloze vennootschap, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 89, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 februari 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit het arrest blijkt dat: 1. op 13 mei 2003 tussen de verweerster en de eerste eiseres een concessieovereenkomst voor onbepaalde duur en op 23 december 2003, tussen de verweerster en de tweede eiseres, een consignatieovereenkomst voor voertuigen, werd afgesloten; 2. artikel V 2° van de concessieovereenkomst aan de concessiehouder de verbintenis oplegt geen nieuwe of minder dan 3 maanden ingeschreven voertuigen van het merk Citroën aan leasingmaatschappijen te verkopen, tenzij mits naleving van de volgende voorwaarden: voorafgaand aan de bestelling controleren of de klant een leasingactiviteit uitoefent, voorafgaand aan de bestelling de verbintenis bekomen dat de maatschappij het voertuig zal verhuren en slechts zal mogen doorverkopen na minimaal 6 maanden, voorafgaand aan de bestelling het bewijs verkrijgen dat de leasingnemers niet de mogelijkheid hebben de eigendom te verwerven van het voertuig of de aankoopoptie te lichten voor het verstrijken van 6 maanden; 3. artikel XVIII van de concessieovereenkomst bepaalt dat elke partij onmiddellijk van rechtswege en zonder ingebrekestelling de huidige overeenkomst zal kunnen ontbinden bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs in geval van het niet respecteren door de ene of de andere partij van een van haar essentiële verplichtingen; 4. bij gerechtsdeurwaardersexploot van 1 juni 2004 de overeenkomsten door de eiseressen beëindigd werden omdat de verweerster Citroën-voertuigen zou hebben verkocht aan de leasingmaatschappij "Interlease" in strijd met artikel V 2° van de concessieovereenkomst. III. CASSATIEMIDDEL De eiseressen voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 584, tweede lid, en 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 81 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, goedgekeurd bij de wet van 2 december 1957 (gewijzigd bij het Verdrag van Maastricht van 7 februari 1992, goedgekeurd bij de wet van 26 november 1992, en bekrachtigd bij het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1998), verder "EG-Verdrag" genoemd; - de artikelen 1.w), 2.1, 3.4, 3.6.
  2. g)en 4.1.b).iii) van de Verordening (EG) Nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, rechtstreeks toepasselijk in België ingevolge artikel 249 van het EG-Verdrag, (hierna de Verordening genoemd); - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De appelrechters verklaren het door de eiseressen ingestelde hoger beroep ongegrond en bevestigen de door de eerste rechter opgelegde maatregel waarbij de eiseressen bevolen wordt de bestaande contractuele relaties met de verweerster verder te zetten totdat een beslissing ten gronde voorhanden is die met geen enkel rechtsmiddel meer kan worden bestreden, op grond van de volgende motieven: "20. In wezen vraagt (de verweerster) in hoofdorde dat het effect van de opzeggingsbeslissing zou geneutraliseerd worden omdat ze haar dermate veel nadeel toebrengt, dat ze haar verder bestaan bedreigt, terwijl de beslissing volgens haar geheel onterecht werd genomen. Indien op het eerste gezicht kan worden aangenomen dat die grief van (de verweerster) steekhoudend is, en het gevorderde komt tegemoet aan wat voor haar vereist is om voorlopig het schadelijke gevolg van de beweerde onterecht genomen beslissing te pareren, bestaat er aanleiding om het in te willigen. 21. (De eerste eiseres), en in haar zog (de tweede eiseres), heeft blijkens de per 1 juni 2004 betekende brief de concessieovereenkomst opgezegd met onmiddellijke ingang met toepassing van artikel XVIII van de overeenkomst. Hierin wordt bedongen dat '... (zal) elke partij onmiddellijk van rechtswege en zonder ingebrekestelling de huidige overeenkomst kunnen ontbinden bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs in geval van het niet respecteren door de ene of de andere partij van een van haar essentiële verplichtingen, onder voorbehoud van alle andere rechten en vorderingen'. Verder wordt er gesteld dat dit in het bijzonder zo zal zijn '... in geval van wederverkoop in tegenstrijd met de bepalingen van de artikelen V en XIV-9° van één of meer nieuwe voertuigen, en/of van uitrustingen en toebehoren aan een wederverkoper die geen lid is van het officiële Citroën distributienetwerk erkend als wederverkoper en gevestigd op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland'. Artikel V 2° legt aan de concessiehouder de verbintenis op 'geen nieuwe of minder dan 3 maanden ingeschreven voertuigen van het merk Citroën aan leasingmaatschappijen te verkopen, tenzij mits naleving van de volgende voorwaarden'. De voorwaarden houden het volgende in: (-) voorafgaand aan de bestelling controleren of de klant een leasingactiviteit uitoefent, (-) voorafgaand aan de bestelling de verbintenis bekomen dat de maatschappij het voertuig zal verhuren en slechts zal mogen doorverkopen na minimaal 6 maanden, (-) voorafgaand aan de bestelling het bewijs verkrijgen dat de leasingnemers niet de mogelijkheid hebben de eigendom te verwerven van het voertuig of de aankoopoptie te lichten voor het verstrijken van 6 maanden. 22. Er bestaat geen discussie over dat (de verweerster) artikel V 2° niet heeft nageleefd, wat de verbintenis van Interlease betreft inzake doorverkoop, maar zij voert aan dat ze zulks ook niet mocht aangezien het beding uit artikel V 2° strijdt met de Europese regelgeving, die dermate verregaande beperkingen inzake verkoop aan leasingmaatschappijen niet toelaat ingevolge de Verordening 1400/2002 betreffende de groepsvrijstelling voor de motorvoertuigensector. (De eerste eiseres) heeft zodoende per 1 juni 2004 de concessieovereenkomst niet eenzijdig verbroken, maar ze met onmiddellijke ingang ontbonden omdat volgens haar de conventionele voorwaarden hiertoe waren vervuld. Ze heeft dus toepassing willen maken van een recht dat de overeenkomst haar leek te bieden. 23. Overweging 11 van de Verordening maakt van de conventionele mogelijkheid tot snelle geschillenbeslechting tussen de partijen bij een distributieovereenkomst, in het bijzonder in geval van opzegging, een voorwaarde tot vrijstelling. Artikel 3, 6°, van de Verordening legt de verplichting op om in de verticale overeenkomst te bedingen dat elk van de partijen het recht heeft geschillen over de nakoming van hun contractuele verplichtingen aan een onafhankelijke deskundige of scheidsrechter voor te leggen, zonder afbreuk te doen aan het recht van elke partij om zich te wenden tot de nationale rechter. In littera
  3. g)wordt als één van de bedoelde geschillen opgesomd: 'de vraag of de beëindiging van een overeenkomst gerechtvaardigd is door de in de opzegging aangegeven redenen'. 24. Artikel 3, 6°, van de Verordening betreft de nakoming van contractuele verplichtingen, en lijkt aldus te moeten worden begrepen dat de overeenkomst moet behouden blijven in afwachting van de oplossing van het geschil. Hierin lijkt besloten te liggen dat een eenzijdig uitdrukkelijk ontbindend beding, waarbij de voorafgaande tussenkomst van een deskundige, scheidsrechter of rechter wordt ontlopen, niet rechtsgeldig kan bestaan wanneer één van de - overigens niet limitatief opgesomde - gevallen voorhanden is. Op het eerste gezicht moet dan worden aangenomen dat het beding uit artikel XVIII van de concessieovereenkomst op zichzelf niet bestaanbaar is met artikel 3, 6°,
  4. g)van de Verordening, daargelaten de vraag of van het beding een correcte toepassing werd gemaakt, gesteld dat het rechtsgeldig weze. 25. In de hypothese dat er zich geen principieel probleem stelt nopens de rechtsgeldigheid zelf van artikel XVIII rijst de vraag of schending van artikel V 2° kon aangevoerd worden als grond tot eenzijdige ontbinding. Blijkens de verklarende brochure van de Europese Commissie betreffende de Verordening 1400/2002 (p. 55 e.v.) kunnen de leveranciers passende maatregelen nemen om te voorkomen dat dealers nieuwe voertuigen verkopen aan wederverkopers die niet tot het distributienet behoren. Hij mag zijn dealer verplichten alles in het werk te stellen opdat afnemers geen nieuwe voertuigen zouden doorverkopen. 26. Evenwel lijkt in die toelichting niet besloten dat de leveranciers ook kunnen opleggen dat een dealer niet mag verkopen aan een leasingmaatschappij tenzij indien deze er zich wil toe verbinden het voertuig gedurende minstens zes maanden het voertuig niet door te verkopen. In het algemeen bedingen dat van de leasingmaatschappij een minimale termijn van zes maanden verhuring moet worden geëist, blijkt niet met de termen van de geciteerde vordening bestaanbaar. In het voorliggende geval heeft (de eerste eiseres) precies van de afwezigheid van deze verbintenis in hoofde van Interlease het punt van de ontbinding gemaakt. Tekortkoming door (de verweerster) aan andere bedingen van de concessieovereenkomst is in wezen nooit aan de orde geweest. Zelfs indien de geldigheid van het uitdrukkelijk ontbindend beding overeind zou blijven, moet aldus op het eerste gezicht worden besloten dat de in de brief van 1 juni 2004 aangevoerde reden, geen grond tot ontbinding kon opleveren. 27. Hieruit volgt dan dat (de eerste eiseres) over geen rechtsgeldige conventionele mogelijkheid beschikte om de concessieovereenkomst eenzijdig te ontbinden, en minstens dat, zo ze hierover wel beschikte, ze er in de litigieuze omstandigheden geen relevante toepassing kon van maken. Navolgend beschikte (de tweede eiseres) evenmin over een conventionele grond om de overeenkomst inzake consignatie van voertuigen te beëindigen. Aangezien moet worden aangenomen dat de beide (eiseressen) wilden handelen binnen de perken van de overeenkomst die hen met (de verweerster) verbond, moet worden besloten dat de akte waarbij ze de ontbinding respectievelijk de beëindiging ingevolge die ontbinding betekenden, niet het door hen beoogde rechtsgevolg kan sorteren. 28. De gevolgen van de betekende opzeggingen blijken voor (de verweerster) zeer ingrijpend te zijn. De bedrijfsactiviteit van (de verweerster) is er vrijwel door lam gelegd, terwijl ze nauwelijks enkele jaren voordien substantiële investeringen had gedaan om te voldoen aan de eisen van (de eerste eiseres) en hiervoor omvangrijke externe financiering heeft aangesproken. ING Bank heeft onder verwijzing naar die opzeggingen haar kredieten opgezegd en heeft zakelijke zekerheden genomen. Zonder de mogelijkheid tot exploitatie van de concessie, die goed is voor ongeveer 1.200 verkochte voertuigen per jaar, is het bestaan zelf van (de verweerster) in het geding. 29. In de gegeven omstandigheden vereist de bescherming die aan (de verweerster) voorlopig moet worden verleend tegen het op het eerste gezicht onterechte toepassing van de contractuele bedingen tussen partijen dat de uitwerking hiervan wordt geneutraliseerd, in afwachting van een beslissing door een bodemrechter. Zulks vereist dat (de eiseressen) hun verbintenissen voorlopig verder uitvoeren. Indien zulks niet zou gebeuren, terwijl kan worden gevreesd dat (de verweerster) aan het optreden van (de eiseressen) zou ten onder gaan, zou schadevergoeding overigens niet meer de passende vervangende vergoeding kunnen opleveren. 30. Het algemeen besluit luidt dan dat het hoger beroep moet worden verworpen" (bestreden arrest, blz. 10 - 16). Grieven Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging moet de rechter de heropening van de debatten bevelen indien hij zijn beslissing steunt op een verweermiddel dat door de partijen niet was aangevoerd. De appelrechters beslissen dat artikel 3, 6°, van de Verordening de nakoming van contractuele verplichtingen betreft, en aldus lijkt te moeten worden begrepen dat de overeenkomst moet behouden blijven in afwachting van de oplossing van het geschil, zodat op het eerste gezicht moet worden aangenomen dat het beding uit artikel XVIII van de concessieovereenkomst op zichzelf niet bestaanbaar is met artikel 3, 6°, g), van de Verordening, daargelaten de vraag of van het beding een correcte toepassing werd gemaakt, gesteld dat het rechtsgeldig weze. De verweerster voerde in conclusie echter niet aan dat het beding uit artikel XVIII van de concessieovereenkomst op zichzelf niet bestaanbaar is met artikel 3, 6, g), van de Verordening. De appelrechters schenden dan ook het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek door ambtshalve op grond van voormelde overwegingen te beslissen dat het beding uit artikel XVIII van de concessieovereenkomst op zichzelf niet bestaanbaar is met artikel 3, 6, g), van de Verordening, zonder de debatten te heropenen en zonder de eiseressen uit te nodigen om hierover hun standpunt uiteen te zetten. Tweede onderdeel Naar luid van artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet de rechter in kort geding bij voorraad uitspraak in de gevallen die hij spoedeisend acht. Overeenkomstig artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter in kort geding maatregelen tot bewaring van recht bevelen indien er een schijn van recht is die het nemen van een beslissing verantwoordt. Artikel 2.1 van de Verordening 1400/2002 bepaalt dat overeenkomstig artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening, artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag hierbij buiten toepassing wordt verklaard voor verticale overeenkomsten die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen nieuwe motorvoertuigen, reserveonderdelen voor motorvoertuigen of herstellings- of onderhoudsdiensten voor motorvoertuigen kunnen kopen, verkopen of doorverkopen. Deze bepaling is van toepassing voorzover deze verticale overeenkomsten verticale beperkingen bevatten. Artikel 3.6.
  5. g)van de Verordening bepaalt dat de vrijstelling, zoals bepaald in voormeld artikel 2.1 van de Verordening, van toepassing is op voorwaarde dat in de verticale overeenkomst is bepaald dat elk van de partijen het recht heeft geschillen over de nakoming van hun contractuele verplichtingen aan een onafhankelijke deskundige of scheidsrechter voor te leggen. Deze geschillen kunnen onder meer verband houden met de vraag of de beëindiging van een overeenkomst gerechtvaardigd is door de in de opzegging aangegeven redenen. Het in de eerste zin bedoelde recht doet geen afbreuk aan het recht van elke partij zich tot de nationale rechter te wenden. Noch in deze bepaling, noch in artikel 3.4 van de Verordening, luidens hetwelk de vrijstelling van toepassing is op voorwaarde dat in de verticale overeenkomst welke met een distributeur of een hersteller is gesloten, is bepaald dat een leverancier die een overeenkomst wenst op te zeggen, zulks schriftelijk moet doen en uitvoerig opgave moet doen van de objectieve en doorzichtige redenen voor de beëindiging, noch in enige andere bepaling van de Verordening is bepaald dat de overeenkomst moet behouden blijven in afwachting van de oplossing van het geschil. Voormelde bepalingen van de Verordening sluiten dan ook geenszins uit dat een partij de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbindt met onmiddellijke ingang, overeenkomstig een uitdrukkelijk ontbindend beding dat in de concessieovereenkomst is opgenomen. De appelrechters beslissen derhalve ten onrechte dat het eenzijdig uitdrukkelijk ontbindend beding, vervat in artikel XVIII van de tussen partijen gesloten concessieovereenkomst, en waarvan de tekst in het bestreden arrest wordt weergegeven, op zichzelf niet bestaanbaar is met artikel 3. 6.
  6. g)van de Verordening en weigeren dan ook ten onrechte toepassing te maken van deze contractuele bepaling (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). De appelrechters beslissen op grond van deze overweging eveneens ten onrechte dat de eerste en de tweede eiseres niet over een conventionele grond beschikten om de concessieovereenkomst en de overeenkomst inzake consignatie van voertuigen te beëindigen. Hieruit volgt dat de appelrechters bij het onderzoek van de ogenschijnlijke rechten van de partijen een onbestaande rechtsregel betrokken hebben, die de voorlopige maatregel die zij bevelen, niet redelijk kan schragen. De rechter in kort geding heeft derhalve de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden (schending van de artikelen 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 81 van het EG-Verdrag en 2.1, 3.4 en 3.6.
  7. g)van de Verordening). Derde onderdeel Naar luid van artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek doet de rechter in kortgeding bij voorraad uitspraak in de gevallen die hij spoedeisend acht. Overeenkomstig artikel 584, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter in kortgeding maatregelen tot bewaring van recht bevelen indien er een schijn van recht is die het nemen van een beslissing verantwoordt. Artikel 2.1 van de Verordening 1400/2002 bepaalt dat overeenkomstig artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening, artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag hierbij buiten toepassing wordt verklaard voor verticale overeenkomsten die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen nieuwe motorvoertuigen, reserveonderdelen voor motorvoertuigen of herstellings- of onderhoudsdiensten voor motorvoertuigen kunnen kopen, verkopen of doorverkopen. Deze bepaling is van toepassing voorzover deze verticale overeenkomsten verticale beperkingen bevatten. Overeenkomstig artikel 4.1.
  8. b)van de Verordening is de vrijstelling, in de zin van voormeld artikel 2.1 van de Verordening, niet van toepassing op verticale overeenkomsten die tot doel hebben het gebied te beperken waarin of de klanten aan wie de distributeur of de hersteller de contractgoederen of -diensten mag verkopen. Overeenkomstig artikel 4.1.b).iii) van de Verordening geldt de vrijstelling echter wel voor de beperking van de verkoop van nieuwe motorvoertuigen en reserveonderdelen aan niet-erkende distributeurs door de leden van een selectief distributiestelsel op markten waar selectieve distributie wordt toegepast. De Verordening biedt aan de distributeur derhalve de vrijheid om te verkopen aan eindgebruikers, doch laat toe dat, bij selectieve distributie, de verkoop van nieuwe voertuigen aan niet-erkende wederverkopers wordt beperkt. Overeenkomstig artikel 1.
  9. w)van de Verordening is een leasingmaatschappij een eindgebruiker, tenzij in de gebruikte leasingovereenkomsten voorzien is in een eigendomsoverdracht of een optie om het voertuig aan te kopen vóór het verstrijken van de overeenkomst. De distributeur heeft derhalve de vrijheid om te verkopen aan leasingmaatschappijen in zoverre deze als eindgebruiker optreden. De verkoop aan leasingmaatschappijen kan evenwel beperkt worden indien de leasingmaatschappij niet als eindgebruiker, maar wel als wederverkoper optreedt. Uit de samenlezing van voormelde bepalingen volgt dan ook dat de leverancier kan eisen dat de distributeur aan een leasingmaatschappij aan wie hij wenst te verkopen, de verplichting oplegt om geen nieuwe voertuigen door te verkopen en derhalve de verplichting oplegt de nieuwe voertuigen gedurende een minimale termijn te verhuren. De appelrechters stellen vast dat artikel XVIII van de tussen partijen gesloten concessieovereenkomst bepaalt dat elke partij onmiddellijk van rechtswege en zonder ingebrekestelling de huidige overeenkomst zal kunnen ontbinden in geval van het niet respecteren van een van de essentiële verplichtingen en dat dit in het bijzonder zo zal zijn in geval van wederverkoop, in tegenstrijd met de bepalingen van de artikelen V en XIV, 9°, van één of meer nieuwe voertuigen en/of van uitrustingen en toebehoren aan een wederverkoper die geen lid is van het officiële Citroën-distributienetwerk erkend als wederverkoper en gevestigd op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. De appelrechters stellen nog vast dat artikel V 2° aan de concessiehouder de verbintenis oplegt geen nieuwe of minder dan 3 maanden ingeschreven voertuigen van het merk Citroën aan leasingmaatschappijen te verkopen tenzij hij voorafgaand aan de bestelling de verbintenis bekomt dat de maatschappij het voertuig aan haar klant zal verhuren en slechts zal mogen doorverkopen na minimaal zes maanden en tenzij hij voorafgaand aan de bestelling het bewijs verkrijgt dat de leasingnemers niet de mogelijkheid hebben de eigendom te verwerven van het voertuig of de aankoopoptie te lichten voor het verstrijken van zes maanden. De appelrechters beslissen dat uit de artikelen 4.1.b).iii) en 1.
  10. w)van de Verordening volgt dat de leverancier niet mag bedingen dat de distributeur niet mag verkopen aan een leasingmaatschappij tenzij ingeval deze er zich wil toe verbindt het voertuig gedurende minstens zes maanden niet door te verkopen. De appelrechters beslissen op die grond dat het niet naleven van voormeld beding, vervat in de artikelen V en XVIII van de tussen partijen gesloten overeenkomst, geen grond tot ontbinding kan opleveren, zodat noch de eerste, noch de tweede eiseres over een conventionele mogelijkheid beschikten om de concessieovereenkomst en de overeenkomst inzake consignatie van voertuigen eenzijdig te ontbinden. Nu noch artikel 4.1.b).iii), noch artikel 1.w), noch enige andere bepaling van de Verordening, de leverancier verbiedt vanwege de distributeur te bedingen dat deze laatste vanwege de leasingmaatschappij de verbintenis verkrijgt gedurende een minimale termijn van zes maanden niet door te verkopen en nu integendeel uit de samenlezing van deze bepalingen blijkt dat de leverancier in de concessieovereenkomst wel een dergelijk beding kan inlassen, betrekken de appelrechters, door te beslissen dat in het algemeen bedingen dat van de leasingmaatschappij een minimale termijn van zes maanden verhuring moet worden geëist, niet bestaanbaar blijkt met de termen van de geciteerde verordening en door op die grond te weigeren uitwerking te verlenen aan de tussen partijen gesloten overeenkomst, bij het onderzoek van de ogenschijnlijke rechten van de partijen een onbestaande rechtsregel, die de voorlopige maatregel die zij bevelen, niet redelijk kan schragen. De rechter in kort geding heeft derhalve de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 584 van het Gerechtelijk Wetboek, 81 van het EG-Verdrag en 1.w), 2.1 en 4.1.b).iii) van de Verordening 1400/2002). IV. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel

(1)1. Artikel 2, 1°, van Verordening (EG) 1400/2002 Com. van 31 juli 2002, betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het EG-Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, bepaalt dat overeenkomstig artikel 81, lid 3, van het Verdrag en onverminderd de bepalingen van deze verordening, artikel 81, lid 1, hierbij buiten toepassing wordt verklaard voor verticale overeenkomsten die betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de partijen nieuwe motorvoertuigen, reserveonderdelen voor motorvoertuigen of herstellings- of onderhoudsdiensten voor motorvoertuigen kunnen kopen, verkopen of doorverkopen. Artikel 4, 1°, b), iii) van die Verordening bepaalt in verband met de hardekernbeperkingen: "De vrijstelling is niet van toepassing op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben: (...)
  1. b)de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie de distributeur of de hersteller de contractgoederen of diensten mag verkopen; de vrijstelling geldt echter wel voor: (...) iii) de beperking van de verkoop van nieuwe motorvoertuigen en reserveonderdelen aan niet-erkende distributeurs door de leden van een selectief distributiestelsel op markten waar selectieve distributie wordt toegepast, onverminderd het bepaalde onder i)". Volgens artikel 1, w), van de Verordening dient onder "eindgebruiker" te worden verstaan, onder meer leasingbedrijven tenzij in de gebruikte leasingovereenkomsten voorzien is in een eigendomsoverdracht of een optie om het voertuig aan te kopen vóór het verstrijken van de overeenkomst. 2. Uit die bepalingen volgt niet kennelijk dat de leveranciers het recht hebben aan een dealer op te leggen dat hij niet mag verkopen aan een leasingmaatschappij tenzij deze zich ertoe verbindt een minimale termijn van zes maanden verhuring te eisen van de lessor. 3. De appelrechters leggen Verordening 1400/2002 in die zin uit dat in het algemeen bedingen dat van de leasingmaatschappij een minimale termijn van zes maanden verhuring moet worden geëist, niet met de termen van Verordening 1400/2002 bestaanbaar blijkt en oordelen dat op het eerste gezicht aldus moet worden besloten dat de tekortkoming aan deze verbintenis uit artikel V 2° van de concessieovereenkomst, geen grond tot ontbinding kon opleveren. Op grond hiervan oordelen zij dat in de gegeven omstandigheden de bescherming die aan de verweerster voorlopig moet worden verleend tegen de op het eerste gezicht onterechte toepassing van de contractuele bedingen tussen partijen vereist dat de uitwerking hiervan wordt geneutraliseerd, in afwachting van een beslissing door een bodemrechter. Zulks vereist, volgens de appelrechters, dat de eiseressen hun verbintenissen voorlopig verder uitvoeren. 4. De uitlegging die zij geven aan de Verordening is niet kennelijk onredelijk. 5. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste en tweede onderdeel 6. Beide onderdelen zijn gericht tegen het oordeel van de appelrechters dat op het eerste gezicht moet worden aangenomen dat het beding uit artikel XVIII van de concessieovereenkomst op zichzelf niet bestaanbaar is met artikel 3, 6°,
  2. g)van Verordening 1400/2002. 7. De appelrechters steunen hun beoordeling dat de verbintenissen uit de overeenkomst voorlopig moesten worden uitgevoerd niet alleen op de in het eerste en tweede onderdeel bekritiseerde redenen, maar ook op de zelfstandige beoordeling die tevergeefs is aangevochten in het derde onderdeel dat er op het eerste gezicht geen gegronde reden was om de overeenkomst te beëindigen. 8. De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het arrest blijft overeind door de zelfstandige redenen die in het derde onderdeel vergeefs zijn aangevochten. 9. De onderdelen zijn niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 557,01 euro jegens de eisende partijen en op de som van 295,45 euro jegens de verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Stassijns en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 6 oktober 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061006.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.