← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061010.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061010.6 Rolnummer: P.06.1301.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 415 - laatst gezien 2026-07-03 21:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Een verdachte is slechts ter beschikking van de onderzoeksrechter in de zin van artikel 3 Voorlopige Hechteniswet, wanneer hij zich in het onmiddellijk bereik van die rechter bevindt, zodat deze die verdachte onverwijld kan verhoren; de omstandigheid dat de onderzoeksrechter zijn bevoegdheid uitoefent over het hele grondgebied van het Rijk doet daaraan niets af en is daarvoor geen criterium

(1).
(1)Zie Cass., 12 dec. 2000, AR P.00.1664.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001212.7, nr 683 met noot M.D.S.; 22 maart 2005, AR P.05.0347.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050322.33, nr 179; VERSTRAETEN, R., Handboek Strafvordering, 4de uitgave 2005, p. 500, nr 1029; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 3° Ed. 2003, p. 215, nr 400, die preciseert dat het niet volstaat dat de verdachte zich bevindt in het gerechtelijk arrondissement waar de onderzoeksrechter zijn bevoegdheden uitoefent om te voldoen aan het criterium van het "ter beschikking staan van de onderzoeksrechter". Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT MEDEBRENGING Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT MEDEBRENGING Voorwaarde Verdachte ter beschikking gesteld van de onderzoeksrechter VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT MEDEBRENGING Verdachte die niet ter beschikking gesteld is van de onderzoeksrechter Verdachte die zich bevindt op een plaats waar de onderzoeksrechter zijn bevoegdheden kan uitoefenen Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: ONDERZOEKSRECHTER Gespecialiseerde onderzoeksrechter Artikel 62bis, vierde en vijfde lid, Sv. Bevoegdheid over het hele grondgebied van het Rijk Bevel tot medebrenging Toepassing Tekst van de beslissing Nr. P.06.1301.N V I J, verdachte, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Jan Dewinter en mr. Serge Defrenne, beiden advocaten bij de balie te Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 september
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die tot staving van een middel zijn aangevoerd maar geen afzonderlijk middel vormen.
  3. De appelrechters verwerpen eisers verweer over het effectief te beschikking zijn van de onderzoeksrechter met de reden dat dit niet zo was omdat hij zich bevond in een ander arrondissement. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. De eiser voert aan dat de onderzoeksrechter, gespecialiseerd om kennis te nemen van de misdrijven bedoeld in de artikelen 137 tot 141 Strafwetboek, krachtens artikel 62bis, vierde en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, zijn bevoegdheid uitoefent over het hele grondgebied van het Rijk. Dit houdt in dat tegen een persoon die verdacht wordt van een van die misdrijven geen bevel tot medebrenging mogelijk is omdat die verdachte vanaf zijn effectieve vrijheidsberoving steeds noodzakelijk ter beschikking van de onderzoeksrechter is.
  5. Krachtens artikel 3 Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter een met redenen omkleed bevel tot medebrenging uitvaardigen tegen elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan en die niet reeds te zijner beschikking is gesteld. Een verdachte is slechts ter beschikking van de onderzoeksrechter in de zin van het vermelde artikel wanneer hij zich in het onmiddellijk bereik van die rechter bevindt zodat deze die verdachte onverwijld kan verhoren. De omstandigheid dat de onderzoeksrechter zijn bevoegdheid uitoefent over het hele grondgebied van het Rijk doet daaraan niet af en is daarvoor geen criterium. In zoverre het onderdeel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
  6. In zoverre het onderdeel voor het overige opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de rechters dat de eiser, omdat hij "zich in een ander gerechtelijk arrondissement bevond", niet ter beschikking van de onderzoeksrechter was, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert aan dat het arrest het bevel tot aanhouding niet kan aanvullen noch bevestigen omdat dat bevel, met schending van artikel 16, ,§5, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, bij de vermelding van de redenen die de voorlopige hechtenis wettigen, volstrekt niet verwijst naar de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak en de persoon van de verdachte.
  8. Het bevel tot aanhouding stelt vast, onder meer, dat de eiser niet alleen lid is maar ook leiding geeft aan een terroristische groep, dat hij met een medeverdachte vergadert en dat gedachtegoed wordt gepropageerd. Anders dan het middel aanvoert verwijst het bevel tot aanhouding aldus wel naar concrete gegevens die eigen zijn aan de zaak en de persoon van de eiser. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  9. Voor het overige vermogen de appelrechters wettig de redenen van het aanhoudingsbevel aan te vullen door te verwijzen naar de vordering van de federaal magistraat, die zij overnemen en bevestigen. Het arrest dat op grond van het geheel van die redenen de voorlopige aanhouding van de eiser handhaaft, is naar recht verantwoord. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser in de kosten. Begroot de kosten op 97,88 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061010.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001212.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050322.33 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120117.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120117.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.