← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061013.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061013.5 Rolnummer: C.05.0165.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 283 - laatst gezien 2026-07-03 07:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verpachter die gebruik maakt van zijn recht om het verpachte goed door een van zijn afstammelingen te laten exploiteren kan geen opzegging geven om de exploitatie ervan aan een vennootschap over te dragen; de omstandigheid dat de zaakvoerder van deze vennootschap de zoon is van de verpachter doet hieraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Landpacht - Opzegging Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Einde (Opzegging. Verlenging. Terugkeer. Enz) Opzegging door de verpachter Overdracht van de exploitatie aan een afstammeling Vennootschap Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Artt.7,1°,8, Annotaties Publicaties: T.B.O. - R.GOTZEN; Vennootschappen zijn geen kinderen. - 2007, 140-142 T.Agr.R./Rev.dr.rur. - X; Noot - 2007, 64-68 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0165.N 1. L.L., 2. V.E., eisers, vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B.A., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 30 juni 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 7, 1°, 8, ,§1 en ,§2, en 9 van de Pachtwet (Afdeling III, Hoofdstuk II, Titel VIII, boek III van het burgerlijk Wetboek), zoals vervangen door de artikelen 5, respectievelijk 6 en 8 van de wet van 7 november 1988. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis beslist dat de eerste rechter kan gevolgd worden waar hij oordeelde dat de opzeg van de verweerster ten gunste van haar zoon als zaakvoerder van de BVBA Ten Elzas om de exploitatie onder de vorm van de BVBA Ten Elzas te laten geschieden, rechtsgeldig is. Het bestreden vonnis steunt deze beslissing op de volgende overwegingen: "De eerste rechter kan worden gevolgd waar hij oordeelde dat de opzeg van (de verweerster) ten gunste van haar zoon als zaakvoerder van de BVBA Ten Elzas om de exploitatie onder de vorm van de BVBA Ten Elzas te laten geschieden, rechtsgeldig is. De artikelen 7, 1°, en 8, van de Pachtwet voorzien verschillende situaties waarin de verpachter kan opzeggen voor eigen exploitatie en bepalen inderdaad wie in aanmerking kan komen als begunstigde van een opzeg voor persoonlijke exploitatie. (De eisers) kunnen ook door deze rechtbank niet worden gevolgd waar zij voorhouden dat de artikelen 7, 1°, en 8, dien(

  1. en)te worden losgezien van artikel 9 van de Pachtwet. Het door de wet van 4 november 1969 ingevoerde artikel 9 van de Pachtwet, voorziet namelijk in een aantal voorwaarden waaraan de opzegging voor eigen exploitatie moest voldoen. Terwijl door de wet van 4 november 1969 de nadruk werd gelegd op de voorwaarden waaraan de voorgenomen exploitatie moest voldoen, worden door toedoen van de wet van 7 november 1988 enkele belangrijke innovaties wat betreft de opzegging voor eigen exploitatie ingevoerd. Zo worden een aantal voorwaarden toegevoegd omtrent de persoon van de toekomstige exploitant (leeftijd, beroepsbekwaamheid en juridische vorm van de rechtspersoon). Deze evolutie in de pachtwetgeving was noodzakelijk daar de vennootschappen ook in de landbouw een plaats hadden verworven. De wetgever had immers zelf de exploitatie van landbouwbedrijven in vennootschapsvorm gestimuleerd door te voorzien in de mogelijkheid tot oprichting van de landbouwvennootschap. De eerste rechter kan verder eveneens worden gevolgd waar hij oordeelde dat de opzeg voor vennootschappen niet gelimiteerd wordt tot landbouwvennootschappen. Terecht kan in dit verband worden verwezen naar het bepaalde in het vijfde lid van artikel 9 van de Pachtwet dat uitdrukkelijk stelt dat de in dit artikel bedoelde rechtspersonen moeten opgericht zijn overeenkomstig de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap of in de vorm van een personenvennootschap of een éénpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid en in het eerste en tweede lid van gezegd artikel zijn de voorwaarden bepaald waaraan de exploitatie van het teruggenomen goed door degene of degenen die in de opzeg als aanstaande exploitant zijn aangeduid of, indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders moeten voldoen. Gelet op het voorgaande meent de rechtbank dat voldoende vaststaat dat (de verweerster) volledig rechtsgeldig kon opzeggen ten gunste van de personenvennootschap waarvan haar zoon zaakvoerder is". Enig onderdeel Schending van de artikelen 7, 1°, 8, ,§1 en ,§2, en 9 van de Pachtwet (welke afdeling III vormt van Hoofdstuk II, Titel VIII, van boek III van het Burgerlijk Wetboek). Het bestreden vonnis beslist dat de opzeg van de pachtovereenkomst door de verweerster ten gunste van haar zoon als zaakvoerder van de BVBA "Ten Elzas" om de exploitatie onder de vorm van de BVBA "Ten Elzas" te laten geschieden, rechtsgeldig is. Volgens het vonnis dient uit de samenlezing van de artikelen 7, 1°, 8, en 9, van de Pachtwet afgeleid te worden dat een verpachter rechtsgeldig kan opzeggen ten gunste van een personenvennootschap waarvan een afstammeling zaakvoerder is. De artikelen 7, 1°, en 8, van de Pachtwet voorzien in een aantal situaties waarin de verpachter kan opzeggen voor eigen exploitatie. Deze artikelen bepalen wie in aanmerking komt als begunstigde van een opzeg voor eigen exploitatie. De verpachter kan niet alleen opzeggen voor zichzelf, maar ook om de exploitatie over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot. Artikel 9 van de Pachtwet, zoals het werd vervangen door de wet van 7 november 1988, bevat een aantal voorwaarden waaraan de opzegging voor eigen exploitatie moet voldoen. Artikel 9, eerste lid, van de Pachtwet stelt dat de exploitatie van het goed dat van de pachter is teruggekomen op grond van de artikelen 7, 1°, of 8, van de Pachtwet, een persoonlijke, werkelijke en ten minste negen jaar voortgezette exploitatie moet zijn door degene of degenen die in de opzegging als exploitant zijn aangewezen, of indien zij rechtspersonen zijn, door hun verantwoordelijke organen of bestuurders en niet alleen door hun aangestelden. De artikelen 7, 1°, en 8, van de Pachtwet bepalen derhalve wie in aanmerking komt als begunstigde van een opzeg voor eigen exploitatie, terwijl artikel 9 van de Pachtwet de voorwaarden bepaalt waaraan de persoonlijke exploitatie moet voldoen alsook de voorwaarden die moeten vervuld worden door de aanstaande exploitant. De Pachtwet bepaalt echter niet dat de verpachter, als fysieke persoon opzeg kan geven ten voordele van een vennootschap, waarvan de verantwoordelijke bestuurders of zaakvoerders afstammelingen zijn van de verpachter. Door te beslissen dat de opzegging van de pacht door de verweerster gedaan ten gunste van haar zoon als zaakvoerder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid om de exploitatie onder de vorm van deze vennootschap te laten geschieden, rechtsgeldig is, schendt het bestreden vonnis de artikelen 7, 1°, en 8, van de Pachtwet, welke artikelen bepalen wie in aanmerking komt als begunstigde van een opzeg voor eigen exploitatie en artikel 9 van de Pachtwet, dat de voorwaarden bepaalt waaraan de persoonlijke exploitatie moet voldoen alsook de voorwaarden die moeten vervuld worden door de aanstaande exploitant. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 12.6 van de Pachtwet (welke afdeling III vormt van Hoofdstuk II, Titel VIII, van boek III van het Burgerlijk Wetboek), zoals vervangen bij artikel 11 van de wet van 7 november 1988. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis beslist dat artikel 12.6 van de Pachtwet niet vereist dat het exploiteren van het landbouwbedrijf waarin de opgezegde landbouweigendommen zullen worden geëxploiteerd, de hoofdactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken. Het bestreden vonnis beslist dan ook dat het de eerste rechter bijtreedt waar deze oordeelde dat er geen redenen zijn om de ernst en de oprechtheid van het door de verweerster opgegeven opzeggingsmotief te betwijfelen. Het bestreden vonnis steunt deze beslissing op de volgende overwegingen: "(De eisers) betwisten vervolgens de ernst van de persoonlijke en effectieve exploitatie door de rechtspersoon en voeren ter argumentatie aan dat (de verweerster) niet bewijst dat de BVBA Ten Elzas ten gunste van wie de opzeg werd gedaan aan landbouwexploitatie doet en dat deze landbouwexploitatie overeenkomstig artikel 12.6 van de Pachtwet de hoofdactiviteit van de bedoelde vennootschap uitmaakt. Artikel 12.6 van de Pachtwet voorziet in een supplementaire bescherming van de pachter die zijn hoofdberoep heeft in de landbouw tegen de toekomstige exploitant met een beperkte activiteit. In tegenstelling tot hetgeen (de eisers) voorhouden, vereist artikel 12.6 van de Pachtwet niet dat het exploiteren van het landbouwbedrijf waarin de opgezegde landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, de hoofdactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken. In artikel 12.6, tweede lid, van de Pachtwet wordt namelijk uitdrukkelijk de term 'een overwegend deel' van de beroepsactiviteit vermeld. De wetgever eist echter niet dat de zaakvoerder of bestuurder van de vennootschap aangeduid als toekomstige exploitant, een overwegend deel van zijn beroepsactiviteiten aan de landbouw spendeert. (De eisers) kunnen dan ook geenszins gevolgd worden waar zij voorhouden dat ook A.V.M. , zijnde de zaakvoerder van de BVBA, ten gunste van wie de opzegging werd gedaan, moet bewijzen dat de landbouwexploitatie zijn hoofdactiviteit uitmaakt. Tot slot dient er nog op gewezen dat voor de begunstigde van de opzegging, met andere woorden de BVBA Ten Elzas, de landbouwexploitatie nog geen overwegend deel van zijn beroepsbekwaamheid hoeft uit te maken op het ogenblik dat de teruggenomen goederen in bedrijf worden genomen (E. Stassijns, Pacht, A.P.R., pagina 241, nummer 273). Aldus is het, in tegenstelling tot hetgeen (de eisers) voorhouden, geenszins noodzakelijk dat de BVBA Ten Elzas de door (de eisers) gesommeerde stukken voorlegt. Gelet op al het voorgaande kan deze rechtbank dan ook de eerste rechter bijtreden waar deze oordeelde dat er geen redenen zijn om de ernst en de oprechtheid van het door (de verweerster) opgegeven opzeggingsmotief te betwijfelen en hij de door haar gestelde vordering gegrond verklaarde". Eerste onderdeel Schending van de artikelen 12.6 van de Pachtwet (welke afdeling III vormt van Hoofdstuk II, Titel VIII, van boek III van het Burgerlijk Wetboek). Artikel 12.6, tweede lid, van de Pachtwet bepaalt dat, wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, slechts opzegging voor persoonlijke exploitatie kan worden gedaan, indien het exploiteren van het landbouwbedrijf, waarin de opgezegde landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, een overwegend deel van de beroepsactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken. Het bestreden vonnis stelt dat de eisers de ernst van de persoonlijke en effectieve exploitatie door de rechtspersoon betwisten en aanvoeren dat de verweerster niet aantoont dat landbouwexploitatie de hoofdactiviteit is van de vennootschap ten gunste van wie de opzeg werd gedaan. Het bestreden vonnis beslist met betrekking tot artikel 12.6 van de Pachtwet dat dit artikel niet vereist dat het exploiteren van het landbouwbedrijf waarin de opgezegde landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, de hoofdactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken. Uit artikel 12.6 van de Pachtwet volgt echter dat de hoofdactiviteit van de exploiterende vennootschap landbouw dient te zijn. Daar artikel 12.6 van de Pachtwet vereist dat een vennootschap een overwegend deel van haar beroepsactiviteit aan landbouw dient te besteden, dient landbouw de hoofdactiviteit van de vennootschap te zijn. Door te beslissen dat artikel 12.6 van de Pachtwet niet vereist dat het exploiteren van het landbouwbedrijf waarin de opgezegde landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, de hoofdactiviteit van de exploiterende vennootschap, moet uitmaken, schendt het bestreden vonnis derhalve artikel 12.6 van de Pachtwet dat vereist dat het exploiteren van het landbouwbedrijf, waarin de opgezegde landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, een overwegend deel van de beroepsactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken. Tweede onderdeel Schending van de artikelen 12.6 van de Pachtwet (welke afdeling III vormt van Hoofdstuk II van Titel VIII van boek III van het Burgerlijke Wetboek). Artikel 12.6, tweede lid, van de Pachtwet bepaalt dat, wanneer de pachter zijn hoofdberoep in de landbouw heeft, slechts opzegging voor persoonlijke exploitatie kan worden gedaan, indien het exploiteren van het landbouwbedrijf, waarin de opgezegde landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, een overwegend deel van de beroepsactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken. Het bestreden vonnis oordeelt terecht dat de eisers de ernst van de persoonlijke en effectieve exploitatie betwisten. Het vonnis beslist echter dat er geen redenen zijn om de ernst en de oprechtheid van het door de verweerster opgegeven opzeggingsmotief te betwisten (zodat de vordering van de eisers ongegrond wordt verklaard). Het vonnis steunt deze beslissing op overwegingen die aangeven dat de verschillende door de eisers aangehaalde middelen niet gevolgd kunnen worden. Het bestreden vonnis verwijst echter naar geen enkel feit of stuk waaruit blijkt dat de verpachter aantoont dat de toekomstige exploitant een overwegend deel van zijn beroepsactiviteit aan landbouw zal spenderen. De beslissing dat er geen redenen zijn om de ernst en de oprechtheid van het door de verweerster opgegeven opzeggingsmotief te betwijfelen steunt immers volledig op de volgende overwegingen: "Artikel 12.6 van de Pachtwet voorziet in een supplementaire bescherming van de pachter die zijn hoofdberoep heeft in de landbouw tegen de toekomstige exploitant met een beperkte activiteit. In tegenstelling tot hetgeen (de eisers) voorhouden, vereist artikel 12.6 van de Pachtwet niet dat het exploiteren van het landbouwbedrijf waarin de opgezegde landeigendommen zullen worden geëxploiteerd, de hoofdactiviteit van de aanstaande exploitant zal uitmaken. In artikel 12.6, tweede lid, van de Pachtwet wordt namelijk uitdrukkelijk de term 'een overwegend deel' van de beroepsactiviteit vermeld. De wetgever eist echter niet dat de zaakvoerder of bestuurder van de vennootschap aangeduid als toekomstige exploitant, een overwegend deel van zijn beroepsactiviteiten aan de landbouw spendeert. (De eisers) kunnen dan ook geenszins gevolgd worden waar zij voorhouden dat ook A.V.M., zijnde de zaakvoerder van de BVBA ten gunste van wie de opzegging werd gedaan, moet bewijzen dat de landbouwexploitatie zijn hoofdactiviteit uitmaakt. Tot slot dient er nog op gewezen dat voor de begunstigde van de opzegging, met andere woorden de BVBA Ten Elzas, de landbouwexploitatie pas een overwegend deel van zijn beroepsbekwaamheid hoeft uit te maken op het ogenblik dat de teruggenomen goederen in bedrijf worden genomen (E. Stassijns, Pacht, A.P.R., pagina 241, nummer 273). Aldus is het, in tegenstelling tot hetgeen (de eisers) voorhouden, geenszins noodzakelijk dat de BVBA Ten Elzas de door (de eisers) gesommeerde stukken voorlegt". De beslissing dat er geen redenen zijn om de ernst en de oprechtheid van het door de verweerster opgegeven opzeggingsmotief te betwisten, is derhalve volledig gesteund op overwegingen die aangeven dat de verschillende door de eisers aangehaalde middelen niet gevolgd kunnen worden. De eisers stelden in hun beroepsbesluiten echter uitdrukkelijk dat de in geval van betwisting over de oprechtheid van het opzeggingsmotief de verpachter de bewijslast draagt. De beroepsbesluiten van de eisers bevatten immers de volgende overwegingen: "Er wordt geen enkel stuk voorgelegd waaruit blijkt dat de BVBA Ten Elzas daadwerkelijk aan landbouwexploitatie doet en nog minder dat de landbouwactiviteit haar hoofdactiviteit zou zijn. Nu de Pachtwet uitdrukkelijk voorziet dat in geval van betwisting de verpachter de bewijslast draagt terwijl anderzijds moet vastgesteld worden dat (de verweerster) hardnekkig, ondanks herhaalde sommatie door concluanten,weigert de vereiste stukken in te brengen zoals: - aangifte in land- en tuinbouwtelling; - jaarlijkse listing BTW; - aan- en verkoopfacturen van grondstoffen, meststoffen, oogst en landbouw-werkzaamheden; - bewijs van materiaal; - belastingsaangifte; - aangifte mestbank. Enkel uit het geheel van dergelijke stukken kan een betrouwbaar beeld gevormd worden. De rechtbank zal akte nemen van de weigering van (de verweerster). Er is meer: concluanten zijn landbouwers in hoofdberoep zodat ook voor zowel de BVBA Ten Elzas als de heer A.V.M. de verplichting geldt dat de landbouwactiviteit een overwegend deel van zijn/haar beroepsactiviteit uitmaakt. Het moet met andere woorden ook het hoofdberoep vormen van zowel de BVBA Ten Elzas als van de heer V.M. . Dienaangaande worden andermaal geen stukken voorgelegd. De loutere theoretische gegevens dat A.V.M. een opleiding heeft als landbouwingenieur (en als dusdanig wellicht de leiding heeft in de veevoederfirma van zijn ouders) en dat hij 'pour les besoins de la cause' theoretisch aangesteld werd als zaakvoerder van de vennootschap, zijn uiteraard nietszeggend en volstaan uiteraard niet om te hebben voldaan aan de wettelijke bewijslast van de artikelen 12.6 en 9 van de Pachtwet. De vage bewering dat BVBA Ten Elzas in de toekomst nog andere gronden zal exploiteren kan evenmin overtuigen vermits dienaangaande ook geen stukken noch aanwijzingen worden voorgelegd. Concluanten verwijzen dienaangaande naar de vonnissen inzake Demunster/Deprez uitgesproken door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk van 14 februari 2003 en 9 mei 2003 alsook naar het vonnis inzake Ferme Du Petit Frenoy/Mestdagh door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Doornik van 18 december 2001 (stukken 2)". Het vonnis verwijst naar geen enkel feit of stuk waaruit blijkt dat de verweerster aantoont dat de toekomstige exploitant een overwegend deel van zijn beroepsactiviteiten aan landbouw zal spenderen. Het vonnis beslist derhalve impliciet doch zeker dat het aan de pachter toekomt om de gegrondheid van de in de opzegging aangegeven reden te betwisten. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof berust de bewijslast van de in de opzegging aangevoerde redenen echter bij de verpachter. Artikel 12.6, derde lid, van de Pachtwet bepaalt bovendien dat in geval van betwisting over het ernstig karakter van het voorgenoemde eigen gebruik, de verpachter moet preciseren hoe degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant of zijn aangewezen, de persoonlijke, werkelijke en voortgezette exploitatie zullen uitvoeren en bewijzen dat zij daartoe in staat zijn, alsmede dat zij aan de in artikel 9 van de Pachtwet gestelde voorwaarden voldoen. Door de opzegging van de pacht door de verweerster geldig te verklaren omdat er geen redenen zijn om de ernst en de oprechtheid van het door de verweerster gegeven opzeggingsmotief te betwijfelen en deze beslissing volledig te steunen op overwegingen die stellen dat de verschillende door de eisers aangehaalde middelen niet gevolg kunnen worden, zonder dat de verweerster de gegrondheid van de in de opzegging van de pacht aangegeven reden dient aan te tonen, schendt het bestreden vonnis artikel 12.6 van de Pachtwet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. De artikelen 7.1° en 8, ,§1, van de Pachtwet laten de verpachter toe een einde te maken aan de pacht als hij het voornemen heeft het verpachte goed zelf te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan zijn echtgenoot, aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of aan de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen. 2. Uit deze bepalingen volgt dat de verpachter geen opzegging kan geven om de exploitatie over te dragen aan een vennootschap. De omstandigheid dat de zaakvoerder van een BVBA de zoon is van de verpachter doet hieraan geen afbreuk. 3. Het vonnis dat de opzegging geldig verklaart die door de verweerster is gegeven om de pacht over te dragen aan de BVBA Ten Elzas, waarvan haar zoon de zaakvoerder is, schendt de voormelde artikelen. 4. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061013.5 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240916.3F.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240916.3F.5 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.164 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171222.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.