id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061013.6 Rolnummer: C.05.0198.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 263 - laatst gezien 2026-07-03 07:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van een motorrijtuig dat bij een verkeersongeval is betrokken en schade heeft veroorzaakt, is niet tot vergoeding gehouden van een benadeelde die medeplichtig is aan de diefstal of de heling van dat motorrijtuig
(1)Contra: C. VAN SCHOUBROECK, "De hernieuwde vergoedingsregeling inzake verkeersongevallen met motorrijtuigen en recente rechtspraak betreffende de bepalingen inzake aansprakelijkheidsverzekering in de wet landverzekeringsovereenkomst", C.B.R. Jaarboek 2000-2001, Antwerpen, Maklu, p. 325; J. VAN ROSSUM, "De schadeloosstelling van de zwakke slachtoffers van een verkeersongeval. De wet van 13 april 1995 tot wijziging van deze van 31 maart 1994", V.K.J. 1996, p. 265; B. TUERLINCKX, "Artikel 29bis W.A.M.-Wet: toepassing in de praktijk na de wetswijziging van 13 april 1995", T.P.R. 1996, p. 41, nrs 64-
- Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Diefstal van het verzekerde motorrijtuig Vordering tegen de verzekeraar Ongeval Benadeelde die medeplichtig is aan de diefstal of de heling van het motorrijtuig Wettelijke bepalingen: Wet - 21-11-1989 - Art.29bis Annotaties Publicaties: Bull.Ass.-De Verz - Johan MUYLDERMANS; Opmerkingen. - 2006, nr 360, 314-317 Tekst van de beslissing Nr. C.05.0198.N GEMEENSCHAPPELIJK MOTORWAARBORGFONDS, met zetel te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Liefdadigheidstraat 33, bus 1, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Brussel, Haachtsesteenweg 579, postbus 40, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. RECHTSPLEGING VAN HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 24 juni 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 29bis, ,§1, derde lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna WAM-Wet), zoals het werd vervangen door de wet van 13 april 1995 en zoals het van kracht was voor de wijziging van de wet van 19 januari 2001; - artikel 80, ,§1, eerste lid, 3°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (hierna Controlewet), zoals het werd toegepast na de wijziging door het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en voor de opheffing door de wet van 22 augustus 2002; - artikel 17, ,§1, enig lid, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het van kracht was na de wijziging door het koninklijk besluit van 6 mei 1991 en voor de opheffing bij koninklijk besluit van 11 juli 2003; - artikel 136, ,§2, in fine, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen zoals van kracht voor de wijziging door de programmawet van 24 december 2002, en voor zoveel als nodig artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Aangevochten beslissingen De tiende kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge verklaart in het bestreden vonnis van 24 juni 2004 het hoger beroep van de eiser ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt hem tot de kosten van het hoger beroep. Door bevestiging van het vonnis van 6 februari 2003 van de Politierechtbank te Brugge wordt verweerders' oorspronkelijke vordering tot vergoeding van de ten voordele van de heer K.D.B. gemaakte kosten derhalve gegrond verklaard. De rechtbank van eerste aanleg grondt haar beslissing op de volgende motieven (zie vonnis, pp. 3, punt 111.
- tot en met 4, zesde alinea): "
- Nopens de gegrondheid van het beroep: Artikel 80 van de Controlewet werd opgeheven bij artikel 12 van de wet van 22 augustus 2002 (Belgisch Staatsblad 17 september 2002), met ingang van 19 januari
- Ingevolge deze wet werd tussen hoofdstuk IV en V van de WAM-Wet een hoofdstuk IV bis ingevoegd waarin artikel 19bis 11, ,§1, het recht van de benadeelde voorziet om van het Fonds vergoeding te bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt, onder meer "wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijke geoorloofde uitsluiting" (cfr. het oud artikel 80 van de Controlewet). Artikel 29bis van de WAM-Wet dat de vergoedingsplicht in hoofde van de verzekeraar van het betrokken motorrijtuig ten aanzien van de zwakke weggebruiker bepaalt, stelt in alinea 4 dat 'artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen van toepassing is op deze schadevergoeding'. Concreet betekent dit dat, in de gevallen waarin de benadeelde zwakke weggebruiker, geen verzekeraar kan aanspreken tot vergoeding, om één van de redenen voorzien in artikel 80, zo onder meer indien het een gestolen motorrijtuig betreft, zoals in huidig geval, deze zwakke weggebruiker zich kan richten tot het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds. Er wordt slechts één enkele uitzondering voorzien, namelijk het geval waarin het ongeval is te wijten aan toeval. Daar waar (de eiser) artikel 17, ,§1, 5°, van het koninklijk besluit van 16.12.1981 (houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de Controlewet) inroept, dient gezegd dat deze bepaling niet speelt wanneer artikel 29bis van de WAM-Wet van toepassing is. Terecht verwijst (de verweerder) naar de publicatie van Van Schoubroeck, C., in het CBR-jaarboek van 2000-2001, De vernieuwde vergoedingsregeling inzake verkeersongevallen met motorrijtuigen, 325-326, waarin gesteld: De verwijzing naar artikel 80 van de Controlewet kan immers niet impliceren dat het G.M.W.F. de uitbetaling van de vergoeding zou kunnen regelen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 80 van de Controlewet en het koninklijk besluit van 16 december
- (De eiser) is derhalve gehouden tot vergoeding van de verzekerde van (de verweerder) die als duozitter op een gestolen bromfiets plaatsnam en zwaar ten val kwam. (De verweerder die) prestaties leverde aan deze zwakke weggebruiker heeft op basis van artikel 136, ,§2, laatste lid, van de wet van 14 juli 1994 een eigen recht van terugvordering van de geleverde prestaties tegenover (de eiser). De rechtbank verwijst naar de omstandige motivering van de eerste rechter en kan dit alleen maar beamen". De vierde burgerlijke kamer van de Politierechtbank te Brugge, wiens zijn beslissing en daartoe aangevoerde motivering in hoger beroep bevestigd wordt, verklaarde in haar vonnis van 6 februari 2003 (A.R. nr. 01A6128) de vordering van de verweerder ontvankelijk en gegrond en veroordeelde de eiser tot de kosten van het geding. De politierechtbank grondde haar beslissing op de volgende motieven (zie vonnis, pp. 2, laatste alinea tot en met 3, vijfde alinea): "K.D.B. dient als medeplichtige aan de diefstal, minstens als medeplichtige aan de heling van de motorfiets te worden beschouwd. Luidens artikel 29bis, ,§1, derde lid, WAM-Wet is artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen van toepassing op deze schadevergoeding. Het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende de inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen bepaalt in artikel 17, ,§1, ten vijfde, het volgende: "Het Fonds is niet tot vergoeding gehouden tegenover de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft meester gemaakt door diefstal of geweldpleging, de heler van het motorrijtuig en de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling". (De eiser) beroept zich ten onrechte op de uitzonderingsbepalingen van het voornoemd artikel nu deze uitzonderingsbepalingen niet van toepassing zijn op artikel 29bis WAM-Wet dat een algemene vergoedingsregeling voorziet voor alle zwakke verkeersslachtoffers (met uitzondering van de bestuurders). Het G.M.W.F. dient tussen te komen in de gevallen omschreven in artikel 80 Controlewet, met uitzondering van het geval van het zgn. toevallig feit dat door de WAM-verzekeraar van een betrokken motorrijtuig moet worden vergoed. De verwijzing naar artikel 80 van de Controlewet kan enkel geïnterpreteerd worden in de zin van een aflijning van de gevallen waarin enerzijds de WAM-verzekeraar en anderzijds het G.M.W.F. als vergoedingsplichtige kan worden aangesproken. De voorwaarden voor het toekennen van de vergoeding van het slachtoffer zijn uiteraard deze bepaalden artikel 29bis WAM-Wet. De verwijzing naar artikel 80 van de Controlewet kan immers niet impliceren dat het G.M.W.F. de uitbetaling van de vergoeding zou kunnen regelen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 80 Controlewet en het koninklijk besluit van 16 december
- Anders oordelen zou tot gevolg hebben dat een slachtoffer dat bij toepassing van de voorwaarden van artikel 29bis, WAM-Wet recht heeft op vergoeding, geen uitkering zou krijgen wanneer het zich tot het G.M.W.F. wendt omdat één van de uitsluitingen van artikel 17 van het koninklijk besluit van 16 december 1981 tegen hem wordt opgeworpen. Deze vergoedingsplichtigen kunnen geen enkel verweermiddel inroepen op grond waarvan zij aan het slachtoffer de uitkering van de vergoeding zouden kunnen weigeren. Immers, vooreerst heeft het Hof van Cassatie in het reeds genoemde arrest van 17 mei 2000 uitdrukkelijk het openbare orde karakter van de vergoedingsregeling van artikel 29bis WAM-Wet bevestigd. Daarenboven gaat een dergelijke houding lijnrecht in tegen de ratio van deze vergoedingsregeling overigens ook door het Hof van Cassatie in voornoemd arrest erkend dat de WAM-verzekeraars de financiële lasten van de verkeersongevallen moeten dragen. (CBR.-Jaarboek 2000-2001, De vernieuwde vergoedingsregeling inzake verkeersongevallen met motorrijtuigen, C. Van Schoubroeck, docent K. U. Leuven, blz. 325-326)". Grieven Eerste onderdeel
- Luidens artikel 80, ,§1, eerste lid, 3°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, zoals het werd toegepast na de wijziging door het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en vóór de opheffing door de wet van 22 augustus 2002, kan "elke benadeelde van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de vergoeding bekomen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting". In uitvoering van artikel 80, ,§1, tweede lid, van dezelfde wet, waarbij aan de Koning de bevoegdheid werd verleend om "de omvang en de voorwaarden tot toekenning van dit recht op vergoeding" te bepalen, werd het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen uitgevaardigd. Luidens artikel 17, ,§1, enig lid, 5°, van voornoemd koninklijk besluit is "het Fonds niet tot vergoeding gehouden tegenover de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft meester gemaakt door diefstal of geweldpleging, de heler van het motorrijtuig en de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling". Aldus kan een medeplichtige aan de diefstal of de heling van een motorrijtuig zich, met het oog op het bekomen van een vergoeding voor de door het motorrijtuig aan deze medeplichtige veroorzaakte schade, niet beroepen op artikel 80 van de Controlewet.
- Artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, zoals vervangen door de wet van 13 april 1995 en zoals het van kracht was vóór de wijziging bij wet van 19 januari 2001, regelt in het algemeen belang en onder de in het artikel opgenomen voorwaarden de vergoeding waarop bepaalde slachtoffers van verkeersongevallen waarbij een motorrijtuig betrokken is, waaronder ook de passagiers van het betrokken motorrijtuig, aanspraak kunnen maken. Luidens dit artikel 29bis, ,§1, derde lid, is "artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen van toepassing op deze schadevergoeding". Nu artikel 29bis van de WAM-Wet van openbare orde is, moeten bij de toepassing van de in het artikel voorziene regeling alle onderdelen van dit artikel in overweging worden genomen. Gelet op de in artikel 29bis van de WAM-Wet opgenomen expliciete verwijzing naar artikel 80 van de Controlewet, zal de eiser tot vergoeding van de door een passagier ondervonden stoffelijke schade gehouden zijn als de passagier krachtens artikel 80 van de Controlewet recht heeft op vergoeding van de geleden schade. De eiser dient dus niet tot vergoeding over te gaan indien de betrokken passagier uit het toepassingsgebied van artikel 80 van de Controlewet wordt uitgesloten. Derhalve zal de medeplichtige aan de diefstal of de heling van het motorrijtuig, nu deze medeplichtige geen aanspraak kan maken op de in artikel 80 van de Controlewet voorziene vergoedingen, zich met het oog op het bekomen van een vergoeding van de door hem ondervonden lichamelijke schade, ook niet op artikel 29bis van de WAM-Wet kunnen beroepen.
- Nu de verzekerde van de verweerder "als medeplichtige aan de diefstal minstens als medeplichtige aan de heling van de motorfiets (diende) te worden beschouwd" (zie vonnis van de Politierechtbank te Brugge van 6 februari 2003, p. 2, laatste alinea) schenden de appelrechters dienvolgens, door te oordelen dat, nu artikel 17, ,§1, 5°, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 niet zou spelen wanneer artikel 29bis van de WAM-Wet van toepassing is, eiser tot vergoeding van de verzekerde van de verweerder gehouden is, de artikelen 29bis, ,§1, derde lid, van de WAM-Wet, 80, ,§1, eerste lid, 3°, van de Controlewet én 17, ,§1, enig lid, 5°, van het koninklijk besluit 16 december 1981 in hun versies, zoals in de aanhef van het middel aangegeven. Tweede onderdeel
- Overeenkomstig artikel 136, ,§2, in fine, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, zoals van kracht vóór de wijziging door de programmawet van 24 december 2002, heeft de verzekeringsinstelling "een eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties tegenover het Gemeenschappelijk Waarborgfonds". De omstandigheid dat de verweerder van zijn eigen recht gebruik maakt, kan evenwel de verplichtingen van de eiser niet verzwaren in vergelijking met de verplichtingen die de eiser zou hebben indien de benadeelde zelf de vergoeding van zijn schade zou vorderen. Zoals de vordering van de verzekeringsinstelling, als gesubrogeerd in de rechten van de rechthebbende, overeenkomstig artikel 136, ,§2, vierde lid, van de genoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994, begrensd wordt enerzijds door het bedrag van de verleende prestaties en anderzijds door het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn voor de betreffende schade, zo dient ook het eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties tegenover de eiser beperkt te worden tot wat het slachtoffer zelf lastens de eiser kan vorderen. Nu uit het eerste onderdeel van het enig cassatiemiddel volgt dat de verzekerde van de verweerder ten aanzien van de eiser geen aanspraak kon maken op vergoeding van de door hem geleden schade, kan evenmin de verweerder de geleverde prestaties terugvorderen overeenkomstig artikel 136, ,§2, in fine, van de genoemde gecoördineerde wet van 14 juli
- Door te oordelen dat verweerders' vordering lastens de eiser kan worden ingewilligd wegens het bestaan van een eigen recht van terugvordering, schenden de appelrechters dienvolgens de artikelen 136, ,§2, in fine, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en, voor zoveel als nodig, artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, evenals artikelen 80, ,§1, eerste lid, 3°, van de Controlewet en 17, ,§1, enig lid, 5°, van het koninklijk besluit 16 december 1981, alle voornoemde bepalingen in hun versies zoals aangegeven in de aanhef van het middel. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 80, ,§1, eerste lid, 3°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (hierna Controlewet genoemd), zoals te dezen toepasselijk, bepaalt: "elke benadeelde kan van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de vergoeding bekomen van de schade voortvloeiende uit lichamelijke letsels die door een motorrijtuig zijn veroorzaakt: (...) 3°, wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting". Artikel 17, ,§1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 houdende inwerkingstelling en uitvoering van de artikelen 79 en 80 van de Controlewet bepaalt: "Het fonds is niet tot vergoeding gehouden tegenover: (...) 5°, de persoon die zich van het motorrijtuig dat de schade veroorzaakt heeft meester gemaakt door diefstal of geweldpleging, de heler van het motorrijtuig en de mededader of de medeplichtige van de diefstal, het geweld of de heling".
- Krachtens artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna WAM-Wet), zoals te dezen van toepassing, zijn de verzekeraars die de aansprakelijkheid dekken van de eigenaar, de bestuurder of de houder van motorrijtuigen die bij een verkeersongeval zijn betrokken, verplicht met uitzondering van de stoffelijke schade alle schade te vergoeden voortvloeiend uit lichamelijk letsel of het overlijden dat wordt geleden door slachtoffers van een dergelijk ongeval. Luidens deze bepaling is "artikel 80 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (...) van toepassing op deze schadevergoeding".
- De verwijzing in artikel 29bis van de WAM-Wet naar artikel 80 van de Controlewet leidt ertoe dat ook artikel 17, ,§1, van het koninklijk besluit van 16 december 1981, dat hiervan de uitvoering is, van toepassing wordt.
- Uit deze bepalingen volgt dat de eiser niet tot vergoeding gehouden is van een benadeelde die medeplichtig is aan de diefstal of de heling van het motorrijtuig dat de schade heeft veroorzaakt.
- Het bestreden vonnis stelt vast, met overname van de redenen van de eerste rechter, dat de verzekerde van de verweerder "als medeplichtige aan de diefstal minstens als medeplichtige aan de heling van de motorfiets (dient) te worden beschouwd".
- De verzekerde van de verweerder is aldus krachtens voornoemd artikel 17, ,§l, van het koninklijk besluit van 16 december 1981 uit het toepassingsgebied van artikel 80 van de Controlewet gesloten.
- De appelrechters konden zodoende niet zonder schending van de in het middel aangevoerde wetsbepalingen oordelen dat voornoemd artikel 17, ,§1, niet van toepassing is wanneer artikel 29bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen aan de orde is en dat de eiser tot vergoeding van de verzekerde van de verweerder gehouden is.
- Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, zitting houdende in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 13 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Pierre Cornelis, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061013.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div