← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.2 Rolnummer: P.06.0710.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 428 - laatst gezien 2026-07-04 04:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche De herstelvordering, gestoeld op de instandhouding van wederrechtelijk uitgevoerde werken gelegen in voorlopig of definitief beschermde stads- en dorpsgezichten of landschappen, kan alleen gemotiveerd worden op gronden die ontleend zijn aan de bescherming van het betrokken stads- of dorpsgezicht. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wederrechtelijk uitgevoerde werken gelegen in beschermde stads- en dorpsgezichten of landschappen Herstelvordering Motivering Tekst van de beslissing Nr. P.06.0710.N

  1. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20 bus 7,
  2. GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Copernicuslaan 1 bus 9, eisers tot herstel, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen S C B vzw, beklaagde, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 5 april
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat, gelet op de wettelijke verplichting van de vergunningverlenende overheid inzake stedenbouw om vooraf het bindend advies van de dienst monumentenzorg in te winnen in het geval de aanvraag betrekking heeft op de werken die gelegen zijn in een beschermd dorpsgezicht, de appelrechters niet wettig vermogen te oordelen dat de vordering van de herstelvorderende overheid, die gestoeld wordt op het instandhoudingsmisdrijf van artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 en gemotiveerd wordt op voormeld statuut van beschermd dorpsgezicht, "niet kan aangezien worden als wettig steunend op motieven van goede ruimtelijke ordening", en bijgevolg onterecht wordt afgewezen.
  5. De te dezen aan de verweerster ten laste gelegde instandhouding bestaat in het schuldig verzuim om aan het bestaan van wederrechtelijk uitgevoerde werken een einde te maken, inzonderheid de instandhouding, over de periode van 2 juli 1999 tot 30 april 2000 (telastlegging A) en van 1 mei 2000 tot 27 februari 2002 (telastlegging B), van een volledige gevelbekleding in blauwe geprofileerde metaalplaten, gebouwd zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het College van burgemeester en schepenen.
  6. De wederrechtelijkheid van de instandgehouden werken vloeit voort uit de afwezigheid van de door artikel 99 Stedenbouwdecreet 1999 opgelegde voorafgaande vergunning, strafbaar gesteld, in de periode dat zij plaatsvond, door artikel 146, eerste lid, 1°, Stedenbouwdecreet
  7. Artikel 11, ,§ 2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 167 Stedenbouwdecreet 1999, verplicht de overheid bevoegd voor het uitreiken van de stedenbouwkundige vergunning, het bindend advies in te winnen van de minister bevoegd voor monumentenzorg.
  8. Artikel 111, ,§ 5, Stedenbouwdecreet 1999 bepaalt op zijn beurt dat inzake vergunningsaanvragen met betrekking tot voorlopig of definitief beschermde monumenten of aanvragen gelegen in voorlopig of definitief beschermde stads- en dorpsgezichten of landschappen, steeds het advies dient te worden ingewonnen bij de administratie, bevoegd voor de monumenten en landschappen. Dit advies is bindend voor zover het negatief is of voorwaarden oplegt.
  9. In deze context van ruimtelijke ordening vormt het oordeel van de administratie, bevoegd voor de monumenten en landschappen, aldus enkel een eventueel bindend advies dat deel uitmaakt van de procedure tot aflevering van een stedenbouwkundige vergunning. Een stedenbouwvergunning kan daarbij worden geweigerd of voorwaardelijk worden verleend, alleen reeds op grond van voormeld bindend advies tot behoud van het beschermde stadsof dorpsgezicht. Het is aldus niet uit te sluiten dat ook de herstelvordering alleen op gronden die ontleend zijn aan de bescherming van het betrokken stads- of dorpsgezicht, wordt gemotiveerd.
  10. De appelrechters die oordelen dat om reden dat de motivering van de herstelvordering verwijst naar het beschermde stads- of dorpsgezicht waarin de litigieuze vergunningsplichtige werken gelegen zijn, "de herstelvordering een andere wettelijke basis kent die te dezen niet aan de orde is", en deze vordering bijgevolg "niet kan aangezien worden als wettig steunend op motieven van goede ruimtelijke ordening", verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  11. Het tweede onderdeel kan niet tot ruimere cassatie leiden en behoeft dus geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur afwijst. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt in de rand van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de verweerster. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Begroot de kosten op 285,74 euro, waarvan 123,85 euro verschuldigd en 161,89 betaald is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.2 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081028.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.