id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.5 Rolnummer: P.06.0829.N-P.06.0860.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2007-02-13 Raadplegingen: 857 - laatst gezien 2026-07-04 06:29 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de context van de artikelen 416, tweede lid, en 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de inverdenkinggestelde alleen maar in gelijkaardige gevallen waarin hij hoger beroep kan instellen tegen beschikkingen van de raadkamer die hem naar de correctionele rechtbank verwijzen, onmiddellijk cassatieberoep kan instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat hem op hoger beroep van het openbaar ministerie tegen zijn buitenvervolgingstelling door de raadkamer, naar de correctionele rechtbank verwijst
(1)
(2).
(1)Zie: Cass., 11 jan. 2000, AR P.99.0905.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000111.4, nr 20 met conclusie advocaat-generaal Duinslaeger.
(2)Cass., 23 jan. 2002, AR P.01.1361.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020123.7, nr 47. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Termijnen voor cassatieberoep en betekening - Strafvordering - Geen eindbeslissing, toch onmiddellijk vatbaar voor cassatieberoep Raadkamer Beschikking van buitenvervolgingstelling Hoger beroep van het openbaar ministerie Kamer van inbeschuldigingstelling Verwijzing Voorziening van de inverdenkinggestelde Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering Algemeen Beslissingen al dan niet vatbaar voor cassatieberoep Raadkamer Beschikking van buitenvervolgingstelling Hoger beroep van het openbaar ministerie Kamer van inbeschuldigingstelling Verwijzing Voorziening van de inverdenkinggestelde Ontvankelijkheid Fiches 3 - 4 Een vormelijke onvolkomenheid van het proces-verbaal, zoals een gebrek aan ondertekening die niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, brengt niet de nietigheid van het proces-verbaal met zich mee, maar doet wel in voorkomend geval de bewijswaarde die de wet er aan hecht teniet, zodat het proces-verbaal nog slechts als inlichting voor de rechter geldt
(1)
(2).
(1)Cass., 24 feb. 1981, A.C., 1980-1981, nr 376.
(2)HOLSTERS, D., De bewijswaarde van het proces-verbaal betreffende de vaststelling van misdrijven, R.W., 1980-1981, 1353-1394 en 1433-1458. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Proces-verbaal Gebrek aan ondertekening Niet voorgeschreven op straffe van nietigheid Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Proces-verbaal Gebrek aan ondertekening Niet voorgeschreven op straffe van nietigheid Bewijswaarde Beoordeling door de rechter Fiches 5 - 7 Een vormelijke onvolkomenheid van het proces-verbaal, zoals een gebrek aan ondertekening die niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, betreft de beoordeling van de bewijswaarde van de bewijselementen in relatie tot de grond van de zaak, dit is de bewijswaardering, die voorbehouden blijft voor het vonnisgerecht; er is bijgevolg geen grond voor het onderzoeksgerecht om met toepassing van artikel 131, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering de nietigheid van het proces-verbaal uit te spreken wegens onregelmatigheid, verzuim of nietigheid die invloed heeft op een handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Vrije woorden: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Beoordeling van de bewijswaarde ervan Proces-verbaal Gebrek aan ondertekening Niet voorgeschreven op straffe van nietigheid Onderzoeksgerecht Opdracht van het onderzoeksgerecht Vonnisgerecht Opdracht van het vonnisgerecht Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Proces-verbaal Gebrek aan ondertekening Niet voorgeschreven op straffe van nietigheid Bewijswaarde Beoordeling door de rechter Opdracht van het onderzoeksgerecht Opdracht van het vonnisgerecht Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Controle van de rechtspleging Regelmatigheid van het onderzoek Regelmatigheid van bewijsverkrijging Proces-verbaal Gebrek aan ondertekening Niet voorgeschreven op straffe van nietigheid Fiches 8 - 9 De schorsing van de regeling van de rechtspleging in de zin van artikel 127, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering is afhankelijk van het tijdig indienen van het verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen, binnen de termijn van de vaststelling voor de raadkamer op grond van artikel 127, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Raadkamer Regeling van de rechtspleging Verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen Schorsing van de regeling van de rechtspleging Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Regeling van de rechtspleging Verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen Schorsing van de regeling van de rechtspleging Fiches 10 - 11 Wanneer het verzoekschrift gericht tot de onderzoeksrechter tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen wegens laattijdigheid kennelijk niet ontvankelijk is, behoort het niet aan het onderzoeksgerecht die de rechtspleging moet regelen dit verzoek niet ontvankelijk te verklaren; wat betreft de door hem te nemen beslissing dient dit gerecht onvermijdelijk rekening te houden met de evidente niet-ontvankelijkheid van dit verzoekschrift. Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Raadkamer Regeling van de rechtspleging Verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen Laattijdig verzoekschrift Gevolg Opdracht van het onderzoeksgerecht ONDERZOEKSGERECHTEN Raadkamer Regeling van de rechtspleging Verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen Laattijdig verzoekschrift Gevolg Opdracht van het onderzoeksgerecht Fiches 12 - 13 Wanneer een conclusie het feitelijk bestaan van voldoende bezwaren aanvoert of betwist, beantwoordt het onderzoeksgerecht dit verweer door zijn onaantastbare vaststelling dat die bezwaren al dan niet bestaan
(1).
(1)Cass., 14 dec. 1983, AR 3081, nr 202; Cass., 27 nov. 1985, AR 4484, nr 211; Cass., 16 sept. 1987, AR 6141, nr 35; Cass., 23 mei 2001, AR P.01.0317.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.6, nr 307. Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Regeling van de rechtspleging Neerlegging van conclusie Bezwaren Motivering REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Onderzoeksgerechten Regeling van de rechtspleging Bezwaren Motivering Fiches 14 - 15 Artikel 61bis Wetboek van Strafvordering vereist niet dat in alle gevallen de inverdenkinggestelde wordt verhoord door de onderzoeksrechter
(1).
(1)Zie: Cass., 16 mei 2001, AR P.01.0305.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11, nr 288; Cass., 24 feb. 2004, AR P.03.1148.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.19, nr 96. Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Onderzoeksrechter Verhoor van de inverdenkinggestelde Vereiste ONDERZOEKSRECHTER Verhoor van de inverdenkinggestelde Vereiste Fiches 16 - 17 De afwezigheid van voorafgaande inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter van een verdachte die door het onderzoeksgerecht naar het vonnisgerecht wordt verwezen heeft niet de niet-ontvankelijkheid van de vervolging tot gevolg; de regelmatigheid van de rechtspleging komt slechts in het gedrang in zoverre het recht van verdediging van de verwezene daardoor miskend of beperkt wordt
(1).
(1)Cass., 10 dec. 2002, AR P.02.1146.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021210.4, nr 664; Zie: Cass., 15 nov. 2005, AR P.05.1192.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051115.11, nr
- Vrije woorden: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN Onderzoeksgerecht Verdachte Verwijzing naar het vonnisgerecht Afwezigheid van voorafgaande inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Gerechtelijk onderzoek Onderzoeksgerecht Verdachte Verwijzing naar het vonnisgerecht Afwezigheid van voorafgaande inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter Tekst van de beslissing Nr. P.06.0829.N I L L I, inverdenkinggestelde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. II P A I, inverdenkinggestelde, eiser. III P H J R M, inverdenkinggestelde, eiser. IV V E, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Dirk De Maeseneer, advocaat bij de balie te Leuven, ter zitting bijgestaan door mr. Lhommé, advocaat bij de balie te Leuven, voor mr. Dirk De Maeseneer. Nr. P.06.0860.N V S R S nv, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Lieven Annaert, advocaat bij de balie te Brussel. VI V D B K L M, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Lieven Annaert en mr. Bob Martens, advocaten bij de balie te Brussel. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 mei
- De eisers I en IV voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, één middel aan. De eiseres V voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, vier middelen aan. De eiser VI voert in een memorie die aan dit arrest wordt gehecht, drie middelen aan. De eisers II en III voeren geen middel aan. Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN Op 27 april 2005 vorderde de procureur des Konings voor de raadkamer te Leuven de verwijzing van de eiser I naar de correctionele rechtbank wegens diverse telastleggingen. Ingevolge een kennisgeving aan de eiser I op 28 april 2005 werd hem medegedeeld dat het dossier op grond van artikel 127 (oud) Wetboek van Strafvordering ter beschikking lag op de griffie van 29 april 2005 tot en met 20 mei
- Op 5 oktober 2005 werd aan de raadsman van de eiser I medegedeeld dat de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven de regeling van de rechtspleging zou behandelen op de zitting van 4 november 2005 en dat het dossier ter inzage lag ter griffie. Op de zitting van 4 november 2005 stelde de raadkamer te Leuven de zaak uit naar 25 november
- Op 8 november 2005 diende eiser met toepassing van artikel 127 (nieuw) en artikel 61quinquies Wetboek van Strafvordering een verzoekschrift in strekkende tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen. De onderzoeksrechter nam over dit verzoekschrift geen beslissing. Bij beschikking van 23 december 2005 stelde de raadkamer te Leuven de eiser buiten vervolging. In deze beschikking oordeelde de raadkamer dat in het licht van de te nemen beslissing de gevraagde onderzoeksmaatregelen niet opportuun zijn. Tegen de beschikking van buitenvervolgingstelling tekende het openbaar ministerie hoger beroep aan op 29 december
- Op 28 december 2005 diende de eiser I op de griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven een verzoekschrift in overeenkomstig artikel 61quinquies, ,§ 5, Wetboek van Strafvordering dat ertoe strekte de kamer van inbeschuldigingstelling te adiëren aangezien de onderzoeksrechter geen uitspraak had gedaan over het door de eiser I op 8 november 2005 ingediende verzoekschrift. Zowel het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de buitenvervolgingstelling van de eiser I als het verzoek van de eiser I op grond van artikel 61quinquies, ,§ 5, Wetboek van Strafvordering werden vastgesteld op de terechtzitting van de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel van 16 mei
- Beide zaken werden op deze datum in beraad genomen. Bij arrest van 18 mei 2006 werd het verzoekschrift van 28 december 2005 ontvankelijk verklaard maar werd geoordeeld dat het aanvankelijke verzoekschrift van 8 november 2005 niet ontvankelijk was wegens laattijdigheid, vermits het werd ingediend buiten de oorspronkelijke inzagetermijn op grond van het oude artikel 127 Wetboek van Strafvordering en na het verstrijken van de nieuwe vaststelling voor de raadkamer op grond van het nieuwe artikel 127 Wetboek van Strafvordering. Op 23 mei 2006 oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling te Brussel vervolgens over het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de buitenvervolgingstelling van de eisers. De kamer van inbeschuldigingstelling wees het verzoek van de eiser I tot schorsing van de regeling van de rechtspleging af en verwees hem vervolgens met éénparigheid naar de correctionele rechtbank wegens de hem ten laste gelegde feiten. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Voeging De casastieberoepen P.06.0829.N en P.06.0860.N zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Ze dienen te worden gevoegd. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen De cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk in zoverre de bestreden beslissingen geen eindbeslissingen zijn of geen uitspraak doen in de zin van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Uit de context van de artikelen 416, tweede lid, en 135, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, volgt dat de inverdenkinggestelde alleen maar in gelijkaardige gevallen waarin hij hoger beroep kon instellen tegen beschikkingen van de raadkamer die hem naar de correctionele rechtbank verwijzen, onmiddellijk cassatieberoep kan instellen tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat hem op hoger beroep van het openbaar ministerie tegen zijn buitenvervolgingstelling door de raadkamer, naar de correctionele rechtbank verwijst. Dit houdt in dat het arrest onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden moet betreffen als bedoeld in artikel 131, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering. Een vormelijke onvolkomenheid van het proces-verbaal, zoals een gebrek aan ondertekening dat niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, brengt niet de nietigheid van het proces-verbaal met zich mee, maar doet wel in voorkomend geval de bijzondere bewijswaarde die de wet eraan hecht teniet, zodat het proces-verbaal nog slechts als inlichting voor de rechter geldt. Dergelijke onregelmatigheid betreft de beoordeling van de bewijswaarde van de bewijselementen in relatie tot de grond van de zaak, dit is de bewijswaardering, die voorbehouden blijft voor het vonnisgerecht. Er is bijgevolg geen grond voor het onderzoeksgerecht om met toepassing van artikel 131, ,§ 1, Wetboek van Strafvordering de nietigheid van het proces-verbaal uit te spreken wegens een onregelmatigheid, verzuim of nietigheid die invloed heeft op een handeling van het onderzoek of de bewijsverkrijging. Aansluitend op het oordeel van de appelrechters "dat de niet-ondertekening van drie processen-verbaal evenmin een grond van onontvankelijkheid of nietigheid uitmaken", zijn de cassatieberoepen van de eisers V en VI in zoverre niet ontvankelijk. Middel van de eiser I Het middel voert een schending aan van het nieuwe artikel 127, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering en van het algemeen beginsel van de eerbied voor het recht van verdediging. Immers, de kamer van inbeschuldigingstelling heeft nog voor haar definitieve uitspraak over het verzoek van de eiser I met betrekking tot de bijkomende onderzoekshandelingen die hij aan de onderzoeksrechter vroeg, ook kennisgenomen van het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de buitenvervolgingstelling. Daarenboven kreeg de eiser I niet de kans om na deze uitspraak over de gevraagde bijkomende onderzoeksverrichtingen, verder verweer te voeren over dit hoger beroep en de daarbij aansluitende regeling van rechtspleging. Artikel 127, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen door de wet van 31 mei 2005, bepaalt dat de raadkamer ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding laat maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun advocaten in kennis per faxpost of bij een ter post aangetekende brief dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt, dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen. Het nieuwe artikel 127, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat binnen de in ,§ 2 bepaalde termijn de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies kunnen verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in ,§ 2 bepaalde vormen en termijnen. Uit deze bepalingen volgt dat de schorsing van de regeling van de rechtspleging afhankelijk is van het tijdig indienen van het verzoekschrift om bijkomende onderzoekshandelingen, binnen de termijn van de vaststelling voor de raadkamer op grond van het nieuwe artikel 127, ,§ 2, Wetboek van Strafvordering. Wanneer het verzoekschrift gericht tot de onderzoeksrechter tot het stellen van bijkomende onderzoeksverrichtingen wegens laattijdigheid kennelijk niet ontvankelijk is, behoort het niet aan het onderzoeksgerecht die de rechtspleging moet regelen dit verzoek niet ontvankelijk te verklaren. Wat betreft de door hem te nemen beslissing, dient dit gerecht onvermijdelijk rekening te houden met de evidente niet-ontvankelijkheid van dit verzoekschrift. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, inzonderheid het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 18 mei 2006 met betrekking tot het door de eiser I met toepassing van artikel 61quinquies, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering ingediende verzoekschrift blijkt dat werd geoordeeld dat het verzoekschrift van 8 november 2005 tot de onderzoeksrechter niet ontvankelijk was wegens laattijdigheid, onder meer omdat het werd ingediend na het verstrijken van de nieuwe vaststelling voor de raadkamer op de zitting van 4 november
- Er was aldus geen reden tot schorsing van de regeling van de rechtspleging overeenkomstig het nieuwe artikel 127, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering, tot en met 18 mei 2006, datum waarop de kamer van inbeschuldigingstelling definitief besliste over het verzoekschrift met toepassing van artikel 61quinquies, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel een schending aanvoert van het nieuwe artikel 127, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering, kan het aldus niet worden aangenomen. De aangevoerde miskenning van het beginsel van het recht van verdediging, die erin zou bestaan dat na 18 mei 2006, datum waarop definitief uitspraak werd gedaan over het verzoekschrift bijkomende onderzoeksdaden, het debat over de regeling van de rechtspleging reeds gesloten werd en de eiser I derhalve niet in gelegenheid werd gesteld na deze definitieve beslissing over de gevraagde bijkomende onderzoeksdaden verweer te voeren omtrent de regeling van de rechtspleging, is niet ontvankelijk in zoverre die miskenning lijkt te worden afgeleid uit de vergeefs aangevoerde wettelijke schorsing op grond van het nieuwe artikel 127, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering, waarbij de appelrechters voor de regeling van de rechtspleging met het debat op zitting 16 mei 2006 geen rekening zouden mogen houden. Voor het overige blijkt niet uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, dat de eiser I na het arrest van 18 mei 2006 waarop definitief uitspraak werd gedaan over het verzoekschrift met toepassing van artikel 61quinquies, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering, om een heropening van het debat met betrekking tot het door het openbaar ministerie aangetekende hoger beroep tegen de buitenvervolgingstelling van de eiser I heeft verzocht. In zoverre kan de miskenning van het recht van verdediging niet voor het eerst voor het Hof worden aangevoerd en is het middel aldus niet ontvankelijk. Middel van de eiseres IV Het middel voert aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet heeft geantwoord op de conclusie van de eiseres IV dat de door haar gestelde handelingen betrekking hadden op een concessie van openbare dienst die niet onder de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten valt, zodat ook de haar ten laste gelegde inbreuk op artikel 314 Strafwetboek, dat werd ingevoerd door artikel 66 van voormelde wet van 24 december 1993, niet van toepassing was op de concessies van openbare diensten en derhalve geenszins een grond kon zijn tot de strafbaarstelling van de eiseres IV. Het onderzoeksgerecht moet een conclusie van de inverdenkinggestelde die aanvoert dat het hem verweten feit, zelfs al was het bewezen, geen strafbaar feit oplevert, alleen beantwoorden wanneer uit de telastlegging blijkt dat die betwisting het voorwerp uitmaakt van het debat op tegenspraak. De aan de eiseres IV onder de telastleging F.17 verweten inbreuk op artikel 314 Strafwetboek wordt in de vordering tot verwijzing nader gepreciseerd als "door, bij de gunning van het afvalbeheer van de Stad Aarschot voor een periode van 15 jaar, de te verlenen dienst te hebben voorgesteld als een concessie van openbare diensten in plaats van een aanneming van diensten teneinde alzo buiten het toepassingsgebied van de wet en de reglementering inzake overheidsopdrachten te vallen, terwijl in werkelijkheid de omschrijving van de te verlenen dienst alle kenmerken van een aanneming van diensten vertoont (...)". Aan de eiseres IV wordt geen frauduleuze belemmering van de toewijzing van een concessie van openbare dienst ten laste gelegd, wel een frauduleuze aanwending van de rechtsfiguur van de concessie van openbare dienst om de toewijzing van een aanneming of van enige dienst zoals bedoeld in artikel 314 Strafwetboek te belemmeren of te storen. De concessie van openbare dienst, als frauduleus middel, wordt door de telastlegging in vraag gesteld, niet de strafbaarheid die volgt uit artikel 314 Strafwetboek wanneer dit betrekking heeft op een concessie van openbare dienst. De in die laatste zin opgestelde conclusie van de eiseres IV is aldus doelloos, en behoeft geen antwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseres sub V en VI Het middel voert aan dat de procureur des Konings met zijn persmededeling van 11 mei 2005, vooraleer er uitspraak was over het bestaan van schuldaanwijzingen, laat staan bewijzen van strafrechtelijke schuld, en zonder dat er daartoe redenen bestonden van openbaar belang, daardoor het algemeen beginsel van vermoeden van onschuld en het recht van verdediging heeft miskend. Artikel 57, ,§ 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de procureur des Konings, met instemming van de onderzoeksrechter en indien het openbaar belang het vereist, aan de pers gegevens kan verstrekken. Hij waakt voor de inachtneming van het vermoeden van onschuld, de rechten van verdediging van de inverdenkinggestelde, het slachtoffer en derden, het privé-leven en de waardigheid van personen. Voor zover als mogelijk wordt de identiteit van de in het dossier genoemde personen niet vrijgegeven. De appelrechters stellen vast "dat de persmededeling die de procureur des Konings te Leuven op 11 mei 2005 gegeven heeft, beantwoordt aan alle vereisten van artikel 57, ,§ 3, van het Wetboek van Strafvordering, en noch de rechten van verdediging, noch het vermoeden van onschuld miskent". Het middel dat opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de appelrechters, is niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers V en VI Het middel bekritiseert het oordeel van de appelrechters "dat de niet-ondertekening van drie processen-verbaal evenmin een grond van ontvankelijkheid of nietigheid uitmaken". Daar het cassatieberoep tegen die beslissing niet ontvankelijk is, behoeft het middel dat geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, geen antwoord. Derde middel van de eisers V en VI Wanneer een conclusie het feitelijk bestaan van voldoende bezwaren aanvoert of betwist, beantwoordt het onderzoeksgerecht dit verweer door zijn onaantastbare vaststelling dat die bezwaren al dan niet bestaan. Uit de omschrijving van de telastlegging F.17 blijkt dat aan de eisers V en VI geen frauduleuze belemmering van de toewijzing van een concessie van openbare dienst ten laste wordt gelegd, wel een frauduleuze aanwending van de rechtsfiguur van de concessie van openbare dienst om de toewijzing van een aanneming of van enige dienst zoals bedoeld in artikle 314 Strafwetboek, te belemmeren of te storen. De concessie van openbare dienst, als frauduleus middel, wordt door de telastlegging in vraag gesteld, niet de strafbaarheid die volgt uit artikel 314 Strafwetboek wanneer dit betrekking heeft op een concessie van openbare dienst. In de mate de conclusie in die laatste zin is opgesteld, is zij doelloos en behoeft zij geen antwoord. Voor het overige beantwoorden de appelrechters de conclusie van de eisers V en VI die het feitelijke bestaan van de bezwaren betwist, met de vaststelling "dat er bezwaren bestaan (...) dat het aan de rechter ten gronde zal behoren of in hoofde van (de eisers) de omschreven feiten, met inbegrip van alle constitutieve elementen van de ten laste gelegde misdrijven, al dan niet bewezen zijn". Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiseres V Het middel voert schending aan van artikel 61, ,§ 1, (lees 61bis) Wetboek van Strafvordering en miskenning van het recht van verdediging, doordat de onderzoeksrechter aan de eiseres V geen enkele mededeling deed, hetzij bij gelegenheid van een verhoor hetzij door een kennisgeving, dat er tegen haar ernstige aanwijzingen van schuld bestonden. Door de afwezigheid van een formele inverdenkingstelling werd de eiseres V niet verhoord en werd met betrekking tot haar geen enkele onderzoeksdaad gesteld. Artikel 61bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de onderzoeksrechter overgaat tot de inverdenkingstelling van elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. Deze inverdenkingstelling vindt plaats ter gelegenheid van een verhoor of door kennisgeving aan de betrokkene. Dezelfde rechten als de inverdenkinggestelde geniet eenieder tegen wie de strafvordering wordt ingesteld in het kader van een gerechtelijk onderzoek. Uit deze bepaling volgt dat een verhoor door de onderzoeksrechter kan plaatshebben vooraleer de beslissing tot inverdenkingstelling wordt genomen. Deze bepaling vereist evenwel niet dat in alle gevallen de inverdenkinggestelde wordt verhoord. De wetgever bepaalt geen sanctie wanneer een verdachte die door het onderzoeksgerecht naar het vonnisgerecht wordt verwezen, niet voorafgaandelijk door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld. De afwezigheid van die inverdenkingstelling heeft niet de niet-ontvankelijkheid van de vervolging tot gevolg. De regelmatigheid van de rechtspleging komt aldus slechts in het gedrang in zoverre het recht van verdediging van de verwezene die niet voorafgaandelijk in verdenking is gesteld, daardoor miskend of beperkt wordt. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres V op 28 april 2005 door de griffier overeenkomstig artikel 127 (oud) Wetboek van Strafvordering in kennis werd gesteld van de vordering van de procureur des Konings, en aldus vermocht de in dat artikel vermelde rechten uit te oefenen. Het oordeel van de appelrechters "dat de afwezigheid van inverdenkingstelling, conform artikel 61bis van het Wetboek van Strafvordering van (de eiseres V) (...) evenmin een grond van onontvankelijkheid of nietigheid (uitmaakt)", is naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen. Begroot de kosten in het geheel op 325,56 euro, waarvan op elk van de zes cassatieberoepen 54,26 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère en Dirk Debruyne, en op de openbare terechtzitting van 17 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090527.6 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130514.7 ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140402.2 ECLI:BE:CASS:2015:CONC.20151125.4 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210326.1N.6 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231107.2N.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000111.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010516.11 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010523.6 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020123.7 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021210.4 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.19 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051115.11 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110323.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140521.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div