← België

ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.1 Rolnummer: C.05.0347.N Kamer: 1N + Eerste Kamer + Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2007-01-04 Raadplegingen: 190 - laatst gezien 2026-07-03 07:15 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De toepassing van de bepaling die voorschrijft dat elke schuldvordering ontstaan uit een beroeps-, handels- of burgerlijke bedrijvigheid en die gewoonlijk door een factuur wordt vastgesteld mag worden afgestaan of in pand gegeven worden door endossement van deze factuur of van een voor eensluidend verklaard afschrift ervan, is niet beperkt tot facturen over goederen die reeds geleverd of prestaties die reeds volbracht zijn. Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: VERBINTENIS Overdracht van schuldvordering Factuur Inpandgeving Endossement Wettelijke bepalingen: Wet - 25-10-1919 - Art.13,eerste Thesaurus CAS: PAND Vrije woorden: PAND Schuldvordering Factuur Endossement Wettelijke bepalingen: Wet - 25-10-1919 - Art.13,eerste Tekst van de beslissing Nr. C.05.0347.N B. I., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem), Driekoningenstraat 3, in vervanging van wijlen mr. Adolf Houtekier, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteeenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. DEXIA BANK BELGIË, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, 2.a. G. M., in de hoedanigheid van erfgenaam van B.T., 2.b. T.V., in de hoedanigheid van erfgenaam van B.T.,
  2. CONOCOPHILIPS BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1800 Vilvoorde, Medialaan 50,
  3. BESTFOODS BELGIUM, naamloze vennootschap, met zetel te 1190 Vorst, Humaniteitslaan 292, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 november 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd. II. MIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6.1 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955; - de artikelen 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van hervorming zegt voor recht dat de verweersters NV Seca, thans N.C. Conocophillips Belgium en NV Bestfoods Belgium elk het bedrag van 750.000 BEF dienen te betalen aan de NV Bacob thans NV Dexia Bank Belgium, en niet aan de eiseres B.I. op volgende gronden: De eiseres werpt volgend argument op, waarin het ten voordele van de bank gedane endossement van de facturen haar niet tegenstelbaar zou zijn. Zij laat gelden dat een van de toenmalige medewerkers van de bank, B., aan B. zou gezegd hebben dat T. een competente, betrouwbaar persoon zou zijn; B., en dus de bank, zou geweten hebben dat de sponsorgelden aan B.I. toekwamen, en niet aan T. of aan zijn vennootschap. T. zou enkel recht hebben op een commissie, en de bank wist dus dat zij het endossement van die facturen niet kon erkennen. Mevrouw B. biedt aan, zo nodig, een en ander door getuigen te bewijzen, aangezien het gesprek met B. zou hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van haar trainer, de heer J.M.D.D., journalist V.D.W. en judoka N.J. Het hof (van beroep) stelt vast dat uit geen enkel stuk blijkt, dat de verweerster, de bank, op de data van de endossementen, wist of moest weten dat T. en/of zijn vennootschap, BVBA Event Group, niet het recht had de betaling van de sponsorgelden te ontvangen. In de stelling die B.I. voorstaat is ook niet te begrijpen dat Seca en Bestfoods het endossement aanvaard hebben, als zij zouden geweten hebben dat T., of zijn vennootschap, die betalingen niet mochten aannemen. Uit de vermelding op de facturen "parrainage B.I." kan niet afgeleid worden dat de gelden toekwamen aan B.I. of dat T. en zijn vennootschap niet gerechtigd waren die gelden in ontvangst te nemen. Het getuigenaanbod, dat de medewerker van de bank, B., niet alleen T. zou hebben aanbevolen, maar ook wist dat de gelden aan B.I. toekwamen, wordt niet aanvaard. Dit getuigenaanbod (in hoofdzaak geformuleerd in de drie conclusies genomen voor de rechtbank van eerste aanleg, als "hernomen" beschouwd in de beroepsconclusies), vermeldt wel de personen die zouden aanwezig geweest zijn, maar noch de plaats, noch de datum, noch het uur van het gesprek. Dit aanbod is te vaag om in aanmerking te komen. Grieven Eerste middel Eerste onderdeel De eiseres stelde in haar op 1 juni 1989 neergelegde conclusie voor de eerste rechter (blz. 2, sub n° II, 2), hernomen in hoger beroep, dat Bogaerts wel degelijk de solvabiliteit van dhr. T. B. had verzekerd. Dat gebeurde in aanwezigheid van derden. De eiseres biedt aan die derden als getuigen te horen. Hun verklaringen onder eed kunnen belangrijk zijn om aan te tonen dat B., en dus de bank, van alles zeer goed op de hoogte was. Zo wist de bank dat T. B. met de eiseres een overeenkomst had waarbij hij het recht had haar te promoten maar de gelden aan de eiseres toekwamen. En in haar tweede appelconclusie (blz. 3, sub n° 3), neergelegd op 27 november 1995 stelde de eiseres dat zij aanbood de perfecte kennis van het gebeuren van de bank te bewijzen door haar directeur B. die van alles kennis nam en er alsdan drie personen mee aanwezig waren, nl. D., V. en J.. Deze feiten betreffende het bevestigen van de solvabiliteit van T. en het recht van de eiseres om rechtstreeks van de sponsors de gelden te ontvangen, gezegd in aanwezigheid van drie personen zijn bepaald en ter zake dienend en van aard om het getuigenverhoor toe te laten (schending van de artikelen 915 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). Het bestreden arrest heeft, door het aangeboden getuigenverhoor te verwerpen wegens het niet vermelden van plaats, datum en uur ervan, zonder de eiseres in de mogelijkheid te stellen zich daarop te verdedigen, ook de rechten van verdediging van de eiseres miskend (schending van artikel 6.1, EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied over de rechten van de verdediging). Tweede onderdeel De verweerders hebben geen enkele bemerking aangaande het door de eiseres aangeboden getuigenverhoor in hun appelconclusies gemaakt. Het bestreden arrest heeft alzo niet alleen de rechten van de verdediging van de eiseres geschonden maar eveneens werd er haar geen eerlijk proces toegekend daar het aanbod tot getuigenverhoor werd verworpen zonder dat daarover bij de behandeling van de zaak enige bemerking werd gemaakt, noch enig contradictoir debat gevoerd (schending van artikel 6.1, EVRM). Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 6, van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 25, van titel IV, van boek I, van het Wetboek van Koophandel; - artikel 13, van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van hervorming zegt voor recht dat de verweerders NV Seca, thans NV Concophillips Belgium en NV Bestfoods Belgium elk de som van 750.000 BEF dienen te betalen aan de NV Bacob, en niet aan de eiseres B.I. op volgende gronden: De eiseres betwist de regelmatigheid van de facturen die geëndosseerd werden. Zij houdt voor (weerom vooral in de conclusies genomen in eerste aanleg) dat een factuur enkel zou kunnen worden opgesteld voor reeds verkochte goederen die in de factuur beschreven worden. Terecht betwist de bank deze stelling. Een factuur kan evenzeer slaan op diensten als op goederen (Dirix, E. en Ballon G., De factuur, p. 9). Geen enkele bepaling verbiedt een factuur op te stellen, of te endosseren, voor goederen en diensten die nog moeten geleverd worden. Natuurlijk zal de schuldenaar een vooraf opgestelde factuur maar moeten betalen op de contractueel afgesproken datum, maar dat doet niet af aan de geldigheid van de factuur. Ook dit tweede argument van B.I. kan niet aanvaard worden. Aangezien zowel de facturen als het endossement regelmatig zijn en dateren van voor het tijdstip, waarop de bank, Seca en Bestfoods moesten weten dat T. noch zijn vennootschap betalingen in ontvangst mochten nemen, heeft de bank, recht op de betaling van de geëndosseerde facturen. Grieven Eerste onderdeel Een factuur is een geschrift dat bestemd is om een verkoop of een dienstverlening vast te stellen, en de beschrijvende staat bevat van de verkochte goederen of geleverde diensten, met aanduiding van de hoeveelheid, de kwaliteit en de prijs; de akten die als zodanig ingeroepen worden door de verweersters, waarop prestaties vermeld zijn die nog niet geleverd werden, kunnen derhalve niet als bewijskrachtige factuur gelden (schending van artikel 25, van titel IV, van boek I, van het Wetboek van Koophandel). Tweede onderdeel Artikel 13 van de wet van 25 oktober 1919 bepaalt dat elke schuldvordering ontstaan uit een beroeps-, handels- of burgerlijke bedrijvigheid en die gewoonlijk door een factuur wordt vastgesteld mag afgestaan of in pand gegeven worden door endossement van deze factuur en dat de factuur moet gedagtekend zijn, de eenzelvigheid van de schuldeiser en schuldenaar vermelden, alsmede de prijs van elke levering of prestatie die de schuldvorderingen hebben doen ontstaan alsmede het globaal bedrag van de vordering. Deze bepaling is van openbare orde en dient restrictief geïnterpreteerd te worden, en uit de bewoordingen van artikel 13 voormeld volgt dat enkel wettig kan geëndosseerd worden de factuur waarvan de goederen geleverd zijn of de prestaties volbracht, zodat het bestreden arrest ten onrechte heeft beslist dat de kwestieuze facturen voor goederen of diensten die nog moeten geleverd worden wettig konden geëndosseerd worden (schending van de artikelen 6, van het Burgerlijk Wetboek, 13, van de wet van 25 oktober 1919, 25, van titel IV, van boek I, van het Wetboek van Koophandel). III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  4. Het arrest heeft het aanbod om met getuigen te bewijzen naar recht kunnen verwerpen op grond dat het onder bewijsaanbod gestelde feit te vaag is wat betreft de plaats, de datum en het uur van het gesprek.
  5. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  6. De eerste verweerster heeft in haar appelconclusie van 12 januari 1994 met betrekking tot de onder bewijsaanbod gestelde bespreking met Bogaerts gesteld: "besprekingen (Welke? Wanneer?)".
  7. De eiseres was aldus in de mogelijkheid zich te verdedigen omtrent de vaagheid van haar bewijsaanbod met getuigen.
  8. In zoverre de eiseres schending aanvoert van artikel 6.1 EVRM en miskenning van haar recht van verdediging, mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  9. Uit de randnummers 3, 4 en 5 van het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het tweede onderdeel feitelijke grondslag mist. Tweede middel Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters hebben geoordeeld dat de facturen, waarop prestaties zijn vermeld die nog niet geleverd werden, als bewijskrachtige facturen gelden in de zin van artikel 25, van titel IV, van boek I van het Wetboek van Koophandel.
  11. Het bestreden arrest bevat dit oordeel niet, zodat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Tweede onderdeel
  12. Artikel 13, eerste lid, van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het gebruik gedane leveringen, bepaalt dat elke schuldvordering ontstaan uit een beroeps-, handels- of burgerlijke bedrijvigheid en die gewoonlijk door een factuur wordt vastgesteld, mag worden afgestaan of in pand gegeven door endossement van deze factuur of van een voor eensluidend verklaard afschrift ervan.
  13. Dit artikel is niet beperkt tot facturen over goederen die reeds geleverd zijn of prestaties die reeds volbracht zijn.
  14. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 893,30 euro jegens de eisende partij en op de som van 223,26 euro jegens de eerste verwerende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 20 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.