id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.3 Rolnummer: F.05.0018.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 592 - laatst gezien 2026-07-04 04:48 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een rechtscollege kan de toepassing van een wettelijke norm weigeren wegens strijdigheid met de grondwetsbepalingen waaraan het Arbitragehof de wet kan toetsen, zonder ter zake aan dat Hof een prejudiciële vraag te moeten stellen, indien het Arbitragehof die wettelijke norm reeds in antwoord op een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp ongrondwettig heeft verklaard
(1).
(1)Zie Cass., 6 april 1992, AR M.561.F, A.C., 1991-92, nr 423; Cass., 19 juni 2003, AR C.01.0569.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030619.12, nr 365; Cass., 3 dec. 2003, P.03.1191.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.8, nr 615. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Rechtbanken Verplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§1,3° Fiche 2 Een rechtscollege kan de toepassing van een wettelijke norm weigeren wegens de strijdigheid met de grondwetsbepalingen waaraan het Arbitragehof de wet kan toetsen, zonder ter zake aan dat Hof een prejudiciële vraag te moeten stellen, indien het Arbitragehof die wettelijke norm reeds in antwoord op een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp ongrondwettig heeft verklaard
(1).
(1)Zie Cass., 6 april 1992, AR M.561.F, A.C., 1991-92, nr 423; Cass., 19 juni 2003, AR C.01.0569.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030619.12, nr 365; Cass., 3 dec. 2003, P.03.1191.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.8, nr
- Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: PREJUDICIEEL GESCHIL Arbitragehof Prejudiciële vraag Rechtbanken Verplichting Grenzen Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§1,3° Tekst van de beslissing Nr. F.05.0018.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Antwerpen, tweede directie, wiens kantoor gevestigd is te 2000 Antwerpen, Tabakvest 50, eiser, vertegenwoordigd door mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. tegen
- L.P.,
- H.A. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 2 december 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift vijf middelen aan. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt dat de artikelen 49 en 53, 1°, WIB
(1992)de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre de lasten en de uitgaven waartoe een vroegere beroepswerkzaamheid heeft genoopt maar die na de stopzetting ervan worden gedragen, niet aftrekbaar zijn (Arbitragehof, arrest nr. 75/2000 van 21 juni 2000 rolnummer 1618). De stopzetting van de beroepswerkzaamheid leidt er immers toe het voordeel van artikel 49 te ontzeggen aan de belastingplichtigen wier kosten die als beroepskosten zijn erkend tijdens de uitoefening van hun beroep, voortduren na de stopzetting van die activiteit, terwijl die kosten, zoals tijdens de beroepswerkzaamheid gemaakte kosten, enkel zijn gemaakt teneinde die beroepswerkzaamheid te kunnen uitoefenen, terwijl het karakter van beroepsinkomsten van de winst en baten die voortvloeien uit een vroegere beroepswerkzaamheid, geenszins wordt geraakt door de stopzetting daarvan. Zowel de geïnde inkomsten als de lasten gedragen na de stopzetting van een beroepswerkzaamheid hebben, ondanks de stopzetting, gemeen dat de oorzaak ervan de vroegere uitoefening van die activiteit is, bij ontstentenis waarvan die lasten niet zouden bestaan hebben. Te dezen stelt het bestreden arrest dat niet wordt betwist dat de afschrijvingen met betrekking tot de studeer- en kantoorruimte van de eerste verweerder door de administratie steeds aanvaard werden als aftrekbare beroepskosten. De verweerders zijn aldus volgens het bestreden arrest gerechtigd om deze kosten die verband houden met de vroegere beroepswerkzaamheid van de eerste verweerder en die nog gedragen worden na de beëindiging van deze beroepswerkzaamheid, in mindering te brengen van hun belastbare inkomsten, met name de residuwaarde van 228.150 fr. of 5.655,69 euro aan te rekenen op hun belastbare inkomsten van het aanslagjaar 1999. Het bestreden arrest verklaart derhalve het beroep gegrond en hervormt het bestreden vonnis in de voormelde zin. Grieven Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging van de Belgische Staat als procespartij; - het beschikkingsbeginsel; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - de artikelen 702, 774, tweede lid, 807, 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, hetgeen een schending uitmaakt overeenkomstig artikel 608 Gerechtelijk Wetboek (Cass., 9 november 1965, RCJB, 1967, 137). Het bestreden arrest verklaart de fiscale voorziening van de verweerders met betrekking tot aanslagjaar 1999 gegrond op het motief dat de artikelen 49 en 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 schenden in zoverre de lasten en uitgaven waartoe een vroegere beroepswerkzaamheid heeft genoopt maar die na de stopzetting daarvan worden gedragen, niet aftrekbaar zijn. Het bestreden arrest steunt daarbij op het arrest van het Arbitragehof nr.75/2000 van 21 juni 2000, rolnummer 1618, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 augustus
- De rechter mag echter de door de partijen tot staving van hun vordering voorgedragen redenen slechts ambtshalve aanvullen, op voorwaarde dat hij geen geschil opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij zich enkel baseert op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd en dat hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt en hierbij het recht van verdediging niet miskent (Cass.17 maart 2000, RW, 2000-2001, 353; Cass. 13 november 1989, A.C., 1989-90, 339; Cass., 11 juni 1992, Pas., 1992, I, 895), Het Hof van Beroep te Antwerpen heeft in zijn bestreden arrest een rechtsgrond aangevoerd die op geen enkel ogenblik, noch in de bezwaarfase, noch in het stadium van de gerechtelijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg werd aangevoerd door de eiser en de verweerders en de rechter van ambtswege en evenmin door de eiser en de verweerder voor het hof van beroep. De eiser is bijgevolg niet in de gelegenheid gesteld om de stelling te verdedigen dat de wetgevende norm geen schending is van de Titel II van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
- De bescherming van de rechten van verdediging is nochtans een algemeen rechtsbeginsel van behoorlijke rechtspraak (Cass. 2 mei 1961, Pasicrisie, 1961, blz. 926) en vormt een bindend beginsel dat betrekking heeft op de wijze waarop recht wordt gesproken. Het is van toepassing op elk rechtsprekend orgaan en elke procespartij moet haar standpunt volledig kunnen uiteenzetten in omstandigheden die haar niet in een minder gunstige positie stellen dan de tegenpartij. Het bestreden arrest mag niet zonder meer andere fiscale rechtsgronden aanvoeren. Dat kan alleen wanneer dit gebeurt met eerbiediging van de rechten van verdediging. Het hof van beroep moet de partijen uitnodigen standpunt in te nemen over de rechtsgrond die het hof zich voorneemt ambtshalve aan te voeren en de rechter in beroep moet de debatten heropenen wanneer deze zich voorneemt een vordering toe te wijzen of een verweer te verwerpen op grond van niet aangevoerde middelen, hetgeen per hypothese het geval is wanneer deze ambtshalve rechtsgronden aanvoert waaruit de onwettigheid van de betwiste belasting blijkt en het hof van beroep dus partij kiest. Door dit niet te doen heeft het hof van beroep de rechten van verdediging van de eiser geschonden aangezien de eiser als procespartij zelfs niet in de mogelijkheid werd gesteld aan te voeren dat de wetgevende norm geen schending is van de Titel II van de Grondwet en dat het arrest van het Arbitragehof, arrest nr.75/2000 van 21 juni 2000, rolnummer 1618, zelfs niet van toepassing is aangezien dit arrest zelf in punt B.2., derde lid, stelt "Zoals blijkt uit het arrest waarbij de prejudiciële vraag wordt gesteld, zijn de lasten en uitgaven in verband met bestanddelen die, naar aanleiding van de stopzetting van de beroepswerkzaamheid, een niet-professionele bestemming hebben verkregen, niet in het geding" hetgeen in casu echter het geval is. Door de Belgische Staat te veroordelen op basis van een rechtsgrond, zonder aan de Belgische Staat de mogelijkheid te geven zich in feite en in rechte te verdedigen ten aanzien van de door het hof voorgenomen toepassing van deze rechtsgrond, heeft het hof van beroep de rechten van verdediging geschonden, hetgeen een schending uitmaakt van dat algemeen rechtsbeginsel en is het bestreden arrest niet naar recht gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bestreden arrest enkel met miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging van de Belgische Staat als procespartij, van het beschikkingsbeginsel, van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en van de artikelen 702, 774, lid 2, 807, 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, hetgeen een schending uitmaakt overeenkomstig artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, heeft kunnen beslissen dat artikel 49 en 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 schenden in zoverre de lasten en uitgaven waartoe een vroegere beroepswerkzaamheid heeft genoopt maar die na de stopzetting daarvan worden gedragen, niet aftrekbaar zijn. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 142, tweede lid, 2°, en 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek; - de artikelen 26, ,§1, 3°, zoals gewijzigd bij artikel 27 van de Bijzondere Wet van 9 maart 2003 (BS van 11 april 2003, eerste uitgave) en 26, ,§2, tweede lid, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (BS van 7 januari 1989), hetgeen een schending uitmaakt overeenkomstig artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden arrest verklaart de fiscale voorziening van de verweerders met betrekking tot aanslagjaar 1999 gegrond op het motief dat artikel 49 en 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 schenden in zoverre de lasten en uitgaven waartoe een vroegere beroepswerkzaamheid heeft genoopt maar die na de stopzetting daarvan worden gedragen, niet aftrekbaar zijn. Nochtans is overeenkomstig artikel 142, tweede lid, 2°, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en de artikelen 1, 2°, (gewijzigd bij artikel 2 van de Bijzondere Wet van 9 maart 2003 - BS van 11 april 2003, eerste uitgave) en 26, ,§1, 3°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, enkel het Arbitragehof bevoegd om uitspraak te doen omtrent de schending door een wet, van het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie (artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). Het arrest van het Arbitragehof nr.75/2000 van 21 juni 2000 met rolnummer 1618 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 augustus 2000, waarnaar het bestreden arrest verwijst, bepaalt echter uitdrukkelijk dat het Arbitragehof zich niet uitspreekt over het geval van lasten en uitgaven in verband met bestanddelen die, naar aanleiding van de stopzetting van de beroepswerkzaamheid, een niet-professionele bestemming hebben verkregen (punt B.2. derde lid van dat arrest) en handelt trouwens over de bestaanbaarheid van de artikelen 23, ,§1, 3° , 28, 49 en 53, 1°, WIB
(1992)met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en kadert dus volledig binnen de beroepsinkomsten die als winsten en baten moeten worden beschouwd. Aangezien het hof van beroep eigenmachtig een toetsing heeft gedaan van wetgeving aan de Grondwet zonder vooraf een prejudiciële vraag te richten aan het Arbitragehof heeft het hof van beroep in het bestreden arrest de Grondwet geschonden daar artikel 142 van de Grondwet zelf uitdrukkelijk deze bevoegdheid heeft toegewezen aan het Arbitragehof. Het bestreden arrest motiveert niet naar recht waarom het geciteerde arrest van het Arbitragehof wel van toepassing is op onderhavige casus en waarom onderhavig geschil identiek zou zijn met het onderwerp van het arrest van het Arbitragehof, arrest nr.75/2000 van 21 juni 2000, rolnummer 1618, en het hof van beroep motiveert dan ook niet naar recht waarom er geen prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Arbitragehof met betrekking tot het voorliggende onderwerp. Hieruit volgt dat het bestreden arrest enkel met miskenning van de artikelen 142, tweede lid, 2° en 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 26, ,§1, 3° en 26, ,§2, tweede lid, 2°, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, heeft kunnen beslissen dat artikel 49 en 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 schenden in zoverre de lasten en uitgaven waartoe een vroegere beroepswerkzaamheid heeft genoopt maar die na de stopzetting daarvan worden gedragen, niet aftrekbaar zijn. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de kracht en het gezag van gewijsde van vonnissen in zoverre het bestreden arrest de afschrijvingen met betrekking tot de aanslagjaren 1996, 1997 en 1998 opneemt in de residuwaarde die het bestreden arrest aftrekbaar stelt van de inkomsten van de verweerders voor het aanslagjaar 1999. In het vonnis van 27 juni 2001 met nummer A.R. 99/5332/A dat de eiser en de verweerders in hun conclusies voor het hof van beroep vermelden, heeft de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, tweede F-kamer, de afschrijvingen die de eerste verweerder voor de aanslagjaren 1996, 1997 en 1998 had toegepast op het gedeelte van zijn woning dat hij voor zijn emeritaat voor beroepsdoeleinden gebruikte, verworpen op de volgende motieven: "Aangezien de eiser na zijn emeritaat, behalve pensioenen, geen andere beroepsinkomsten genoot, heeft hij het kantoor niet meer gebruikt om belastbare inkomsten te verkrijgen zodat de afschrijvingen dan ook niet meer aftrekbaar waren als beroepskosten (Cass. 27 oktober 1993, RW 1984-85, 1076). Bijgevolg is het bewezen dat de eisers dit gedeelte van de woning alsdan voor privé doeleinden gebruikten, zodat de afschrijvingen na zijn emeritaat dan ook geen betrekking hadden op de winsten en baten van zijn vroegere beroepswerkzaamheid en deze afschrijvingen bijgevolg evenmin aftrekbaar waren onder code 704". De verweerders hebben bij brief van hun raadsman, op 2 augustus 2001 aan de raadsman van de Belgische Staat, meester bevestigd dat zij geen hoger beroep instellen tegen dat tussengekomen vonnis en de rechtsplegingsvergoeding waartoe zij bij het vonnis van 27 juni 2001 werden veroordeeld, werd door de verweerders aan de Belgische Staat betaald. Hierdoor heeft het vonnis van 27 juni 2001 voor de afschrijvingen die betrekking hebben op de aanslagjaren 1996, 1997 en 1998, kracht van gewijsde gekregen ter zake van de niet-aftrekbaarheid. Hieruit volgt dat het bestreden arrest slechts met schending van artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de kracht en het gezag van gewijsde voor het aanslagjaar 1999 deze verworpen afschrijvingen heeft kunnen opnemen in de volgens dit bestreden arrest aftrekbare residuwaarde van het gedeelte van de woning dat in het verleden voor beroepsdoeleinden werd gebruikt. Het middel dat gegrond is op de schending van de kracht van het gewijsde is ontvankelijk zelfs indien het niet aan de feitenrechter is voorgelegd (Cass. 27.01.1978, A.C.1978, nrs. 5-6, en 7-8, blz. 640 en 641) Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 49, eerste lid, en 61, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). De oprichting van een onroerend goed, in casu een woning met bureauruimte waar een deel van de beroepswerkzaamheid als loontrekker wordt uitgeoefend, vormt op zich geen fiscaal aftrekbare kost in de zin van artikel 49 WIB
(1992). De residuwaarde van een goed is evenmin een kost in de zin van artikel 49 WIB
(1992)maar zoals het woord het zelf zegt een waarde, te weten het verschil op een bepaald ogenblik tussen de aanschaffingsprijs van het goed en de tot op dat ogenblik fiscaal aanvaarde afschrijvingen conform artikel 61 WIB
(1992). Enkel de jaarlijkse afschrijvingen op de aanschaffingsprijs van het gedeelte van de woning waar de beroepswerkzaamheid wordt uitgeoefend vormt een beroepskost. In casu werden op de kwestieuze bureauruimte tot en met het aanslagjaar 1995, 20 afschrijvingsannuïteiten toegepast hetgeen resulteerde in een residuwaarde van 228.150 fr. of 5.655,69 euro. Zodra de beroepswerkzaamheid wordt stopgezet kan het gedeelte van de woning dat als bureau is ingericht, echter geen waardevermindering meer ondergaan in de zin van artikel 61 W1B
(1992)aangezien de eventuele waardevermindering niet meer noodzakelijk is zoals vereist in voormeld artikel 61, en evenmin beantwoordt aan de noodzakelijke vereiste van artikel 49 W1B
(1992)dat kosten enkel als beroepskosten aanvaardt voor zover ze gedaan of gedragen zijn om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Hieruit volgt dat het bestreden arrest door de residuwaarde van het kwestieuze bureau te kwalificeren als een kost die verband houdt met de vroegere beroepswerkzaamheid van de eerste verweerder artikel 49, eerste lid, en artikel 61, eerste lid, W1B
(1992)schendt. Vijfde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 49, tweede lid, en artikel 360, WIB
(1992)zoals van toepassing voor het aanslagjaar 1999; - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994; - artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 49, eerste lid, WIB
(1992)zijn als beroepskosten aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en worden overeenkomstig artikel 49, tweede lid, WIB
(1992)als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen. Niet alleen vormt de residuwaarde geen kost die verband houdt met de vroegere beroepswerkzaamheid, zoals aangetoond in de vierde grief; maar is deze residuwaarde evenmin een kost die integraal kan worden toegerekend op het aanslagjaar 1999, zijnde het vijfde aanslagjaar na dat van de stopzetting van de beroepswerkzaamheid. Uit artikel 49, tweede lid, WIB
(1992)volgt dat de op gepaste wijze verantwoorde kosten die in het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, als beroepskosten kunnen worden aangemerkt voor zover aan één van de volgende twee citeria is voldaan: hetzij dat de kosten tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen, hetzij dat de kosten tijdens het belastbare tijdperk het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt. Het bestreden arrest laat zonder verdere redengeving de aftrek van de residuwaarde van het goed toe op het aanslagjaar 1999 daar waar de beroepswerkzaamheid werd stopgezet op 1 oktober
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest zijn beslissing niet met redenen omkleedt en derhalve niet naar recht verantwoordt waarom de residuwaarde van 228.150 fr. of 5.655,69 euro, die overeenkomt met de residuwaarde van het goed na toepassing van 20 afschrijvingsannuïteiten tot het aanslagjaar 1995, integraal drukt op het aanslagjaar 1999, te weten het vijfde aanslagjaar na dat van de stopzetting van de beroepswerkzaamheid, met name op 1 oktober
- Aldus schendt het artikel 49, tweede lid, WIB
(1992), artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 en artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Krachtens artikel 26, ,§1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, zoals gewijzigd door de bijzondere wet van 9 maart 2003, doet het Arbitragehof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak op vragen omtrent de schending van de artikelen van titel II, de Belgen en hun rechten, en van de artikelen 170, 172 en 194 van de Grondwet door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel. Krachtens artikel 26, ,§2, tweede lid, 2°, van de voornoemde bijzondere wet, is een rechtscollege onder meer niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. Hieruit volgt dat een rechtscollege de toepassing van een wettelijke norm kan weigeren wegens strijdigheid met de artikelen van titel II, de Belgen en hun rechten, van de Grondwet, waarvan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet deel uitmaken, of wegens strijdigheid met de overige grondwetsbepalingen waaraan het Arbitragehof de wet kan toetsen, indien het Arbitragehof die wettelijke norm reeds in antwoord op een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp ongrondwettig heeft verklaard.
- Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest nr. 75/2000 van 21 juni 2000 dat de artikelen 49 en 53, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre de lasten en de uitgaven waartoe een vroegere beroepswerkzaamheid heeft genoopt maar die na de stopzetting daarvan worden gedragen, niet aftrekbaar zijn. Uit het arrest van het Arbitragehof blijkt dat de lasten en uitgaven in verband met vermogensbestanddelen die, naar aanleiding van de stopzetting van de beroepsactiviteit, een niet-professionele bestemming hebben gekregen, niet in het geding waren. Het Arbitragehof heeft bijgevolg geen uitspraak gedaan over de grondwettigheid van de niet-aftrekbaarheid van kosten en lasten die betrekking hebben op vermogensbestanddelen die niet langer voor de beroepsuitoefening worden gebruikt en die na de stopzetting van de beroepsactiviteit deel uitmaken van het privé-vermogen van de belastingplichtige. 3. De appelrechters hebben ondanks de stopzetting van de beroepsactiviteit van de eerste verweerder, de afschrijvingen met betrekking tot de inrichting van de studeer- en kantoorruimte in zijn woning als aftrekbare beroepskosten aangemerkt. Zij passen de artikelen 49 en 53, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)niet toe. Ze steunen die beslissing op de ongrondwettigheid van deze wetsbepalingen, en dit op grond van het voormelde arrest van het Arbitragehof. 4. Het Arbitragehof heeft uitspraak gedaan op een prejudiciële vraag over een niet identiek onderwerp zodat de appelrechters hun beslissing om artikel 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)niet toe te passen, niet wettig op het voormelde arrest van het Arbitragehof konden baseren.
- Het middel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 20 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110124.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030619.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div