id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art.35bis
,§3, Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Verenigbaarheid met artikel 130 R.2 oud EG-Verdrag Wettelijke bepalingen:
Art.35bis
,§3, Fiches 3 - 4 De heffingsregeling vervat in de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren laat de hoedanigheid van heffingsplichtige, die voortvloeit uit de afname van water op het grondgebied van het Vlaams Gewest van een openbaar distributienet, niet afhangen van de omstandigheid dat de afnemer het afgenomen water heeft gebruikt of geloosd, noch van de omstandigheid dat de afnemer een openbare watervoorzieningsmaatschappij is of niet. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: BELASTING Gemeenschaps- en Gewestbelastingen Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Hoedanigheid van de heffingsplichtige Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen:
Art.35bis
,§3, Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Hoedanigheid van de heffingsplichtige Beoordelingscriteria Wettelijke bepalingen:
Art.35bis
,§3, Fiches 5 - 6 Indien de heffing op de waterverontreiniging wordt gevestigd ten name van de onweerlegbaar vermoede heffingsplichtige, is deze gehouden tot betaling van de heffing, die hij echter kan verhalen op de werkelijke verbruiker indien hij zelf niet de werkelijke verbruiker is; de werkelijke verbruiker wordt niet vrijgesteld van de heffing wanneer deze heffing niet te zijnen laste wordt gevestigd, en geniet dan ook geen voorrecht in de zin van artikel 172 van de Grondwet. Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: BELASTING Gemeenschaps- en Gewestbelastingen Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Verenigbaarheid met artikel 172, Gw. Wettelijke bepalingen:
Art.35bis
,§3, Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Verenigbaarheid met artikel 172, Gw. Wettelijke bepalingen:
Art.35bis
,§3, Fiche 7 Aangezien een aantal doelstellingen en beginselen van artikel 130 R oud E.G.-Verdrag tegen elkaar moeten worden afgewogen en wegens de ingewikkeldheid van de toe te passen criteria moet de rechterlijke toetsing noodzakelijkerwijs beperkt blijven tot de vraag of de wetgever, bij de vaststelling van een bepaalde regeling, de voorwaarden voor de toepassing van deze verdragsbepaling kennelijk verkeerd heeft beoordeeld
(1).
(1)Zie H.v.J. nr C-341/95, 14 juli 1998, Bettati/Safety Hi-Tech Sri, http://curia.eu.int. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Milieubeleid Door de wetgever uitgewerkte regelgeving Rechterlijke toetsing Fiches 8 - 14 Concl. adv.-gen. THIJS, Cass., 20 okt. 2006, AR F.05.0075.N, A.C., 2006, nr ... Thesaurus CAS: BELASTING Vrije woorden: BELASTING Gemeenschaps- en Gewestbelastingen Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Verenigbaarheid met artikel 130 R.2 oud EG-Verdrag Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Verenigbaarheid met artikel 130 R.2 oud EG-Verdrag BELASTING Gemeenschaps- en Gewestbelastingen Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Hoedanigheid van de heffingsplichtige Beoordelingscriteria GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Hoedanigheid van de heffingsplichtige Beoordelingscriteria BELASTING Gemeenschaps- en Gewestbelastingen Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Verenigbaarheid met artikel 172, Gw. GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vlaams Gewest Heffing op de waterverontreiniging Heffingsregeling Verenigbaarheid met artikel 172, Gw. EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Milieubeleid Door de wetgever uitgewerkte regelgeving Rechterlijke toetsing Nota: F.05.0075.N Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS: I. DE FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN.
- Eiseres exploiteert, zoals haar rechtsvoorganger de Regie der Luchtwegen (R.L.W.), de luchthaven Brussel-Nationaal. Verweerster vestigde voor het heffingsjaar 1996 een heffing op de waterverontreiniging van 13.480.938 frank (334.183,72EUR) lastens eiseres, berekend op basis van omzettingscoëfficiënten (art. 35septies Oppervlaktewaterenwet), daarbij rekening houdende met een door de Brusselse Intercommunale Watermaatschappij (B.I.W.M.) aan eiseres gefactureerd drinkwaterverbruik van 522.274m
- Hierbij werd van het totale door de B.I.W.M. aan eiseres gefactureerde waterverbruik (697.297m3), het waterverbruik van Sheraton en Sabena (175.023m3) in mindering gebracht, nu deze bedrijven een eigen aangifte indienden, en lastens hen een afzonderlijke heffing werd gevestigd (ten aanzien van Sabena op basis van meet- en bemonsteringsresultaten (art. 35quinquies Oppervlaktewaterenwet), en ten aanzien van Sheraton op basis van omzettingscoëfficiënten (art. 35septies Oppervlaktewaterenwet)) (zie eerste beroepsbesluiten verweerster, p. 8).
- Eiseres betwistte de lastens haar gevestigde heffing in zoverre zij het water betreft dat door derden en concessiehouders werd afgenomen die niet zelf een aangifte indienden. Volgens eiseres kunnen slechts de eindverbruikers van het water als heffingsplichtigen worden beschouwd, en kan zij, in zoverre zij het van de B.I.W.M. afgenomen water via haar eigen waterdistributienetwerk doorverkocht aan de concessiehouders op het luchthaventerrein, niet als een heffingsplichtige aangemerkt worden.
- Het bestreden arrest oordeelt dat verweerster volkomen wettig eiseres als heffingsplichtige, in de zin van artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet, kon beschouwen op grond van het enkele feit dat deze laatste, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, water afnam van een openbaar waterdistributienet, inzonderheid van de Brusselse Intercommunale Watermaatschappij (B.I.W.M.). Het bestreden arrest benadrukt ook dat artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet de hoedanigheid van heffingsplichtige niet laat afhangen "van de vraag of de afnemer van water al dan niet zelf openbare waterdistributiemaatschappij is, of van de vraag of hij al dan niet bepaalde verrichtingen doet zoals het garanderen van naleving van wettelijke bepalingen inzake drinkwaterkwaliteit en verplichte meetprogramma's e.d. meer" (arrest folio 487, eerste alinea), en ook niet vereist dat wordt aangetoond "dat het opgenomen water werd geloosd of niet werd geloosd" (arrest folio 487, derde alinea). Het bestreden arrest oordeelt aldus dat de door eiseres ingeroepen feitelijke omstandigheden dat zij zelf niet de eindverbruiker is van het af-genomen water en het ook niet zelf loost, maar, ten aanzien van de concessiehouders op de luchthaven die zij exploiteert, optreedt als watervoorzieningsmaatschappij, irrelevant zijn voor de beoordeling van de heffingsplicht. Het bestreden arrest specifieert daarbij dat eiseres, in zoverre zij niet de eindverbruiker is van het afgenomen water, krachtens het uitdrukkelijk voorschrift van artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, een recht van verhaal heeft "op de werkelijke verbruiker van het water", zodat de heffing uiteindelijk gedragen wordt door de werkelijke verbruiker of vervuiler (arrest folio 490, eerste alinea). II. DE VOORZIENING IN CASSATIE.
- Het enig cassatiemiddel komt op tegen de beslissing dat verweerster gerechtigd is vanwege eiseres de volledige heffing op de waterverontreiniging, voorzien in de artikelen 35bis e.v. van de Oppervlaktewaterenwet van 26 maart 1971, te vorderen, zonder verplicht te zijn na te gaan wie de werkelijke verbruikers zijn en zonder zich tot die werkelijke verbruikers te moeten wenden.
- Het eerste onderdeel voert in hoofdorde aan dat de voor-schriften van artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet op een met artikel 130, R.2 (oud) van het E.G.-Verdrag conforme wijze dienen te worden geïnterpreteerd, en dienvolgens aldus moeten worden uitgelegd dat slechts de verbruikers en lozers van het water door de heffing worden geviseerd, zodat de openbare watervoorzieningsmaatschappijen (waaronder beweerdelijk eiseres), in zoverre zij water leveren en niet verbruiken noch lozen, niet aan de heffing onderworpen zijn. Het bestreden arrest zou aldus niet wettig eiseres als heffingsplichtige hebben kunnen beschouwen "ongeacht de omstandigheid of eiseres water heeft verbruikt en heeft geloosd of niet, doch louter op grond van het loutere feit dat eiseres op het grondgebied van het Vlaamse Gewest water heeft afgenomen" (beweerde schending van artikel 130, R.2 (oud) van het E.G.-Verdrag en artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet) (voorziening p. 11, tweede alinea). Het bestreden arrest zou aldus ook niet wettig eiseres als heffingsplichtige hebben kunnen beschouwen "ongeacht de omstandigheid of eiseres een openbare watervoorzieningsmaatschappij is of niet doch op grond van het loutere feit dat aan eiseres door de B.
- W. M. in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar water werd geleverd en gefactureerd" (beweerde schending van artikel 130, R.2 (oud) van het E.G.-Verdrag en artikel 35bis, ,§3, tweede lid, juncto artikel 35octies, ,§5, van de Oppervlaktewaterenwet) (voorziening p. 11, derde alinea). In ondergeschikte orde voert het eerste onderdeel aan dat indien genoemde voorschriften van artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet niet anders kunnen geïnterpreteerd worden dan in een zin strijdig met artikel 130, R.
- van het E.G.-Verdrag, quod non, het bestreden arrest, door deze draagwijdte toe te kennen aan deze voorschriften, het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht en communautair recht op bepalingen van nationaal recht, het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden, en, voor zoveel als nodig, artikel 159 van de Grondwet, schendt (voorziening p. 11, tweede alinea, in fine en derde alinea, in fine).
- Beoordeling. 3.
- Volgens eiseres dient artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet aldus te worden geïnterpreteerd dat de afnemer van water slechts heffingsplichtig is wanneer hij bovendien de verbruiker en lozer is van dit water, derwijze dat de afname van water voor louter transport en de levering aan derden, niet heffingsplichtig is. Eiseres meent deze interpretatie te mogen afleiden uit de omstandigheid dat de wetgever, bij de omschrijving van de heffingsplichtigen, ervan is uitgegaan dat de afnemer van water (hetzij van een openbaar waterdistributienet hetzij door eigen waterwinning), "dit water afneemt om het te verbruiken en dit verontreinigd water loost" (voorziening p. 8, voorlaatste alinea). Eiseres ziet deze interpretatie bevestigd door de Europese milieuwetgeving die ertoe strekt de verbruikers van water in hun hoedanigheid van vervuilers te belasten teneinde hen aan te zetten tot een zuinig en verantwoord waterverbruik. 3.
- Noch uit de bedoeling van de decreetgever, noch uit de principes inzake het Europees milieubeleid zoals die voortvloeien uit artikel 130, R.
- van het E.G.-Verdrag, vloeit voort dat artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid van de Oppervlaktewaterenwet impliciet en noodzakelijk de voorwaarde zou bevatten dat de heffingsplichtige de eindverbruiker of lozer van het afgenomen water moet zijn, en impliciet en noodzakelijk de levering van water door openbare watervoorzieningsmaatschappijen niet als heffingsplichtig zou beschouwen. 3.2.
- Artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet stelt in duidelijke bewoordingen dat de afnemer van water van een openbare watervoorzieningsmaatschappij heffingsplichtig is (eerste lid), en dat de persoon aan wie een openbare watervoorzieningsmaatschappij het waterverbruik factureert, onweerlegbaar vermoed wordt de heffingsplichtige te zijn (tweede lid). Eiseres voegt aldus een voorwaarde toe aan artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet, die deze wetsbepaling niet bevat, door voor de heffingsplicht ook te eisen dat de afnemer van water van een openbaar waterdistributienet ook de eindverbruiker en uiteindelijke lozer is van dit water. Eiseres tracht ook het onweerlegbaar vermoeden van heffingsplicht, zoals vervat in artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, te weerleggen door het bewijs dat de persoon aan wie een openbare watervoorzieningsmaatschappij het waterverbruik factureerde, niet de eindverbruiker en lozer is van het water, waarbij eiseres het uitdrukkelijk verhaalsrecht in deze wetsbepaling voorzien, onbesproken laat. Artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet stellen noch expliciet, noch impliciet, voorwaarden wat betreft de reden van de afname van het water, de aanwending van het water, of de lozing ervan. In zoverre eiseres inderdaad, zoals zij voorhoudt, ten opzichte van de concessiehouders op het door haar geëxploiteerde luchthaventerrein, optreedt als openbare watervoorzieningsmaatschappij, is zij omwille van de afname van het water van de Brusselse Intercommunale Watervoorzieningsmaatschappij, heffingsplichtig, zoals terecht aange- nomen door het bestreden arrest (arrest folio 487, eerste alinea). Verweerster dient voor de vestiging van de heffing lastens eiseres geenszins te bewijzen dat eiseres eindverbruiker of lozer is van het afgenomen water, en eiseres kan zich geenszins aan de heffing onttrekken door het bewijs te leveren dat zij het afgenomen water niet verbruikte of loosde, doch doorverkocht aan de concessiehouders op de door haar geëxploiteerde luchthaven. De duidelijke tekst van artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet laat derhalve geen diverse interpretaties toe die zouden verplichten tot het teruggrijpen naar de doelstellingen van de decreetgever of tot het zoeken naar de interpretatie die het meest conform is aan artikel 310, R.2 (oud) van het E.G.-Verdrag. De door het onderdeel voorgehouden interpretatie komt dan ook strijdig voor met artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, en faalt dan ook naar recht. 3.2.
- In ieder geval wordt het aan de heffing op waterverontreiniging ten grondslag liggende beginsel "de vervuiler betaalt", wel degelijk gerealiseerd door de ruime omschrijving van de heffingsplichtigen, door de verschillende mogelijke berekeningswijzen van de heffing, en door het uitdrukkelijk verhaal toegekend aan de heffingsplichtige tegen de werkelijke verbruiker van het water. Anders dan door eiseres voorgehouden (voorziening p. 8, voorlaatste alinea), is het niet omdat de heffingsregeling uiteindelijk de lozing van afvalwater beoogt te treffen, dat diegene die water afneemt van een openbare watervoorzieningsmaatschappij, om het vervolgens door te leveren aan de eindverbruiker die het loost, niet door de heffing zou kunnen worden getroffen. 3.2.2.
- De heffing op de waterverontreiniging zoals zij, stapsgewijs, sinds het decreet van 20 december 1989 houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (B.S. 30 december 1989), in de Oppervlaktewaterenwet werd ingevoerd, maakt toepassing van het door de Europese regelgeving vooropgestelde beginsel "de vervuiler betaalt". Dit blijkt duidelijk uit de voorbereidende werken van de verschil-lende decreten die aan de grondslag liggen van de heffingsregeling zoals zij definitief werd ingevoerd in hoofdstuk IIIbis van de Oppervlaktewaterenwet bij decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 (B.S. 11 juli 1992) (zie M.v.T. bij het decreet van 20 december 1989 houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap (B.S. 30 december 1989), Gedr.St. Vl. Raad., 1989-90, nr. 265/1, pp. 1-4; M.v.T. bij het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 (B.S. 29 december 1990), Gedr.St. Vl. Raad., 1990-91, nr. 424/1, pp. 9-10; M.v.T. bij het decreet 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 (B.S. 11 juli 1992), Gedr.St. Vl. Raad., BZ 1992, nr. 186/1, pp. 17-18) (zie ook Arbitragehof nr. 39/94, 19 mei 1994, ro. B.6.1). De decreetgever steunde inzonderheid op het toenmalig artikel 130R.
- van het E.G.-Verdrag, naar luid waarvan het optreden van de Gemeenschap op milieugebied berust op de beginselen van preventief handelen, bestrijding van milieuaantastingen bij voorrang aan de bron en het beginsel dat de vervuiler betaalt. De decreetgever steunde tevens uitdrukkelijk op de Aanbeveling van de Raad 75/436/EEG van 3 maart 1975 betreffende de toekenning der kosten en het optreden van de overheid op milieugebied (PB. L. 194 dd. 25 juli 1975, p. 1), waarin het beginsel "de vervuiler betaalt" nader werd omschreven. Hieruit blijkt o.m. dat de heffing een aanmoedigingsfunctie heeft -nl. het ten laste leggen van de vervuilers van de kosten van de door hen teweeggebrachte milieuhinder zal hen aanmoedigen om minder te gaan vervuilen, waardoor een rationeler gebruik van de schaarse milieugoederen mogelijk wordt - en een herverdelende functie, wat erop neerkomt dat de vervuiler verplicht wordt om financieel het zijne bij te dragen in de kosten van collectieve maatregelen zoals bijvoorbeeld de werkings- en investeringskosten van openbare zuiveringsinstallaties. De genoemde aanbeveling van 3 maart 1975 kan, niettegenstaande zij geen bindend karakter heeft, en dus ook geen directe werking, niettemin worden aangewend om de draagwijdte van de heffingsregeling, en inzonderheid artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, te bepalen, in zoverre de tekst van dit artikel voor meerdere interpretaties vatbaar zou zijn (zie wat betreft de zgn. "conforme interpretatie" van aanbevelingen: H.v.J., 13 december 1989, Grimaldi/Fonds des maladies professionnelles, nr. C-322/88, r.o. 18; VAN DEN HENDE, L., "Overzicht van rechtspraak Europees Gemeenschapsrecht: rechtsbescherming 1979-1994", T.P.R. 1995,
(151), p. 168, nr. 26 en p. 183, nr. 44). Om dezelfde reden kan ook, en a fortiori, artikel 130, R.2. (oud) van het E.G.-Verdrag worden ingeroepen om de juiste draagwijdte te bepalen van de heffingsregeling, los van de vraag of dit voorschrift directe werking heeft (zie VAN DEN HENDE, L., o.c.). Krachtens de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie voor-ziet artikel 130.R van het E.G.-Verdrag, betreffende het beleid van de Gemeenschap op milieugebied, in een aantal doelstellingen, beginselen en criteria die de gemeenschapswetgever bij de tenuitvoerlegging van het milieubeleid moet respecteren. Aangezien een aantal doelstellingen en beginselen tegen elkaar moeten worden afgewogen en wegens de ingewikkeldheid van de toe te passen criteria moet de rechterlijke toetsing evenwel noodzakelijkerwijs beperkt blijven tot de vraag, of de wetgever bij de vaststelling van een bepaalde regeling de voorwaarden voor de toepassing van art. 130, R van het E.G.-Verdrag kennelijk verkeerd heeft beoordeeld (H.v.J. nr. C-341/95, 14 juli 1998, Bettati/Safety Hi-Tech Sri, http://curia.eu.int). De draagwijdte van artikel 130.R.2 van het E.G.-Verdrag is, in zoverre te dezen ingeroepen om aan de Oppervlaktewaterenwet een met het communautair recht conforme uitlegging te geven, voldoende duidelijk, zodat er geen reden is tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie op grond van artikel 234 E.G.-Verdrag (art. 177 oud) (zie H.v.J., 6 oktober 1982, Cilfit e.a., nr. 283/81, Jur., 3415; zgn. theorie van de "acte clair"). 3.2.2.2. De decreetgever heeft de omschrijving van het begrip "heffingsplichtige" in artikel 35bis, ,§3, eerste lid, bewust zéér algemeen gehouden (M.v.T., Gedr.St. Vl. Raad., BZ 1992, nr. 186/1, p. 20). Zijn bedoeling was "de personen (zowel natuurlijke als rechtspersonen, zonder verdere specifiëring van begrippen die in het verleden aanleiding hebben gegeven tot discussies zoals gezin, onderneming, instelling en inrichting, of woonruimte) aan te duiden die de heffing verschuldigd zijn daar zij het belastbaar feit, dit is het verbruik en/of de lozing van water in het grondgebied van het Vlaamse Gewest, hebben veroorzaakt" (ibid.). Zowel uit de omschrijving van de heffingsplichtigen in artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet, zoals hiervoor reeds toegelicht, als uit de berekeningswijzen van de heffing, blijkt dat het belastbaar feit inderdaad, zoals in de voorbereidende werken gesteld, "het verbruik en/of de lozing (
- is)van water". Voor de berekening van de heffing maakt de Oppervlaktewateren-wet een onderscheid tussen kleinverbruikers (de heffingsplichtigen die minder dan 500 m3 water per jaar verbruiken of over een eigen waterwinning met een pompvermogen van minder dan 5 m3 per uur beschikken: art. 35quater) en grootverbruikers (die grotere hoeveelheden verbruiken: art. 35quinquies). Voor de kleinverbruikers wordt de heffing berekend louter op grond van het waterverbruik (art. 35quater). Hiertoe worden de gegevens van de drinkwatermaatschappijen benut (die krachtens artikel 35octies, ,§5, hun medewerking dienen te verlenen aan verweerster, en die aan verweerster, uiterlijk op 1 maart van het heffingsjaar, alle gegevens en inlichtingen moeten verstrekken die nodig zijn voor de vestiging en de inning van de heffing). Voor de grootverbruikers, categorie waartoe eiseres behoort, wordt de heffing in principe berekend op basis van metingen en bemonsteringen van de hoeveelheid en samenstelling van het geloosde afvalwater, waarvoor de heffingsplichtige zelf moet instaan (art. 35quinquies). Wanneer deze metingen niet voorhanden zijn of onvolledig zijn, wordt de heffing voor grootverbruikers berekend via een vereenvoudigde methode, op basis van omzettingscoëfficiënten, in functie van de productiecijfers (volgens de tabel in bijlage bij de Oppervlaktewaterenwet) en het jaarwaterverbruik van de heffingsplichtige (art. 35septies). De kleinverbruikers hebben wel het recht om de toepassing te vragen van één van de berekeningsmethoden op basis van meet- en bemonsteringsresultaten (art. 35quinquies) of op basis van omzettingscoëfficiënten (art. 35septies), voorzover zij beschikken over de gegevens vereist voor de toepassing van deze berekeningsmethoden (art. 35quater, ,§2). 3.2.2.3. De decreetgever beoogt finaal de waterverontreiniging te treffen, in hoofde van de veroorzaker van deze vervuiling, in toepassing van het beginsel "de vervuiler betaalt". Het begrip "vervuiler" wordt voor de toepassing van dit beginsel ruim opgevat. Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad 75/436/EEG van 3 maart 1975 betreffende de toekenning der kosten en het optreden van de overheid op milieugebied (PB. L. 194 dd. 25 juli 1975, p. 1), die de decreetgever inspireerde bij het uitwerken van de heffingsregeling, is de vervuiler "degene die direct of indirect schade toebrengt aan het milieu of de voorwaarden schept die deze schade veroorzaken" (zie de Mededeling van de Commissie aan de Raad betreffende de toerekening van de kosten en het optreden van de overheid op milieugebied, in bijlage aan voornoemde aanbeveling, sub 3). De heffingsregeling in de Oppervlaktewaterenwet laat in principe alle heffingsplichtigen toe de berekening van de heffing op basis van meting en bemonstering van het debiet en de samenstelling van het door hen geloosde afvalwater, te eisen (cfr. art. 35quater, ,§2 en 35quinquies). Aldus biedt de decreetgever elke heffingsplichtige de mogelijkheid om op basis van de werkelijke lozing en vervuiling te worden belast. De heffingsplichtigen dienen wel zelf te zorgen voor de nodige meet- en bemonsteringsresultaten (art. 35quater, ,§2, eerste lid, in fine; art. 35quinquies, ,§4). Aangezien deze werkwijze, die het beste aansluit bij de werkelijk veroorzaakte waterverontreiniging, niet voor alle heffingsplichtigen haalbaar is, is de wetgever uitgegaan van een aantal vermoedens die redelijkerwijze toelaten aan te nemen dat er een bepaalde graad van watervervuiling wordt veroorzaakt. De loutere afname van water van een openbaar waterdistributie-net, of het beschikken over een eigen waterwinning, creëert voor de decreetgever het vermoeden van lozing van verontreinigd water. De heffingsplicht zoals omschreven in artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet, vereist geenszins het daadwerkelijk bewijs van lozing van het water noch van vervuiling ervan. Zowel de berekening van de heffing louter op basis van het water-verbruik (zoals toegepast voor kleinverbruikers: art. 35quater, ,§1), als de berekening van de heffing op basis van omzettingscoëfficiënten (art. 35septies), vereisen evenmin het bewijs van lozing van water of vervuiling ervan. De daadwerkelijke lozing en vervuiling dienen slechts bewezen te worden bij toepassing van de berekeningsmethode op basis van meet- en bemonsteringsresultaten (art. 35quinquies). Te dezen werd de litigieuze heffing lastens eiseres gevestigd om-dat zij water afnam van een openbare waterdistributiemaatschappij (B.I.W.M.) (art. 35bis, ,§3, eerste lid), en omdat zij onweerlegbaar vermoed wordt heffingsplichtige te zijn terzake het aan haar door de B.I.W.M. gefactureerde waterverbruik (art. 35bis, ,§3, tweede lid). De heffing werd berekend op basis van omzettingscoëfficiënten (van sector 55, "niet hoger vermelde bedrijfsactiviteiten", volgens de bijlage bij de Oppervlaktewaterenwet). Om te vermijden dat de lasten van de heffing zouden gedragen worden door diegene die niet de eindverbruiker en/of lozer is van het afgenomen water, heeft de decreetgever uitdrukkelijk voorzien dat de heffingsplichige die ingevolge het onweerlegbaar vermoeden van heffingsplicht geacht wordt de heffingsplichtige te zijn (art. 35bis, ,§3, tweede lid), een recht van verhaal heeft "op de werkelijke verbruiker van het water". In de voorbereidende werken van het decreet van 25 juni 1992 wordt in dit verband ondermeer het volgende opgemerkt: "Voorts wordt in paragraaf 3 een onweerlegbaar vermoeden ingesteld dat degene aan wie het waterverbruik wordt gefactureerd door een openbare watervoorzieningsmaatschappij een heffingsplichtige is, dit is een persoon die water heeft verbruikt en/of geloosd, onverminderd het verhaal van de `gefactureerde' op de werkelijke verbruiker van het water. Het in dit decreet uitdrukkelijk voorziene verhaal vormt de juridische basis voor de `gefactureerde' tot invordering van de heffing bij de werkelijke verbruiker van het water" (Gedr.St. Vl.Raad. BZ 1992, nr. 186/1, p. 20). De door de decreetgever uitgewerkte heffingsregeling treft dan ook uiteindelijk de vervuiler. Deze uitlegging is volledig in overeenstemming met de doelstellingen van de decreetgever, en is bovendien conform aan het Europees gemeenschapsrecht dat als inspiratiebron voor deze heffingsregeling diende. Te dezen heeft eiseres krachtens artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet het recht de lastens haar gevestigde heffing te verhalen op de concessiehouders van het luchthaventerrein, in zoverre eiseres niet zelf de verbruiker en/of lozer is van het afgenomen water, en deze concessiehouders de "werkelijke verbruikers" zijn, zoals ook terecht door het bestreden arrest aangenomen (arrest folio 490, eerste alinea). 3.2.2.4. Er dient derhalve besloten te worden dat de duidelijke tekst van artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid van de Oppervlaktewaterenwet, niet toelaat de heffingsplichtige te omschrijven op de door het eerste onderdeel van het enig middel voorgehouden wijze. Zelfs indien onduidelijkheid zou bestaan over de draagwijdte van artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid van de Oppervlaktewaterenwet, quod non, vereist het principe "de vervuiler betaalt", zoals dit blijkt uit artikel 130, R.2 van het E.G.-Verdrag, en zoals het uitdrukkelijk door de decreetgever als grondslag van de heffing werd genomen, geenszins dat artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid van de Oppervlaktewaterenwet op de door eiseres voorgehouden wijze zou worden geïnterpreteerd, nu dit principe afdoende wordt gerealiseerd door de toepassing van de heffing op de wijze aangenomen door het bestreden arrest. De door eiseres in het eerste onderdeel voorgehouden interpretatie faalt dan ook naar recht. 3.3. Voor zover eiseres in dit onderdeel aanvoert dat in zoverre artikel 35bis ,§3, eerste lid en tweede lid van de Oppervlaktewaterenwet "niet anders kan geïnterpreteerd worden dan in een zin strijdig met artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag" (voorziening p. 9, vijfde alinea en p. 10, voorlaatste alinea), het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht en communautair recht op bepalingen van nationaal recht, het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden, en, voor zoveel als nodig, artikel 159 van de Grondwet, worden geschonden, kan het evenmin aangenomen worden. Zoals hoger toegelicht kan de heffingsregeling conform de principes van het Europees milieurecht worden uitgelegd, zodat de vraag naar de niet-toepasselijkheid van de nationale norm wegens strijdigheid met het communautair recht zich niet stelt. Het onderdeel waarin wordt uitgegaan van een strijdigheid van de door het arrest voorgehouden interpretatie van artikel 35bis, ,§3, eerste en tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, met artikel 130.R.2 van het E.G.-Verdrag, faalt ook op dit punt naar recht. 4. Het tweede onderdeel verwijt het arrest het verweer van eiseres te hebben verworpen waarin de wettelijkheid van "het beleid" van verweerster werd bekritiseerd, erin bestaande in hoofde van sommige heffingsplichtigen een heffing te vestigen, en in hoofde van anderen niet, naargelang door hen een aangifte werd ingediend of niet. "Het beleid" van vestiging van de heffing in hoofde van alleen diegenen die een aangifte doen, en van vestiging van de verschuldigde heffing in hoofde van eiseres, met als gevolg dat het aan eiseres toekomt om de heffing te verhalen van de heffingsplichtigen die geen aangifte hebben verricht, is volgens eiseres onwettig. Het onderdeel omschrijft dit beleid van verweerster als een "gedoogbeleid", omdat heffingsplichtigen verplicht zijn een aangifte in te dienen, en verweerster op grond van de Oppervlaktewaterenwet beschikt over alle wettelijke middelen om in hoofde van de werkelijke verbruikers en lozers de verschuldigde heffing te vestigen en te innen. Door te beslissen dat verweerster niet verplicht is zich te wenden tot de werkelijke verbruikers van het door eiseres, via haar waterdistributienetwerk geleverd water, schendt het bestreden arrest, naar het oordeel van eiseres, artikel 172 van de Grondwet en de artikelen 35octies, ,§1, 35novies, 35decies en 35duodecies, ,§1, 1° en 2° van de Oppervlaktewaterenwet, alsmede de algemene rechtsbeginselen van gelijkheid voor de openbare lasten, en voor zoveel als nodig, van gelijkheid en van niet-discriminatie, zoals verwoord in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In zoverre het "gedoogbeleid" van verweerster zijn wettelijke basis zou vinden in artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, zou het bestreden arrest, naar het oordeel van eiseres, door aan artikel 35bis, ,§3, tweede lid van de Oppervlaktewaterenwet een draagwijdte te geven die strijdig is met artikel 130, R, 2. (oud) E.G.-Verdrag en met artikel 172 van de Grondwet, artikel 159 van de Grondwet en het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal recht en communautair recht op bepalingen van nationaal recht alsmede het algemeen rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden, schenden. Door de houding van verweerster te beamen die nagelaten heeft de artikelen 35octies, ,§1, 35novies en 35decies van de Oppervlaktewaterenwet toe te passen evenmin als artikel 35duodecies, ,§1, 1° en 2° van de Oppervlaktewaterenwet, zou het aangevochten arrest het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid de zorgvuldigheidsplicht, schenden. 5. Beoordeling. 5.1. Het bestreden arrest stelt ter zake vast: - dat verweerster op grond van artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet de mogelijkheid had om zowel eiseres, als de concessiehouders aan wie eiseres water leverde, als heffingsplichtigen te beschouwen, m.n. eiseres op grond van het feit dat zij water van het openbaar waterdistributienet afnam, en de concessiehouders op grond van het feit dat zij water loosden; - dat verweerster de mogelijkheid had de volledige heffing te vorderen van eiseres en aan eiseres de zorg te laten om zich te keren tegen "de werkelijke verbruikers" van het water (art. 35bis, ,§3, tweede lid, Oppervlaktewaterenwet); - dat de werkwijze van verweerster, die erin bestaat de haar ingevolge aangifte bekende verbruikers (Sabena en Sheraton) te belasten, ook al is zij hiertoe wettelijk niet verplicht, eiseres van de zorg ontlast regres uit te oefenen tegen de werkelijke verbruikers (arrest folio 487, vierde alinea). Het bestreden arrest beschouwt de werkwijze van verweerster niet als een "inconsequente of arbitraire houding", maar wel als "een praktische regeling, door een wettekst mogelijk gemaakt" (ibid.). De mogelijkheid die verweerster, op grond van artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, heeft om de heffing te vestigen ten laste van de persoon waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest factureert en die onweerlegbaar vermoed wordt de heffingsplichtige te zijn terzake van het aan hem gefactureerde waterverbruik, wordt door het arrest verder omschreven "als een belangrijk instrument van vereenvoudiging" (arrest folio 488, voorlaatste alinea). In dit verband benadrukt het bestreden arrest ook: - dat het voor de noden van de belasting noodzakelijk is bepaalde vereenvoudigingen door te voeren; - dat het onweerlegbaar vermoeden van artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet "in overeenstemming is met de meest voorkomende situatie waarbij gefactureerd wordt aan de afnemer, die meestal ook de verbruiker is", en "dat aldus vermeden wordt dat voor de inning van de belasting door (verweerster) moet onderzocht worden wie de werkelijke verbruiker van het gefactureerde water is, en zij zich op de door de wetgever gewilde vereenvoudiging mag steunen om zich enkel te wenden tot diegene aan wie gefactureerd werd, en niet verplicht is onderzoek naar de werkelijke verbruikers te doen" (arrest folio 488-489, sub 4). Rekening houdende met de omstandigheid dat verweerster op grond van artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet, de mogelijkheid had de volledige heffing lastens eiseres te vestigen, wordt de omstandigheid dat verweerster niettemin "toch bepaalde werkelijke verbruikers heeft belast, ook al is zij hier wettelijk niet toe verplicht, en andere niet", door het arrest geenszins beschouwd als een miskenning van het gelijkheidsbeginsel (arrest folio 488, laatste alinea). Samengevat oordeelt het bestreden arrest derhalve dat verweerster gerechtigd was de heffing te vestigen ten laste van eiseres, m.n. de heffingsplichtige aan wie het waterverbruik werd gefactureerd (art. 35bis, ,§3, tweede lid), zonder verplicht te zijn enig onderzoek naar de werkelijke verbruikers te verrichten (arrest folio 488, voorlaatste alinea), en dat verweerster niettemin bepaalde werkelijke verbruikers (rechtstreeks) mocht belasten, m.n. de verbruikers die aangifte hebben gedaan, en zich aldus aan verweerster kenbaar hebben gemaakt als heffingsplichtigen zonder dat hiertoe nader onderzoek door verweerster nodig was (arrest folio 489, eerste alinea, in fine). 5.2. Deze beslissing is, om de hierna aangehaalde redenen, naar recht verantwoord. Zoals toegelicht in het antwoord op het eerste onderdeel, laat de Oppervlaktewaterenwet verweerster toe de heffing op de waterverontreiniging te vestigen lastens eiseres in haar hoedanigheid van "afnemer van water van een openbare waterdistributienet" (art. 35bis, ,§3, eerste lid), en haar hoedanigheid van rechtspersoon waaraan "een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar (factureert)" (art. 35bis, ,§3, tweede lid). Artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet brengt ook met zich dat verweerster te dezen niet tevens diende te bewijzen dat eiseres ook de (werkelijke) verbruiker of lozer was van het water, en dat eiseres zich niet aan de heffingsplicht kon onttrekken door het bewijs dat zij niet de "werkelijke verbruiker" was. Uit hetzelfde artikel blijkt dat de wetgever het recupereren van de heffing bij "de werkelijke verbruiker", heeft overgelaten aan de heffingsplichtige zelf. Uit de heffingsregeling blijkt ook dat verweerster de heffing niet kan vestigen ten laste van zowel de afnemer van het water als de werkelijke verbruikers van ditzelfde water. Gelet op het uitdrukkelijk door de decreetgever aan de afnemer van het water toegekende verhaalsrecht tegen de werkelijke verbruiker, zou de werkelijke verbruiker aldus immers finaal dubbel belast worden, wat geenszins de bedoeling is geweest van de decreetgever, die uiteindelijk slechts de werkelijke verbruiker heeft wil treffen via het door de afnemer van het water uitgeoefend verhaal. Wanneer verweerster te dezen niettemin bepaalde werkelijke verbruikers, concessiehouders op het luchthaventerrein, heeft belast op grond van de gegevens vermeld in hun aangifte, en de andere concessiehouders, die geen aangifte indienden, niet heeft belast, paste zij de heffingsregeling correct toe. Verweerster vestigde enerzijds geen dubbele belasting aangezien zij het water dat door eiseres aan de concessiehouders werd geleverd die afzonderlijk werden belast, in mindering bracht op het lastens eiseres in aanmerking genomen watervolume voor de berekening van de heffing. Hetzelfde water werd dan ook niet dubbel belast (bij afname en bij verbruik/lozing). Anderzijds kende verweerster geen vrijstelling toe aan de concessiehouders die geen aangifte indienden en niet afzonderlijk werden belast: deze concessiehouders dragen immers, in het systeem van de heffingsregeling en de doelstelling van de decreetgever, finaal de heffing die lastens eiseres werd gevestigd ingevolge het uitdrukkelijk door artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet voorziene verhaalsrecht. Dat verweerster voor de vestiging van de heffing ten laste van de persoon aan wie een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik factureerde, niet tevens moet nagaan wie de werkelijke verbruikers zijn van dit afgenomen water (art. 35bis, ,§3, tweede lid), maar anderzijds, ingevolge de artikelen 35novies en 35decies van de Oppervlaktewaterenwet over opsporingsmogelijkheden beschikt om de juiste heffing te vestigen lastens de heffingsplichtige, en dat de "werkelijke verbruikers", op grond van de ruime omschrijving van heffingsplichtigen in artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterenwet zelf rechtstreeks heffingsplichtig kunnen zijn, en op grond van artikel 35octies, ,§1, van dezelfde wet aangifteplichtig, betekent niet dat verweerster noodzakelijk de heffing rechtstreeks moet vestigen lastens de "werkelijke verbruiker", wanneer, zoals te dezen, de werkelijke verbruiker getroffen wordt door het verhaalsrecht van eiseres. De overweging van het bestreden arrest "dat (verweerster) te dezen toch bepaalde werkelijke verbruikers heeft belast, ook al is zij hier wettelijk niet toe verplicht" (arrest folio 488, laatste alinea), moet in deze context begrepen worden: - verweerster kon de heffing m.b.t. het door eiseres afgenomen water vestigen ten laste van verweerster, die onweerlegbaar vermoed wordt de heffingsplichtige te zijn omdat het waterverbruik haar gefactureerd werd door de B.I.M.W., een openbare watervoorzieningsmaatschappij; - doordat aldus de heffing m.b.t. dit water werd gevestigd, diende verweerster geen verder onderzoek te verrichten naar de werkelijke verbruikers van dit afgenomen water, aangezien verweerster op ditzelfde water niet nogmaals de heffing kon vestigen wegens lozing ervan; - artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet laat verweerster toe de vervuilers onrechtstreeks te treffen door de heffing te vestigen lastens eiseres, die een recht van verhaal heeft op de vervuilers; - de werkelijke verbruikers/lozers, hoewel zij in principe tot aangifte verplicht zijn (art. 35octies, ,§1), kunnen niet nogmaals te weten, eerst onrechtstreeks via het verhaal uitgeoefend door eiseres, en vervolgens nogmaals rechtsreeks door verweerster - belast worden wegens het verbruik of de lozing van ditzelfde water. De concessiehouders van eiseres zijn heffingsplichtig, en voldoen aan de heffingsplicht doordat tegen hen verhaal kan worden ingesteld door eiseres die belast werd op het afgenomen water (art. 35bis, ,§3, tweede lid, Oppervlaktewaterenwet). Twee "werkelijke verbruikers", concessiehouders van eiseres, dien-den een aangifte in, Sheraton en Sabena, en werden door eiseres rechtstreeks belast, de eerste op basis van omzettingscoëfficiënten, de tweede op basis van meet- en bemonsteringsresultaten (zie eerste beroepsbesluiten verweerster, p. 8). Zo verweerster niet de werkelijke verbruikers van het door eiseres afgenomen water dient op te sporen, kan zij niettemin de heffing rechtstreeks vestigen lastens deze werkelijke verbruikers wanneer deze zich via aangifte kenbaar hebben gemaakt, in zoverre zij het door hen verbruikte water in mindering brengt van het ten aanzien van eiseres belaste watervolume. Dat verweerster de overige "werkelijke verbruikers" niet heeft opgespoord, en lastens hen geen ambtshalve heffing heeft gevestigd in toepassing van artikel 35duodecies, ,§1, Oppervlaktewaterenwet, is het gevolg van de onrechtstreekse vestiging van de heffing lastens deze "werkelijke verbruikers", via het verhaal dat de decreetgever toekent aan eiseres, waardoor deze "werkelijke verbruikers" aan hun heffingsplicht hebben voldaan. Zoals terecht door het bestreden arrest benadrukt kon verweerster rechtstreeks die verbruikers belasten "van wie zij een aangifte ontving en met zekerheid wist dat die aangevers heffingsplichtig zijn, en voor het overige zich tot (eiseres) (wenden) met toepassing van artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 die (verweerster) ervan ontlast te onderzoeken wie de werkelijke verbruikers-heffingsplichtigen zijn" (arrest folio 489, tweede alinea). Het onderdeel berust dan ook op de foutieve veronderstelling dat de houding van verweerster berust op een gedoogbeleid tegenover de concessiehouders die geen aangifte indienden: verweerster kon, in toepassing van artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de Oppervlaktewaterenwet volstaan met de vestiging van de heffing lastens eiseres, en diende geenszins de "werkelijke vervuilers" op te sporen en hen ambtshalve aan te slaan, nu deze vervuilers in de heffingsregeling getroffen worden door het verhaalsrecht van diegene die, tegenover verweerster, onweerlegbaar vermoed wordt de heffingsplichtige te zijn. Zoals ook blijkt uit het bestreden arrest bestond "het beleid" van verweerster geenszins in een gedogen tegenover de "werkelijke verbruikers" die geen aangifte indienden, maar wel in het vestigen van de heffing lastens de "werkelijke verbruikers" die aangifte indienden, hoewel verweerster hiertoe wettelijk niet verplicht was (arrest folio 488, laatste alinea), en waardoor zij eiseres "van de zorg (ontlastte) regres uit te oefenen tegen deze werkelijke verbruikers" (arrest folio 487, voorlaatste alinea, in medio). Het tweede onderdeel kan dan ook niet aangenomen worden nu het volledig berust op de foutieve veronderstelling dat de houding van verweerster een gedoogbeleid uitmaakt ten aanzien van de concessiehouders die geen aangifte indienden. Besluit: VERWERPING. Tekst van de beslissing Nr. F.05.0075.N BRUSSELS INTERNATIONAL AIRPORT COMPANY, naamloze vennootschap, met zetel te 1030 Brussel, Diamantbuilding, August Reyerslaan 80, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ, publiekrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 9320 Erembodegem, Alfons Van De Maelestraat 96, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 3 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Gent (A.R. nr. 2000/BD/13). Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 130, R.2. van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans, in de geconsolideerde versie artikel 174.2), goedgekeurd bij wet van 2 december 1957 (B.S., 25 december 1957) zoals in voege vóór de consolidatie te Amsterdam op 2 oktober 1997 (P.B., C, 10 november 1997), goedgekeurd bij wet van 10 augustus 1998 (B.S., 30 april 1999) (hierna het E.G.-Verdrag); de artikelen 10, 11, 159 en 172 van de Grondwet, de artikelen 10 en 11, voor zoveel als nodig; de artikelen 35bis, inzonderheid ,§3 (zoals gewijzigd door artikel 35 van het decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1993), 35octies, inzonderheid ,§1 en ,§5, 35novies (doch vóór de wijziging door artikel 10 van het decreet van de Vlaamse Raad van 7 mei 2004), 35decies en 35duodecies, ,§1, inzonderheid 1° en 3°, van de wet op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging van 26 maart 1971, zoals allen ingevoegd door artikel 69, ,§1, van het decreet van de Vlaamse Raad van 21 december 1990 en vervangen door artikel 44 van het decreet van de Vlaamse Raad van 25 juni 1992 (hierna de Oppervlaktewaterwet); het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden waaronder het rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur; het algemene rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationale recht en van het communautaire recht op bepalingen van het nationale recht; het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten en, voor zoveel als nodig, het algemene rechtsbeginsel van niet-discriminatie en het algemene rechtsbeginsel van gelijkheid; het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van het zorgvuldigheidsbeginsel. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres gedeeltelijk ongegrond en bevestigt voor recht dat de verweerster gerechtigd is vanwege de eiseres de volledige heffing te vorderen zonder verplicht te zijn na te gaan wie de werkelijke verbruikers zijn en zonder zich tot die werkelijke verbruikers te moeten wenden op grond van de volgende motieven: "2. (...) Dat krachtens artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 de persoon waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaams Gewest factureert in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, onweerlegbaar wordt vermoed de heffingsplichtige te zijn ter zake van het gefactureerde waterverbruik afgenomen van een openbare watervoorzieningsmaatschappij, onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker van het water; (...) Dat deze bepaling de stelling van de eiseres tegenspreekt volgens welke enkel de eindverbruiker als heffingsplichtige te beschouwen is; (...) Dat bovendien volgens artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de wet van 26.3.1971 als heffingsplichtige wordt beschouwd elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaams Gewest water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt of op dit grondgebied water heeft geloosd ongeacht de herkomst van het water; (...) Dat de rechtsvoorgangster RLW van de eiseres op het grondgebied van het Vlaams Gewest water heeft afgenomen van het openbaar distributienet nl. van de BIWM (Brusselse Intercommunale Watermaatschappij) en aldus voldoet aan de voorwaarden bepaald bij vermeld artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de wet van 26.3.1971 om als heffingsplichtige te worden beschouwd; dat de wet van 26.3.1971 de hoedanigheid van heffingsplichtige niet laat afhangen van de vraag of de eiseres al dan niet zelf openbare waterdistributiemaatschappij is, of van de vraag of zij al dan niet bepaalde verrichtingen doet zoals het garanderen van naleving van wettelijke bepalingen inzake drinkwaterkwaliteit en verplichte meetprogramma's e.d. meer; dat dergelijke gegevens derhalve zonder invloed zijn op de vraag of de eiseres al dan niet heffingsplichtige is; (...) Dat het integendeel de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om het begrip "heffingsplichtige" zeer algemeen te houden (...); (...) Dat het bovendien uit artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de wet van 26.3.1971 volgt dat het volstaat dat op het grondgebied van het Vlaams Gewest water is afgenomen van het openbaar waterdistributienet om als heffingsplichtige beschouwd te worden, zonder dat zou moeten aangetoond worden dat het opgenomen water werd geloosd of niet werd geloosd; (...) Dat het verder krachtens artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de wet van 26.3.1971 voor de VMM mogelijk was als heffingsplichtigen te beschouwen zowel de eiseres op grond van het feit dat zij water van het openbaar waterdistributienet afnam, als de concessiehouders aan de eiseres water leverde op grond van het feit dat zij water loosden; dat de VMM de mogelijkheid had de volledige heffing te vorderen van de eiseres (aan wie gefactureerd werd door de openbare watervoorzieningsmaatschappij; zie artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971) en aan de eiseres de zorg over te laten om zich te keren tegen de werkelijke verbruikers van het water; dat de werkwijze van de VMM die erin bestaat de haar ingevolge aangifte bekende verbruikers (Sabena en Airhotel/Sheraton) te belasten de eiseres van de zorg ontlast regres uit te oefenen tegen deze werkelijke verbruikers; dat het geen inconsequente of arbitraire houding betreft zoals de eiseres voorhoudt, maar een praktische regeling, door een wettekst mogelijk gemaakt, en waaruit niet kan worden afgeleid dat de VMM daarom aanneemt dat de afnemer maar de heffing zal moeten betalen wanneer hij niet kan aantonen dat hij het afgenomen water heeft geloosd; dat dergelijke stelling trouwens in strijd is met de hoger aangehaalde bepaling van artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de wet van 26.3.1971 volgens welk het afnemen van het openbaar waterdistributienet volstaat om heffingsplichtige te zijn, zonder meer; (...) Dat artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 enkel algemeen gezien bepaalt dat degene aan wie gefactureerd wordt, heffingsplichtige is en hij regres kan uitoefenen tegen de werkelijke verbruiker, zonder dat de toepassing van deze bepaling gerelateerd wordt aan of beperkt wordt tot de situatie van beheerders van appartementsgebouwen of vergelijkbare situaties; dat onjuist is de stelling van de eiseres volgens welke de regresmogelijkheid bepaald bij artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971, enkel zou inhouden dat de heffingsplichtige eventueel, bijvoorbeeld op basis van contractuele afspraken met diegenen die water van hem afnemen, de fiscale kost zou kunnen verhalen; dat daarentegen de zinsnede: "onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker van het water" voor degene aan wie het water gefactureerd werd, de juridische basis vormt voor de invordering van de heffing bij de werkelijke verbruiker van het water (...); (...) Dat de VMM krachtens artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 gerechtigd is de volledige heffing te vorderen van de eiseres zonder verplicht te zijn na te gaan wie de werkelijke verbruikers zijn en voor hoeveel, en of zij al dan niet water lozen; 3. (...) Dat de eiseres de schending aanvoert van het realiteitsbeginsel en stelt dat zij niet kan belast worden op water dat zij in realiteit niet heeft verbruikt; (...) Dat de VMM krachtens artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 gerechtigd is de volledige heffing te vorderen van de eiseres zonder verplicht te zijn zich te wenden tot de werkelijke verbruikers; dat het realiteitsbeginsel tegen deze wetsbepaling niet kan worden ingeroepen; 4. (...) Dat de eiseres de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert volgens haar begaan door de VMM door enkel de heffing in te vorderen van de concessiehouders die een aangifte hebben gedaan en niet van zij die geen aangifte hebben gedaan; (...) Dat voor de noden van de belasting het noodzakelijk is bepaalde vereenvoudigingen door te voeren (...); dat aldus wat de oppervlaktewaterenheffing betreft de facturatie door de waterdistributiemaatschappij als een belangrijk instrument van vereenvoudiging wordt gehanteerd; dat artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 aldus bepaalt dat de persoon aan wie wordt gefactureerd, vermoed wordt de heffingsplichtige te zijn; dat dit in overeenstemming is met de meest voorkomende situatie waarbij gefactureerd wordt aan de afnemer, die meestal ook de verbruiker is; dat aldus vermeden wordt dat voor de inning van de belasting door de VMM moet onderzocht worden wie de werkelijke verbruiker van het gefactureerde water is, en zij (...) op de door de wetgever gewilde vereenvoudiging mag steunen om zich enkel te wenden tot diegene aan wie gefactureerd werd, en niet verplicht is onderzoek naar de werkelijke verbruikers te doen; (...) Dat de VMM te dezen toch bepaalde werkelijke verbruikers heeft belast, ook al is zij hier wettelijk niet toe verplicht, en andere niet; dat zij echter enkel die verbruikers heeft belast die een aangifte hebben gedaan; dat wanneer de eiseres stelt dat de VMM ook de andere werkelijke verbruikers moest belasten op risico van schending van het gelijkheidsbeginsel, zij een vergelijking maakt tussen twee verschillende categorieën van personen, nl. zij van wie de VMM maar door onderzoek kan weten of zij wel heffingsplichtige zijn (ook al doet de eiseres hieromtrent mededelingen) en zij die zich door middel van een aangifte met zekerheid rechtstreeks kenbaar gemaakt hebben als heffingsplichtigen, zodat nader onderzoek niet nodig is; (...) Dat deze twee categorieën personen zich in een verschillende en niet-vergelijkbare situatie bevinden; dat het niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat de VMM enkel rechtstreeks belast die verbruikers van wie zij een aangifte ontving en derhalve met zekerheid weet dat die aangevers heffingsplichtigen zijn, en voor het overige zich tot de eiseres wendt met toepassing van artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 die de VMM ervan ontlast te onderzoeken wie de werkelijke verbruikers-heffingsplichtigen zijn; 5. (...) Dat de eiseres de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur aanvoert en meer bepaald van het zorgvuldigheidsbeginsel, stellend dat de VMM op arbitraire wijze heffingen oplegt, er geen werkelijk verbruik is in hoofde van de rechtsvoorganger RLW en op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de werkelijke hoeveelheid gebruikt water; (...) Dat, zoals reeds bij herhaling aangehaald, de VMM krachtens artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 de heffing vestigt ten laste van de persoon aan wie een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest factureert; (...) Dat de grief van de eiseres erin bestaat dat in toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur deze wettekst niet zou mogen toegepast worden; dat de beginselen van behoorlijk bestuur het grondwettelijk wettelijkheidsbeginsel (uitgedrukt in artikel 159 Grondwet/1994) niet in het gedrang kunnen brengen; 6. (...) Dat de eiseres aanvoert dat het opleggen van een heffing aan de RLW voor het water dat door de openbare waterdistributiemaaatschappij aan RLW wordt gefactureerd, een inbreuk uitmaakt op het principe 'de vervuiler betaalt'; (...) Dat te dezen de eiseres belast werd in toepassing van artikel 35septies van de wet van 26.3.1971 (berekening van de vuilvracht op basis van omzettingscoëfficiënten); dat het belaste water aan de eiseres werd gefactureerd; dat krachtens artikel 35bis, ,§3, tweede lid, van de wet van 26.3.1971 de eiseres onweerlegbaar wordt vermoed de heffingsplichtige te zijn voor het gefactureerde water, maar een verhaal heeft op de werkelijke verbruiker van het water; dat, in acht genomen deze laatste verhaalsmogelijkheid, het bij verhaal van de eiseres op haar concessiehouders, de werkelijke verbruiker of vervuiler is die de kosten van vervuiling draagt (bedoeling is immers dat 'men de vervuilers de kosten van de strijd tegen de door hen veroorzaakte vervuiling laat dragen', zie de bespreking van het toenmalige artikel 130, R.2. E.G.-verdrag van 25.3.1957 en de Aanbeveling van de Raad 75/436/EEG van 3 maart 1975 in Gedr. St. Vl. R., zitting 1990-91, 424/1, p. 9); dat voor wat betreft het water dat de eiseres stelt niet zelf te verbruiken maar levert aan haar concessiehouders de eiseres enkel in eerste instantie de heffing betaalt, maar uiteindelijk niet draagt (indien zij hiertoe de nodige stappen zet naar haar concessiehouders toe), zodat het principe 'de vervuiler betaalt' niet geschonden wordt; dat de concessiehouders aldus nog steeds worden aangemoedigd niet te vervuilen". Grieven Eerste onderdeel 1.1. Artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de Oppervlaktewaterwet stelt dat "voor de toepassing van dit decreet (...) als een aan de heffing onderworpen heffingsplichtige (wordt) beschouwd, elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaams Gewest water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt of op dit grondgebied water heeft geloosd, ongeacht de herkomst van het water". Om aan de heffing te worden onderworpen moet doch is het voldoende dat men zich in één van de drie door artikel 35bis, ,§3, lid 1, geviseerde situaties bevindt: - water hebben afgenomen van een openbaar waterdistributienet op het grondgebied van het Vlaams Gewest; - water hebben afgenomen tengevolge van eigen waterwinning op het grondgebied van het Vlaams Gewest; - water te hebben geloosd op het grondgebied van het Vlaams Gewest. Alhoewel de wetgever uiteindelijk alleen het lozen van water viseert, werd, teneinde te vermijden dat door de verweerster het bewijs zou moeten geleverd worden van elke afzonderlijke lozing van water door elke individuele verbruiker van water, ervan uitgegaan dat elke afnemer van water, hetzij van een openbaar waterdistributienetwerk, hetzij door eigen waterwinning, dit water afneemt om het te verbruiken en dit verontreinigd water loost. Zo meteen volgt uit dit artikel dat de waterleveringen aan en door een openbare watervoorzieningsmaatschappij geen door de Oppervlaktewaterwet geviseerde heffingssituatie is omdat deze waterleveringen - per definitie - geen enkel verbruik en a fortiori lozing van water op het grondgebied het weze van het Vlaamse grondgebied of elders tot gevolg hebben. Deze interpretatie van artikel 35bis, ,§3, lid 1, van de Oppervlaktewaterwet is overigens in harmonie met de Europese wetgeving inzake milieu: zo stelt artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag dat "de Gemeenschap (...) in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Gemeenschap" en verder dat het beleid van de Gemeenschap "berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt". Al deze in artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag geciteerde rechtsregels strekken ertoe de verbruikers van water in hun hoedanigheid van vervuilers te belasten teneinde hen aan te zetten tot een zuinig en verantwoord waterverbruik: de bron van de vervuiling gebeurt bij de verbruikers zodat het deze laatsten zijn die dienen geviseerd te worden door de financiële punctie (heffingen, bijdragen of belastingen) waardoor wordt gehoopt dat het hen, in de toekomst, zal aanzetten tot het nemen van voorzorgsmaatregelen en het voeren van een beleid van preventie teneinde minder het milieu te vervuilen tengevolge van hun waterverbruik. De door de verweerster geponeerde en daarbij door het aangevochten arrest bijgetreden interpretatie van de Oppervlaktewaterwet en, meer in het bijzonder artikel 35bis, ,§3, leden 1 en 2 van dito wet, genomen in uitvoering van het milieubeleid uitééngezet in titel XVI oud van het E.G.-Verdrag, is derhalve strijdig met artikel 130, R.2 van het E.G.-Verdrag. Immers, alleen het verbruik van water door de verbruiker heeft lozing en, bijgevolg, vervuiling van het milieu tot gevolg doch niet het louter transport en de levering van water door een aanéénschakeling van openbare waterdistributienetten gerund door openbare watervoorzieningsmaatschappijen, waaronder de eiseres. Inzoverre artikel 35bis, ,§3, lid 1, van de Oppervlaktewaterwet niet anders kan geïnterpreteerd worden dan in een zin strijdig met artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag, dient, krachtens het algemene rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationale recht en communautaire recht op bepalingen van nationaal recht minstens krachtens het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden, voorrang te worden gegeven aan artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag boven artikel 35bis, ,§3, lid 1, van de Oppervlaktewaterwet. 1.2. Het onweerlegbaar wettelijke vermoeden opgenomen in de tweede paragraaf van artikel 35bis, ,§3, lid 2, van de Oppervlaktewaterwet, stellende dat "de persoon waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaams Gewest factureert in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, onweerlegbaar vermoed (wordt) de heffingsplichtige te zijn terzake van het aan hem gefactureerde waterverbruik afgenomen van een openbare watervoorzieningsmaatschappij, onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker van het water", moet en kan eveneens op een wijze worden geïnterpreteerd dat het in harmonie wordt begrepen en toegepast met de beleidslijnen inzake milieu zoals geponeerd door het E.G.-Verdrag. Daarom dient de in het tweede lid van de derde paragraaf van dit artikel gebezigde term "persoon" te worden geïnterpreteerd in die zin dat deze rechtsadressaat effectief ook een verbruiker is van water dat naderhand (na verbruik) door deze persoon wordt geloosd. De term "persoon" mag echter niet worden uitgebreid tot de waterleveringen tussen openbare watervoorzieningsmaatschappijen onderling noch tot de belevering, door deze openbare watervoorzieningsmaatschappijen, van water aan hun afnemers-verbruikers: dit water wordt immers niet door de openbare watervoorzieningsmaatschappijen verbruikt en, bijgevolg, evenmin, door deze laatsten als vervuild water geloosd. Alleen de verbruiker loost het door hem verbruikt en dus vervuild water. Aldus geïnterpreteerd heeft het tweede lid van artikel 35bis, ,§3, van de Oppervlaktewaterwet tot logisch gevolg dat wanneer het transport en de levering van het water gebeuren en gefactureerd worden door de laatste in de rij van openbare watervoorzieningsmaatschappijen aan de eerste verbruiker van het water, deze eerste verbruiker onweerlegbaar vermoed wordt heffingsplichtige te zijn zodat zowel de door de Vlaamse wetgever beoogde efficiëntie in het raam van de vestiging van de heffingen als het respect van de doelstellingen van de hogere normgever, in casu de Europese wetgever, alleen de vervuilers financieel te treffen, beiden worden nageleefd. Paragraaf 5 van artikel 35octies van de Oppervlaktewaterwet stelt overigens dat "de gemeentelijke regies, intercommunales en alle andere maatschappijen die instaan voor een openbare watervoorziening, (...) hun medewerking (verlenen) en (...) aan (de verweerster), uiterlijk op 1 maart van het heffingsjaar, alle gegevens en inlichtingen (verstrekken) die nodig zijn voor de vestiging en inning van de heffing" hetgeen bevestigt dat ook de nationale wetgever oog had voor de bijzondere positie van, onder meer, de maatschappijen, zoals de eiseres, die instaan voor een openbare watervoorziening: immers beschikken deze, gelet op de specificiteit van hun tussenkomst die er één is van doorleveren en leveren van water zonder dit water echter te verbruiken en, bijgevolg, te vervuilen noch te lozen, over de gegevens van wie dit normaliter wel doet. Welnu, deze gegevens dienen zij ter beschikking te stellen van de verweerster opdat deze laatste de heffingen kan vestigen en innen in hoofde van deze in water beleverde verbruikers en dus ook vervuilers en lozers. Dit artikel bevestigt dus het bijzondere statuut van de openbare watervoorzieningsmaatschappijen alsmede van de coherentie van de door de eiseres geponeerde interpretatie. Inzoverre artikel 35bis, ,§3, lid 2, van de Oppervlaktewaterwet niet anders kan geïnterpreteerd worden dan in een zin strijdig met artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag, dient, krachtens het algemene rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationale recht en communautaire recht op bepalingen van nationaal recht minstens krachtens het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden, voorrang te worden gegeven aan artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag boven artikel 35bis, ,§3, lid 2, van de Oppervlaktewaterwet. 2. Zonder nergens de hoedanigheid van waterdistributiemaatschappij in hoofde van de eiseres te betwisten, doch, integendeel, te bevestigen door te stellen dat de eiseres water "verdeelde aan derden" (arrest, nr. 9), beslist het aangevochten arrest dat de verweerster de eiseres als heffingsplichtige vermocht te beschouwen louter op grond van de vaststelling dat zij water van het openbaar waterdistributienet van de BIWM afnam ("dat de rechtsvoorgangers van de eiseres en de eiseres zelf op het grondgebied van het Vlaams Gewest water hebben afgenomen van het openbaar distributienet nl. van de BIWM") en niettegenstaande de vaststellingen dat zij aan de concessiehouders water leverde en dat het deze laatsten waren die het geleverde water loosden ("als heffingsplichtigen te beschouwen zowel de eiseres op grond van het feit dat zij (en haar rechtvoorgangers) water van het openbaar waterdistributienet afnam, als de concessiehouders aan (de eiseres) (en haar rechtsvoorgangers) water leverde op grond van het feit dat zij water loosden"). 3. Door te beslissen dat de eiseres heffingsplichtige is in de zin van artikel 35bis, ,§3, lid 1, van de Oppervlaktewaterwet ongeacht de omstandigheid of de eiseres water heeft verbruikt en heeft geloosd of niet, doch op grond van het loutere feit dat de eiseres op het grondgebied van het Vlaams Gewest water heeft afgenomen, schendt het aangevochten arrest artikel 130, R.2. oud van het E.G.-Verdrag evenals artikel 35bis, ,§3, lid 1, van de Oppervlaktewaterwet; minstens schendt het aangevochten arrest, door aan artikel 35bis, ,§3, lid 1, van de Oppervlaktewaterwet een draagwijdte te geven strijdig met artikel 130, R.2. van het E.G.-Verdrag, het algemene rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationale recht en communautaire recht op bepalingen van nationaal recht alsmede het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden en, voor zoveel als nodig, artikel 159 van de Grondwet. Door te beslissen dat de eiseres heffingsplichtige is in de zin van artikel 35bis, ,§3, lid 1, van de Oppervlaktewaterwet ongeacht de omstandigheid of de eiseres een openbare watervoorzieningsmaatschappij is of niet, doch op grond van het loutere feit dat aan de eiseres door de BIWM in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar water werd geleverd en gefactureerd, schendt het aangevochten arrest artikel 130, R.2. oud van het E.G.-Verdrag even zoals artikel 35bis, ,§3, lid 2, juncto artikel 35octies, ,§5 van de Oppervlaktewaterwet, minstens schendt het aangevochten arrest, door aan artikel 35bis, ,§3, lid 2 juncto artikel 35octies, ,§5, van de Oppervlaktewaterwet een draagwijdte te geven strijdig met artikel 130, R.2. oud van het E.G.-Verdrag, het algemene rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationale recht en communautaire recht op bepalingen van nationaal recht algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden en, voor zoveel als nodig, artikel 159 van de Grondwet. Tweede onderdeel 1. Artikel 172 van de Grondwet verbiedt dat inzake belastingen "voorrechten worden ingevoerd" en beveelt dat "geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet". Het gebruik van het woord "wet" betekent niet dat de bevoegdheid om in vrijstellingen of belastingverminderingen te voorzien aan de federale wetgever wordt voorbehouden doch wel dat niemand aan een belasting kan worden onderworpen of van die belasting kan worden vrijgesteld dan krachtens een door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering uitgevaardigde regel. In lijn met de Grondwet bepaalt artikel 35octies, ,§1 van de Oppervlaktewaterwet dat elke heffingsplichtige "verplicht (
- is)voor 15 maart van elk heffingsjaar een aangifte bij (de verweerster) in te dienen met de nodige gegevens voor de berekening van de vuilvracht". De bedoeling van de wetgever is dus duidelijk dat in hoofde van elke heffingsplichtige de wettelijk verschuldigde heffing zou worden gevestigd en geïnd en met het oog daarop stelt de nationale wetgever een resem van wettelijke middelen ter beschikking van de verweerster. Zo stelt artikel 35novies, ,§1, van de Oppervlaktewaterwet dat "de ambtenaren van (de verweerster) belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing (...) van rechtswege gemachtigd (zijn) zowel bij de heffingsplichtige als derden, alle inlichtingen te nemen, op te zoeken en in te zamelen die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige" en dat deze laatste alsmede elke derde "die over de gevraagde inlichtingen beschikt, (...) verplicht (
- is)deze inlichtingen te verstrekken op ieder verzoek van deze ambtenaren". Op grond van de tweede paragraaf van dit laatste artikel zijn "de ambtenaren van (de verweerster) belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing (...) van rechtswege gemachtigd zowel bij de heffingsplichtige als bij derden alle boeken, stukken en registers op te vragen die kunnen leiden tot de juiste heffing van de heffingsplichtige" en zijn de heffingsplichtige en de derde "die over de gevraagde boeken, stukken of registers beschikt (...) verplicht deze voor te leggen op ieder verzoek van deze ambtenaren" die ze kunnen "meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs". De paragrafen 3 en 4 van artikel 35nocies van de Oppervlaktewaterwet houden nog andere opsporingsmogelijkheden in. De verweerster kan, luidens artikel 35decies van de Oppervlaktewaterwet, "overtredingen (...) alsmede feiten die de verschuldigdheid van een heffing of van een administratieve boete aantonen of ertoe bijdragen, (bewijzen) (...) volgens alle door het gemene recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed". De verweerster beschikt in de door artikel 35duodecies van de Oppervlaktewaterwet in paragraaf 1 opgesomde gevallen, ten slotte, over de mogelijkheid om over te gaan tot een heffing van ambtswege, onder meer, wanneer de heffingsplichtige nagelaten heeft "indien hij daartoe verplicht is, een aangifte of melding in te dienen binnen de in artikel 35octies, ,§1 en ,§2, bepaalde termijn" of "in overeenstemming met artikel 35novies, ,§1, van het decreet de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn". Uit deze artikelen volgt tevens dat verweerster en haar ambtenaren met een taak van openbaar bestuur en meer bepaald met de vestiging en de inning van een met een belasting geapparenteerde bijdrage (in de tekst van de Oppervlaktewaterwet heffing genoemd) zijn belast. De heffing geviseerd in de Oppervlaktewaterwet vormt immers niet de betaling of vergoeding van een dienst die door de overheid wordt geleverd als tegenprestatie voor een bijzondere dienst die de overheid in het persoonlijk belang van de heffingsplichtigen heeft geleverd, of voor een rechtstreeks en bijzonder voordeel dat zij hun heeft toegestaan en dat in redelijke verhouding moet staan tot het belang van de verstrekte dienst. Aan de verweerster dringen zich dus de algemene rechtsbeginselen inzake publiek en administratief recht en inzake fiscaal recht op. Zo komt in casu meer bepaald in aanmerking het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten en, voor zoveel als nodig, het algemene rechtsbeginsel van de niet-discriminatie en het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid, zoals verwoord in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarvan het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten en artikel 172 van de Grondwet zelf toepassingen van zijn. Vervolgens, komt in het toepassingsgebied van huidige zaak het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel dat door elke instantie, belast met de uitoefening van een deel van het openbare gezag, in aanmerking dient te worden genomen. Telkens komt daarbij eveneens in aanmerking het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden waaronder het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur. Dit algemene rechtsbeginsel vormt een bredere toepassing van de rechtsregel die in artikel 159 van de Grondwet staat verwoord. Deze algemene rechtsbeginselen evenals artikel 172 van de Grondwet werden in onderhavige zaak geschonden doordat het aangevochten arrest, niettegenstaande de hierboven opgesomde wetsbepalingen, het verweer van de eiseres dat de wettelijkheid bekritiseerde van het beleid van de verweerster erin bestaande in hoofde van sommige heffingsplichtigen een heffing te vestigen en in hoofde van de anderen niet naargelang door hen een aangifte werd ingediend of niet, verwierp. De eiseres beschikt over het vereiste belang om de onwettigheid van dergelijk beleid op te werpen omdat het resultaat ervan is dat zij de kost van het voorschieten van de heffingen dient te dragen en het risico van de insolvabiliteit van de heffingsplichtigen draagt. Dit beleid van vestiging van de heffing in hoofde van alleen diegenen die een aangifte doen en van vestiging van de verschuldigde heffing in hoofde van de eiseres met als gevolg dat het aan deze laatste toekomt om de heffing te verhalen van de heffingsplichtigen die geen aangifte hebben verricht, is onwettig om de volgende redenen. 1.1. Vooreerst is het strijdig met artikel 172 van de Grondwet alsmede met het algemene rechtsbeginsel dat de gelijkheid voor de openbare lasten poneert. De heffingsplichtigen ten gevolge van het waterverbruik op de luchthaven van Brussel-Nationaal en de daarbij gepaard gaande vervuiling en lozing ervan, vormen een zelfde categorie waarin een gedooghouding van de verweerster, geen onderscheid vermag te maken. De door de verweerster aangenomen houding maakt ten aanzien van heffingsplichtigen die geen aangifte verrichten, wel degelijk een gedoogbeleid uit: heffingsplichtigen zijn immers luidens artikel 35octies, ,§1, van de Oppervlaktewaterwet "verplicht voor 15 maart van elk heffingsjaar een aangifte bij (de verweerster) in te dienen met de nodige gegevens voor de berekening van de vuilvracht" en de verweerster beschikt op grond van de artikelen 35octies, 35novies, 35decies en 35duodecies van de Oppervlaktewaterwet over alle wettelijke middelen om in hoofde van de werkelijke verbruikers en lozers van vervuild water de verschuldigde heffingen te vestigen en te innen. Dergelijk onderscheid louter gesteund op een gedoogbeleid vanwege de verweerster, in haar hoedanigheid van persoon gelast met de uitoefening van een deel van de openbare macht, vermag echter niet strijdig te zijn met hogere normen. Zoals in het eerste onderdeel al aangetoond, is dergelijk gedoogbeleid niet alleen in strijd met de draagwijdte van artikel 130, R. 2. (oud) van het E.G.-Verdrag maar heeft het ook tot gevolg dat diegene, waarvan het nochtans de wil is van zowel de communautaire als de nationale wetgever dat hij bezwaard wordt met een heffing tengevolge van een bepaalde handeling (in casu het verbruiken van water met de lozing op het grondgebied van het Vlaams Gewest van vervuild water tot gevolg), al was het maar op een in de tijd uitgestelde wijze of met een verhoogd risico daaraan ontsnapt, met als gevolg een schending van artikel 172 van de Grondwet en van het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten en van, voor zoveel als nodig, het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid en het algemene rechtsbeginsel van de niet-discriminatie, zoals verwoord in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Inzoverre dit gedoogbeleid haar wettelijke basis zou vinden in de Oppervlaktewaterwet, volgens het aangevochten arrest in artikel 35bis, ,§3, lid 2, ervan, deze wettelijke bepalingen alsdan strijdig zijn met artikel 130, R.2. (oud) van het E.G.-Verdrag, met artikel 172 van de Grondwet en met het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten en, voor zoveel als nodig, met het algemene rechtsbeginsel van de gelijkheid en met het algemene rechtsbeginsel van de niet-discriminatie, zoals verwoord in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Deze schendingen uiten zich niet alleen in de categorie van de heffingsplichtigen onderling, met name tussen diegenen die een aangifte hebben verricht en diegenen die dat niet hebben gedaan, doch ook tussen de heffingsplichtigen die geen aangifte hebben gedaan, enerzijds, en de eiseres, anderzijds, die de door de verweerster lastens haar gelegde heffing niet alleen moet voorschieten doch eveneens de lasten moet dragen om het op de heffingsplichtigen die geen aangifte hebben gedaan te verhalen en ondertussen het solvabiliteitsrisico van deze heffingsplichtigen moet dragen. 1.2. Vervolgens is dergelijk beleid van de verweerster in strijd met het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden waaronder het rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur. Zoals in het eerste onderdeel en hierboven sub 1.1. aangegeven, staat het gedoogbeleid van de verweerster haaks op hogere communautaire verdragsbepalingen, zoals artikel 130, R.2. (oud) van het E.G.-Verdrag en op grondwettelijke normen, zoals artikel 172 van de Grondwet, schendt daarom het algemene rechtsbeginsel van de het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationale recht en communautaire recht op bepalingen van nationaal recht, alsmede het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden waarvan artikel 159 van de Grondwet een toepassing van is. Inzoverre zou geoordeeld worden dat het gedoogbeleid van de verweerster niet strijdig zou zijn met de aangegeven artikelen van het E.G.-Verdrag en de Grondwet, blijft het strijdig met het zorgvuldigheidsbeginsel dat, ten aanzien van een met de openbare macht beklede openbare instelling zoals de verweerster, moet worden beschouwd als een hogere norm. Het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede artikel 35duodecies van de Oppervlaktewaterwet leggen aan de verweerster, in haar hoedanigheid van instantie die met de uitoefening van een deel van de openbare macht is belast en meer bepaald met de inning van lasten (heffingen genoemd), de verplichting om, na alle maatregelen geboden door de artikelen 35octies, 35novies, 35decies en 35duodecies van de Oppervlaktewaterwet te hebben aangewend, over te gaan "tot een heffing van ambtswege op grond van de gegevens die zij beschikt, in de gevallen waarin de heffingplichtige nagelaten heeft" onder meer "een aangifte of een melding in te dienen binnen de in artikel 35octies, ,§1 en ,§2, bepaalde termijn" of nog voorzover de door de eiseres aan de verweerster meegedeelde informatie onvoldoende zou zijn geweest "in overeenstemming met artikel 35novies, ,§1, van het decreet de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn". 2. Het gedoogbeleid van de verweerster dat erin bestaat slechts een heffing te vestigen in hoofde van de concessiehouder-verbruikers die een aangifte hebben ingediend doch in hoofde van de eiseres een heffing te vestigen voor het overige waterverbruik op de luchthaven van Brussel-Nationaal en daaruit voortvloeiende lozing door de concessie-houders-verbruikers die geen aangifte hebben verricht en aldus de eiseres op te zadelen met de uitoefening van het regres tegen deze laatste categorie van verbruikers niettegenstaande het tussen partijen geen betwist feit was dat de verweerster over alle gegevens beschikte om rechtstreeks een heffing te vestigen in hoofde van deze verbruikers, wordt door het aangevochten arrest geldig bevonden op grond van de vaststelling dat het "een belangrijk instrument van vereenvoudiging" is en "in overeenstemming is met de meest voorkomende situatie waarbij gefactureerd wordt aan de afnemer, die meestal ook de verbruiker is" zodat aldus "vermeden wordt dat voor de inning van de belasting door (de verweerster) moet onderzocht worden wie de werkelijke verbruiker van het gefactureerde water is, en zij zich op de door de wetgever gewilde vereenvoudiging mag steunen om zich enkel te wenden tot diegene aan wie gefactureerd werd, en niet verplicht is onderzoek naar de werkelijke verbruikers te doen". 3. Door te beslissen dat de verweerster niet verplicht is zich te wenden tot de werkelijke verbruikers van het door de eiseres, via haar waterdistributienetwerk, geleverd water, schendt het aangevochten arrest artikel 172 van de Grondwet en de artikelen 35octies, ,§1, 35novies, 35decies en 35duodecies, ,§1, 1° en 2°, van de Oppervlaktewaterwet alsmede de algemene rechtsbeginselen van gelijkheid voor de openbare lasten en, voor zoveel als nodig, van gelijkheid en van niet-discriminatie, zoals verwoord in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, minstens, mocht artikel 35bis, ,§3, lid 2, van de Oppervlaktewaterwet een wettelijke basis uitmaken voor het door verweerster gevoerde gedoogbeleid, schendt het aangevochten, door aan artikel 35bis, ,§3, lid 2, van de Oppervlaktewaterwet een draagwijdte te geven strijdig met artikel 130, R.2. (oud) van het E.G.-Verdrag en met artikel 172 van de Grondwet, artikel 159 van de Grondwet en het algemene rechtsbeginsel van het primaat van bepalingen met rechtstreekse werking van het internationale recht en communautaire recht op bepalingen van nationaal recht alsmede het algemene rechtsbeginsel van het verbod van toepassing door de rechter van een beslissing, met name een norm, waarbij een hogere bepaling wordt geschonden. Door de houding van de verweerster te beamen die nagelaten heeft de artikelen 35octies, ,§1, 35novies en 35decies van de Oppervlaktewaterwet toe te passen evenmin als artikel 35duodecies, ,§1, 1° en 2°, van de Oppervlaktewaterwet, schendt het aangevochten arrest het algemene rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid de zorgvuldigheidsplicht. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel De eiseres legt niet uit waarom de appelrechters artikel 159 van de Grondwet hebben geschonden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Artikel 35bis, ,§3, eerste lid, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (Oppervlakte-waterwet), zoals gewijzigd door het decreet van de Vlaamse Raad van 25 juni 1992, bepaalt dat voor de toepassing van dit decreet, als een aan de heffing onderworpen heffingsplichtige wordt beschouwd, elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaams Gewest water heeft afgenomen van een openbaar distributienet of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt of op dit grondgebied water heeft geloosd, ongeacht de oorsprong van het water. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor de toepassing van dit decreet de persoon waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaams Gewest factureert in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, onweerlegbaar vermoed wordt de heffingsplichtige te zijn terzake van het aan hem gefactureerde waterverbruik afgenomen van een openbare watervoorzienings-maatschappij, onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker van het water. Artikel 130 R van het E.G.-Verdrag, zoals in voege voor de consolidatie te Amsterdam op 2 oktober 1997, bepaalt onder 2. dat de Gemeenschap in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Gemeenschap en dat haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen en op het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en op het beginsel dat de vervuiler betaalt. Voormeld artikel 35bis, ,§3, Oppervlaktewaterwet laat de hoedanigheid van heffingsplichtige, die voortvloeit uit de afname van water op het grondgebied van het Vlaams Gewest van een openbaar distributienet, niet afhangen van de omstandigheid dat de afnemer het afgenomen water heeft gebruikt of geloosd, noch van de omstandigheid dat de afnemer een openbare watervoorzienings-maatschappij is of niet. Aangezien een aantal doelstellingen en beginselen van artikel 130 R oud EG-Verdrag, tegen elkaar moeten worden afgewogen en wegens de ingewikkeldheid van de toe te passen criteria, de rechterlijke toetsing noodzakelijk moet beperkt blijven tot de vraag, of de wetgever de voorwaarden voor de toepassing van artikel 130 R kennelijk verkeerd heeft beoordeeld (Arrest Hof van Justitie, 14 juli 1998, in de zaak C-341/95, randnummer 35). De interpretatie die het bestreden arrest heeft gegeven, is conform de bewoordingen van artikel 35bis, ,§3, Oppervlaktewaterwet en is niet kennelijk in strijd met artikel 130 R.2 oud EG-Verdrag. De heffingsregeling heeft het beginsel van het verdrag "de vervuiler betaalt" als uitgangspunt, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding. De regeling verwezenlijkt dit beginsel hetzij rechtstreeks wanneer de heffingsplichtige de werkelijke verbruiker is, hetzij onrechtstreeks wanneer de onweerlegbaar vermoede heffingsplichtige niet de werkelijke verbruiker is of zoals hier slechts ten dele de werkelijke verbruiker is, doordat de heffingsplichtige hoe dan ook verhaal heeft op de werkelijke verbruiker, waardoor deze uiteindelijk de heffing draagt. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de interpretatie van het bestreden arrest strijdig is met artikel 35bis, ,§3, Oppervlaktewaterwet en met artikel 130 R oud EG-Verdrag, zoals het destijds bestond, faalt het naar recht. De aangevoerde miskening van het algemeen rechtsbeginsel van het primaat van de bepalingen met rechtstreekse werking van het internationaal en communautair recht en van het algemeen rechtsbeginsel dat het de rechter verboden is een norm toe te passen die in strijd is met een hogere norm, is volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde strijdigheid tussen artikel 130 R oud EG-Verdrag, zoals het destijds bestond, en artikel 35bis, ,§3, Oppervlaktewaterwet. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel Indien de heffing op de waterverontreiniging wordt gevestigd ten name van de onweerlegbaar vermoede heffingsplichtige, is deze gehouden tot betaling van de heffing. De heffingsplichtige kan de heffing echter verhalen op de werkelijke verbruiker indien hij zelf niet de werkelijke verbruiker is. De werkelijke verbruiker wordt niet vrijgesteld van de heffing wanneer deze heffing niet te zijnen laste wordt gevestigd. De werkelijke verbruiker die niet rechtstreeks wordt belast, geniet dan ook geen voorrecht, zodat het bestreden arrest dat de wettelijkheid van de wijze van heffing overeenkomstig artikel 35bis, ,§3, Oppervlaktewaterwet erkent, artikel 172 van de Grondwet niet schendt. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen. Het onderdeel legt niet uit waardoor de aangevochten beslissing artikel 35octies en artikel 35decies Oppervlaktewaterwet schendt. Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. Uit hetgeen hiervoor onder randnummer 10 is uiteengezet, volgt dat de verweerster geen "gedoogbeleid" voert ten aanzien van de verbruiker die geen aangifte doet en derhalve niet rechtstreeks wordt belast. Het onderdeel dat voor het overige geheel ervan uitgaat dat dit wel het geval is, mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres in de kosten. De kosten zijn begroot op de som van 141,65 euro jegens de eisende partij. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Ghislain Londers, Paul Maffei en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van 20 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061020.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2014:CONC.20140403.10 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180125.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div